RaboResearch - Economisch Onderzoek

Bevolkingsprognose Nederland opnieuw naar boven bijgesteld

Themabericht

Delen:
  • Verwachting CBS: Nederland zal in 2060 18,2 miljoen inwoners tellen
  • Tot 2040 neemt de bevolkingsomvang nog toe, daarna is sprake van stagnatie
  • Het niveau van de natuurlijke aanwas heeft een lange golflengte, maar het migratiesaldo fluctueert sterk van jaar tot jaar

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakte onlangs zijn nieuwe bevolkingsprognose voor de komende decennia bekend. Demografische krimp lijkt voor ons land als geheel niet aan de orde te zijn. De Nederlandse bevolking zal naar verwachting toenemen tot 18,2 miljoen personen in 2045, zich daarna een aantal jaren rond dat niveau stabiliseren en vervolgens langzaam verder groeien (figuur 1). Niet alleen de bevolkingstoename, maar ook de vergrijzing zal zich in de komende decennia voortzetten. Zowel het aantal ouderen als hun aandeel in de bevolking zal sterk toenemen. Pas in het begin van de jaren veertig –zeventig jaar na het einde van de babyboom– zal een einde komen aan de vergrijzing (figuur 2). Er zullen dan ruim 4,8 miljoen personen van 65 jaar of ouder zijn, die goed zullen zijn voor 27% van de Nederlandse bevolking. Van ontgroening is echter niet of nauwelijks sprake. Het aantal personen van twintig jaar of jonger schommelt tot 2060 rond 3,8 miljoen. Hun aandeel in de Nederlandse bevolking zal slechts een kleine daling vertonen tot 21%.

Figuur 1: Prognose ontwikkeling bevolkingsomvang 2015-2060
Figuur 1: Prognose ontwikkeling bevolkingsomvang 2015-2060Bron: CBS
Figuur 2: Prognose leeftijdssamenstelling bevolking 2015-2060
Figuur 2: Prognose leeftijdssamenstelling bevolking 2015-2060Bron: CBS

De lange golf van de geboorten...

De ontwikkeling van de bevolkingsomvang is het resultaat van geboorten en sterfte –natuurlijke aanwas– aan de ene kant en immigratie en emigratie aan de andere kant. De toekomstige ontwikkeling van geboorten en sterfte laat zich goed voorspellen uit het geboortecijfer in het verleden en uit de leeftijdssamenstelling van de bevolking. In het begin van de jaren zeventig nam het aantal geboorten ten opzichte van de bevolking sterk af door de emancipatie en dankzij de vergoeding van de anticonceptiepil uit het Ziekenfonds. Tijdens de babyboom (1941-1975) schommelde dit geboortecijfer rond 2%, maar sinds de daling is het half zo hoog. Het aandeel in de bevolking van de leeftijdscohorten die na de daling werden geboren is daardoor kleiner dan het aandeel van ‘babyboomers’. Het grote aandeel van de babyboomgeneratie leidt met het verstrijken van de tijd tot een toename van het aandeel van ouderen in de bevolking. Er is daardoor sinds de jaren zeventig sprake van ontgroening en vergrijzing.

Het aantal geboorten en sterfgevallen wordt niet alleen beïnvloed door de relatieve geboorte- en sterftecijfers, maar ook door de leeftijdssamenstelling van de bevolking. Het aantal personen in de vruchtbare leeftijd bepaalt in grote mate het aantal geboorten; het aantal ouderen bepaalt de sterfte. De daling van het geboortecijfer die het einde van de babyboomperiode inluidde, leidde tot een sterke afname van het aantal geboorten. Maar toen de grote babyboomgeneraties in de jaren tachtig de vruchtbare leeftijd bereikten, nam het aantal geboorten weer toe (figuur 3). Doordat de ‘huwelijksvruchtbaarheid’ veel lager is, werd het aantal geboorten niet zo groot als tijdens de babyboom zelf. Inmiddels is de gezinsvorming ook voor de laatste cohorten van de babyboom afgerond en is het aantal geboorten weer gedaald. Doordat de kleinkinderen van de babyboomers in de komende jaren aan gezinsvorming zullen beginnen, bevindt ons land zich echter aan de vooravond van een nieuw geboortegolfje. Net als de beide voorgaande golven zal ook deze naar verwachting dertig jaar duren. Het aantal geboorten zal echter opnieuw kleiner zijn dan in de voorgaande golf. In Nederland is dus sprake van een opeenvolging van geboortegolven met een behoorlijk vaste golflengte –dertig jaar– maar met een afnemende amplitude (het aantal geboorten).

... en sterfte

Dankzij de introductie van de waterleiding en de zuigelingenzorg nam de sterfte in ons land in het begin van de twintigste eeuw af tot minder dan 1% van de bevolking per jaar. Hoewel het sterftecijfer zich nog altijd op dit –historisch lage– niveau bevindt, neemt het aantal sterfgevallen door de toename van het aantal ouderen wel gestaag toe. Vanaf het midden van het volgende decennium –als de grote cohorten uit de babyboom-periode op leeftijd raken– wordt een versnelling van deze toename verwacht (figuur 4). Opmerkelijk is echter dat het aantal sterfgevallen sinds het midden van het vorige decennium is gedaald door een gezondere levensstijl en betere medische zorg. De levensverwachting in ons land neemt daardoor sterk toe. De versnelling van de toename van het aantal sterfgevallen is daardoor uitgesteld. In de huidige prognose zal het toenemende aantal sterfgevallen het afnemende aantal geboorten rond 2040 gaan overtreffen. De natuurlijke aanwas zal dan omslaan in een sterfteoverschot.

Figuur 3: (Prognose) aantal geboorten 1950-2060
Figuur 3: (Prognose) aantal geboorten 1950-2060Bron: CBS
Figuur 4: (Prognose) sterfte 1950-2060
Figuur 4: (Prognose) sterfte 1950-2060Bron: CBS

Levensverwachting

Het CBS verstaat onder levensverwachting: “het aantal jaren dat iemand van een geselecteerde leeftijd naar verwachting nog te leven heeft onder de veronderstelling dat de sterftekansen (...) in de toekomst niet zullen veranderen”. Voor de huidige bevolking bedraagt de levensverwachting bij geboorte ruim 83 jaar voor vrouwen en ruim 79 jaar voor mannen. In 1950 waren die verwachtingen respectievelijk bijna 73 en ruim 70 jaar. Zowel voor mannen als voor vrouwen is de levensverwachting in de afgelopen decennia dus fors toegenomen en ook in de komende decennia zal de levensverwachting sterk stijgen. In de afgelopen twintig jaar hebben de CBS-prognoses bovendien vrijwel voortdurend een stijging van de levensverwachting bij geboorte laten zien (figuur 5). De prognoses uit 1996 en 2015 tonen voor 2040 een verschil in levensverwachting voor vrouwen van vijf jaar. Het verschil tussen de prognoses van 2010 en 2015 in verwachting voor 2060 bedraagt bijna vier jaar. Rond die tijd zal de levensverwachting voor vrouwen voor het eerst de grens van 90 jaar passeren.

Mannen worden gemiddeld minder oud dan vrouwen, maar hebben in de afgelopen twintig jaar hun achterstand op vrouwen qua levensverwachting wel hard ingelopen. Het verschil in levensverwachting was in 1996 nog 5,7 jaar, maar bedraagt nu ruim 3,5 jaar. Tot 2012 voorzagen de CBS-prognoses een verdere afname van dit verschil tussen mannen en vrouwen, maar sindsdien neemt het weer licht toe. Mannen die in 2060 worden geboren, zullen –net als de huidige generaties mannen– naar verwachting 3,5 jaar minder te leven hebben dan vrouwen uit dat jaar.

Figuur 5: Prognose levensverwachting vrouwen bij geboorte 1996-2060
Figuur 5: Prognose levensverwachting vrouwen bij geboorte 1996-2060Bron: CBS
Figuur 6: Verschil in levensverwachting bij geboorte tussen vrouwen en mannen 1996-2060
Figuur 6: Verschil in levensverwachting bij geboorte tussen vrouwen en mannen 1996-2060Bron: CBS

Volatiele migratie

Anders dan het patroon van geboorten en sterfte in ons land is het migratiesaldo zeer volatiel. Onder invloed van de globalisering van de economie, politieke, religieuze en militaire conflicten en de beschikbaarheid van communicatiemiddelen zijn de mondiale migratiestromen in de afgelopen decennia sterk in omvang toegenomen. Er is een trek van door armoede en geweld geteisterde delen van de wereld naar de ‘vleespotten van Egypte’ in het Westen. Fluctuaties in de conjunctuur zorgen hooguit voor een vertraging en versnelling van deze stroom. West-Europa heeft als gevolg van de vluchtelingencrisis in het Midden-Oosten nu te maken met een zeer forse immigratiestroom en in het kielzog daarvan met een versnelling van de bevolkingsgroei. Ook in ons land is dat het geval (figuur 7). Het migratiesaldo is nu veel groter dan de natuurlijke aanwas. Omvang en duur van deze migratiegolven laten zich weliswaar niet voorspellen, maar het CBS verwacht dat de huidige forse instroom van tijdelijke aard zal zijn. Daarom gaat het in zijn prognose voor de jaren na 2020 uit van een stabiel en veel lager jaarlijks migratiesaldo. Met 0,1% van de bevolking bevindt dat saldo zich zelfs onder het gemiddelde migratiesaldo van de afgelopen decennia (0,3%). Toch zal dit migratiesaldo vanaf het begin van de jaren dertig hoger zijn dan de natuurlijke aanwas en vanaf 2040 –als de sterfte het aantal geboorten zal overtreffen– zal het naar verwachting voorkomen dat het inwonertal afneemt. 

Een traditie van prognoses

De huidige bevolkingsprognose maakt deel uit van een lange reeks. Markant waren de prognoses uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Deze voorspelden dat Nederland op dit moment meer dan twintig miljoen inwoners zou tellen. De resultaten van de prognoses die sinds 1996 zijn gedaan, zijn online beschikbaar. Sinds dat jaar kan daardoor de ontwikkeling die deze prognoses hebben doorgemaakt worden gevolgd. Zo is de verwachte bevolkingsomvang ten opzichte van de vorige prognose (2014) in de huidige prognose naar boven bijgesteld. Voor 2025 bedraagt de ophoging 92 duizend inwoners en voor 2060 118 duizend. Deze verhoging zet de trend voort die in 2006 is ingezet. In de prognose van 2006 werden voor ons land in 2050 16,8 miljoen inwoners voorspeld, maar in de prognoses uit de jaren daarna werd deze voorspelling telkens naar boven bijgesteld (figuur 8). De huidige prognose spreekt van 18,1 miljoen inwoners in dat jaar. In nog geen tien jaar is de prognose voor het midden van deze eeuw dus met 1,3 miljoen inwoners verhoogd. Dat is een stijging van bijna 8%.

Ook in de periode 1996-2000 was sprake van zo’n opwaartse bijstelling, maar in de prognoses van 2002 tot en met 2006 is de voorspelde bevolkingsomvang steeds naar beneden bijgesteld. De bijstellingen in de prognoses en de omslagen daarin weerspiegelen de ontwikkeling van het aantal geboorten en de immigratie in het jaar waarin de prognose is opgesteld en in het jaar daarvoor. Als het aantal geboorten en immigranten in deze jaren afneemt, wordt de voor 2050 voorspelde bevolkingsomvang in vergelijking met de vorige prognose kleiner. Als het aantal geboorten en immigranten toeneemt, wordt de voorspelling voor de bevolkingsomvang in 2050 hoger. De samenhang van de bevolkingsprognose met sterfte en emigratie is minder sterk. Overigens lopen de prognoses onderling meer uiteen naarmate het prognosejaar verder is verwijderd. De verwachte bevolkingsomvang voor 2015 varieert in de jongste prognoses nauwelijks.

Figuur 7: Samenstelling bevolkingsontwikkeling 2015-2060
Figuur 7: Samenstelling bevolkingsontwikkeling 2015-2060Bron: CBS
Figuur 8: Prognose bevolkingsomvang 1997-2060
Figuur 8: Prognose bevolkingsomvang 1997-2060Bron: CBS

Net zoals de prognose van 2015 lieten ook de voorgaande prognoses het op de leeftijdssamenstelling van de bevolking gebaseerde golfpatroon in geboorten en sterfte zien. De golflengte van deze patronen komt in de verschillende prognoses overeen, en de golven zijn ook allemaal in fase. Oftewel, stijging en daling van het aantal geboorten en sterfgevallen vindt in alle prognoses op hetzelfde moment in de tijd plaats. Als gevolg daarvan komt ook het patroon van de natuurlijke aanwas in de verschillende prognoses overeen (figuur 9). 

Prognose migratie volgt waan van de dag

In tegenstelling tot de verwachting voor de natuurlijke aanwas is de verwachting voor het migratiesaldo voortdurend naar beneden bijgesteld (figuur 10).

Figuur 9: Verwachte natuurlijke aanwas 1997-2060
Figuur 9: Verwachte natuurlijke aanwas 1997-2060Bron: CBS
Figuur 10: Verwacht migratiesaldo 1997-2060
Figuur 10: Verwacht migratiesaldo 1997-2060Bron: CBS

Op het eerste gezicht zijn de voorspellingen van het migratiesaldo bovendien minder eenduidig dan die van de natuurlijke aanwas. Voor de lange termijn laten alle prognoses weliswaar een stabiel en laag migratiesaldo zien, maar voor de eerste jaren na de prognose is sprake van een sterke fluctuatie in het voorspelde migratiesaldo (figuur 11). De richting van de fluctuatie –een hoog of juist een laag migratiesaldo– wordt bepaald door het migratiesaldo in het jaar waarin de prognose is opgesteld en in het jaar ervoor. Een hoog saldo in deze beide jaren heeft een hoge prognose tot gevolg, een laag saldo een lage prognose. De prognoses van het migratiesaldo zijn daardoor in fase met elkaar (figuur 12). De verwachting voor het migratiesaldo in 2016 uit de jongste prognose ligt gezien het hoge saldo in 2014 dan ook in de lijn der verwachting, maar lijkt onder invloed van de huidige stroom immigranten nog te zijn verhoogd.

Figuur 11: Verwacht migratiesaldo per jaar na prognose 1996-2015
Figuur 11: Verwacht migratiesaldo per jaar na prognose 1996-2015Bron: CBS
Figuur 12: Verwacht migratiesaldo voor eerste jaren na prognose en migratiesaldo in twee jaren voor prognose
Figuur 12: Verwacht migratiesaldo voor eerste jaren na prognose en migratiesaldo in twee jaren voor prognoseBron: CBS

Conclusies

De bevolkingsomvang van ons land zal in de komende decennia nog toenemen. Daardoor zal Nederland in 2060 18,2 miljoen inwoners tellen. Tot 2040 dragen de natuurlijke aanwas en het migratiesaldo beide aan deze groei bij, maar in de jaren daarna zal sprake zijn van een sterfteoverschot. Door het verwachte positieve migratiesaldo dat wordt verwacht zal de bevolkingsomvang echter toch stabiel blijven.

De toename van de levensverwachting die we in de afgelopen decennia hebben ervaren, zal zich ook in de komende decennia voordoen. De levensverwachting bij geboorte zal tot 2060 met zeven jaar toenemen. Het verschil in levensverwachting tussen vrouwen en mannen handhaaft zich daarbij naar verwachting op het huidige niveau van 3,5 jaar.

Delen:
Auteur(s)

naar boven