RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Theresa May moet ongebaande WTO-paden bewandelen

Themabericht

Delen:

Een versie van dit Themabericht is verschenen op MeJudice, 25 augustus 2016

  • De economische schade die de Britten oplopen bij uittreding uit de Europese Unie (EU) kan groter uitvallen dan velen momenteel voor ogen hebben
  • De Britten zullen waarschijnlijk niet alleen met de EU (en derden) moeten onderhandelen over nieuwe handelsvoorwaarden, maar ook met alle andere 162 leden van de WTO
  • Deze onderhandelingen zullen waarschijnlijk veel tijd in beslag nemen
  • Dit leidt tot langdurigere onzekerheid en meer handelsbelemmeringen, wat de Britse handel hard kan raken

De economische schade die de Britten oplopen bij uittreding uit de Europese Unie (EU) kan groter uitvallen dan velen momenteel voor ogen hebben. Alom wordt gedacht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) na een Brexit altijd nog terug zou kunnen vallen op het regime van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Dat is echter allerminst zeker. De Britten zullen waarschijnlijk niet alleen met de EU (en derden) moeten onderhandelen over nieuwe handelsvoorwaarden, maar ook met alle andere 162 leden van de WTO. Dit leidt tot langdurigere onzekerheid en meer handelsbelemmeringen, wat de Britse handel hard kan raken.

Alternatieven voor het Britse EU-lidmaatschap

Zodra de Britse premier May Artikel 50 van het Lissabon Verdrag heeft ingeroepen, start de uittreding van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU). Daarmee starten ook de (handels-)onderhandelingen tussen beide partijen. Een eerste onderhandelingsalternatief is het lidmaatschap van de Europese Economische Ruimte (EER, figuur 1). Dat zou de Britten bijna volledige toegang geven tot de Europese interne markt. Toch is het geen aantrekkelijk alternatief, omdat het geen autonomie over immigratiebeleid oplevert. En dat was nu juist een belangrijk motief voor veel Britten om voor een Brexit te stemmen.

Een tweede mogelijkheid is dat de Britten een bilateraal verdrag sluiten met de EU, zoals Zwitserland heeft gedaan. Bij een bilateraal verdrag is er meer ruimte voor maatwerk. In de onderhandelingen met de EU zullen de Britten waarschijnlijk inzetten op zowel vrij immigratiebeleid als gunstige handelsafspraken over goederen en diensten, waaronder behoud van het bankpaspoortrecht. De EU zal op haar beurt echter niet kunnen toegeven aan alle Britse wensen. Een toegeeflijke houding van de EU in de onderhandelingen zou immers een domino-effect kunnen opleveren. Bovendien heeft de EU altijd duidelijk gemaakt dat er niet selectief kan worden gewinkeld in de vier vrijheden die de interne markt vormen. Het is vrij verkeer van goederen, diensten, personen én kapitaal, of geen vrij verkeer.

Mochten de onderhandelingen met de EU mislukken, dan komt het derde alternatief in beeld: handel op grond van het lidmaatschap van de WTO. Dat is het minst gunstige scenario, omdat er dan zeker handelsbarrières in de vorm van tarieven en regelgeving ontstaan. Maar zelfs het WTO-lidmaatschap is onzeker. Het VK verkeert straks namelijk in een situatie waar de WTO nog geen procedures voor heeft. Nog nooit stapte een land uit een economische unie die lid was van de WTO. Theresa May zal daarom naast de uittreding uit de EU nóg een ongebaand pad moeten bewandelen. Zij zal moeten onderhandelen over het lidmaatschap met de WTO. Dat de Brexit-route via het WTO-lidmaatschap veel onzekerder is dan gedacht, betekent tegelijk dat de Britse positie in de onderhandelingen met de EU zwakker is.

Figuur 1: Handelsscenario’s na de Brexit: onbekende WTO- en EU-paden
Figuur 1: Handelsscenario’s na de Brexit: onbekende WTO- en EU-padenBron: Rabobank

De onderhandelingen met de WTO zullen waarschijnlijk veel tijd in beslag nemen

Waarschijnlijk kan het VK wel lid blijven van de WTO na de Brexit (het VK is nu nog via zijn lidmaatschap van de EU lid van de WTO). Het is echter nog onzeker onder welke voorwaarden dit kan, en welke handelsafspraken dan zullen gelden. De directeur-generaal van de WTO, Roberto Azevêdo, heeft aangegeven dat de Britten de handelsafspraken met de WTO mogelijk vanaf de grond zullen moeten opbouwen. Zij zullen moeten onderhandelen over de markttoegang van importen. Hieronder valt de hoogte van de importtarieven per productgroep, tariefcontingenten en de markttoegang van diensten (zie box 1). Dit is een complex proces, want het VK moet met alle WTO-landen overeenstemming bereiken. De geschiedenis leert dat onderhandelingen met nieuwe toetreders gemiddeld ruim negen jaar duren (WTO, 2015). Ook de onderhandelingsrondes nemen vaak vele jaren in beslag. De laatste ronde, de Doha-ronde, loopt al sinds 2001. Terwijl het VK maar twee jaar de tijd heeft, waarin het ook de handelsrelatie met de EU en andere belangrijke handelspartners zal moeten veiligstellen. Het is zelfs onbekend of de Britten de officiële onderhandelingen met de WTO al kunnen starten tijdens de uittredingsperiode uit de EU, omdat ze dan formeel nog lid zijn van de EU. Het slechtst denkbare scenario voor de Britten is dat ze de EU verlaten zonder handelsafspraken met de WTO.

Gevolgen voor de Britse handel als het VK de EU verlaat zonder afspraken met de WTO

Mogelijk zal er dan een overgangsperiode zijn, waarin het VK tijdelijk de afspraken over tarieven en diensten van de EU kan overnemen totdat het zelf afspraken heeft gemaakt. In dat geval zouden de tarieven voor exporteurs uit Nederland of andere WTO-leden neerkomen op de tarieven die de EU hanteert (zie de WTO-site voor de tarieven op specifieke producten).

Als de Britten de afspraken van de EU niet kunnen overnemen, zal het VK waarschijnlijk tijdelijk unilateraal importtarieven of markttoegang voor diensten kunnen vaststellen. Ook dat is tijdelijk, totdat er handelsafspraken met de WTO-leden zijn gemaakt. Dat kan echter tot weerstand bij de overige WTO-leden leiden. Het is aannemelijk dat WTO-leden het niet zullen accepteren dat de Britse export profiteert van lage importtarieven die ze onderling afspreken, terwijl de Britten de hoogte van hun eigen importtarieven in alle vrijheid kunnen vaststellen. Een verlaging van de tarieven leidt waarschijnlijk tot minder weerstand bij de WTO-leden, maar biedt tegelijkertijd ook minder bescherming aan de Britse industrieën. Dit kan tot onvrede leiden bij de Britse bevolking en politiek.

Britse exporteurs zullen na de Brexit, met of zonder bekrachtigd WTO-lidmaatschap, waarschijnlijk direct te maken krijgen met de importtarieven van de WTO-landen[1]. Vanwege het principe van de meest begunstigde natie (MFN, zie box 1) zijn de afgesproken tarieven en afspraken over de toegang van diensten ook van toepassing op de Britse export.

Box 1: Wereldhandelsorganisatieprincipes

Er zijn 163 landen lid van de Wereldhandelsorganisatie en het doel van deze organisatie is de bevordering van de internationale handel. Dat doet ze door het afschaffen van regels die handel beperken, door landen te laten onderhandelen over het verlagen van importtarieven en door ervoor te zorgen dat dezelfde regels gelden voor alle landen. De afspraken zijn veelal gericht op het verlagen van handelsbarrières op producten en in mindere mate op die van diensten. Zo zijn de tarieven op industriële goederen sinds de oprichting van de WTO gemiddeld met 40 procent gedaald.

Een van de belangrijkste afspraken tussen WTO-landen is dat leden alle andere leden dezelfde behandeling moeten geven. Dat wil zeggen dat een land een handelspartner niet mag bevoordelen met lagere importtarieven op bepaalde producten, of door extra markttoegang te geven voor diensten. De WTO reguleert importtarieven en afspraken over diensten via het principe van de meest begunstigde natie (MFN, ook wel Most Favoured Nations genoemd). Zo zijn landen binnen de WTO vrij om met elkaar afspraken te maken over de hoogte van importtarieven per product, maar mogen ze een ander WTO-lid geen ander importtarief in rekening brengen voor hetzelfde product. Dit geldt ook voor de markttoegang van de dienstenhandel.

Naast afgesproken importtarieven maken WTO-leden ook afspraken over tariefcontingenten. Tariefcontingenten zijn vastgestelde quota van producten die mogen worden ingevoerd tegen een tarief dat lager is dan het algemeen geldende tarief. Er zijn alleen tariefcontingenten voor landbouwproducten. De EU heeft er 94, onder andere voor rijst, suiker, rundvlees en bananen. Soms is een tariefcontingent toegewezen aan een specifiek land. Bij het merendeel van de EU-contigenten kunnen alle WTO-landen gebruik maken van de lagere tarieven, totdat het quotum is bereikt (Kamerstuk, 2000).

Bron: Rabobank

Voetnoot

[1] Als het VK in de tussentijd vrijhandelsakkoorden sluit met andere landen, bijvoorbeeld de EU, zijn die afspraken geldig boven WTO-afspraken.

Ook de EU moet wellicht opnieuw gaan onderhandelen met de WTO

De kans bestaat dat ook de EU opnieuw moet onderhandelen met de WTO, omdat de belangen voor WTO-leden kunnen wijzigen na de Brexit. De WTO-leden hebben namelijk handelsafspraken gemaakt met de EU, onder de aanname dat het VK lid is van de EU. De afspraken kunnen er dus anders uitzien als de Britse belangen niet mee hoeven te worden genomen. Heronderhandeling kan dan gewenst zijn. Die route is echter een stuk zekerder dan de route voor de Britten, want tijdens de nieuwe onderhandelingen van de EU met de WTO-leden blijven de bestaande handelsafspraken gelden.

Delen:
Auteur(s)
Carlijn Prins
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 60033
Lisette van de Hei
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven