RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Macro-economische ontwikkelingen in Europa: wordt Europa het nieuwe Japan?

Themabericht

Delen:

Naar de overzichtspagina van de Regiostudie Europa

  • We verwachten dat de groei in Europa de komende jaren zwak blijft
  • In de meeste Baltische staten en in Centraal- en Oost-Europa groeit de economie naar verwachting harder dan het Europese gemiddelde; in de meeste Zuidelijke en Zuidoostelijke landen blijft de groei waarschijnlijk achter
  • De negatieve risico's voor de groei zijn toegenomen, waarbij vooral de vluchtelingencrisis en Brexit een belangrijke rol spelen

Kortetermijnvoordelen nemen af, risico's nemen toe

In 2015 heeft de Europese economie de wind in de rug gehad door twee belangrijke factoren. Ten eerste steeg het reëel besteedbare inkomen van huishoudens door de lage grondstofprijzen, waardoor er extra ruimte was voor consumptie. Ten tweede profiteerden exportbedrijven van de goedkope euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar en het Britse pond, wat de export vooral in het eerste half jaar van 2015 heeft gestimuleerd. We verwachten dat de olieprijs laag zal blijven en dat de ECB haar kwantitatieve verruimingsprogramma voortzet, maar als stimulans werken deze maatregelen slechts tijdelijk en ze lijken nu al minder effectief te worden. De vraag rijst of de Europese economie in staat is om krachtig te groeien wanneer de kortetermijnvoordelen zijn weggeëbd. Oftewel, of er voldoende structurele groeifactoren aanwezig zijn. Daar komt nog bij dat de risico's voor de Europese groei zijn toegenomen, waarbij het vooral gaat om de gevolgen van de vluchtelingencrisis, een Brexit, een harde landing van de Chinese economie, hernieuwde zorgen om een Grexit en de negatieve effecten van het huidige expansieve monetaire beleid (De Groot, 2016).

Hoe sterk zijn de structurele motoren van economische groei?

Er gaan steeds meer geluiden op dat de lagere economische groei in de VS en Europa structureel van aard zou kunnen zijn (R. Gordon, 2012; C. Teulings en R. Baldwin, 2014). Los van de discussie over de oorzaken van de stagnerende groei vertoont Europa in economisch opzicht veel overeenkomsten met Japan: een ultralage rente, weinig kredietgroei, lage arbeidsproductiviteitsgroei, hoge schulden en een vergrijzende bevolking (Prins en Stegeman, 2014).

Figuur 1A: Groeivertraging in Europa na de crisis
Figuur 1A: Groeivertraging in Europa na de crisisBron: Macrobond
Figuur 1B: Japanse groei hapert al sinds de jaren negentig
Figuur 1B: Japanse groei hapert al sinds de jaren negentigBron: Macrobond

Tragere convergentie in Europa

Om een beter beeld te krijgen van welke landen nog substantiële groeicapaciteit hebben, brengen we eerst de inkomensongelijkheid in Europa in kaart. Figuur 2 laat zien dat er nog steeds grote verschillen zijn in BBP per hoofd van de bevolking. Inkomens zijn het hoogst in Noord- en West-Europa en het laagst in Zuid- en Oost-Europa. De ongelijkheid vloeit meestal voort uit een verschil in arbeidsproductiviteit per uur, maar ook de participatiegraad is van belang.

In de periode na de crisis vertraagde de BBP-groei per hoofd van de bevolking in heel Europa, en in Zuid-Europa kromp het BBP per hoofd zelfs (figuur 3). Het valt op dat de regio's met de lage inkomens ook langzamer toegroeien naar de regio's met hoge inkomens. De uitzondering hierop vormt Turkije. Afhankelijk van de regio is de tragere convergentie vooral toe te schrijven aan een afgenomen arbeidsproductiviteitsgroei en/of een daling van de werkgelegenheid. Deze ontwikkeling kan in ieder geval gedeeltelijk worden toegeschreven aan de verstoorde arbeidsmarkt, zwakke investeringen, balanssaneringen, een verstopt kredietkanaal en gebrekkig beleid. Waarschijnlijk zal het tij niet snel keren, hoewel voor diverse Centraal- en Oost-Europese landen en de Baltische staten de economische vooruitzichten wat beter zijn.

Figuur 2: Groot verschil BBP per hoofd van de bevolking per regio
Figuur 2: Groot verschil BBP per hoofd van de bevolking per regioBron: Macrobond. Toelichting: We gaan uit van 46 werkweken per jaar. Het BBP per hoofd van de bevolking wordt als volgt berekend: BBP per hoofd van de bevolking = productiviteit per uur x aantal gewerkte uren per week (x 46 werkweken per jaar) x participatiegraad (/100). Gegevens over gewerkte uren van Zuidoost-Europese landen ontbreken.
Figuur 3: Moeizame groei na de crisis te wijten aan lagere productiviteitsgroei
Figuur 3: Moeizame groei na de crisis te wijten aan lagere productiviteitsgroeiBron: Macrobond * Gegevens over gewerkte uren per werknemer ontbreken. Voorlopige gegevens voor 2015. 

Verstoorde arbeidsmarkt

In de meeste landen is de werkloosheid in de crisisjaren flink toegenomen, vooral in de Baltische staten en in Zuid- en Zuidoost-Europa. Met name de Zuid-Europese landen moeten nog een grote kloof overbruggen om de werkloosheid weer op het evenwichtsniveau te krijgen (figuur 4). Belangrijker is echter dat flinke hervormingen nodig zijn om ook de structurele werkloosheid omlaag te krijgen en daar lijkt op dit moment weinig animo voor te zijn.

Tegelijkertijd kunnen de huidige problemen op de arbeidsmarkt een langdurig negatief effect hebben op de toekomstige productiviteitsgroei. Er bestaat een substantieel gevaar dat delen van de beroepsbevolking, met name de jongeren, cruciale werkervaring en vaardigheden mislopen door langdurige periodes van werkloosheid. Het empirisch bewijs is onomstreden (CPB, 2014; Stegeman, 2014; Arulampalam, 2001). Gregg en Tominey (2005) hebben zelfs vastgesteld dat werkloosheid op jonge leeftijd twintig jaar later tot een salarisachterstand kan leiden van 13 tot 21%.

Figuur 4: Hoge conjuncturele werkloosheid is in veel landen structureel geworden
Figuur 4: Hoge conjuncturele werkloosheid is in veel landen structureel gewordenBron: Macrobond
Figuur 5: Lagere productiviteitsgroei in Europa
Figuur 5: Lagere productiviteitsgroei in EuropaBron: Macrobond

Lagere arbeidsproductiviteitsgroei

De Europese schuldencrisis ligt alweer een paar jaar achter ons, maar de productiviteit groeit nog slechts zeer traag in vergelijking met de periode van vóór de crisis (zie de gele blokjes in figuur 5 die de omvang van de kloof in productiviteitsgroei weergeven). Veel landen in het oostelijke deel van Europa laten grote verliezen zien aan investeringszijde, terwijl een vertraging van de totale factorproductiviteit in veel regio’s een oorzaak is. Totale factorproductiviteit (TFP) meet de toegevoegde waarde die niet kan worden toegeschreven aan de inzet van kapitaal of arbeid. Daarmee is het een goede indicator voor de ontwikkeling van de efficiëntie van een economie. 

Investeringen

De lagere productiviteitsgroei in het oostelijke deel van Europa is vooral te verklaren door lagere investeringsgroei. Ook in Zuid-Europa (met uitzondering van Spanje) zijn de investeringen sinds 2013 nauwelijk toegenomen en ligt het investeringsniveau ver onder dat van voor de Grote Recessie. De investeringsgroei van voor de crisis in Zuid-, Zuidoost- en Oost-Europa waren sterk gebaseerd op excessieve leningsgroei (vanuit het buitenland). Hiervoor is een aantal oorzaken. Zo werden veel bedrijven en huishoudens in de nadagen van de crisis gedwongen hun grote schulden af te bouwen en daardoor hun investeringen (veelal in onroerend goed) op te schorten. Tot dusverre hebben echter maar weinig landen de verhouding tussen de schuld en het BBP omlaag kunnen brengen. Met uitzondering van de meeste Baltische staten en Centraal- en Oost-Europese landen heeft schuldafbouw in Europa dan ook nog een lange weg te gaan, met naar verwachting een negatief effect op de toekomstige investeringsgroei.

Figuur 6: Veel probleemleningen in Zuid- en Zuidoost-Europa
Figuur 6: Veel probleemleningen in Zuid- en Zuidoost-EuropaBron: Wereldbank

Een andere oorzaak is de beperkte kredietgroei. Om diverse redenen zal de kredietgroei waarschijnlijk nog lange tijd laag blijven, wat een verdere rem zet op de investeringen. Ten eerste kampen veel Zuid- en Zuidoost-Europese landen nog steeds met een hoog percentage aan probleemleningen (NPL's, figuur 6) die de kredietverlening voor nieuwe groeimogelijkheden in de weg staan. Ten tweede hebben de minimumkapitaaleisen voor banken in het Bazel III-akkoord een grote invloed op de ontwikkeling van de Europese financiële sector. Van Nimwegen en Bruinshoofd (2016) tonen aan dat de Europese bankensector nu al voor heeft gesorteerd op de Bazel III-eisen, ondanks dat deze pas in 2019 helemaal van kracht worden. Er is niet alleen nieuw kapitaal aangetrokken om aan de eisen te voldoen, maar in Europa zijn ook activa verkocht en risicovolle bezittingen afgebouwd. Het afbouwen van (risicovolle) activiteiten is ten koste gegaan van de kredietverlening door banken. Giesbergen (2016) concludeert bovendien dat recente aanvullende initiatieven van het Bazels Comité voor Bankentoezicht, zoals een kapitaalvloer, een neerwaartse druk kan uitoefenen op de bankbalansen en de kredietgroei. 

TFP: inefficiëntie neemt toe

Figuur 5 laat zien dat de TFP over de gehele linie de belangrijkste factor is achter de Europese productiviteitsvertraging. Uit een van onze eerdere studies bleek dat de lagere TFP-groei voor een deel samenhangt met de lagere bedrijvendynamiek in de eurozone (figuur 7, zie ook Erken, De Groot en Koopman, 2015) Dit betekent dat zowel de toetreding van het aantal nieuwe (innovatieve) bedrijven als de uittreding van het aantal onrendabele bedrijven op een lager pitje is komen te staan, terwijl ook de doorgroei van bedrijven niet van de grond komt. Het gevolg is dat mensen en kapitaal op plekken blijven zitten waar ze niet maximaal bijdragen aan de groei. Bovendien zorgt de lagere concurrentiedruk ervoor dat bedrijven onvoldoende investeren in innovatie. Wij denken dat de lagere bedrijvendynamiek deels te wijten is aan het extreem ruime monetaire beleid. Expansief monetair beleid heeft onrendabele en zwakke bedrijven overeind gehouden, omdat deze ‘zombiebedrijven’ door de extreem lage rente aan hun aflossingsverplichtingen konden blijven voldoen en hun leningen konden doorrollen. Zombiebedrijven verbruiken dus een deel van de financiering van banken die anders aan meer productieve bedrijven en projecten zouden kunnen worden verstrekt. Ook verstoren zombies de markt voortdurend doordat ze de winstgevendheid van de sectoren als geheel verslechteren en daarmee ook de markttoegang van gezonde bedrijven in de weg staan (Caballero et al., 2006). De Groot (2016) verwacht dat het monetaire beleid zeer expansief zal blijven, waardoor de druk op de productiviteitsgroei aanhoudt.

Figuur 7: Minder snelgroeiende ondernemingen na de crisis
Figuur 7: Minder snelgroeiende ondernemingen na de crisisBron: OESO, SDBS Indicatoren bedrijvendemografie

Een tweede reden waarom concurrentie en innovatie in het gedrang zijn geraakt, is dat de Europese beleidsmakers zich minder lijken in te zetten om innovatie en langetermijngroei te bevorderen. In plaats daarvan geven ze prioriteit aan het oplossen van kortetermijnproblemen en bezuiningsmaatregelen om aan de Europese begrotingsregels te voldoen. De lage staatsrentes verlagen het gevoel van urgentie om beleidsmatige acties te ondernemen om de langetermijngroei te bevorderen. Terwijl de vluchtelingencrisis zorgt voor andere prioriteiten. 

Conclusie: vooruitzichten Europese economie zijn matig

Door het afzwakken van tijdelijke groeimpulsen, de schade die jongeren ondervinden door langdurige werkloosheid en door meer structurele (institutionele) problemen (zie ook Briegel en Bruinshoofd, 2015) voorzien wij voor de komende tijd een zwakke economische groei in Europa. De grootste uitdagingen zijn weggelegd voor veel Zuid- en Zuidoost-Europese landen en de groeikansen zijn het meest gunstig in de Baltische staten en Centraal- en Oost-Europese landen.

Grootste risico's

De risico’s voor de Europese economie zijn de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. We beschrijven de drie in onze ogen belangrijkste risico's. 

De vluchtelingencrisis

De EU lijkt niet in staat om met een gezamenlijke oplossing te komen voor het vluchtelingenvraagstuk. Veel landen hebben daarom hun grenscontroles al aangescherpt, waardoor het Schengenverdrag voor vrij verkeer van mensen afbrokkelt. En de steun voor de nationalistische partijen groeit (Briegel, 2016). Dit laatste kan een negatieve invloed hebben op de economische groei, omdat veel nationalistische partijen een protectionistisch en anti-hervormingsgezind standpunt innemen. De hierboven besproken noodzakelijke hervormingen worden hierdoor alleen maar verder uitgesteld. Een volledige ontmanteling van Schengen heeft bovendien een aantal negatieve gevolgen voor de Europese economie (Erken en Wijffelaars, 2016).

Ten eerste zou een herinvoering van grenscontroles de handel tussen Europese landen negatief kunnen beïnvloeden, vanwege onder meer langere wachttijden bij de grens. Ten tweede zou de efficiëntie van de arbeidsverdeling kunnen verslechteren door de afgenomen arbeidsmobiliteit. Ten derde zou het toerisme een deuk kunnen oplopen. Onderzoek laat een groot scala aan mogelijke negatieve economische effecten zien (zie tabel 1). De Bertelsmann Stichting meldt zelfs een mogelijke schade aan het EU-BBP van 1,1% per jaar. De resultaten uit dit onderzoek zijn echter niet onbetwist.

Tabel 1: Structurele economische invloed van een ontmanteling van Schengen
Tabel 1: Structurele economische invloed van een ontmanteling van Schengen

Brexit

Op 23 juni 2016 zal de Britse bevolking stemmen of het VK lid blijft van de Europese Unie (EU). Bij een stem voor een Brexit (het Britse uittreden uit de EU) kunnen handelsbarrières worden geïntroduceerd tussen het VK en de EU en het VK en derde partijen waar de EU handelsverdragen mee heeft. Dit kan de Britse bedrijfsinvesteringen schaden en financiële instellingen er toe brengen hun activiteiten naar het Europese continent en/of Ierland te verhuizen (zie ook Prins, 2015). De impact op het BBP van de EU zal naar verwachting ook negatief zijn, variërend tussen 0,12 en 0,36% (zie Dhingra et al., 2016Aichele and Felbermayr, 2015). Omdat het VK de belangrijkste handelspartner is van Ierland, zal de Ierse economie waarschijnlijk relatief de grootse verliezen lijden door een Brexit.

Afkoeling van China

Een belangrijke vraag is of China nog wel in staat is om een katalyserende rol te vervullen voor de wereldeconomie (zie Erken en Blaauw, 2016). Daarom is het belangrijk om te onderzoeken wat de gevolgen van een hypothetische abrupte groeidaling in China zouden zijn voor de economische groei in Europa. We draaien twee scenario’s met behulp van NiGEM, een macro-econometrisch wereldhandelsmodel en onderzoeken de effecten op de economisch groei in de eurozone en het VK.

In ons eerste scenario zou een harde landing van de Chinese economie (0% groei in 2016) leiden tot krimp van de wereldhandel, een daling van de grondstofprijzen en stress op de financiële markten. In het VK zou dit kunnen resulteren in een cumulatief verlies aan BBP-volumegroei (voor 2016 en 2017) van 2,3%-punt ten opzichte van het basisscenario, maar niet tot een recessie (zie tabel 2). In de eurozone zou de cumulatieve BBP-schade tot 2,5%-punt kunnen oplopen, wat een milde recessie zou veroorzaken in 2016. De resultaten verschillen echter enorm tussen eurozone-lidstaten, waarbij België het hardst zou worden getroffen.

In het tweede scenario bekijken we naast een daling van de handel ook de negatieve effecten op het sentiment bij beleggers en consumenten, vergelijkbaar met de vertrouwenscrisis die we zagen bij de kredietcrisis in 2008/2009. De negatieve vertrouwenseffecten verlagen de BBP-volumegroei door aanzienlijk lagere investeringen en consumptie en dus ook lagere handelsvolumes. Dit laatste geldt dan vooral voor kleine, van handel afhankelijke economieën. In dit scenario zou zowel het VK als de eurozone in 2016 en 2017 in een recessie terechtkomen. De BBP-volumegroei zou flink negatiever zijn dan in ons basisscenario: cumulatief -4,7% in de eurozone en -6,6% in het VK.

Tabel 2: Invloed stress Chinese economie op VK en eurogebied, reële BBP-groei (in % op jaarbasis)
Tabel 2: Invloed stress Chinese economie op VK en eurogebied, reële BBP-groei (in % op jaarbasis)Bron: Rabobank

De regio's zijn als volgt gedefinieerd: Noord-Europa (Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden), West-Europa (België, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Zwitserland), Zuid-Europa (Cyprus, Griekenland, Italië, Malta, Portugal, Slovenië, Spanje), de Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen), Centraal- en Oost-Europa (Hongarije, Polen, Slowakije, Tsjechië), Zuidoost-Europa (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Kosovo, Macedonië, Moldavië, Montenegro, Roemenië, Servië) en Turkije.

Afkortingen van landen: AL: Albanië, AT: Oostenrijk, BE: België, BG: Bulgarije, BA: Bosnië en Herzegovina, CH: Zwitserland, CY: Cyprus, CZ: Tsjechië, DE: Duitsland, DK: Denemarken, EE: Estland, ES: Spanje, FI: Finland, GB: Groot Brittannië (VK), GR: Griekenland, HR: Kroatië, IE: Ierland, IS: IJsland, HU: Hongarije, IT: Italië, LU: Luxemburg, LV: Letland, LT: Litouwen, MD: Moldavië, ME: Montenegro, MK: Macedonië, FYR, MT: Malta, NL: Nederland, NO: Noorwegen, PL: Polen, PT: Portugal, RO: Roemenië, RS: Servië, SI: Slovenië, SK: Slowakije, TR/TK: Turkije, XK: Kosovo, SE: Zweden, EA17: Eurogebied-17, EU27: Europese Unie.

Naar de overzichtspagina van de Regiostudie Europa

Delen:
Auteur(s)
Hugo Erken
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2223 1650
Maartje Wijffelaars
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2257 0569
Marcel Weernink
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven