RaboResearch - Economisch Onderzoek

Aanpassing banken aan Basel III en impact op kredietverlening

Themabericht

Delen:

Deze publicatie is geschreven door Kirsten van Nimwegen tijdens haar tijd bij Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank.

  • Banken hebben zich op verschillende wijzen aangepast aan de strengere kapitaaleisen van Basel III
  • De specifieke aanpassingswijze hangt samen met de ontwikkeling van de bancaire kredietverlening
  • Bij banken die de kapitaalratio tussen 2008 en 2014 verbeterden door extra kapitaal te verwerven, zien we een positieve samenhang met de kredietverlening
  • Bij banken die dit via balansverkorting bereikten, zien we een negatieve samenhang met de kredietverlening

Vanaf 1 januari 2015 moeten alle banken voldoen aan de aangescherpte minimale kapitaalratio’s, zoals deze onder Basel III zijn vastgesteld (Smolders, 2011). Per 2019 moet tevens aan alle aanvullende kapitaaleisen worden voldaan. Deze betreffen additionele kapitaalbuffers op de minimale kapitaalratio’s, een niet-risicogewogen hefboomratio van tenminste 3,0% en aangescherpte liquiditeitseisen.

De invoering van Basel III heeft wereldwijd tot veel discussie geleid over de wijze waarop banken dit kunnen realiseren en de mogelijke impact die dat zou hebben op de kredietverlening. Enerzijds kan worden gesteld dat de invoering gefaseerd plaatsvindt over de periode 2013–2019, wat de impact op de kredietverlening zou beperken. Deze visie wordt bijvoorbeeld onderschreven door het Basel Commitee on Banking Supervision, dat geringe en tevens tijdelijke verliezen in kredietverlening (-1,4%) en economische activiteit (-0,2%) voorspelde (Cecchetti, 2010). Anderzijds kan worden gesteld dat de concurrentiedruk in de financiële markten partijen dwingt om zo snel mogelijk aan de uiteindelijke eisen te voldoen. In deze context stelt IIF (2010) dat de impact op kredietverlening (-4,8%) en economische activiteit (-3,2%) aanzienlijk groter zou zijn.

Behalve over de feitelijke tijdspanne van het aanpassingsproces is er veel discussie over de impact gedurende het aanpassingsproces enerzijds, en in de uiteindelijk te bereiken evenwichtssituatie anderzijds. Het IIF benadrukte in zijn berekeningen dat het aantrekken van extra eigen vermogen voor banken duurder is dan het aantrekken van vreemd vermogen, vanwege de risicopremie die erop van toepassing is. Academici zoals Admati en Hellwig (2013), die zich met name richten op de financieringskosten op de lange termijn, beargumenteren juist dat steviger gekapitaliseerde banken minder riskant zijn voor beleggers, waardoor het vereiste rendement op eigen vermogen daalt.

Cohen (2013) was de eerste die op basis van empirische data in kaart bracht hoe de bancaire aanpassingen aan de nieuwe eisen daadwerkelijk plaatsvonden en wat de verandering was in rendementen op eigen vermogen voor en na de crisis. Voor wat betreft dat eerste punt onderzocht hij hoe banken zich over de periode 2009–2012 aanpasten, dus in de aanloop naar de feitelijke aanpassing in de minimumeisen vanaf 2013. Cohen splitst de mutatie in de kapitaalratio daartoe op in drie kanalen: het verhogen van de hoeveelheid kapitaal, de-risking van de balans en het verkorten van de bankbalans.

Dit artikel is een aanvulling op de analyse van Cohen. Wij analyseren de aanpassingswijzen van 76 grote banken in de eurozone (52) en Verenigde Staten (24) en de samenhang hiervan met de bancaire kredietverlening in de periode 2008–2014, dus in de aanloop naar en gedurende de in-fasering van de nieuwe kapitaaleisen[1]. Gebruikmakend van balansdata uit Bankscope tonen we achtereenvolgens waar banken ultimo 2014 staan in de aanpassing van hun kapitaalratio’s en de wijze waarop de aanpassing plaatsvond. Tot slot verkennen we met behulp van regressieanalyse de samenhang tussen de gehanteerde aanpassingswijze en de gerapporteerde kredietverlening op bankniveau.

Waar staan banken en hoe kwamen ze tot hier?

Banken kunnen hun kapitaalratio’s op ruwweg drie manieren verhogen. Zij kunnen de hoeveelheid kapitaal verhogen (door aandelenemissies en/of winstinhoudingen); zij kunnen de balanssamenstelling aanpassen zodat er minder risicovolle, kapitaalintensieve uitzettingen op staan (de-risking) en/of de bankbalans verkorten (bedrijfsonderdelen verkopen en/of kredieten rantsoeneren). Schematisch is dat weer te geven als in formule (1). Het wijzigen van de balanssamenstelling, of de-risking van de balans, is hier gevat in een verlaging van de term ‘gemiddelde risicoweging’. Dat is dus niet hetzelfde als het verlagen van risicogewichten op individuele leningen of delen van de leningenportefeuille[2].

Formule 1

Om de individuele bijdrage van deze drie elementen op de verandering in de kapitaalratio te kunnen vaststellen, herschrijven we deze vergelijking, in navolging van Cohen, naar log-lineaire vorm: 

Formule 2

Factor F is hierin een constante die voortvloeit uit de transformatie en gelijk is aan (Kt  / RWAt – Kt-1 / RWAt-1) / (ln(Kt  / RWAt) – ln(Kt-1  / RWAt-1)). K staat voor de hoeveelheid kapitaal, RWA voor de risicogewogen activa en TA voor de totale activa. Het subscript t geeft de tijdseenheid (in jaren) aan.

Waar staan banken momenteel?

Kijkend naar de totale risicogewogen kapitaalratio (figuur 1) dan valt in de eerste plaats op dat banken  hun kapitaalratio’s aanzienlijk hebben verhoogd. Zodoende voldeden banken in de eurozone en de VS ultimo 2014  (gemiddeld genomen per land, behoudens Portugal) ruimschoots aan de minimumeisen zoals die vanaf januari 2015 gelden, inclusief aanvullende buffers die tot 2019 stapsgewijs van toepassing worden.

Merk ook op dat Amerikaanse banken eind 2008 gemiddeld genomen al hogere risicogewogen en ongewogen kapitaalratio’s hadden dan Europese banken (figuren 1 en 2). Hier moet goed worden gerealiseerd dat beide regio’s verschillende boekhoudstandaarden hanteren; US local GAAP versus IFRS. Dat leidt tot artificiële verschillen in balansgrootheden, bijvoorbeeld omdat banken onder de Amerikaanse boekhoudregels hun derivatenposities mogen salderen, terwijl dat onder Europese boekhoudregels niet mag. Hierdoor lijkt de Europese bankbalans al het andere gelijk houdend veel langer. Uiteraard kennen beide regio’s ook een andere macro-economische en beleidsomgeving, waar we verderop uitgebreid op terugkomen. 

Figuur 1: Totale risicogewogen kapitaalratio’s per land
Figuur 1: Totale risicogewogen kapitaalratio’s per landBron: Bankscope, Rabobank
Figuur 2: Ongewogen kapitaalratio’s per land
Figuur 2: Ongewogen kapitaalratio’s per landBron: Bankscope, Rabobank

Ten slotte valt op dat er binnen Europa aanzienlijke verschillen bestaan tussen de GIIPS en overige eurozonelanden. Banken in Griekenland, Italië, Portugal en Spanje kennen relatief lage risicogewogen kapitaalratio’s, terwijl de ongewogen kapitaalratio’s in Griekenland, Ierland en Portugal juist relatief hoog zijn. Dit weerspiegelt een relatief hoge gemiddelde risicoweging en een lagere gemiddelde kwaliteit van activa. Dit is een typisch beeld voor economieën die lange, diepe recessies doormaken. Deze observatie is overigens ook consistent met de omvangrijke volumes aan slecht presterende leningen in een aantal van de betreffende landen. In kernlanden als Duitsland, Nederland en België is juist het tegenovergestelde zichtbaar; banken worden daar gekenmerkt door relatief hoge risicogewogen, maar lage ongewogen kapitaalratio’s, wat een relatief lage risicoweging en hogere gemiddelde kwaliteit van activa suggereert. 

Hoe kwamen banken tot hun huidige kapitaalratio’s?

Hoewel banken in alle betreffende landen de kapitaalratio’s beduidend hebben verhoogd, blijkt de wijze van aanpassing per land aanzienlijk te verschillen. Wij richten ons in het vervolg op de verschillen in aanpassing tussen banken in de eurozone en Amerikaanse banken en verwijzen naar Van Nimwegen en Bruinshoofd (2016) voor een nadere analyse per land.

In de eurozone hebben alle door ons onderscheiden manieren van kapitaalaanpassing positief bijgedragen aan de uiteindelijke risicogewogen (totale) kapitaalratio (figuur 3). Er zijn extra middelen toegevoegd aan de kapitaalbuffers (+1,8 procentpunt bijdrage aan de kapitaalratio), de balanssamenstelling is bijgesteld naar lagere gemiddelde risico’s (+0,9 procentpunt) en balansen zijn verkort (+1,1 procentpunt). 

In de VS zijn daarentegen meer middelen aan de kapitaalbuffers toegevoegd  (+3,0 procentpunt) en droeg de balanssamenstelling per saldo niet bij (-0,1 procentpunt). Zo konden Amerikaanse banken de kapitaalratio zien toenemen, terwijl de bankbalansen tegelijkertijd groeiden (-2,1 procentpunt bijdrage aan de kapitaalratio).

Deze sterke kapitalisatie bij groeiende bankbalansen was in de VS mogelijk doordat de overheid de banken al in een vroeg stadium onderwierp aan stresstests en gedwongen herkapitalisatie, het budgettaire beleid steviger is ingezet om het economische herstel te ondersteunen, en de centrale bank al vroeg en grootschalig monetaire ondersteuning aan economie en bankwezen verleende. Dergelijke maatregelen waren en zijn in de eurozone maar moeizaam en mondjesmaat mogelijk. Niet alleen kent de eurozone allerlei politieke barrières, vanwege de landsgrensoverschrijdende dimensie en de zeer beperkte politieke unie, maar ook kreeg de muntunie nog een eurocrisis te verwerken. Hierdoor kregen de landen die het meest te lijden hadden onder de Grote Recessie ook te maken met hoge staatsschulden. Zodoende was het voor de nationale overheden onmogelijk kapitaal te injecteren in hun bankensector, terwijl dit institutioneel/politiek op eurozoneniveau evenmin haalbaar was.

Figuur 3: Aanpassingswijze totale kapitaalratio in de eurozone
Figuur 3: Aanpassingswijze totale kapitaalratio in de eurozoneBron: Bankscope, Rabobank
Figuur 4: Aanpassingswijze totale kapitaalratio in de VS
Figuur 4: Aanpassingswijze totale kapitaalratio in de VSBron: Bankscope, Rabobank

Samenhang aanpassingswijze en kredietverlening

Tussen 2008 en 2014 is de kredietverlening van de eurozonebanken in onze dataset met gemiddeld 4,0% gedaald. De Amerikaanse banken in onze dataset laten daarentegen een toename in de kredietverlening zien van 2,5%. Dit suggereert dat de aanpassingswijze van eurozonebanken –die relatief zwaar leunt op balansreductie en de-risking– van invloed is geweest op de kredietverlening. Om de relatie tussen de aanpassingswijzen en de bancaire kredietverlening nader te verkennen, passen we er regressieanalyse op toe (tabel 1). Hierbij is de te verklaren variabele de verandering in kredietverlening van de bank tussen 2008 en 2014. De verklarende variabelen zijn de drie aanpassingsmanieren waarmee banken hun kapitaalratio hebben zien veranderen in hetzelfde tijdvak: verandering van de hoeveelheid kapitaal, aanpassingen van de gemiddelde risicoweging van de bankbalans, en aanpassing van de totale lengte van de bankbalans. We voegen een dummy variabele toe die de eventuele Europese invloeden op de kredietverlening vat.

Tabel 1: De samenhang tussen de aanpassingsstrategieën en bancaire kredietverlening
Tabel 1: De samenhang tussen de aanpassingsstrategieën en bancaire kredietverleningBron: Bankscope, Rabobank

De regressieresultaten geven aan dat aanpassing via het aantrekken van kapitaal positief is gerelateerd aan bancaire kredietverlening: een 1%-punt verhoging van de kapitaalratio door het aantrekken van kapitaal gaat samen met een 2,3% toename van de kredietverlening (tabel 1). Aanpassen door balansverkorting blijkt daarentegen negatief gerelateerd aan de kredietverlening: verlaging van de kapitaalratio met 1%-punt door balansreductie hangt samen met een 5,8% daling van de kredietverlening. Aanpassingen van de risicosamenstelling van de bankbalans heeft geen statistisch significant verband met de kredietverstrekking door de bank.

Dit zijn logische bevindingen. Banken die er goed voor staan en kapitaal kunnen aantrekken en/of toevoegen aan hun reserves, blijven ook beter in staat om leningen te verstrekken aan huishoudens en bedrijven. Banken die daarentegen aanpassingsstrategieën volgen die tevens balansverkorting omvatten, doen dat mede door in hun leningenportefeuille te snijden.

Samenvatting en discussie

Banken in de eurozone en de VS hebben hun kapitaalratio’s in snel tempo aangepast en voldoen ultimo 2014 ruimschoots aan de minimumeisen zoals die vanaf januari 2015 gelden, inclusief aanvullende buffers die tot 2019 stapsgewijs van toepassing worden. Deze aanpassing lijkt in de VS in een gunstigere context te hebben plaatsgevonden dan in de eurozone; de eurozonebanken in onze dataset toonden contractie van hun kredietportefeuilles, terwijl deze in de VS juist toenamen. Deels zullen hier de reeds genoemde verschillen in boekhoudregels meespelen.

Het is echter ook zeer aannemelijk dat de verschillen in de macro-economische en beleidsomgeving een zeer grote rol hebben gespeeld. Dat de banken in de VS volledig op kapitalisatie konden steunen, is het resultaat van vroeg ingrijpen door de Amerikaanse overheid en de Amerikaanse centrale bank. Deze maatregelen hebben de bancaire aanpassing naar hogere kapitaalratio’s ondersteund en mogelijk voorkomen dat banken hiertoe (ook) in hun kredietportefeuille moesten snijden. Op die wijze heeft het beleidsingrijpen de banken beter in staat gesteld om aan het economische herstel bij te dragen. Terwijl de economische activiteit in de eurozone in 2015 nog altijd onder het pre-crisisniveau lag, liet de Amerikaanse economie vanaf 2009 een relatief snel herstel zien en ligt de economische activiteit er inmiddels weer ruimschoots boven het pre-crisisniveau.

Bancaire kredietverlening is overigens niet het hele verhaal, aangezien het wegvallen hiervan in principe kan worden opgevangen door extra niet-bancaire kredietverlening. De omvang van dergelijke alternatieve financieringsbronnen is in de eurozone vooralsnog echter onderontwikkeld ten opzichte van de VS. Dit maakt de eurozone afhankelijker van bancair krediet, en daarmee kwetsbaarder voor de aanpassingswijze van banken aan strengere kapitaaleisen. Dit pleit voor een snelle vorming van een Europese kapitaalmarktunie die niet-bancaire kredietverlening bevordert (Loman, 2016).

Voetnoten

[1] Dit omvat de mondiale systeemrelevante banken (Globally Systemically Important Banks; FSB, 2015) en de sig­nificante kredietinstellingen (significant credit institutions; ECB, 2015) waarvoor voldoende data beschikbaar zijn voor de periode 2008-2014.

[2] De beschikbare data staan ook geen nadere verdieping toe op specifiek het effect van verlaging van individu­ele risicogewichten in het tijdvak dat wij analyseren. Wij observeren enkel het totale volume van risicogewo­gen activa, en drukken dat uit als percentage van de totale activa.

Referenties

Admati, A. en M. Hellwig (2013), The Bankers' New Clothes: What's Wrong with Banking and What to Do about It, Princeton University Press, Princeton.

Cecchetti, S.G. (2010), Strengthening the financial system: comparing costs and benefits, Opmerkingen voorbereid voor de Korea-FSB Financial Reform Conference,2 september.

Cohen, B. (2013), How have banks adjusted to higher capital requirements? BIS Quarterly Review, september.

ECB (2015), List of supervised entities, European Central Bank, 30 december.

Fransman, R. (2013), The blind eye of Admati and Hellwig.

FSB (2015), 2015 update of list of global systemically important banks (G-SIBs), Financial Stability Board, 3 november.

IIF (2010), Interim Report on the Cumulative Impact on the Global Economy of Proposed Changes in the Banking Regulatory Framework, Institute of International Finance, juni.

Jacobs, B. (2014), Waarom banken veel meer kapitaal moeten hebben, Economie.nl blog, 6 februari.

Loman, H. (2016), Europese Kapitaalmarktunie: kleine stapjes in de richting van een nog nader in te vullen einddoel, Rabobank Special, 16 februari.

Nimwegen, K. van en A. Bruinshoofd (2016), Converging to higher capital requirements: the adjustment strategy and lending impact, Rabobank Special, 24 maart.

Smolders, N. (2011), Basel III: Stevig maar realistisch, Rabobank Themabericht 2011-01, januari.

Delen:
Auteur(s)

naar boven