RaboResearch - Economisch Onderzoek

Voortgang in de economische integratie van de ASEAN?

Special

Delen:
  • De ASEAN-regio heeft een groot economisch potentieel, maar om dit te ontsluiten zijn nog veel hervormingen noodzakelijk
  • Het doel van de ASEAN economische gemeenschap (AEC), het creëren van een gemeenschappelijke markt, is daarom ook een zeer welkome stap
  • De implementatie van de plannen kunnen echter niet van bovenaf worden afgedwongen. Hierdoor zullen de plannen van de AEC niet volledig zijn ingevoerd op de deadline van 31 december 2015
  • Heffingen op intra-ASEAN-handel zijn zo goed als volledig afgeschaft, maar veel niet-tarifaire handelsbarrières zijn nog aanwezig
  • Ook op institutioneel vlak en op het gebied van arbeidsproductiviteit vallen nog grote stappen te zetten. Daarentegen integreert de regio wel steeds meer in de wereldeconomie door de vele vrijhandelsakkoorden

De lidstaten van de ASEAN (Associatie van Zuidoost-Aziatische naties) hebben een groot economisch potentieel (tabel 1). Het is een van de economisch snelst groeiende regio’s in de wereld (figuur 1). De tien lidstaten samen hebben 625 miljoen inwoners en een economische omvang van bijna 2500 miljard USD, waarmee het de zevende economie van de wereld zou zijn. Ondanks dat het gemiddelde inkomensniveau nog relatief laag is in de meeste landen, groeit de middenklasse zeer snel. Naar verwachting zal deze verdubbelen tussen nu en 2020. Hierdoor wordt de regio interessanter voor producenten van consumptiegoederen.

Figuur 1: Economische groei vergeleken met andere landen en regio’s in de wereld
Figuur 1: Economische groei vergeleken met andere landen en regio’s in de wereldBron: Macrobond (IMF WEO)
Figuur 2: De ASEAN heeft China weer ingehaald als bestemming voor FDI
Figuur 2: De ASEAN heeft China weer ingehaald als bestemming voor FDIBron: UNCTAD

Ondertussen is de regio ook aantrekkelijk voor de maakindustrie. Loonkosten liggen nog relatief laag, terwijl de regio handig gelegen is, net onder het zuiden van China. De toenemende instroom van buitenlandse directe investeringen (FDI) bevestigt dit beeld (figuur 2). Maar de ASEAN-regio heeft nog een lange weg te gaan. Hervormingen zijn noodzakelijk om het economische potentieel te ontgrendelen. De regio is namelijk erg divers, met veel complexe wet- en regelgeving die in elk land anders is. Ook heeft de meerderheid van de landen relatief zwakke instituties. De oprichting van de AEC (ASEAN economische gemeenschap) is daarom een welkome stap vooruit. Maar gezien de manier waarop in de ASEAN beleid wordt gemaakt en ingevoerd, zal de AEC niet op de deadline van 31 december 2015 voltooid zal zijn. De voortgang heeft zich tot nu toe nog grotendeels beperkt tot het afschaffen van heffingen voor intra-ASEAN-handel, terwijl de oorspronkelijk geformuleerde doelen veel breder zijn. De AEC moet daarom ook niet als project met een einddatum worden gezien, maar eerder als werk in uitvoering.

Tabel 1: Statistieken van de individuele lidstaten vergeleken
Tabel 1: Statistieken van de individuele lidstaten vergelekenBron: Macrobond, IMF WEO, Rabobank, UNCTAD, Wereldbank

Een korte introductie op de ASEAN

In 1967 is de Associatie van Zuidoost-Aziatische naties (ASEAN) opgericht met het tekenen van de verklaring van Bangkok (ook bekend als de ASEAN-verklaring). Het betrof een gemeenschappelijk signaal tegen het opkomende communisme in onder andere Vietnam. In het verdrag zijn de basisprincipes van de ASEAN beschreven: samenwerking, vriendschap en het niet inmengen in elkaars binnenlandse politiek. De vijf oprichters zijn Indonesië, de Filippijnen, Maleisië, Singapore en Thailand. Brunei volgde een week na zijn onafhankelijkheid in 1984. Samen worden deze zes landen vaak aangeduid als de ASEAN-6. Ten slotte sloten in de jaren negentig de minder ontwikkelde noordelijke Zuidoost-Aziatische landen (Vietnam, Laos, Myanmar en Cambodja) zich aan. Deze groep wordt vaak samen de CLMV-landen genoemd. Gedurende de jaren is de focus van de ASEAN steeds meer verschoven van vrede en veiligheid naar economische politiek en handelsbevordering. Hiervan is de inwerkingtreding van het ASEAN vrijhandelsakkoord (AFTA) in 1992 het duidelijkste voorbeeld. In 2003 werd de wens uitgedrukt om in 2020 een economische unie (AEC) te hebben. Deze deadline is in 2007 naar 2015 verschoven. 

De doelen van de ASEAN economische gemeenschap (AEC)

De oprichting van de AEC per 31 december 2015 is op dit moment het belangrijkste project van de ASEAN. Het is een voortzetting van voorgaande initiatieven om vrijhandel te bevorderen en de regelgeving verder te harmoniseren zodat het gemakkelijker wordt om in een andere lidstaat te investeren en zaken te doen. De AEC heeft de onderstaande vier pijlers, waarvan de eerste verreweg de belangrijkste is.

  1. Een gemeenschappelijke markt en productiebasis. Volledig vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en investeringen binnen de regio. Ook moeten hoogopgeleide werknemers uit de deelnemende landen zich vrij binnen de ASEAN kunnen vestigen;
  2. Een competitieve economische regio. Om de ASEAN competitiever te maken, moet de infrastructuur worden verbeterd en wet- en regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld eigendomsrechten en consumentenbescherming worden aangepast;
  3. Onpartijdige economische ontwikkeling. Gelijk speelveld voor alle bedrijven in de regio, ondersteuning van het MKB en het verkleinen van het verschil in ontwikkelingsniveau tussen de landen;
  4. Integratie in de wereldeconomie. Het verder liberaliseren van handel met landen buiten de ASEAN.

AEC: voortgang gaat erg geleidelijk

In tegenstelling tot bij de Europese Unie zijn de afspraken die binnen de ASEAN zijn gemaakt niet bindend voor de deelnemende lidstaten. Aan de ene kant zorgt dit voor een langzamere en vooral ook een meer gefragmenteerde invoering van beleid. Aan de andere kant voorkomt deze voorzichtige aanpak ook ongewenste neveneffecten van liberalisatie. Ook het verschil in ontwikkelingsniveau rechtvaardigt een andere implementatiesnelheid van maatregelen in de ASEAN-6 landen en de veel minder welvarende CLMV-landen. Daarnaast zorgt het niet-inmengingsprincipe ervoor dat consensus belangrijk is en dat openlijke conflicten ongewenst zijn. Door deze ‘ASEAN way’ van overleg worden echter ook vaak afspraken gemaakt die minder ver gaan dan gewenst zou zijn.

Voortgang van de eerste pijler

De eerste pilaar van de AEC, een gemeenschappelijke markt en productiebasis, is het belangrijkste onderdeel van de economische gemeenschap. Het ASEAN vrijhandelsakkoord (AFTA) in 1992 en het uit de AEC voortgevloeide ASEAN handel in goederen akkoord (ATIGA) in 2009 resulteerden in de bijna volledige verwijdering van importheffingen. Tussen de ASEAN-6 zijn zo bijna alle tarieven gereduceerd tot 0%, terwijl die in de CLMV-landen ook fors lager zijn geworden en tevens voor minder producten gelden. Hierdoor is van de intra-ASEAN-handel meer dan 70% zonder tarieven, en heeft slechts 5% van de handel nog heffingen van boven de 10%. De meeste heffingen worden nog geheven op agrarische producten, grondstoffen en auto’s.

Figuur 3: Nog veel non-tarifaire handelsbarrières te slechten
Figuur 3: Nog veel non-tarifaire handelsbarrières te slechtenBron: McKinsey Global Institute (2014)
Figuur 4: Vooral Indonesië en Maleisië hebben nog steeds veel handelsbarrières
Figuur 4: Vooral Indonesië en Maleisië hebben nog steeds veel handelsbarrièresBron: Narjoko (2015)
Figuur 5: Handelen in de ASEAN kost over het algemeen veel tijd en geld
Figuur 5: Handelen in de ASEAN kost over het algemeen veel tijd en geldBron: Macrobond (Wereldbank WDI)

Het verminderen van de niet-tarifaire handelsbarrières verloopt veel minder voorspoedig (figuur 3 en 4). Als onderdeel van de AEC moet er uiteindelijk een gezamenlijk loket komen waar de gehele bureaucratie rondom import en export kan worden geregeld. Op nationale schaal is dit nu nog slechts in enkele landen geregeld. Vooral in de CLMV-landen en Indonesië is hier nog grote vooruitgang noodzakelijk (figuur 5). 

De voortgang van de liberalisatie van handelsregels voor diensten gaat veel langzamer. Aan de ene kant komt dit doordat diensten veel minder gemakkelijk te vatten zijn dan handel in goederen. Aan de andere kant maken de individuele landen ook veel gebruik van de flexibiliteit van de regels om de eigen dienstensectoren te beschermen. Vooral voor de financiële sector zijn de ambities ook vrij expliciet om deze op korte termijn niet verder te liberaliseren.

Het economische potentieel van de AEC

Als handelsbarrières worden verminderd en instituties verbeterd, dan zou dit de economische groei moeten bevorderen door toenemende handel en specialisatie en daarmee een verbeterde competitiviteit. De schattingen van hoe groot dit positieve effect kan zijn, lopen nogal uiteen. Een gezamenlijke studie uit 2014 van de ADB (Asian Development Bank) en de ILO (International Labour Organisation) schat dat het BBP-volume van de regio ruim 7% hoger kan liggen bij het volledig invoeren van de plannen van de eerste pilaar van de AEC. Ook zouden er rond de veertien miljoen banen worden gecreëerd. Bovendien zouden dan de lonen kunnen stijgen doordat werkgelegenheid verschuift naar technologisch geavanceerdere sectoren. Een studie van MGI (McKinsey Global Institute, 2014) schat dat het BBP-volume van de ASEAN 5 tot 12% hoger kan komen te liggen als de AEC volledig wordt geïmplementeerd en de regio daarmee een gedeelte van de maakindustrie uit China naar zich toe kan trekken. Om dit te bereiken zullen de individuele landen echter eerst de uitdaging moeten aangaan met hun structurele problemen.

De ASEAN heeft de potentie om een sterke productiebasis te worden voor de maakindustrie…

De ASEAN heeft als regio de potentie om een gedeelte van de Chinese maakindustrie over te nemen door de combinatie van een gunstige ligging en de vele vrijhandelsakkoorden. Daarnaast is de bevolking relatief jong en zal de beroepsbevolking in de meeste landen de komende jaren verder stijgen, terwijl deze in China gaat krimpen.

Figuur 6: Vrijhandelsakkoorden
Figuur 6: VrijhandelsakkoordenBron: Asian Development Bank

Daarnaast kan de regio voor ondernemers gaan dienen als springplank naar de rest van Azië. De ASEAN is gunstig gelegen, halverwege tussen China en Australië. Door de ligging direct ten zuiden van de maakindustrie van Zuid-China kan de regio onderdeel worden van deze productieketen. Ook de afgesloten vrijhandelsakkoorden helpen hierbij. Dit is de kern van de vierde pilaar van de AEC (integratie in de wereldeconomie). De voortgang hierop is substantieel; de ASEAN heeft al relatief veel vrijhandelsakkoorden afgesloten, waaronder regionale akkoorden met Australië en Nieuw-Zeeland, China, India en Japan. Op dit moment zijn er onderhandelingen gaande over het samenvoegen van al deze akkoorden in een nieuw, regionaal akkoord (Regional Comprehensive Economic Partnership, RCEP). Verder zit een vrijhandelsakkoord met de EU in de onderhandelingsfase. Deze is bilateraal al afgesloten door de EU met Singapore en in principe ook met Vietnam. De individuele lidstaten kunnen namelijk ook zelf bilateraal akkoorden sluiten, die vaak verder gaan dan een regionaal akkoord. Zo zijn Maleisië, Singapore en Vietnam aangesloten bij de onderhandelingen over de TPP (Trans Pacific Partnership). Deze bilaterale akkoorden maken de regio echter ook onoverzichtelijker. Door verschillen in bijvoorbeeld de herkomsteisen is het lastig om te bepalen welk gedeelte van de handel onder welk akkoord valt. Een volgende stap zou dan ook moeten zijn om meer vrijhandelsakkoorden integraal voor de gehele ASEAN af te sluiten.

… maar zal daarvoor wel eerst haar structurele zwaktes te lijf moeten gaan

Ondernemers die willen investeren of produceren in de ASEAN zullen rekening moeten houden met de structurele zwaktes van de individuele landen in de regio. Het wegnemen van deze belemmeringen is noodzakelijk voor een sterke ontwikkeling van het gebied. Gedeeltelijk is dit ook de agenda van de tweede pijler van de AEC (een competitieve economische regio), maar de voortgang hiervan is nog beperkt.

Instituties en politiek

De ASEAN is een regio waarin de politiek een belangrijke rol speelt voor de economische groei. Zo steeg de Filippijnen in de periode 2011-2014 met 51 plaatsen in de ‘ease of doing business’ index van de Wereldbank als gevolg van het hervormingsbeleid van de huidige regering. Daar tegenover staan de recente ontwikkelingen in Indonesië, Maleisië en Thailand waar politieke problemen negatief doorwerken in de economische groei.

Kijkend naar de institutionele kwaliteit, zien we dat het grote verschil tussen Singapore en de overige ASEAN-landen opvalt (figuur 7). De eerste behoort institutioneel tot de beste landen ter wereld, Maleisië en Brunei scoren beter dan het mondiale gemiddelde, maar al wel beduidend slechter dan de meeste Europese landen. De overige ASEAN-landen scoren vergelijkbaar met ontwikkelingslanden. In de annex is de institutionele-kwaliteitsindicator per land uitgesplitst naar de deelindicatoren.

Figuur 7: Grote verschillen in institutionele kwaliteit binnen de ASEAN
Figuur 7: Grote verschillen in institutionele kwaliteit binnen de ASEANBron: Wereldbank, Rabobank
Figuur 8: Loonkosten in meeste ASEAN-lidstaten relatief gunstig
Figuur 8: Loonkosten in meeste ASEAN-lidstaten relatief gunstigBron: JETRO (Japan External Trade Organisation)Bron: JETRO (Japan External Trade Organisation)

Gunstige loonkosten, maar ook een lage arbeidsproductiviteit

De verschillen in loonkosten en arbeidsproductiviteit zijn groot binnen de ASEAN. Zo zijn de loonkosten in de CLMV-landen, de Filippijnen en Indonesië nog relatief gunstig vergeleken met China (figuur 8). Terwijl een medewerker in de maakindustrie in China ruim 8.000 USD per jaar kost, ligt het jaarlijkse loon in Indonesië en de Filippijnen op ongeveer de helft hiervan. In de CLMV-landen liggen de lonen nog lager. Daarentegen zijn Maleisië en Thailand maar een fractie goedkoper dan China. Ook kent Zuidoost-Azië relatief hoge ontslagvergoedingen en strikte arbeidsmarktreguleringen, waarbij Indonesië de kroon spant (figuur 9). Daarnaast groeit de arbeidsproductiviteit in de regio relatief traag (figuur 10). In China lag de gemiddelde arbeidsproductiviteitsgroei (9,5% per jaar) in de afgelopen tien jaar ruim drie keer zo hoog als in de ASEAN (3% per jaar). Daarentegen stegen de lonen in dezelfde periode ook ruim twee keer zo snel in China (17% per jaar tegen 8% per jaar in ASEAN).

Figuur 9: Ontslaan van personeel het duurst in Indonesië
Figuur 9: Ontslaan van personeel het duurst in IndonesiëBron: Wereldbank
Figuur 10: Arbeidsproductiviteitsgroei in ASEAN blijft achter bij die in China
Figuur 10: Arbeidsproductiviteitsgroei in ASEAN blijft achter bij die in ChinaBron: Macrobond (Conference Board TED)

Kwaliteit van onderwijs en infrastructuur een beperkende factor

De zeer beperkte groei van de arbeidsproductiviteit in de ASEAN-regio is gedeeltelijk te verklaren door het relatief slechte onderwijs en de slechte staat van de infrastructuur. Qua PISA-scores als graadmeter voor de onderwijskwaliteit schieten Singapore en Vietnam er positief uit, terwijl Thailand, Maleisië en Indonesië lager scoren dan het OESO-gemiddelde (figuur 11). Indonesië is zelfs het op-een-na-slechtst presterende land ter wereld. Wel moet hier de kanttekening bij worden gemaakt dat de PISA-test slechts in een beperkt aantal landen buiten de OESO wordt uitgevoerd. In China wordt de test bijvoorbeeld alleen maar afgenomen in enkele grote steden. In hoeverre deze score ook representatief is voor de rest van het land is daarom op zijn minst twijfelachtig.

Een tweede beperkende factor voor de productiviteit en de handel in de regio is de staat van de infrastructuur. Naast de CLMV-landen vallen ook de Filippijnen en Indonesië in negatieve zin op in de tijdigheid van verzendingen (figuur 12).

Figuur 11: Pisa-scores van de ASEAN landen
Figuur 11: Pisa-scores van de ASEAN landenBron: OESO
Figuur 12: Infrastructuur is van slechte kwaliteit
Figuur 12: Infrastructuur is van slechte kwaliteitBron: Macrobond (Wereldbank WDI)

Conclusie

De vooraf geformuleerde doelen van de AEC zijn ambitieus. In de praktijk lijkt de invoering zich echter grotendeels te beperken tot het wegnemen van heffingen op de intra-ASEAN-handel. Ook heeft de regio veel vrijhandelsakkoorden weten af te sluiten met andere landen en/of regio’s. Daartegenover bestaan er nog steeds veel niet-tarifaire handelsbarrières. Ook moet de institutionele kwaliteit in de regio verbeteren en moet de arbeidsproductiviteit omhoog. Het volledig uitvoeren van de agenda van de AEC kan hier wel bij helpen, maar de voortgang is nog beperkt. Gegeven het vrijblijvende karakter van de afspraken binnen de ASEAN zal de implementatie van verdere hervormingen de nodige vertraging blijven oplopen. Het zal daarom nog flink wat tijd kosten voordat de regio naast een vrijhandelszone ook een economische unie wordt. Voor de Zuidoost-Aziatische beleidsmakers blijft er in de komende jaren dus nog voldoende werk te doen.

Literatuurlijst

ASEAN Secretariaat (2014). Thinking globally, prospering regionally. ASEAN Economic Community 2015.

Economist Intelligence Unit (2014). Re-drawing the ASEAN map. How companies are crafting new strategies in South-east Asia.

International Labour Organization & Asian Development Bank (2014). ASEAN community 2015 : managing integration for better jobs and shared prosperity.

McKinsey Global Institute (2014). Southeast Asia at the crossroads: three paths to prosperity.

Menon, J. & A.C. Melendez (2015). Realizing an ASEAN Economic Community: progress and remaining challenges. ADB (Asian Development Bank) economics working paper series, no. 432.

Narjoko, D. (2015). AEC Blueprint Implementation Performance and Challenges: Non-Tariff Measures and Non-Tariff Barriers. Economic Research Institute for ASEAN and East Asia (ERIA) Discussion Paper, no. 2015-36.

Annex 1: Institutionele kwaliteit in de lidstaten van de ASEAN

Figuur 13: Singapore en Maleisië steken positief af tegenover de rest van de ASEAN
Figuur 13: Singapore en Maleisië steken positief af tegenover de rest van de ASEANBron: Wereldbank, Rabobank
Figuur 14: CLMV-landen scoren slechter dan het mondiale gemiddelde op bijna alle deelindicatoren
Figuur 14: CLMV-landen scoren slechter dan het mondiale gemiddelde op bijna alle deelindicatorenBron: Wereldbank, Rabobank
Delen:
Auteur(s)

naar boven