RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Latijns-Amerika: vooruitgang door populistisch beleid?

Special

Delen:

Deze studie maakt deel uit van de Latijns-Amerika na de grondstoffenhausse serie

  • De afgelopen vijftien jaar zijn de Latijns-Amerikaanse landen erin geslaagd armoede en inkomensongelijkheid terug te dringen
  • Dit heeft waarschijnlijk bijgedragen aan politieke stabiliteit in de regio
  • Met de wind in de rug, in de vorm van hoge grondstofprijzen, heeft een aantal landen echter een populistisch beleid gevoerd
  • Dit betreft niet alleen de gebruikelijke boosdoeners als Venezuela, Argentinië en Bolivia die een anti-marktbeleid voeren.Landen als Ecuador en Nicaragua staan op één lijn met Argentinië en in de meeste Latijns-Amerikaanse landen is het risico op onteigening veel groter dan in Chili en Uruguay, de best presterende landen in de regio
  • Met de grondstoffenprijzen steeg ook de populariteit van de presidenten. Evenzo nam deze vanaf 2009 weer af. Zonder de grondstoffenprijzen om de politieke stabiliteit te stutten, stijgt het politieke risico
  • Vooruitkijkend zien we dat alleen in Venezuela het onhoudbare beleid voor politieke veranderingen kan zorgen. In de meeste landen zijn onlangs verkiezingen gehouden; in deze landen is het risico op protesten en rellen in de afgelopen vijf jaar echter toegenomen

Maatschappelijke ontwikkeling

Zoals beschreven in Latijns-Amerika: de vette jaren zijn voorbij hebben hoge grondstofprijzen in de periode 2003-2011 voor een gunstig macro-economisch klimaat gezorgd. De hoge grondstofprijzen stimuleerden de economische groei en de overheidsinkomsten. Hierdoor kregen de overheden de ruimte om hun sociale beleid fors uit te breiden (bijvoorbeeld de Bolsa Familia in Brazilië). Samen met de directe invloed van een hogere economische groei op de werkgelegenheid en de privéinkomens heeft dit bijgedragen aan de groei van de middenklasse en het terugdringen van armoede in de meeste Latijns-Amerikaanse landen. Figuur 1 laat zien hoe de armoede tussen 2001 en 2013 in alle landen is afgenomen, behalve in Colombia en Honduras. In 2001 leefde 24%[1] van de Latijns-Amerikaanse bevolking van minder dan vier dollar per dag. In 2013 was dit nog maar 21%. De scherpste daling was te zien in Argentinië, Bolivia en Paraguay, hoewel de daling in Argentinië waarschijnlijk wat overdreven is vanwege de onbetrouwbaar lage officiële inflatiecijfers. Daar komt nog bij dat de Wereldbank meldde dat de Latijns-Amerikaanse middenklasse in 2009 inmiddels 30% uitmaakte van de bevolking in de regio, tegen 19% in 2003.

Figuur 1: Afname armoede in Latijns-Amerika 2001-2013
Figuur 1: Afname armoede in Latijns-Amerika 2001-2013Bron: Sedlac, Rabobank

Tegelijkertijd is de inkomensongelijkheid in alle landen waar we gegevens over hebben teruggebracht (figuur 2). Dit gaat in tegen de internationale trend van toenemende ongelijkheid binnen landen (Stand & Rising, 2011). De ongelijkheid is echter nog steeds groot in Latijns-Amerika, niet alleen in vergelijking met de ontwikkelde wereld, maar ook met de BRIC-landen (figuur 3). Een afname van armoede en inkomensongelijkheid is welkom, onder andere vanwege de bijdrage aan maatschappelijke tevredenheid en sociaal-politieke stabiliteit (Alesina en Perotti, 1993).

Figuur 2: Ontwikkeling van de Ginicoëfficiënt in Latijns-Amerika, 2001-2013
Figuur 2: Ontwikkeling van de Ginicoëfficiënt in Latijns-Amerika, 2001-2013Bron: Sedlac, Rabobank
Figuur 3: Ginicoëfficiënten in vergelijkend perspectief (gegevens 2009)
Figuur 3: Ginicoëfficiënten in vergelijkend perspectief (gegevens 2009)Bron: Macrobond, Sedlac, Rabobank

Populistisch beleid steekt weer de kop op

In de afgelopen vijftien jaar zijn we getuige geweest van de opkomst van een aantal populistische regimes in Latijns-Amerika. Notoire voorbeelden zijn de Kirchners in Argentinië, die in 2003 aan de macht kwamen en sindsdien president zijn gebleven, en Hugo Chavez en Nicolás Maduro, die sinds 1999 aan de macht zijn in Venezuela. Populisme is moeilijk te definiëren, maar zowel de politicologie als de ontwikkelingseconomie draagt mogelijke definities aan. Albertazzi en McDonnell (2007) definiëren populisme als “[een ideologie die] een rechtschapen en homogene bevolking opzet tegen elitegroepen en gevaarlijke 'anderen', die samen worden afgeschilderd als een groep die de autonome bevolking haar rechten, normen en waarden, welvaart, identiteit en stem afneemt (of probeert af te nemen)”. Drake (1982) benadrukt dat populisme wordt gekenmerkt door een sterke nadruk op de herverdeling van inkomens, iets wat eigenlijk positief zou kunnen zijn op een continent dat door grote inkomensverschillen wordt getekend. Dornbusch en Edwards (1991) gaan dieper in op deze definities en beschrijven dat economisch populisme “een economische benadering [is] die de nadruk meer op groei en inkomensherverdeling legt en minder op inflatierisico en tekortfinanciering, externe beperkingen en de reactie van marktpartijen op agressieve niet-marktgerichte politiek”.

Deze politiek kan gemakkelijk tot macro-economische onevenwichtigheden leiden. Op deze manier houdt het populisme wel een risico in voor de duurzame economische ontwikkeling en de politieke stabiliteit, ondanks de mogelijke winst op korte termijn. Om vast te stellen of er een heropleving van populisme heeft plaatsgevonden, kijken we naar de door Dornbusch en Edwards voorgestelde macro-economische indicatoren, het begrotingsbeleid van overheden en bewijzen van agressieve, niet-marktgerichte politiek.

Macro-economisch wanbeleid

Dornbusch en Edwards (1991) beschrijven de klassieke populistische cyclus: als populistische leiders aan de macht komen, beginnen zij economische programma's door te voeren die de inkomens moeten herverdelen, werkgelegenheid moeten scheppen en de groei moeten versnellen. Op de korte termijn werkt deze strategie, en de groeiende import remt de invloed af van de groeiende vraag op de inflatie. Als de valutareserves uitgeput raken, begint deze economische strategie te falen; de prijzen van schaarse producten beginnen sneller te stijgen door tekorten, terwijl het begrotingssaldo afneemt doordat de subsidiekosten voor salarissen, goederen en vreemde valuta sterk stijgen. Uitgaande van deze benadering zou je verwachten dat een populistisch regime een hoog begrotingstekort, een groot tekort op de lopende rekening en een hoge inflatie zou kennen.

Tabel 1: Macro-economisch indicatoren
Tabel 1: Macro-economisch indicatorenBron: Macrobond, Rabobank

Tabel 1 laat de gemiddelden zien van deze variabelen voor de Latijns-Amerikaanse landen. Uit de gegevens blijkt dat er geen duidelijke relatie is tussen de drie variabelen. Een land als Venezuela, met zijn enorme oliesector, heeft een overschot op de lopende rekening weten te bewerkstelligen bij een woekerende inflatie en een groot begrotingstekort. Argentinië kent een hoge inflatie maar gebruikt beperkte toegang tot vreemde valuta om de import onder controle te houden. Uruguay, dat niet bekend staat om zijn populistische politiek, presteert niet erg goed op de macro-economische indicatoren. Omdat nog veel andere factoren deze macro-economische resultaten beïnvloeden, waaronder de kapitaalgoederenvoorraad, natuurlijke bronnen en handelsvoorwaarden, kijken we nu naar het gedrag van de overheden om een idee te krijgen in welke landen het meest populistische beleid wordt gevoerd. 

Begrotingsbeleid

Aangezien de meeste definities populisme in verband brengen met een sterke focus op herverdelingsbeleid, kijken we nu naar het budgettaire gedrag van overheden. Figuur 4 laat de budgettaire expansie zien op landenniveau. We zien dat in de meeste landen de (reële) overheidsuitgaven in de afgelopen vijftien jaar consequent harder zijn gegroeid dan het BBP. Het is geen verrassing dat de landen met de meest spraakmakende populistische leiders ook de landen zijn waar de overheidsuitgaven relatief het meest dramatisch zijn gestegen. De groei van de overheidsuitgaven overtrof in Venezuela de groei van het BBP met 4% op jaarbasis, terwijl dit voor Argentinië en Bolivia respectievelijk 3,2 en 2,9% was.

Figuur 4: Budgettaire expansie in Latijns-Amerika (2001-2015)
Figuur 4: Budgettaire expansie in Latijns-Amerika (2001-2015)Bron: Macrobond, Rabobank

Een andere manier om het begrotingsbeleid te beoordelen, is te kijken of er een sterk verband bestaat tussen de electorale en begrotingscycli. Zodra regeringen vóór de verkiezingen cadeautjes beloven om kiezers te trekken, zijn ze waarschijnlijk populistischer. Met behulp van een model dat is afgeleid van Woo (2006) maken we een inschatting of een dergelijk verband bestaat[2]. We zien dat de overheidsuitgaven vooral gedurende de verkiezingsjaren snel zijn gegroeid, met gemiddeld een sterke budgettaire expansie van rond de 1,4% van het BBP tussen 2002 en 2014. Ook zien we dat er vóór 2002 geen bewijs te vinden is voor een dergelijke cyclus. Dit suggereert dat de stijging van de grondstofprijzen de opkomst van populistische leiders daadwerkelijk mogelijk heeft gemaakt.

Anti-marktbeleid en ondernemingsklimaat

Naast grote begrotingstekorten en een dalend exportsaldo noemden Dornbusch en Edwards (1991) ook “agressieve niet-marktgerichte politiek” als een kenmerk van populistische politiek. Het risico dat overheden activa onteigenen vormt in sommige Latijns-Amerikaanse landen een probleem. Dit risico is zelfs relatief hoog (figuur 7) in Venezuela, Argentinië, Bolivia, Ecuador en Nicaragua. Het meest bekende voorbeeld is de onteigening van olieproducent YPF in Argentinië in 2012, maar andere landen als Venezuela en Bolivia hebben ook mijnbouwbedrijven genationaliseerd. Venezuela is een schoolvoorbeeld van niet-marktgericht beleid: hier is onlangs zelfs een supermarkt genationaliseerd toen de overheid beweerde dat deze niet voldoende producten op voorraad had (als gevolg van prijsmaatregelen door diezelfde overheid).

Figuur 5: Bescherming van eigendomsrechten
Figuur 5: Bescherming van eigendomsrechtenBron: WEF, Rabobank

De meeste van deze landen scoren ook niet erg hoog op de Bescherming van Eigendomsrechtenindex en de Bovenmatige Overheidsinvloedindex van het Wereld Economisch Forum (figuur 6). Alleen Bolivia is een uitschieter: dit land is tussen 2007 en 2015 gestegen op beide indexen, ondanks dat het onteigeningsrisico nog steeds als hoog wordt ingeschat. In veel landen is de bescherming van het eigendomsrecht afgekalfd, maar in de meeste landen is de score op de Bovenmatige Overheidsinvloedindex wel verbeterd. Concluderend kunnen we stellen dat het merendeel van de Latijns-Amerikaanse landen behoorlijk achter lijkt te blijven bij de topscorers Chili en Uruguay voor wat betreft bovenmatige overheidsinvloed en de bescherming van eigendomsrechten.

Figuur 6: Bovenmatige overheidsinvloed
Figuur 6: Bovenmatige overheidsinvloedBron: WEF, Rabobank
Figuur 7: Risico op onteigening in Latijns-Amerikaanse landen
Figuur 7: Risico op onteigening in Latijns-Amerikaanse landenBron: IHS

Wat blijft er over van politieke stabiliteit zonder hoge grondstofprijzen?

Als de overheden in heel Latijns-Amerika door de stijging van de grondstofprijzen een meer populistisch beleid hebben kunnen voeren, dan heeft deze stijging allicht bijgedragen aan de politieke stabiliteit op de korte termijn. De vraag is echter of de stabiliteit in gevaar komt nu de externe omstandigheden een grotere uitdaging vormen. Om te zien of er een trendmatige ontwikkeling in politieke stabiliteit is, kijken we naar de ontwikkeling van de populariteit (draagvlak) van de huidige president van een land uit de Latinobarómetro database. We kijken naar een groot aantal landen met ieder een eigen politieke dynamiek. Figuur 8 laat daarom een vereenvoudigd beeld zien. Hierin staat de gemiddelde populariteit van presidenten in Latijns-Amerika, afgezet tegen de grondstofprijsindex van The Economist. Deze figuur laat zien hoe de populariteit in de eerste jaren van de stijging van de grondstofprijzen toenam, en hoe deze de afgelopen jaren daalde. Gecombineerd ontstaat er een duidelijk beeld: grondstofprijzen correleren met populariteit en dragen zo waarschijnlijk bij aan politieke stabiliteit[3]. De stagnatie van de grondstofprijzen door de vertraagde groei in China en het huidige overaanbod op de oliemarkt beloven niet veel goeds voor de politieke stabiliteit op de korte termijn. We zien dat het politieke risico in 40% van de landen is toegenomen tussen de hoogtepunten in de grondstofprijzen in 2010 en 2015 (IHS, 2015). Bovendien is het risico op stakingen toegenomen in driekwart van de Latijns-Amerikaanse landen (IHS, 2015).

Figuur 8: Gemiddeld draagvlak versus grondstofprijzen, 2002-2014
Figuur 8: Gemiddeld draagvlak versus grondstofprijzen, 2002-2014Bron: Latinobarómetro, Macrobond, Rabobank
Figuur 9: Politieke risico's
Figuur 9: Politieke risico'sBron: IHS

Aanstaande verkiezingen

Op basis van bovenstaande analyse voorzien wij een toename van de politieke instabiliteit in de nabije toekomst, tenzij de grondstofprijzen onverwacht weer zouden opleven. De vraag is natuurlijk wat dit voor de huidige machthebbers betekent. Zal de politieke instabiliteit een wisseling van de wacht versnellen?

Figuur 10: Toenemend risico op protesten en rellen
Figuur 10: Toenemend risico op protesten en rellenBron: IHS

Het jaar 2015 ziet twee interessante verkiezingen. Zowel Argentinië als Venezuela gaat naar de stembus. In Argentinië staat de door Kirchner voorgedragen opvolger Daniel Scioli bovenaan in de opiniepeilingen. Dit ondanks de voorgeschiedenis van jaren van economisch wanbeleid door Kirchner. Aan de andere kant zou er in Venezuela wel een machtswisseling plaats kunnen vinden nu de MUD, de grootste oppositiepartij, bovenaan staat in de opiniepeilingen met 61% van de stemmen. De MUD heeft daarmee een voorsprong van ruim 33 procentpunten op de zittende PSUV. Voor de andere landen staat er de komende twee jaren geen gang naar de stembus op het programma, omdat de meeste nog verkiezingen hebben gehouden in 2014 en 2015. Maar vanwege het gebrek aan mogelijkheden voor de bevolking om bij de stembus lucht te geven aan de onvrede, is het risico op demonstraties en rellen in zestien van de negentien landen sinds 2010 toegenomen (figuur 10)[4]. Dit kan nog steeds tot vervroegde verkiezingen leiden als de positie van de zittende regering onhoudbaar wordt.

Tabel 2: Aanstaande verkiezingen
Tabel 2: Aanstaande verkiezingenBron: ElectionGuide

Alesina en Perotti hebben aangetoond dat de algehele toename van politieke instabiliteit en de onzekerheid over een regeringswisseling investeringen en economische groei negatief kunnen beïnvloeden (Alesina en Perotti, 1993). Door de verminderde populariteit wordt de politieke speelruimte voor structurele hervormingen bovendien beperkt, terwijl deze nodig zijn om economische groei van landen in Latijns-Amerika te stimuleren. Wel positief is dat populistische regimes waarschijnlijk een ‘reality check’ krijgen. We kunnen alleen maar hopen dat de leiders die hun plaats innemen zich verre zullen houden van interventionistisch beleid, maar in de plaats daarvan hervormingen zullen doorvoeren om hun land op een hoger groeipad te brengen. En dat zonder de in de afgelopen vijftien jaar behaalde successen in het terugdringen van armoede en ongelijkheid prijs te geven.

Voetnoten

[1] Dit gemiddelde is vanwege de beschikbaarheid van gegevens gebaseerd op de volgende landen: Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, Dominicaanse Republiek, El Salvador, Guatemala, Honduras, Argentinië, Mexico, Panama, Paraguay en Peru.

[2] Zie de bijlage voor een nadere uitleg van het model en de regressieresultaten.

[3] We hebben geprobeerd deze hypothese te testen door een model te creëren dat draagvlak verklaart aan de hand van (reële) BBP-groei, inflatie, reële overheidsuitgaven en grondstofprijzen. Dit model laat op overtuigende wijze zien dat de BBP-groei van vorig jaar heeft bijgedragen aan de huidige populariteit, een resultaat dat overeenkomt met Alesina et al. (1996). Met beperkte en vertekende gegevens is het moeilijk een robuuste schatting te maken voor het effect van de grondstofprijzen.

[4] Ondanks de massale protesten in maart scoort Brazilië relatief goed. Dit komt deels doordat Brazilië geen geschiedenis van protesten kent. Ondanks de lage score kan de politieke invloed van protesten groter zijn dan in andere Latijns-Amerikaanse landen waar protesteren gebruikelijker is, zoals in Peru.

Referenties

Albertazzi, D., & McDonnell, D. (Eds.). (2007). Twenty-First Century Populism: The Spectre of Western European Democracy. Palgrave Macmillan.

Alesina, A., Londregan, J., & Rosenthal, H. (1993). A Model of the Political Economy of the United States. American Political Science Review87(01), 12-33.

Alesina, A., Özler, S., Roubini, N., & Swagel, P. (1996). Political Instability and Economic Growth. Journal of Economic Growth, 1(2), 189-211.

Alesina, A., & Perotti, R. (1996). Income Distribution, Political Instability, and Investment. European Economic Review40(6), 1203-1228.

Drake, P. 1982. Conclusion: Requiem for Populism? In Latin American Populism in Comparative Perspective, ed. M. L. Conniff. Albuquerque: University of New Mexico Press.

Edwards, S. (1991). The Macroeconomics of Populism in Latin America. Chicago and London: NBER Conference Report, University of Chicago Press.

Ferreira, F. H., Messina, J., Rigolini, J., López-Calva, L. F., Lugo, M. A., Vakis, R., & Ló, L. F. (2012). Economic Mobility and the Rise of the Latin American Middle Class. World Bank Publications.

Stand, D. W., & Rising, W. I. K. (2011). An Overview of Growing Income Inequalities in OECD Countries: main findings.

Woo, J. (2006). The Political Economy of Fiscal Policy: Public Deficits, Volatility, and Growth (Vol. 570). Springer Science & Business Media.

Gegevensbronnen

Binghamton University, Election Results Archive

Election Guide/ 

The World Bank, Socio-Economic Database for Latin America and the Caribbean

Latinobarómetro

Doing Business

The World Bank, Worldwide Governance Indicators 

World Economic Forum 

Bijlage

I. Het begrotingscyclusmodel

Om de aanwezigheid van een met verkiezingen samenhangende begrotingscyclus in Latijns-Amerika te onderzoeken, gebruiken we een model dat is gebaseerd op Woo (2006). Omdat we per land onvoldoende waarnemingen hebben voor een regressie analyse, maken we gebruik van een panel om ons model te beoordelen. Dit model beslaat de periode 1989-2014 en de volgende landen zijn erin opgenomen: Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Mexico, Paraguay, Peru, Uruguay en Venezuela. In dit model wordt het begrotingssaldo verklaard aan de hand van een aantal factoren, waaronder de BBP-groei en de inflatie. Om te verklaren of de verkiezingscyclus invloed heeft op het begrotingstekort, gebruiken we een dummy voor een parlementsverkiezing, een presidentsverkiezing, of beide. Om de positieve invloed van de grondstofprijzen op het begrotingssaldo te verklaren, nemen we ook de grondstofprijsindex van The Economist mee. Zo wordt dan meteen ingecalculeerd dat 'verstandige overheden' niet toestaan dat stijgende grondstofprijzen onmiddellijk worden omgezet in extra overheidsuitgaven, hoewel het steeds moeilijker wordt om dit vol te houden als de stijging van de grondstofprijzen structureel lijkt.

Conform de uitkomst van de Hausmantest maken we gebruik van het zogenoemde ‘fixed effects’ model. We beginnen met een algemene specificatie (1). Om op het aantal vrijheidsgraden te besparen, geven we de voorkeur aan de gecombineerde verkiezingsdummy (specificatie 3) boven een separate presidentsdummy en een parlementsdummy (specificatie 1). Om te bepalen of het begin van de supercyclus voor grondstoffen (ongeveer rond 2002) een structurele breuk teweeg heeft gebracht, delen we de steekproef in tweeën rond het jaar 2002 (specificaties 4 en 5).

We zien dan dat de grondstofprijzen in alle specificaties statistisch onbelangrijk zijn. Dit staaft onze analyse in figuur 4, dat hogere grondstofprijzen in vrijwel alle Latijns-Amerikaanse landen tot een stijging van de uitgaven hebben geleid. Een verkiezing in een bepaald jaar verlaagt het begrotingssaldo echter met 0,7% van het BBP. Als we naar de ramingen voor de opgedeelde steekproef kijken, zien we dat de verkiezingsdummy vóór de verkiezingen niet belangrijk is, maar na de verkiezingen juist sterker en belangrijker wordt. Dit lijkt erop te wijzen dat regeringen door de hoge grondstofprijzen vóór de verkiezingen cadeautjes kunnen uitdelen. De schatting suggereert dat het begrotingssaldo na 2002 met 1,4% van het BBP verslechterd in een verkiezingsjaar.

Tabel I: Regressie-uitkomsten begrotingsbeleid
Tabel I: Regressie-uitkomsten begrotingsbeleidBron: Election Results Archive, ElectionGuide, Macrobond, Rabobank

II. Draagvlak

Met behulp van regressie-analyse proberen we vast te stellen of overheden qua populariteit hebben geprofiteerd van de hoge grondstofprijzen. De specificatie is gebaseerd op een model dat is ontwikkeld door Alesina, Londregan en Rosenthal (1990). Zij menen dat het BBP een goede voorspeller is van een herverkiezing, wat betekent dat het mogelijk ook een goede voorspeller van het populariteitsniveau van een zittende president zou kunnen zijn. We maken gebruik van de populariteitsmetingen van de Latinobarómetro.

In het model wordt de BBP-groei meegenomen. Ook nemen we de reële uitgavegroei op als indicator voor mogelijke (impopulaire) bezuinigingen. Hoge inflatie confronteert kleine spaarders met (impopulaire) kosten. Daarom nemen we dit ook op in het model. Om de verbeterde externe condities die niet een directe BBP-groei tot gevolg hebben mee te nemen, nemen we de grondstofprijzen op.

Tabel II: Regressie-uitkomsten draagvlak
Tabel II: Regressie-uitkomsten draagvlakBron: Latinobarómetro, Election Results Archive, ElectionGuide, Macrobond, Rabobank

We zien dan dat de BBP-groei van het afgelopen jaar een heel belangrijke verklaring is voor de populariteit van de president. Grondstofprijzen zijn slechts op het 10-procentsniveau statistisch significant, wat wijst op een vrij mager verband tussen grondstofprijzen en draagvlak. Maar als het BBP het voornaamste vehikel is waarmee grondstofprijzen het draagvlak ondersteunen, dan kan het nog steeds zo zijn dat grondstofprijzen via het BBP-kanaal de populariteit beïnvloeden. In de onderstaande regressie is het statistische verband tussen grondstofprijzen en populariteit niet zo duidelijk omdat het toch al twijfelachtige verband ook nog gevoelig is voor veranderingen in de specificatie.

Deze studie maakt deel uit van de Latijns-Amerika na de grondstoffenhausse serie

Colofon

Deze studie is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. 

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: WEO: World Economic Outlook World Economic Outlook, EIU: Economist Intelligence Unit, IMF: Internationaal Monetair Fonds, WEF: World Economic Forum, DOTS: Direction of Trade Statistics

Gebruikte afkortingen landen: AR: Argentinië, BZ: Belize, BO: Bolivia, BR: Brazilië, CL: Chili, CO: Colombia, CR: Costa Rica, EC: Ecuador, SV: El Salvador, GT: Guatemala, GY: Guyana, HN: Honduras, MX: Mexico, NI: Nicaragua, PA: Panama, PY: Paraguay, PE: Peru, SR: Suriname, UY: Uruguay, VE: Venezuela

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

KEO is ook te vinden op internet: www.rabobank.com/economie

Voor overige informatie kunt u bellen met het secretariaat van Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Eindredactie: 
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek, Kennis en Economisch Onderzoek

Redactie: Enrico Versteegh

Productiecoördinatie: Alexandra Dumitru en Christel Frentz

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Delen:
Auteur(s)

naar boven