RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Latijns-Amerika: de vette jaren zijn voorbij

Special

Delen:

Deze studie maakt deel uit van de Latijns-Amerika na de grondstoffenhausse serie

  • Voor de meeste Latijns-Amerikaanse landen zal de groeivertraging van de afgelopen jaren in 2015 doorzetten. Vooral de lagere grondstofprijzen zijn hier debet aan
  • Voor 2016 wordt een mild herstel verwacht, maar de economische vooruitzichten voor de langere termijn hangen af van de mate waarin de regio erin slaagt de structurele problemen aan de aanbodzijde van de economie op te lossen en de productiviteit te verbeteren
  • De meeste Latijns-Amerikaanse landen zijn kleine, open economieën en dus kwetsbaar voor externe ontwikkelingen, hoewel een sterke instroom van directe buitenlandse investeringen en voldoende valutareserves op de korte termijn genoeg bescherming moeten bieden. In Argentinië en Venezuela is de situatie momenteel echter kritiek
  • De meeste landen hebben weinig ruimte om de economie monetair of budgettair te stimuleren
  • Verslechterende arbeidsmarkten en lage besparingen en investeringen bevorderen de groei ook niet. Gelukkig is het niveau van de private schulden relatief laag en zullen deze daarom, naar verwachting, de groei niet remmen

De economische groei vertraagt

Het merendeel van de economische rapporten die in de afgelopen jaren over Latijns-Amerika zijn verschenen, ademden teleurstelling uit. De economische groei in de regio valt sinds 2010 duidelijk terug –van 6% in 2010 naar 1,3% in 2014– en zal naar verwachting nog verder afnemen tot 0,9% in 2015 (figuur 1). De gemiddelde economische groei van 2,4% over 2011-2014 is maar iets meer dan de helft van de 4,2% groei over 2003-2011, ondanks de Grote Recessie van 2008/2009 (figuur 2). De regio heeft te maken met minder gunstige omgevingsfactoren, vooral door de daling in de grondstofprijzen sinds 2011 (figuur 3) en het stopzetten van de kwantitatieve verruimingsmaatregelen (QE) in de Verenigde Staten.

Figuur 1: De Latijns-Amerikaanse BBP-groei valt sneller terug dan elders...
Figuur 1: De Latijns-Amerikaanse BBP-groei valt sneller terug dan elders... Bron: IMF WEO
Figuur 2. …waardoor de bijdrage van Latijns-Amerika aan de mondiale BBP-groei afneemt
Figuur 2. …waardoor de bijdrage van Latijns-Amerika aan de mondiale BBP-groei afneemtBron: IMF WEO

Tot 2011 kon Latijns-Amerika profiteren van een lange periode met historisch stijgende grondstofprijzen, de zogenoemde supercyclus voor grondstoffen. Deze grondstoffencyclus of -hausse duurde ruwweg van 2003 tot 2011 en werd breed gedragen, hoewel de prijsstijgingen in de energie- en metaalsector veel hoger waren dan die in de voedselsector. Door de daaropvolgende daling van de grondstofprijzen kwam niet alleen de exportgroei onder druk te staan maar ook de investeringen, die al sinds 2011 aan het dalen zijn. Het IMF heeft door de achterblijvende export en investeringen zijn ramingen voor de periode 2012-2015 (figuur 4) aanzienlijk naar beneden bijgesteld omdat de prognoses "door de stijging van de grondstofprijzen in het verleden waren uitgegaan van een meer aanhoudende groei dan uiteindelijk is gerealiseerd. Met name investeringen bleven al snel achter bij de prognoses nadat de hausse in de grondstofprijzen in 2011 afvlakte" (IMF, 2014). Gruss (2014) stelt dat wegvallende prijsstijgingen alleen al de gemiddelde groei voor Latijns-Amerikaanse grondstoffenexporteurs in de periode 2014-2019 met 1,3 procentpunt zou hebben doen dalen ten opzichte van de haussejaren 2003-2011, zelfs als de grondstofprijzen op het nog steeds historisch hoge niveau van 2014 waren gebleven.[1] 

Figuur 3: Economische groei in Latijns-Amerika blijft achter bij groei grondstofprijzen
Figuur 3: Economische groei in Latijns-Amerika blijft achter bij groei grondstofprijzenBron: EIU, IMF WEO, ICE
Figuur 4: Economische groei 2011-2015 in Latijns-Amerika aanzienlijk naar beneden bijgesteld
Figuur 4: Economische groei 2011-2015 in Latijns-Amerika aanzienlijk naar beneden bijgesteldBron: IMF WEO
Figuur 5: Meeste Latijns-Amerikaanse landen laten groeivertraging zien, maar er zijn regionale verschillen
Figuur 5: Meeste Latijns-Amerikaanse landen laten groeivertraging zien, maar er zijn regionale verschillenBron: IMF WEO

Binnenlandse factoren, zoals politieke onzekerheid en het lage vertrouwen van de private sector, spelen in veel landen ook een rol, in de afgelopen jaren in toenemende mate. De relatief hoge inflatie en de toenemende tekorten op de lopende rekening lijken erop te wijzen dat hier sprake is van structurele problemen aan de aanbodkant, zoals een slechte infrastructuur en gebrekkig onderwijs.

De groeivertraging was bijzonder sterk in Argentinië, Brazilië en Venezuela (figuur 5[2]), waar binnenlandse factoren (het resultaat van onhoudbaar politiek beleid dat mede mogelijk werd gemaakt door de gestegen grondstofprijzen) een belangrijke rol speelden.

Ondanks de hoge kwetsbaarheid voor ontwikkelingen in het buitenland blijft de regio weerbaar

Lagere grondstofprijzen leiden ook tot een zwakkere externe positie en sommige Latijns-Amerikaanse landen zijn hier meer kwetsbaar voor dan andere. Op dit continent komen veel kleine, open economieën voor (tabel 1), met als uitzonderingen Brazilië en Mexico. De combinatie van een kleine omvang en een grote economische openheid maken een land zeer kwetsbaar voor externe ontwikkelingen. Brazilië is daarentegen minder open en hierdoor minder kwetsbaar. Dit geldt in mindere mate ook voor Argentinië, Chili, Colombia, Mexico, Peru en Uruguay.

Tabel 1: Indicatoren economische structuur
Tabel 1: Indicatoren economische structuurBron: IMF, World Bank *gegevens 2012 voor Honduras, gegevens 2011 voor Suriname

Wanneer we de export nader bekijken dan zien we dat de meeste landen vooral goederen uitvoeren, waarvan grondstoffen het grootste deel beslaan. Costa Rica en El Salvador lijken een bredere exportbasis te hebben, met hun kleinere aandeel van goederen (en/of grondstoffen) in de totale export van goederen en diensten. In Midden-Amerika is de export meer verdeeld over dienstverlening en productie. Mexico en El Salvador zijn regionale uitschieters, aangezien de export van deze landen vooral bestaat uit producten van de maakindustrie.

Voedingsmiddelen beslaan in de meeste landen het grootste deel van de grondstoffenuitvoer (figuur 6). Dit is geruststellend gegeven de verschuiving van investeringen naar consumptie in China (en de algemene daling in de wereldwijde investeringen). Door het aandeel van de metaalsector in de export zijn Chili, Peru, Suriname en, in mindere mate, Bolivia en Brazilië gevoeliger voor de veranderingen in China. Bolivia, Colombia, Ecuador en Venezuela zijn aan de andere kant gevoelig voor de aanhoudend lage olieprijzen.

In het algemeen kunnen we stellen dat landen met een beperktere exportbasis, zoals Chili en Colombia, kwetsbaarder zijn. Wanneer we kijken naar de exportbestemmingen (figuur 7) dan blijkt dat de Midden-Amerikaanse uitvoer meer is geconcentreerd en vooral is gericht op de Verenigde Staten. Mexico springt er wat dat betreft uit; 80% van de Mexicaanse export is bestemd voor de Verenigde Staten. Brazilië, Chili, Peru en Uruguay hebben de grootste belangen in China, maar de omvang daarvan blijft nog bescheiden. Intraregionale handel blijft beperkt tot de directe buren. Vooral Bolivia, Uruguay en Paraguay zijn gevoelig voor de ontwikkelingen in buurlanden Argentinië en Brazilië.

Figuur 6: Voedingsmiddelen vormen leeuwendeel van grondstoffenexport
Figuur 6: Voedingsmiddelen vormen leeuwendeel van grondstoffenexportBron: UNCTAD
Figuur 7: Export vooral gericht op de VS, met name in Midden-Amerika
Figuur 7: Export vooral gericht op de VS, met name in Midden-AmerikaBron: IMF DOTS

Ook de import beslaat vooral handel in goederen. Tegelijkertijd is het aandeel van grondstoffen in de import veel kleiner. De meeste Latijns-Amerikaanse landen zijn netto exporteurs van grondstoffen, en dat geldt voor alle productcategorieën met uitzondering van energie. Door die uitzondering kunnen de meeste landen profiteren van de lage olieprijzen, met name in Midden-Amerika waar men in hogere mate afhankelijk is van de energie-import. Het omgekeerde is het geval voor netto energie-exporteurs zoals Bolivia, Venezuela, Colombia, Ecuador en Mexico. Aangezien de import van niet-grondstoffen meestal een hogere prijselasticiteit kent, zorgt het relatief lage aandeel van de import van grondstoffen ervoor dat de lopende rekening externe schokken beter kan opvangen, vooral in landen met vrij bewegende wisselkoersen. 

Tabel 2: Externe positie-indicatoren
Tabel 2: Externe positie-indicatoren Bron: EIU, IMF, World Bank * gegevens 2013 voor EC, GY, HN, PY, PE & VZ ** gegevens 2013 voor GY

Vrijwel alle landen in de regio hebben een tekort op de lopende rekening (met uitzondering van Bolivia, Paraguay en Venezuela; zie tabel 2). Het merendeel van de Latijns-Amerikaanse landen is daarom afhankelijk van kapitaalinstroom om hun tekort op de lopende rekening te financieren. De meeste tekorten op de lopende rekening worden echter gedekt door directe buitenlandse investeringen (foreign direct investment, FDI). Deze landen zijn daarom minder kwetsbaar voor een plotselinge uitstroom van de meer volatiele portfolio investeringen. De FDI-dekking van het lopende-rekeningtekort zorgt er bovendien voor dat tekorten op lopende rekeningen niet tot een opbouw van buitenlandse schulden leiden. Toch is Latijns-Amerika, meer dan andere opkomende markten, gevoelig voor een daling in de bruto kapitaalinstroom (IMF, 2014). De meeste landen hebben echter een FX importdekking boven het kritische niveau van drie maanden. In Midden-Amerika zijn de buffers lager. Ecuador en Panama zijn volledig gedollariseerde economieën, een regime dat de macro-economische stabiliteit in deze landen in het verleden heeft hersteld. Zij zijn echter wel kwetsbaar voor een daling in de instroom van dollars, vooral omdat de importdekking heel laag is en, in het geval van Ecuador, de dollaropbrengsten zijn ingestort door de daling van de olieprijzen. Een combinatie van hoge tekorten op de lopende rekening en een relatief lage importdekking maken vooral El Salvador, Guyana, Honduras en Nicaragua kwetsbaar voor externe schokken. Hetzelfde geldt voor de extreem lage importdekking van Venezuela. Aan de andere kant maakt de combinatie van hoge FDI-dekking van het lopende-rekeningtekort en de hoge importdekking Bolivia, Brazilië, Peru en Uruguay veel weerbaarder.

De meeste Latijns-Amerikaanse landen hebben een negatieve netto internationale investeringspositie. Het niveau van de buitenlandse schuld is voor de meeste landen echter relatief laag, hoewel dit wat hoger ligt in de Midden-Amerikaanse landen. De hoge netto schuldpositie van Panama is toe te schrijven aan de rol van dit land als regionaal financieel en transportcentrum. De hoge buitenlandse schuld van Nicaragua is het gevolg van de jarenlange steun van Venezuela in de vorm van het Petrocaribe-programma.

In de afgelopen jaren kon Latijns-Amerika zijn financieringsbehoefte gemakkelijk op de internationale markten vervullen aangezien er liquiditeit in overvloed was. Maar dat zal waarschijnlijk veranderen door de verwachte monetaire verkrapping in de VS. De grote behoefte aan externe financiering maakt Latijns-Amerikaanse landen kwetsbaar voor de ontwikkelingen en het sentiment op de internationale kapitaalmarkten (zie ook Latijns-Amerika: valutakwetsbaarheid en valutadrukmeters). 

…en er is weinig ruimte om te reageren

Sterke economische fundamenten en/of stabiel macro-economisch beleid maken landen weerbaarder tegen externe schokken, zoals een renteverhoging in de VS.[3] De invloed van grondstofprijzen op de economie is mede afhankelijk van de kwaliteit en flexibiliteit van het macro-economische beleidskader (Adler & Sosa, 2011, IMF). Dus door goed macro-economisch beleid kunnen landen externe schokken beter weerstaan en zijn anticyclische maatregelen mogelijk om de groei te ondersteunen.

Alle landen in de regio hebben begrotingstekorten (tabel 3) en in veel landen is de staatsschuld hoog (hoewel dat meevalt vergeleken met het gemiddelde van 44% van het BBP in opkomende en ontwikkelde economieën wereldwijd). Er is dus hooguit ruimte voor bescheiden stimuleringsmaatregelen. Vooral in Brazilië, Costa Rica, Ecuador, Guyana, Suriname en Venezuela is wat dat betreft de ruimte beperkt. De situatie is ernstig in Venezuela, waar er door begrotingstekorten met dubbele cijfers, hyperinflatie, economische krimp en een munt die op de zwarte markt met een korting van 99% wordt verkocht, geen ruimte meer is voor anticyclische maatregelen. De kans op een betalingsbalanscrisis en/of een faillissement is hier groot. In Argentinië zorgen stagflatie, lage valutareserves en de hoge druk om de munt de laten depreciëren ook voor een vrij kritische situatie.

Er zijn echter ook landen met een primair overschot en een relatief lage staatsschuld, zoals Colombia, Paraguay en Peru. Hier is voldoende ruimte voor stimulerende maatregelen. Hoewel het risico bestaat dat een teveel hiervan door aanbodbeperkingen zou kunnen resulteren in toenemende macro-economische onevenwichtigheden, zoals stijgende inflatie of grotere handelstekorten. Het lage niveau van de bruto staatsschuld en de netto crediteurpositie bieden ook Chili voldoende ruimte voor budgettaire stimuleringsmaatregelen. We merken wel op dat de ruimte voor overheidsstimulering in alle landen afhankelijk is van de middellange vooruitzichten op de grondstoffenmarkten. Aangezien de commodityhausse voorbij is, blijven de prijzen mogelijk laag. Ruim stimulerend overheidsbeleid kan de overgang verzachten, maar biedt geen structurele oplossing.

In heel Latijns-Amerika is de inflatie vrij hoog. In landen met inflatiedoelstellingen neigt de inflatie naar de bovengrens van de gewenste bandbreedte. Daardoor is er weinig ruimte voor monetaire stimuleringsmaatregelen en aangezien inflatie de koopkracht uitholt is dit slecht voor de consumentenbestedingen. In landen waar de inflatieverwachtingen onverankerd dreigen te worden door de aanhoudend hoge inflatie, bijvoorbeeld in Brazilië (waar de inflatie in juli 2015 uitkwam op 9,6% op jaarbasis) en Uruguay, kan dit ook toekomstige investeringen drukken. De overheden moeten hier een strikter monetair beleid voeren, hoewel dit de economische groei op de korte termijn schaadt. Wel lijkt er een regionaal verschil te zijn tussen Zuid- en Midden-Amerika. In de laatste regio hebben de landen een lagere inflatie en dus wat ruimte voor monetaire stimuleringsmaatregelen, vooral omdat de inflatie hier naar verwachting verder zal dalen door de lage olieprijzen.

Tabel 3: Indicatoren economische prestaties en macro-economisch beleid
Tabel 3: Indicatoren economische prestaties en macro-economisch beleid Bron: EIU, IMF, Wereldbank

De hoge inflatie is nauw verbonden met de krapte op de arbeidsmarkt. Dit geldt vooral voor Zuid-Amerika waar de hoge inflatie en de krappe arbeidsmarkt een teken zijn dat de landen afstevenen op een neergaande conjunctuur. De werkloosheid is over het algemeen laag en, belangrijker nog, ligt in veel landen onder het historisch gemiddelde. Gezien de moeilijke externe omstandigheden zullen de arbeidsmarkten naar verwachting verslechteren. Dat beperkt loonstijgingen en de groei van de consumentenbestedingen. De hieruit voortvloeiende binnenlandse zwakte zorgt voor een verdere groeivertraging. In Midden-Amerika zijn de omstandigheden iets beter. Hier zal de werkloosheid naar verwachting niet stijgen, ook al is deze historisch gezien vrij laag. In een aantal landen, zoals Belize en Mexico, zal de werkloosheid naar verwachting zelfs nog verder dalen, wat de consumentenbestedingen ten goede komt.

Kredietverlening aan de particuliere sector is meestal procyclisch. Dus een hoge schuldenlast kan problematisch worden en de groei in een periode van recessie verder drukken. In Latijns-Amerika zijn de schuldniveaus echter relatief beperkt, hoewel ze in Midden-Amerika hoog zijn en in Brazilië en Chili zelfs zeer hoog.[4]

Hoewel er ruimte is voor groei in de landen met een lagere schuld, is het van belang dat een dergelijke expansie gelijke tred houdt met de onderliggende inkomensontwikkeling. Anders ontstaan zeepbellen. De reële kredietgroei in veel Zuid-Amerikaanse landen loopt in de dubbele cijfers en moet derhalve nauwlettend in de gaten worden gehouden.

Investeringen nog verder onder druk door zwakke vraag

Het ongunstige binnenlandse en buitenlandse klimaat en de beperkte ruimte voor stimuleringsmaatregelen kan in de meeste landen slecht uitpakken voor de investeringen, die de afgelopen jaren al zijn afgenomen. Hierdoor nemen de zorgen over toekomstige economische groei toe, vooral omdat de investeringen in Latijns-Amerika ten opzichte van de internationale norm al enige tijd zeer laag zijn. Gemiddeld investeren Latijns-Amerikaanse landen 20% van het BBP. Dit is niet veel minder dan de 21% van het BBP dat ontwikkelde landen investeren, maar ruim onder de 32%-BBP van de opkomende en ontwikkelingslanden. Landen als Colombia, Ecuador en Peru gaan tegen deze trend in en investeren grotere bedragen, waardoor de druk op het toekomstige economische groeipotentieel hier lager is. Toch concentreren de investeringen in deze economieën zich op de grondstoffensector en juist voor deze markten zijn de vooruitzichten somber.

De geringe investeringen houden verband met de geringe besparingen. Met een gemiddelde van 16,6% van het BBP liggen de bruto nationale besparingen van Latijns-Amerikaanse landen onder de 21% van het BBP voor ontwikkelde economieën en de 32% van het BBP voor opkomende en ontwikkelingslanden. Bolivia, Ecuador en Peru vallen op met bruto nationale besparingen die boven die van de ontwikkelde economieën liggen. Vooral in Belize, El Salvador, Guatemala, Guyana, Paraguay en Suriname zijn de besparingen laag. Verrassend laag zijn ze zelfs in Brazilië, Costa Rica en Uruguay, zeker gezien het niveau van de economische ontwikkeling aldaar. 

De vooruitzichten voor Latijns-Amerika zijn somber

In de afgelopen decennia kon Latijns-Amerika profiteren van de stijgende grondstofprijzen en de overvloedige liquiditeiten op de internationale kapitaalmarkten. Aan beide ontwikkelingen komt nu een einde, hoewel het expansieve monetaire beleid in Europa en Japan nog wel even zal aanhouden. Daarnaast zou de wereldwijde economische groei volgend jaar moeten verbeteren. Een groeivertraging of herbalancering in China kan slecht uitpakken voor de grondstofprijzen, vooral voor niet-landbouwproducten. Dit vergroot het risico voor Latijns-Amerikaanse grondstoffenexporteurs.

De meeste Latijns-Amerikaanse landen verwachten een geringe groei van het BBP dit jaar, een groei die zich in 2016 gestaag voortzet of iets herstelt. Het herstel is groter in Midden-Amerikaanse landen. Deze kunnen namelijk profiteren van de groei in de Verenigde Staten en een lagere invoerprijs voor olie. Ondanks de lagere olieprijzen zal de grootste economie in de regio (Mexico) een groei van ongeveer 3% in 2016 weten te handhaven. De Zuid-Amerikaanse landen keren niet terug naar het groeiniveau van tijdens de grondstoffenhausse, maar in de meeste landen zullen we volgend jaar wel een geringe groeistijging zien. De grootste economie in deze regio, Brazilië, wordt dit jaar geconfronteerd met een van de grootste economische recessies in zijn bestaansgeschiedenis. In 2016 zal er slechts sprake zijn van een bescheiden herstel, dat zich vertaalt in een mildere krimp. De binnenlandse problemen van Brazilië komen bovenop de moeilijke internationale omstandigheden (zie ook Brazilië: sterkere tegenwind). In Chili en Peru zal het herstel wat sterker zijn.

Op de lange termijn zullen de economische vooruitzichten voor Latijns-Amerika afhangen van de mate waarin landen in staat zijn te hervormen, om daarmee de bottlenecks aan de aanbodkant uit de weg te ruimen en hun productiviteit te vergroten (zie Latijns-Amerika: gevangen in de middle income trap?). 

Voetnoten

[1] Collier en Goderis (2007) concluderen dat de invloed van de stijgende grondstofprijzen op de economie op de korte termijn positief is, maar dat dit voor de lange termijn niet altijd het geval is (zie ook Latijns-Amerika: vooruitgang door populistisch beleid?). Vooral exporteurs van niet-landbouwproducten met slecht bestuur ondervinden op de lange termijn nadelige gevolgen.

[2] Aangezien Latijns-Amerikaanse landen 98% van het BBP van ‘Latijns-Amerika & het Caribische gebied’ voor hun rekening nemen, wordt deze laatste bij regionale vergelijkingen als graadmeter gebruikt voor Latijns-Amerika. 

[3] Sterke fundamentele factoren kunnen de groei eveneens ondersteunen (zie ook Latijns-Amerika: gevangen in de middle income trap?).

[4] Het hoge schuldniveau en de snelle kredietexpansie van Panama houden waarschijnlijk verband met de eerder genoemde functie van dit land als regionaal financieel centrum.

Bibliografie

Adler & Sosa (2011), Commodity Price Cycles: The Perils of mismanaging the boom, IMF Working Paper

Collier (2007), Commodity prices, growth and the natural resources curse: reconciling a conundrum, CSAE WPS/2007-15, University of Oxford

Gruss (2014), After the Boom – Commodity prices and economic growth in Latin America and the Caribbean, IMF Working Paper

IMF (2015), World Economic Outlook, juli 2015: Western Hemisphere

IMF (2015), Regional Economic Outlook, april 2015: Western Hemisphere

IMF (2014), Regional Economic Outlook, oktober 2014: Western Hemisphere

IMF (2014), Regional Economic Outlook, april 2014: Western Hemisphere

OECD (2014), Latin American Economic Outlook 2015, CAF-ECLAC-OECD Development Centre, OECD Publishing

Colofon

Deze studie is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: WEO: World Economic Outlook World Economic Outlook, EIU: Economist Intelligence Unit, IMF: Internationaal Monetair Fonds, WEF: World Economic Forum, DOTS: Direction of Trade Statistics

Gebruikte afkortingen landen: AR: Argentinië, BZ: Belize, BO: Bolivia, BR: Brazilië, CL: Chili, CO: Colombia, CR: Costa Rica, EC: Ecuador, SV: El Salvador, GT: Guatemala, GY: Guyana, HN: Honduras, MX: Mexico, NI: Nicaragua, PA: Panama, PY: Paraguay, PE: Peru, SR: Suriname, UY: Uruguay, VE: Venezuela

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

KEO is ook te vinden op internet: www.rabobank.com/economie

Voor overige informatie kunt u bellen met het secretariaat van Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Eindredactie: 
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek, Kennis en Economisch Onderzoek

Redactie: Enrico Versteegh

Productiecoördinatie: Alexandra Dumitru en Christel Frentz

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Delen:
Auteur(s)
Alexandra Dumitru
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2326 6856

naar boven