RaboResearch - Economisch Onderzoek

Eerdere hervormingen hebben ook in 2015 en daarna effect

Themabericht

Delen:
  • De hervormingen van de afgelopen jaren hebben ook dit jaar een merkbaar effect
  • Voor volgend jaar staan er weinig nieuwe hervormingen op stapel

Vorig jaar hebben we in een serie van vijf Themaberichten gekeken naar de overheidsfinanciën en de hervormingen die in de afgelopen jaren zijn doorgevoerd op het gebied van de woningmarkt, de arbeidsmarkt, in het zorgstelsel en het bankwezen. In dit Themabericht illustreren we de impact die de hervormingen dit jaar en daarna hebben. Zo kregen Nederlanders dit jaar te maken met een herziening van het ontslagstelsel, de Hervorming Langdurige Zorg (HLZ) en met strengere financieringsregels voor het afsluiten van hypotheken. De grootste Nederlandse banken vallen sinds eind vorig jaar onder het toezicht van de Europese Centrale Bank (ECB). Zij zullen door veranderingen in regelgeving hun kapitaalbuffers de komende jaren verder gaan versterken. Voor volgend jaar komen daar weinig nieuwe hervormingen bij. Wij zien het als een gemiste kans dat het kabinet heeft besloten af te zien van een hervorming van het belastingstelsel[1].

Arbeidsmarkt en pensioen

De institutionele vormgeving van de arbeidsmarkt stond al voor het uitbreken van de financiële crisis voor een aantal grote uitdagingen (zie bijvoorbeeld de brede heroverwegingen van de Rijksoverheid). Op het gebied van de oudedagsvoorziening stond de betaalbaarheid van de AOW onder druk. De afgelopen jaren heeft de overheid verschillende maatregelen genomen die de werking van de arbeidsmarkt bevorderen en het pensioenstelsel toekomstbestendiger maken. Met betrekking tot de arbeidsmarkt is in 2015 de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) ingevoerd. Dit heeft geleid tot nieuwe regels voor flexwerkers en een aanpassing van het ontslagrecht. Op het vlak van pensioenen was de belangrijkste hervorming van de afgelopen jaren de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd. Dit jaar is besloten tot een versnelde verhoging van de AOW-leeftijd. Deze gaat de komende jaren verder omhoog naar 67 jaar in 2021 en daarna volgt een koppeling aan de levensverwachting.

Sinds dit jaar komen flexwerkers sneller in aanmerking voor een vast contract. Dit gebeurt door een aanpassing in de ‘ketenbepaling’. Die bepaalt dat werkgevers na twee jaar een vast contract moeten bieden in plaats van na drie jaar. De minimale periode tussen opeenvolgende contracten is verlengd van drie naar zes maanden. Het effect van deze maatregel bleek tweeledig. Een deel van de flexwerkers kreeg door invoering van de WWZ na twee in plaats van na drie jaar al een vast contract, omdat bedrijven hen graag wilden binden. Maar er zijn ook groepen voor wie de aanpassing in de ketenbepaling negatief heeft uitgewerkt. Een aantal bedrijven, maar ook overheidsdiensten als DUO kwamen eerder dit jaar in het nieuws omdat uitzendkrachten vervroegd hun baan kwijtraakten.[2]

Verder is per 1 juli een uniform ontslagstelsel ingevoerd. Hierbij is het vooraf duidelijk welke ontslagroute werkgevers nemen. De ontslagprocedure verloopt via het UWV als er sprake is van ontslag om bedrijfseconomische redenen en via de kantonrechter om andere redenen. Onder het oude ‘duale stelsel’ konden werkgevers zelf een ontslagroute kiezen, waardoor er elementen van onzekerheid en ongelijkheid in het systeem zaten (Smid, 2014). De ontslagvergoeding is per 1 juli een transitievergoeding gaan heten en wordt toegekend na ontslag via UWV, kantonrechter of bij een aflopend jaarcontract na minimaal twee jaar dienstverband. De hoogte van de vergoeding is versoberd ten opzichte van de kantonrechtersformule en de opbouw is eveneens verlaagd.

De aanpassingen in het ontslagrecht hebben vooralsnog niet geleid tot een sterke toename van het aantal ontslagaanvragen. Een deel van de werkgevers heeft voor het ingaan van de WWZ nog gebruik willen maken van de bestaande regels. Het betrof hier vooral het beëindigen van kortere dienstverbanden waarvoor werkgevers onder de nieuwe regels een transitievergoeding zouden hebben moeten betalen. Dit resulteerde in juni in bijna tweemaal zoveel ontslagaanvragen (4.920) als in de maand ervoor. Deze stijging was echter te gering om een effect te hebben op het werkloosheidspercentage. Het aantal ontslagaanvragen nam in juli weer af en er zijn geen tekenen die wijzen op een toename in de komende maanden. Tegelijkertijd is het nog te vroeg om een definitief oordeel te vellen.

Op het gebied van pensioenen is het kabinet nog niet klaar met hervormen. In een eerder dit jaar naar de Tweede Kamer verstuurde hoofdlijnennotitie stelde staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken voor om de zogenaamde doorsneesystematiek[3] af te schaffen. Hierdoor ontstaat een betere aansluiting tussen de pensioenopbouw en ingelegde premies van deelnemers aan collectieve regelingen. De implementering van de afbouw van de doorsneesystematiek zou pas in 2020 aanvangen. De notitie moet nog verder worden ingevuld en omgezet in een wetsvoorstel. Het is onbekend op welke termijn dit gaat gebeuren.

Zorg

De belangrijkste zorghervorming van dit jaar is de Hervorming Langdurige Zorg (HLZ). Doel van de HLZ is volgens de regering om de zorg te laten aansluiten op wat mensen zelf willen: zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Daarnaast is de HLZ gericht op het betaalbaar houden van de langdurige zorg. Die betaalbaarheid komt in het gedrang door de sterk oplopende zorgkosten.

De HLZ leidt tot een forse herschikking van taken tussen Rijksoverheid en gemeenten. Voor 2015 regelde het Rijk de langdurige zorg en kwam de financiering uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Die oorspronkelijke AWBZ is per begin dit jaar opgehouden te bestaan. Er is alleen een kern-AWBZ overgebleven (de Wet langdurige zorg, Wlz) die is gericht op de zwaarste zorgbehoeften. Verschillende taken die eerst onder de AWBZ vielen, zijn sinds dit jaar ondergebracht bij de Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet (Badir, 2014). De Zvw heeft onder andere de wijkverpleging en persoonlijke verzorging overgenomen van de AWBZ. Het takenpakket van de wmo –die onder verantwoordelijkheid staat van gemeenten– is vanaf 2015 uitgebreid met taken als ondersteuning en begeleiding (zoals begeleiding van activiteiten en dagopvang). Daarnaast heeft de Jeugdwet vanaf 2015 bijna alle zorg aan kinderen overgedragen aan gemeenten.

De HLZ beoogt in 2015 € 1 miljard te bezuinigen, oplopend tot 2,5 miljard structureel in 2017. De bezuinigingen vallen gespreid neer op de Zvw, het wmo-budget en het jeugdbudget van gemeenten. Door de bezuinigingen in de zorg staat ook de werkgelegenheid in deze sector onder druk, met name in de thuiszorg (figuur 1). In de eerste helft van 2015 verdwenen in de gezondheidszorg 16.000 banen.

Figuur 1: Krimp aantal banen in de gezondheidszorg
Figuur 1: Krimp aantal banen in de gezondheidszorgBron: CBS

De gedeeltelijke decentralisatie van de langdurige zorg ging dit jaar gepaard met veel onzekerheid. Lange tijd was niet duidelijk of gemeenten wel voldoende voorbereid waren. Tot op heden lijkt de decentralisatie van de langdurige zorg en Jeugdhulp grotendeels een geslaagde operatie.[4] Zorgen zijn er wel over de gebrekkige informatieverstrekking, waardoor cliënten onzeker zijn of ze nog wel zorg krijgen. De meeste rumoer ontstond echter over de uitbetaling van de persoonsgebonden budgetten (pgb’s) waarvoor de verantwoordelijkheid sinds 1 januari bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ligt. Mede als reactie op de maatschappelijke onrust die wel degelijk leeft, maakt het kabinet in 2016 extra budget vrij voor de zorg om de pijn van de bezuinigingen wat te verzachten.

Woningmarkt

De overheid heeft de afgelopen jaren een groot aantal woningmarkthervormingen aangekondigd die zij stapsgewijs invoert. De maatregelen die in 2015 zijn ingegaan, beogen vooral de schuldfinanciering te beperken. De verlaging van het maximale aftrektarief van de hypotheekrente treft tot nu toe alleen een relatief kleine groep hoge inkomens.

De maximale loan-to-value (LTV) -de nog uitstaande hypotheeksom gedeeld door de waarde van het onderpand– wordt in de komende jaren stapsgewijs omlaag gebracht naar 100% in 2018. Per 1 januari 2015 is de maximale LTV bij aankoop verlaagd naar 103%. Daarnaast zijn de financieringslastpercentages zowel op 1 januari als op 1 juli van dit jaar verder aangescherpt. De financieringslastpercentages bepalen het percentage van het inkomen dat huishoudens maximaal aan bruto hypotheeklasten mogen uitgeven (de ‘Nibud-norm’). Hierdoor neemt de financieringscapaciteit van huishoudens bij een gelijkblijvende hypotheekrente af. De achterliggende gedachte bij het verhogen van de financieringslastpercentages is dat huishoudens door de lage renteomgeving gevoelig worden voor een eventuele rentestijging. Een andere reden is dat hervormingen in de zorg en sociale zekerheid het risico op eigen bijdragen vergroten. Het maximale bedrag voor het kopen van een woning met Nationale Hypotheek Garantie (NHG) is per 1 juli omlaag gegaan van € 265.000 naar € 245.000. De NHG-grens wordt de komende jaren stapsgewijs verder verlaagd en zal vanaf 2017 de gemiddelde woningprijs gaan volgen.

De gevolgen van de lagere LTV zijn nu nog beperkt. Zij zullen echter door de stapsgewijze invoering wel steeds meer worden gevoeld aangezien de aankoopkosten in steeds meer gevallen niet meer in zijn geheel kunnen worden meegefinancierd in de hypotheek. Dit geldt zeker voor koopstarters die steeds meer eigen spaargeld moeten meenemen voor de aankoop van hun eerste woning. De aanscherping van de financieringslastpercentages kan een potentieel drukkend effect hebben op de woningprijzen. Tot op heden is dit niet merkbaar, doordat de gedaalde hypotheekrente tegenwicht biedt aan de lagere financieringscapaciteit. Naar verwachting heeft de verlaging van NHG-grens geen of zeer beperkte nadelige effecten op de woningprijs. Wel zorgde de combinatie van strengere financieringslastpercentages en de verlaging van de NHG-grens per 1 juli 2015 voor een ongewone dynamiek in het aantal woningverkopen. Een deel van de woningkopers haalde zijn woningaankoop naar voren, net als eind vorig jaar gebeurde rond het aflopen van de tijdelijk verruimde schenkingsregeling en de verlaging van de LTV per 1 januari.

Verder heeft het nieuwe leenstelsel voor studenten dat vanaf 1 juli 2015 is ingevoerd over een aantal jaar impact op de leencapaciteit van koopstarters. Er zullen dan meer potentiële koopstarters met een studieschuld zijn dan nu het geval is, en het gemiddelde bedrag van die schuld is ook hoger. In vergelijking met het vorige systeem telt de opgebouwde studieschuld echter minder zwaar mee bij de berekening van de maximale hypotheek. Studenten mogen de studieschuld in het nieuwe stelsel over maximaal 35 jaar in plaats van over vijftien jaar aflossen (De Vries en Van Dalen, 2015). Hierdoor daalt het gemiddelde negatieve effect van een studielening op de maximale hypotheek van gemiddeld € 21.000 naar € 17.000.

Bankwezen

Een jaar geleden bespraken we de belangrijkste maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om het bankwezen schokbestendiger te maken (Giesbergen en Treur, 2014). Hierbij hebben we onder andere gekeken naar een nieuw internationaal regelgevend kader (Bazel III) en naar regelgeving die in Brussel in ontwikkeling is (Europese bankenunie en richtlijnen voor bail-in). In zijn algemeenheid staan de solvabiliteitsratio’s van het Nederlandse bankwezen er beter voor dan vorig jaar (figuur 2)[5].

Figuur 2: Kapitaalratio’s Nederlandse banken toegenomen
Figuur 2: Kapitaalratio’s Nederlandse banken toegenomenBron: CPB

Internationaal is er veel regelgeving in de maak die banken aanzet om hun kapitaalbuffers te versterken. In de Bazelse akkoorden is regelgeving vastgelegd die bepaalt hoeveel eigen vermogen een bank aan moet houden. Momenteel wordt Bazel III geïmplementeerd, waarin de kapitaaleisen voor banken zijn aangescherpt met als doel de solvabiliteit te vergroten. Ook wordt er regelgeving in Brussel ontwikkeld, die beoogt de wisselwerking tussen banken en de overheidsfinanciën te verminderen en ervoor zorgt dat overheden slagvaardiger te werk kunnen gaan wanneer een bank in de problemen komt. We bespreken hier enkele belangrijke maatregelen. Met ingang van november 2014 houdt de Europese Centrale Bank (ECB) uniform toezicht op de 130 grootste banken in de eurozone.

Dit jaar treden diverse maatregelen in werking die betrekking hebben op het herstel en de afwikkeling van banken die in de problemen komen. Bij deze maatregelen speelt de invoering van bail-in een belangrijke rol. Bail-in houdt in dat achtergesteld vreemd vermogen kan worden afgeschreven of omgezet in eigen vermogen wanneer een bank in de problemen komt. Hierdoor leveren ook de verschaffers van vreemd vermogen een bijdrage bij de redding of afwikkeling van een bank. Daarnaast is er regelgeving in de maak (onder de naam MREL) die van banken eist dat ze een extra vermogensbuffer aanhouden. Voor mondiale systeembanken wordt iets dergelijks ook beoogd via het zogenoemde TLAC. Banken kunnen ervoor kiezen dit in te vullen met eigen vermogen of bail-inbaar vermogen (Giesbergen en Treur, 2015). Als reactie hierop geven banken meer achtergestelde schuldinstrumenten uit, zoals perpetual (eeuwigdurende) coco’s[6], gedateerde achtergestelde leningen of kapitaal dat in een andere vorm is achtergesteld.

Banken zijn de komende jaren nog bezig met het verhogen van hun kapitaalratio’s om aan de uiteindelijke kapitaaleisen van 2019 te voldoen. Als volgende stap heeft het Bazelse Comité voorstellen gedaan om een minimumvloer voor risicogewichten in te voeren. Hierdoor gaan de risicogewichten van veel activa omhoog. Dit zou kunnen betekenen dat banken op den duur nog weer meer kapitaal aan moeten gaan houden. Omdat de voorstellen zich nog in een consultatiefase bevinden en omdat de uiteindelijke invoering van de regels via Europese regelgeving uiteindelijk bepalend wordt voor de Europese banken, is het erg lastig om nu al in te schatten hoe groot de impact op het bankwezen zal zijn.

Voetnoten

[1] In een ander Themabericht gaan we hier nader op in, zie Prinsjesdag 2015: Begrotingsfeestje met belastinghervorming als de grote afwezige.

[2] Ontslaggolf bij kleine bedrijven, de Volkskrant, 1 juli 2015.

[3] Onder de doorsneesystematiek betalen alle deelnemers van collectieve pensioenregelingen hetzelfde percentage van het salaris als pensioenpremie en bouwen zij hiermee ook eenzelfde percentage van het salaris als pensioenaanspraak op. Hierdoor ontstaat er een subsidie van jong naar oud, omdat de ingelegde premies van jongeren langer de tijd hebben om te renderen.

[4] Van Rijn: Overheveling zorgtaken verloopt beheerst, Trouw, 15 april 2015.

[5] De geïllustreerde kapitaalratio’s zijn gebaseerd op de nieuwe kapitaaldefinities van Bazel III, die in 2019 zullen ingaan. CET1 staat voor Common Equity Tier 1-ratio en bepaalt het eigen vermogen dat banken moeten aanhouden in verhouding tot de risicogewogen activa zoals verstrekte kredieten. Total capital ratio rekent met een ruimere definitie van kapitaal, omdat naast eigen vermogen ook achtergesteld vreemd vermogen wordt meegerekend.

[6] Coco’s zijn zogenoemde contigent convertibele obligaties en kunnen zowel eeuwigdurend (perpetual) als aflopend (non-perpetual) zijn.

Literatuur

Badir, M. (2014). Grootschalige hervormingen zorgstelsel in 2015. Rabobank Themabericht

Vries, P. en P. van Dalen (2015). Starters gaan later hun woning kopen. Rabobank Themabericht

Giesbergen, B. en L. Treur (2014). Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen. Rabobank Themabericht

Giesbergen, B. en L. Treur (2015). MREL en TLAC: aanvullende schokdempers voor het bankwezen. Rabobank Themabericht

Kamerbrief hoofdlijnen van een toekomstbestendig pensioenstelsel, 6 juli 2015

Rijksoverheid (2010). Rapport brede heroverwegingen (10. Werkloosheid).

Smid, T. (2014). Structurele hervormingen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Rabobank Themabericht

Delen:
Auteur(s)

naar boven