RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Blik op de wereld: lage grondstofprijzen en Chinese terugval drukken groei in opkomende economieën

Economisch Kwartaalbericht

Delen:
Deze publicatie is verouderd. Bekijk de recentste editie

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

  • In de opkomende wereld valt de economische groei dit jaar tegen, nadat de groei in deze landen in voorgaande jaren ook al terugliep. Lage grondstoffenprijzen en de terugval van de economische groei in China liggen hieraan ten grondslag
  • De lage grondstoffenprijzen geven de groei in ontwikkelde landen daarentegen juist een impuls. Dit biedt tegenwicht aan een tegenvallende uitvoer naar de opkomende landen
  • Door hogere groei in de eurozone zal de groei van de ontwikkelde landen iets oplopen, maar per saldo is dit niet voldoende om een lichte vertraging van de mondiale groei te voorkomen

Zorgen omtrent de Chinese economische groei en overaanbod drukken op grondstoffenprijzen

Door een combinatie van tegenvallende vraag- en aanbodfactoren en minder positieve verwachtingen voor de groei van de wereldeconomie zijn de prijzen van de meeste grondstoffen in de afgelopen maanden gedaald tot het laagste niveau in meer dan tien jaar (figuur 2). Aan de vraagkant lijkt vooral (zorg over) de terugval van de economische groei in China, ’s werelds grootste grondstoffenimporteur, neerwaartse druk op de prijzen uit te oefenen. Zo is de groei van de Chinese (bouw-)investeringen en de industriële productie dit jaar sterk teruggelopen en waren de inkoopmanagersindices voor de maakindustrie in juli en augustus opvallend negatief. Daarnaast duidde de daling van de Chinese uitvoer met 8% jo-j in juli op toenemende externe tegenwind. Naast deze negatieve signalen zaaiden ook de recente beurscrash en de depreciatie van de Chinese munt angst onder beleggers dat de Chinese economie er minder goed voor zou staan dan eerder werd aangenomen. Overigens wijzen de meeste indicatoren erop dat de groei van de industriële productie, de bouwproductie en de investeringen weliswaar stevig terugvalt, maar dat de groei van de dienstensector en de consumptie in China behoorlijk op peil blijft (zie China, elders in dit Kwartaalbericht). In de VS (zie VS), het VK (zie VK) en de eurozone (zie Eurozone) zet de economische groei ook door.

Figuur 1: Terugval groei opkomende wereld
Figuur 1: Terugval groei opkomende wereldBron: IMF
Figuur 2: Grondstoffenprijzen
Figuur 2: GrondstoffenprijzenBron: Bloomberg

Het bovenstaande beeld is niettemin slecht nieuws voor grondstoffenmarkten, aangezien vooral de Chinese bouwsector en industrie grote afnemers van grondstoffen zijn. De sterke afname van de groei van de Chinese investeringen en industriële productie had een sterke impact op de invoer, die in het begin van dit jaar zelfs daalde. Met name de invoer van kolen, zink, en, in mindere mate, ijzererts daalde sterk. De invoergroei van kopererts, ruwe olie en LPG bleef echter op peil en de totale Chinese invoer steeg in de afgelopen twee maanden weer. Toch daalden de grondstoffenprijzen over de volle breedte. Dit duidt erop dat naast de feitelijke invoer, vooral verwachtingen over de toekomstige groei van de vraag naar grondstoffen, maar ook aanbodfactoren een belangrijke rol spelen in de prijsvorming. Aan de vraagkant zorgen de eerdergenoemde zorgen over de ontwikkelingen in China en het effect hiervan op de mondiale economische groei voor aanhoudende neerwaartse druk op de grondstoffenprijzen.

Figuur 3: Chinese importvolumes grondstoffen
Figuur 3: Chinese importvolumes grondstoffenBron: Macrobond

Hetzelfde geldt voor factoren aan de aanbodkant. Het ruime aanbod aan veel metalen, de opkomst van schalieolie en de onwil van Saudi-Arabië om de olieproductie terug te brengen, oefenen neerwaartse druk uit op de grondstoffenprijzen. Vertraagde aanbodreacties lijken daarbij een rol te spelen. Het hoge prijsniveau van de afgelopen jaren lokte investeringen in winningscapaciteit uit die nu het aanbod vergroten en zo bijdragen aan de prijsdaling. Doordat munten van de meeste grondstoffen-producerende landen ook sterk zijn gedeprecieerd, daalden de lokale productiekosten gemeten in Amerikaanse dollars (USD), wat het wegnemen van overproductie kan vertragen.

Slecht nieuws voor grondstoffenexporteurs en opkomende markten

Het bovenstaande is slecht nieuws voor landen die per saldo grondstoffen exporteren. De daling van de grondstoffenprijzen verslechtert hun ruilvoet (de verhouding tussen de uitvoer- en invoerprijzen). Gezien de sterke correlatie tussen de grondstoffenprijzen en de economische groei de afgelopen decennia in de grondstoffen-exporterende regio’s Latijns-Amerika, het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Rusland en Centraal-Azië is het te verwachten dat de recente verdere daling van de grondstoffenprijzen de economische groei nog verder onder druk zet. Ook is het te verwachten dat hierdoor het begrotingssaldo en het saldo op de lopende rekening in deze landen verslechtert.

Bovendien neemt door bovenstaande factoren de risicoaversie van internationale investeerders vis-à-vis opkomende landen toe, met als gevolg een verdere afzwakking van kapitaalinstromen naar deze markten. Deze kapitaalinstromen staan al langer onder druk vanwege de op handen zijnde renteverhoging van de Amerikaanse centrale bank later dit jaar (zie VS, elders in dit Kwartaalbericht). In de afgelopen twaalf maanden is per saldo reeds bijna USD 300 miljard uit de dertig grootste opkomende markten teruggehaald. Hierdoor zijn de munten van opkomende landen tegenover de USD fors in waarde gedaald. De sterkste depreciaties deden zich voor in landen met binnenlandse (politieke) problemen, zoals Maleisië, Turkije en Oekraïne en/of grondstoffenexporteurs (Rusland, Brazilië, Colombia; figuur 3).

Hoe hard deze ontwikkelingen de specifieke landen uiteindelijk raken, hangt in sterke mate af van de afhankelijkheid van grondstofexporten, de flexibiliteit van de economie en de mate waarin landen beschikken over een goede begrotings- en lopende-rekeningpositie, alsmede buffers in de vorm van buitenlandse reserves. De impact van de grondstoffenprijsdaling op landen met deze flexibiliteit is op korte termijn minder groot omdat zij de nodige aanpassingsprocessen kunnen verzachten met anticyclisch monetair en begrotingsbeleid. Landen met lage reserveposities en notoir hoge inflatie zullen daarentegen aanzienlijke economische pijn kunnen voelen. Niettemin is het leunen op opgepotte reserves uiteraard slechts een tijdelijke overgangsoplossing. Indien de grondstoffenprijzen op den duur laag blijven, moeten tal van grondstoffenexporteurs hun economische model grondig herzien. 

Impact per regio

Een nadere blik op de economische kerngegevens van de belangrijkste opkomende landen suggereert dat het mondiale groeivertragende effect naar verwachting mee zal vallen. Alhoewel veel landen in het Midden-Oosten door de olieprijsdaling een aanzienlijke verslechtering van hun overheidsbegroting en lopende rekening ondergaan, kunnen de gevolgen op de korte termijn door zeer ruime valutareserves en middelen uit sovereign wealth funds worden opgevangen. Voor de meeste landen is economische diversificatie op de wat langere termijn een enorme uitdaging, maar overheden kunnen de groei dus op korte termijn met anticyclisch beleid op peil houden. Dit geldt echter niet voor het eveneens zeer olieafhankelijke Rusland, waar snel dalende buitenlandse reserves, hoge inflatie en Westerse sancties de overheid dwingen om de broekriem aan te halen. Ongeacht de hechte handelsbetrekkingen met China staat de Asia-Pacific regio er met uitzondering van de door binnenlandse politieke problemen geteisterde landen Maleisië en Thailand redelijk goed voor. De impact van de grondstoffenprijsdaling op lopende rekeningen en begrotingen valt tot dusver zelfs in de grote grondstoffenexporteurs Australië, Nieuw-Zeeland en Indonesië mee en de meeste landen beschikken over relatief ruime valutareserves. Afgezien van Maleisië is daarnaast de gevoeligheid voor de recente depreciatie van lokale munten dankzij een relatief lage schuld in buitenlandse valuta beperkt. Parallellen met de Azië-crisis van 1997 zijn daarom vooralsnog overdreven.

Afrika en Latijns-Amerika zijn allebei belangrijke grondstoffenleveranciers voor de Chinese markt. De grondstoffenprijsdaling heeft op deze regio’s waarschijnlijk meer impact. De meeste Latijns-Amerikaanse landen hebben als gevolg van afnemende investeringen in mijnbouw en dalende vertrouwensindicatoren de wind tegen en hebben slechts beperkte beleidsruimte voor stimulering van de economie. Veel landen in de regio hebben al een tekort op de lopende rekening. Brazilië moet zelfs bezuinigen nadat het begrotingstekort de afgelopen jaren sterk is opgelopen. Verder zijn de meeste landen het afgelopen decennium alleen maar afhankelijker geworden van grondstoffen, wat impliceert dat het vinden van nieuwe bronnen van groei niet eenvoudig zal zijn. Wel hebben de meeste landen, met uitzondering van Argentinië, Bolivia en Venezuela, behoorlijke voorraden buitenlandse reserves, wat acute crisisrisico’s sterk vermindert. De situatie in het sterk op grondstoffenexport naar China leunende Afrika daarentegen is wat dat betreft zorgwekkender, aangezien de lopende rekeningen en begrotingen van tal van landen fors zijn verslechterd en de in sommige gevallen reeds relatief lage valutareserveposities onder druk staan.

Figuur 4: Munten van opkomende markten en grondstofexporteurs depreciëren sterk
Figuur 4: Munten van opkomende markten en grondstofexporteurs depreciëren sterkBron: Macrobond
Figuur 5: Aandeel mogelijke crisislanden in wereldeconomie beperkt
Figuur 5: Aandeel mogelijke crisislanden in wereldeconomie beperktBron: Macrobond

Hoewel we verwachten dat het mondiale effect van aanhoudende kapitaaluitstroom en lagere grondstoffenprijzen mee zal vallen, zullen sommige landen wel grote problemen ondervinden. Hierbij springen met name de olie-exporteurs Angola, Kazakhstan, Nigeria, Rusland en Venezuela in het oog, maar ook Argentinië, Brazilië, Zuid-Afrika, Turkije, Maleisië, Thailand en Indonesië. Deze landen hebben last van combinaties van grote exportafhankelijkheid van grondstoffen, binnenlandse economische onevenwichtigheden, een grote afhankelijkheid van buitenlandse kapitaalinstroom, of politieke spanningen. In een klimaat van toenemende risicoaversie jegens opkomende markten zouden zij dus de eerste slachtoffers van toenemende kapitaaluitstroom kunnen worden. Hierdoor zouden hun economieën in een crisis kunnen belanden. Met een gecombineerd aandeel in de wereldeconomie en een wereldwijde import van respectievelijk ongeveer 11 en 8% is het belang voor de wereldeconomie van deze landen niet heel groot, maar ook allerminst te verwaarlozen.

Daarnaast zal de verwachte terugval van de groei en de depreciatie van munten in vrijwel alle grondstoffen-exporterende landen de importen onder druk zetten. Het IMF verwacht daarom inmiddels dat de importgroei in de opkomende wereld in 2015 voor het eerst in lange tijd lager zal zijn dan de importgroei in de ontwikkelde landen. Dit zal ook de groei in de ontwikkelde landen wat drukken. 

Monetair beleid in ontwikkelde landen blijft voorlopig ruim

We verwachten dat het monetaire beleid in de Westerse wereld voorlopig ruim blijft. De daling van de grondstoffenprijzen drukt hier de reeds lage inflatie. Mede gezien deze neerwaartse druk op de inflatie achten wij de kans dat de Fed de eerste renteverhoging in december zal doorvoeren groter dan de kans dat zij dit al in september doet, al houden we wel rekening met het laatste scenario (zie VS). We verwachten dat verdere verhogingen zeer geleidelijk zullen worden doorgevoerd. Voorts verwachten we dat het Verenigd Koninkrijk in de loop van 2016 ook zal beginnen met het geleidelijk verhogen van de beleidsrente (zie Rente en valuta). Tegelijkertijd blijft het monetaire beleid in de eurozone en Japan met het oog op het kwakkelende economische herstel onverminderd ruim. Additionele beleids-gedreven groei-impulsen vanuit de ontwikkelde landen zijn echter niet aannemelijk.

In China daarentegen verwachten we dat de overheid stimulering zal inzetten om te voorkomen dat de economische groei verder terugvalt. Dit betekent echter geen terugkeer naar het patroon van het afgelopen decennium. Toen zorgde de enorme toename van de investeringen in woningbouw en infrastructuur in China voor een sterke mondiale vraagimpuls. In deze periode liep het overschot op de lopende rekening van China sterk terug van 10% van het BBP in 2007 tot 2,1% van het BBP in 2014 en steeg de reële effectieve wisselkoers snel. De grenzen van het huidige groeimodel komen steeds meer in zicht. China moet zijn economische model hervormen, waarbij de minder handels-intensieve dienstensector een grotere rol zal spelen in de economie. En het land zal moeten wennen aan lagere economische groei. Dit betekent dat China hoe dan ook minder een impuls zal kunnen geven aan de groei van de wereldeconomie dan in de afgelopen jaren. 

Blik op de mondiale groei

Al met al geeft dit toch onzekerheid over de toestand van de wereldeconomie. De economische groei in de ontwikkelde landen loopt dit jaar wat op, voornamelijk doordat de eurozone harder groeit. De hogere groei is echter deels het gevolg van tijdelijke factoren, zoals de daling van de grondstoffenprijzen die de consumptie een impuls geeft. Het al veel langer durende herstel in de VS zet door, maar ook de groei van de Amerikaanse economie is moeilijk indrukwekkend te noemen. We verwachten daarom dat de groei van de wereldeconomie dit jaar ten opzichte van 2014 iets zal afzwakken van 3,4% naar 3¼% , aangezien de hogere groei in de ontwikkelde wereld de vertraging in de opkomende landen slechts gedeeltelijk compenseert. We gaan er vanuit dat de groei van de wereldeconomie met 3½% ook in 2016 gematigd zal blijven.

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

Colofon

Het Economisch Kwartaalbericht is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank en kwam mede tot stand in samenwerking met Financial Markets Research.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek, ONS: Office of National Statistics, OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development, IMF: Internationaal Monetair Fonds, CPB: Centraal Planbureau

Gebruikte afkortingen landen: VK: Verenigd Koninkrijk, VS: Verenigde Staten, EZ: Eurozone, IE: Ierland, AT: Oostenrijk, BE: België, DE: Duitsland, NL: Nederland, FI: Finland, PT: Portugal, ES: Spanje, IT: Italië, FR: Frankrijk, GR: Griekenland.

Gebruikte afkortingen valuta: CNY: Chinese yuan,  IDR: Indonesische roepia, INR: Indiase roepie, MYR: Maleisische ringgit, KRW: Zuid-Koreaanse won.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Eindredactie: 
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek
Tim Legierse, hoofd Nationaal Onderzoek

Redactie: Enrico Versteegh

Productiecoördinatie: Christel Frentz

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Delen:
Auteur(s)
Herwin Loman
Rabobank KEO
030 21 62666
Fabian Briegel
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 64053

naar boven