RaboResearch - Economisch Onderzoek

Twintig jaar ontwikkelingen in de Nederlandse branches

Themabericht

Delen:
  • Het belang van de handel en de zakelijke dienstverlening voor de Nederlandse economie is toegenomen
  • Door de enorme arbeidsproductiviteitsstijging in de maakindustrie is de werkgelegenheid in deze sector de afgelopen twintig jaar gedaald
  • De marktsectoren zijn exportafhankelijker geworden

De langdurige economische stagnatie waar de Nederlandse economie sinds 2009 in zat, heeft zijn weerslag gehad op de Nederlandse sectorale productiecijfers. Een groot deel van de branches had in de jaren na 2009 te maken met een dalende productie. Voor het gros van de sectoren vormde 2014 een omslagpunt. Waar bij het merendeel van de sectoren de toegevoegde waarde in 2013 nog kromp, lieten deze sectoren in 2014 weer positieve groeipercentages zien (tabel 1).

Tabel 1: Toegevoegde waarde sectoren (jaar-op-jaarmutatie %)
Tabel 1: Toegevoegde waarde sectoren (jaar-op-jaarmutatie %)Bron: CBS

De hoogte van de groei verschilde echter tussen de verschillende branches. Dit geldt ook voor de sectorale ontwikkelingen op het gebied van onder meer werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit in de afgelopen twintig jaar.

Toegevoegde waarde

De groei van het reële Bruto Binnenlands Product (BBP) wordt als een belangrijke indicator gezien voor economische groei. Het BBP is de som van het productievolume van ondernemingen, huishoudens en overheden, minus de goederen en diensten die tijdens deze productie zijn verbruikt. Dit wordt de toegevoegde waarde in basisprijzen genoemd. Om het BBP in marktprijzen te berekenen, wordt hierbij het saldo van productgebonden belastingen en subsidies opgeteld. Als we in dit themabericht spreken over toegevoegde waarde, doelen we op de toegevoegde waarde in basisprijzen. Daarbij corrigeren we de toegevoegde waarde voor veranderingen van het prijsniveau, waardoor we spreken over de reële toegevoegde waarde in basisprijzen.

De totale jaarlijks gecreëerde reële toegevoegde waarde in de Nederlandse economie is tussen 1995 en 2014 met ruim 44% gestegen. De groeipaden van de sectoren liepen daarbij zeer uiteen (figuur 1). De indeling van de sectoren die wij hebben gebruikt, staat beschreven in bijlage 1. Bij de meeste sectoren is de golvende beweging van de conjunctuurcyclus terug te zien en heeft de kredietcrisis flinke impact gehad op de ontwikkeling van de toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde van niet-commerciële diensten laat echter een gestage groei zien. Dit komt doordat deze sector overheidsdiensten, onderwijs en gezondheidszorg omvat en de productie hiervan voornamelijk door overheidsbeleid en demografie wordt bepaald. Ook de toegevoegde waarde van landbouw, delfstoffen en nutsbedrijven ontwikkelt zich redelijk onafhankelijk van de conjunctuurcyclus.

De toegevoegde waarde van de zakelijke dienstverlening en die van de handel zijn sinds 1995 het meest gestegen. Binnen de zakelijke dienstverlening hebben de branches telecommunicatie en IT- en informatiedienstverlening de grootste stijging doorgemaakt. Daarnaast is de toegevoegde waarde van de uitzendbranche fors gestegen. Voor de handel wordt de toename voornamelijk veroorzaakt door de groothandel, waarvan de toegevoegde waarde de afgelopen twintig jaar meer dan verdubbelde. In de detailhandel steeg de toegevoegde waarde met 40%. De sterke stijging van de toegevoegde waarde van de zakelijke dienstverlening en de handel leidt er toe dat het aandeel van deze sectoren in de totale Nederlandse economie ook is gestegen tussen 1995 en 2014 (figuur 2).

De bouwnijverheid is het hardst getroffen door de crisis. De toegevoegde waarde van deze branche daalde in 2009 en de jaren daarna flink. Overigens was ook in de periode voor de crisis sprake van slechts beperkte groei. In 2014 steeg de activiteit in de bouwsector weer, maar deze bleef nog onder het niveau van 1995 en nog ruim onder dat van 2008. De ontwikkeling van de toegevoegde waarde van horeca en recreatie is ook opvallend; deze stijgt tot het jaar 2000 en daalt daarna trendmatig tot 2010. Vorig jaar was echter weer sprake van groei en de vooruitzichten voor dit en volgend jaar zijn ook positief (zie onze meest recente sectorprognoses). 

Figuur 1: Ontwikkeling toegevoegde waarde sectoren
Figuur 1: Ontwikkeling toegevoegde waarde sectorenBron: CBS
Figuur 2: Aandeel toegevoegde waarde per sector in totale toegevoegde waarde in Nederland
Figuur 2: Aandeel toegevoegde waarde per sector in totale toegevoegde waarde in Nederland Bron: CBS

Verbruikers productie

Verschillende partijen kunnen de in Nederland geproduceerde goederen en diensten afnemen. Deze kunnen dienen als input in het productieproces van binnenlandse sectoren, ook wel intermediair verbruik genoemd. De producten en diensten worden dan door andere producenten omgezet in eindproducten of opnieuw aan bedrijven geleverd als intermediair verbruik. Indien de producten en diensten gereed zijn, dienen ze voor finaal gebruik. Hiertoe behoort consumptie door huishoudens en overheid, uitvoer naar andere landen, investeringen in vaste activa en verandering in voorraden. 

Figuur 3: Verbruikers van de sectorale productie in 2014
Figuur 3: Verbruikers van de sectorale productie in 2014Bron: CBS, Rabobank

We hebben inzichtelijk gemaakt waar de productie van elke sector in Nederland uiteindelijk –dus direct en na eventueel intermediair verbruik– terechtkomt (figuur 3). Het aandeel van de verschillende finale afnemers loopt sterk uiteen. Er zijn sectoren, zoals de bouwnijverheid en de detailhandel, waarin het grootste gedeelte van de goederen en diensten wordt geproduceerd voor de binnenlandse finale bestedingen. Bij de bouw zien we dit terug in bruto investeringen, waar onder meer de aanleg van infrastructuur en de bouw van gebouwen toe behoren. De producten en diensten van de detailhandel worden voornamelijk door huishoudens geconsumeerd.

Ook de niet-commerciële dienstensector produceert voornamelijk voor de binnenlandse markt. De overheid en huishoudens zijn de grootste afnemers. Dat betekent dat de overheid een groot deel van de door diezelfde overheid geproduceerde goederen en diensten consumeert. Dit zijn voornamelijk overheidsuitgaven aan openbaar bestuur, overheidsdiensten en onderwijs. Het deel van de productie van de overheidssector dat de huishoudens consumeren, betreft voornamelijk gezondheidszorg. De overheid vergoedt echter het merendeel van de verleende gezondheidszorg.  

Daarnaast zijn er sectoren, waaronder de maakindustrie en de groothandel, die behoorlijk afhankelijk zijn van uitvoer. Het grootste gedeelte van de door deze sectoren geproduceerde goederen en diensten wordt geëxporteerd. Binnen de maakindustriezijn de branches chemie en basismetaal met ongeveer 90% van de productie zeer afhankelijk van de export. De hout- en de meubelindustrie zijn veel meer gericht op het binnenland; ongeveer 30% van hun productie komt in het buitenland terecht. 

Toenemende exportafhankelijkheid

In alle marktsectoren is het aandeel van de productie wordt uitgevoerd –dus direct of na intermediair verbruik– tussen 1995 en 2014 toegenomen (figuur 4). Het exportaandeel van de zakelijke dienstverlening is het meest gestegen. Over het algemeen waren de branches binnen de zakelijke dienstverlening die in 1995 het meest exportafhankelijk waren dat in 2014 nog steeds. De mate van exportafhankelijkheid is in die branches wel toegenomen. Zo is het exportaandeel van de IT-dienstverlening de afgelopen twintig jaar gestegen van 47 naar 53%. En het exportaandeel van het reclamewezen is gestegen van 38 naar 45%. De branche reisbureaus is van nature meer op het binnenland gericht. Deze branche heeft de afgelopen twintig jaar echter wel een flinke stijging in exportafhankelijkheid doorgemaakt. In 1995 nam het buitenland slechts 15% van de diensten af en in 2014 was dit 39%.

Figuur 4: Aandeel export neemt toe in de meeste sectoren
Figuur 4: Aandeel export neemt toe in de meeste sectorenBron: CBS, Rabobank

Het exportaandeel van horeca en recreatie is relatief gezien ook fors gestegen. Dit komt voornamelijk doordat steeds meer buitenlanders de diensten van logiesverstrekking –waar onder meer de verhuur van hotels en vakantiehuisjes onder vallen– consumeerden. In 1995 consumeerde het buitenland 25% van de diensten van logiesverstrekking, in 2014 was dit 33%. Ook het gebruik van restaurants en cafés door het buitenland steeg de afgelopen twintig jaar, maar wel in mindere mate. 

Arbeidsproductiviteit

Het gros van de sectoren laat in 2009 een daling zien van de arbeidsproductiviteit naar aanleiding van de kredietcrisis. Dit komt doordat de toegevoegde waarde in deze sectoren afnam en de hoeveelheid arbeidskrachten niet navenant daalde. Een stijging van de productie in de jaren na 2009 zorgde in deze sectoren voor een toename van de arbeidsproductiviteit. Dit kwam doordat er nog voldoende mensen in dienst waren om de gestegen productie op te vangen. In de bouwnijverheid viel de klap in 2010. In 2014 steeg de toegevoegde waarde in deze sector, waardoor de arbeidsproductiviteit weer op een hoger niveau kwam te liggen.

De arbeidsproductiviteit, gemeten als de toegevoegde waarde per gewerkt uur, heeft zich binnen de Nederlandse bedrijfstakken de afgelopen twintig jaar verschillend ontwikkeld (figuur 5). Het niveau van de arbeidsproductiviteit lag in de meeste sectoren in 2014 hoger dan in 1995. Dit komt doordat processen efficiënter zijn ingericht of zijn geautomatiseerd waardoor minder arbeidsuren nodig zijn om dezelfde hoeveelheid productie te genereren. Er zijn sectoren, zoals de maakindustrie, waar de arbeidsproductiviteit de afgelopen twintig jaar flink is gestegen. In de bouwnijverheid en niet-commerciële diensten daarentegen is de arbeidsproductiviteit maar heel beperkt gestegen.

Opvallend is de arbeidsproductiviteitsontwikkeling in de sector horeca en recreatie. De arbeidsproductiviteit in deze sector was in 2014 20% lager dan in 1995. De stijging van het aantal gewerkte uren was er de afgelopen twintig jaar sterker dan de beperkte stijging van de toegevoegde waarde. Dit gold zowel voor de horeca (logiesverstrekking, restaurants en cafés) als voor recreatie (waar onder meer sportaccommodaties en -verenigingen, dierentuinen en pretparken onder vallen). Doordat de lonen in de horeca niet zijn meegedaald met de arbeidsproductiviteit, maar juist zijn gestegen, moesten de prijzen de afgelopen jaren ook stijgen om de winstgevendheid van de bedrijven op peil te houden. Het prijsniveau van de horeca is daardoor tussen 1996 en 2014 sterker gestegen dan de consumentenprijsindex (figuur 6).

Binnen de sector handel komt de arbeidsproductiviteitsstijging van bijna 50% voornamelijk voor rekening van de groothandel. De toegevoegde waarde van deze branche is de afgelopen twintig jaar namelijk verdubbeld, terwijl het aantal gewerkte uren niet dusdanig meesteeg. De arbeidsproductiviteitsstijging van de autohandel en de detailhandel was een stuk kleiner. 

Figuur 5: Ontwikkeling arbeidsproductiviteit vanaf 1995
Figuur 5: Ontwikkeling arbeidsproductiviteit vanaf 1995Bron: CBS
Figuur 6: Prijzen horeca fors gestegen
Figuur 6: Prijzen horeca fors gestegenBron: CBS

Werkgelegenheid

De beschreven verschillen in groei van de toegevoegde waarde en de arbeidsproductiviteit hebben belangrijke consequenties voor de werkgelegenheid in de sectoren. Het aantal mensen dat in Nederland een baan heeft, is behalve van allerlei structurele ontwikkelingen zoals de aansluiting tussen vraag naar en aanbod van vaardigheden sterk afhankelijk van de conjunctuur van de Nederlandse economie. In het algemeen zorgt de versnelling van de productiegroei in een hoogconjunctuur voor een grotere vraag naar arbeidskrachten waardoor de werkloosheid daalt. In een periode van laagconjunctuur is de vraag naar personeel doorgaans lager. Vanaf 1995 volgen periodes van toename en afname van het aantal werkenden in Nederland elkaar op (figuur 7).

Figuur 7: Werkgelegenheidsontwikkeling
Figuur 7: WerkgelegenheidsontwikkelingBron: CBS

De kredietcrisis had een duidelijke impact op de werkgelegenheid in Nederland. Door een lager productieniveau daalde het aantal voltijdbanen in 2009 en 2010 in bijna alle sectoren. De werkgelegenheid in de niet-commerciële diensten bleef in deze jaren echter toenemen. In 2013 begonnen de overheidsbezuinigingen duidelijk door te werken waardoor het aantal voltijdbanen in dat jaar ook in deze sector begon te dalen.

In een aantal sectoren, zoals de zakelijke dienstverlening en de niet-commerciële diensten, is de werkgelegenheid de afgelopen twee decennia per saldo fors gestegen. In andere sectoren, zoals de maakindustrie en de bouwnijverheid, is het aantal voltijdbanen over de hele periode bezien gedaald (tabel 2). De toename van het aantal banen in de zakelijke dienstverlening is voor ruim 30% te verklaren door de stijging van het aantal dienstverbanden bij uitzendbureaus. Mensen die in dienst zijn van een uitzendbureau staan daar op de loonlijst, maar worden in andere branches ingezet. Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat de ontwikkeling van de werkgelegenheidsfunctie van sommige sectoren wordt vertekend. Naast de uitzendbureaus droegen bedrijven in de IT- en informatiedienstverlening fors bij aan de werkgelegenheidstoename in de zakelijke dienstverlening. De daling van de werkgelegenheid in de maakindustrie komt voort uit de enorme arbeidsproductiviteitsstijging van de afgelopen twintig jaar. Hierdoor was in deze branche steeds minder personeel nodig ondanks dat de toegevoegde waarde in deze periode aanzienlijk is gestegen. 

Tabel 2: Verandering werkgelegenheid tussen 1995 en 2014
Tabel 2: Verandering werkgelegenheid tussen 1995 en 2014Bron: CBS

Conclusie

De verschillende branches in Nederland hebben zich de afgelopen twintig jaar divers ontwikkeld op het gebied van de groei van de reële toegevoegde waarde, de arbeidsproductiviteit en de werkgelegenheid. Door de flinke stijging van de toegevoegde waarde in de handel en de zakelijke dienstverlening is het belang van deze sectoren voor de Nederlandse economie toegenomen. Het aantal voltijdbanen in deze sectoren is gestegen. Daarnaast zijn alle marktsectoren meer afhankelijk geworden van de export.

Bijlage 1: Definities van sectoren op basis van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) 2008

Bron: CBS
Delen:
Auteur(s)
Lisette van de Hei
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
088 726 7864

naar boven