RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Visie op 2016: Nederlandse economie

Special

Delen:
Deze publicatie is verouderd, Bekijk de recentste uitgave.

Naar de overzichtspagina van de Visie op 2016

Stabiele groeivooruitzichten omgeven door onzekere wereldeconomie

  • Nederlandse economie groeit met 2% in 2015 en 2½% in 2016
  • Zowel uitvoer als binnenlandse bestedingen dragen bij aan de groei
  • Exportbeeld omgeven door onzekerheden in de mondiale economie
  • Positieve wisselwerking woningmarkt, economie en overheidsfinanciën
  • Hoge werkloosheid een punt van zorg
  • Periode van inhaalgroei, maar op den duur terug naar lager structureel groeipad

Infographic visie 2016 Nederland

De Nederlandse economie groeit dit en volgend jaar in een tempo waar wij een paar jaar geleden eigenlijk al niet meer op durfden te rekenen. Voor 2016 verwachten we een toename van het BBP-volume met 2½% (tabel 1). In 2015 ligt die groei met 2% nog wat lager. Maar dat verschil in groeitempo is volledig te verklaren door het verlagen van het productieplafond voor het Groningen-gasveld in 2015. Dit drukt de reële BBP-groei in dat jaar met ½%-punt. Los van de delfstoffenwinning ligt de onderliggende groei van de Nederlandse economie in beide jaren dus op hetzelfde hoge niveau van 2016.

Tabel 1: Kerngegevens Nederland
Tabel 1: Kerngegevens NederlandBron: CBS, Rabobank

Daarmee is de economische groei in Nederland na jaren van crisis, recessie en stagnatie op het eerste gezicht overtuigend teruggekeerd. Bovendien wordt de toename van de economische activiteit breed gedragen (figuur 1). De uitvoer blijft de belangrijkste groeibijdrage leveren. Maar ook de particuliere consumptie en de private investeringen doen een duit in het zakje. Door de terugkeer van de groei in de binnenlandse bestedingen profiteren in 2016, voor het derde jaar op rij, vrijwel alle bedrijfstakken van een toenemende vraag naar hun goederen en diensten.

Dat wil niet zeggen dat daarmee ook alle schade van de crisis al is goedgemaakt. De werkloosheid ligt eind volgend jaar naar verwachting nog steeds op bijna 6%. Dat is in internationaal perspectief wel laag, maar voor Nederlandse begrippen nog steeds tamelijk hoog. In een aantal sectoren is de krimp van de afgelopen jaren zo groot geweest dat zelfs met relatief hoge groei het productievolume ook in 2016 nog ruim onder dat van 2008 ligt (figuur 2). De stijgende huizenprijzen duwen steeds meer huishoudens terug ‘boven water’ maar dat geldt lang niet voor iedereen die door de daling van de huizenprijzen in de afgelopen jaren is geconfronteerd met een hogere hypotheekschuld dan de waarde van zijn of haar woning.

Figuur 1: Opbouw BBP-groei
Figuur 1: Opbouw BBP-groeiBron: CBS, CPB, Rabobank
Figuur 2: Ontwikkeling sectoren
Figuur 2: Ontwikkeling sectorenBron: CBS, Rabobank

De relatief hoge en breed gedragen economische groei kent haar oorsprong in een aantal ontwikkelingen die in de afgelopen twee jaren ten gunste zijn gekeerd. Diezelfde krachten werkten in de jaren daarvoor juist extra negatief door in de Nederlandse economie. Het gaat dan om de economische prestaties van het eurogebied, de ontwikkeling van de inflatie, de crisis en het herstel op de woningmarkt en de wisselwerking tussen de economische groei en de overheidsfinanciën. Om de vooruitzichten voor 2016 goed te kunnen plaatsen, loont het daarom om regelmatig de blik even achteruit te werpen. 

Exportgroei trekt aan ondanks gure buitenwereld

Met het minder acuut worden van de Europese schuldencrisis keerde de economische groei in 2014 voorzichtig terug in het eurogebied. Daarnaast kwam de economische groei van het VK na jaren van zwakte eindelijk goed op stoom. Voor de VS gold dit al wat langer. Deze terugkeer en versnelling van de economische groei in het belangrijkste deel van de Nederlandse uitvoermarkt zorgde voor een versnelling van de Nederlandse uitvoergroei. Met de aankondiging van kwantitatieve verruiming door de Europese Centrale Bank is de waarde van de euro ten opzichte van de valuta van de belangrijkste handelspartners buiten het eurogebied, de VS en het VK, aanzienlijk gedaald. Dat zorgde in 2015 voor een extra steun in de rug voor de Nederlandse uitvoer. Voor 2016 verwachten wij een lichte verdere daling van de waarde van de euro (zie de Visie op  2016: financiële markten), maar omdat die waardedaling veel minder groot is dan die van het afgelopen jaar wordt de steun voor de uitvoergroei uit die hoek wel wat kleiner. Door de iets hogere verwachte economische groei in het eurogebied voorzien we voor 2016 toch een marginaal hogere uitvoergroei dan in 2015.

Zoals de Visie op 2016: internationale economie en de Visie op 2016: financiële markten duidelijk maken, bestaat er in de wereld buiten Nederland een groot aantal onzekerheden. Een sterker dan verwachte groeivertraging in China of een te snelle renteverhoging in de Verenigde Staten kunnen al snel roet in het eten gooien van de Europese en Nederlandse exporteurs. Een onverwachte sterke stijging van de rente in de eurozone kan het woningmarktherstel en de investeringsgroei verstoren. Dalende beurskoersen kunnen voor verder dalende dekkingsgraden bij pensioenfondsen zorgen, die tegenwoordig wel langer mogen doen over het herstel daarvan maar op enig moment in zo’n geval toch de premies moeten verhogen of de uitkeringen verlagen.

Toch hoeft een gure wind uit het buitenland of tegenslag op de financiële markten de economische groei in Nederland niet meteen in de knop te breken. De positieve dynamiek in de binnenlandse bestedingen die nu op gang is gekomen, zal ook bij een wat tegenvallende exportgroei niet ineens weer stilvallen. De robuustheid van de binnenlandse dynamiek wordt geholpen doordat een aantal positieve ontwikkelingen elkaar versterkt. Ten eerste trekken de woningmarkt en de bredere economie elkaar omhoog. Ten tweede is de negatieve spiraal van lagere economische groei, een oplopend begrotingstekort, aanvullende bezuinigingen en nog lagere economische groei inmiddels doorbroken.

Woningmarktherstel trekt economische activiteit omhoog

Twee forse recessies en grote veranderingen in het overheidsbeleid rond eigenwoningbezit en hypotheken hebben sinds 2008 voor een forse daling van het aantal woningverkopen en de gemiddelde huizenprijs gezorgd. Met de laatste grote aanpassingen in de fiscale behandeling van de eigenwoningschuld begin 2013 is een periode van grote onzekerheid over het te voeren beleid afgesloten. Met het optrekken van die mist keerde het vertrouwen al weer snel terug waardoor het aantal woningverkopen en de huizenprijs sinds midden 2013 de weg omhoog weer hebben gevonden. De forse daling van de hypotheekrente heeft daarbij een duidelijke steun in de rug gegeven.            

Nu de eerste fase van inhaalgroei achter ons ligt, voorzien we voor 2016 een aanzienlijk gematigder tempo van de toename in het aantal woningverkopen. Omdat de verkoopaantallen inmiddels een hoog niveau hebben bereikt, wordt de markt echter minder ruim. Samen met de groei van het huishoudinkomen en een door ons voorziene slechts beperkte stijging van de rente (zie de Visie op 2016: financiële markten) zorgt dit ervoor dat de toename van de huizenprijzen volgend jaar juist kan versnellen (Rabobank, 2015a).

In de recessiejaren ontstond een negatieve spiraal van ontwikkelingen op de woningmarkt en de economie. Sinds vorig jaar beïnvloeden deze elkaar juist weer in positieve zin. Zo had het hoge aantal woningverkopen in de afgelopen kwartalen een positieve invloed op de consumptie van duurzame goederen bestemd voor woningen, zoals woninginrichting en elektrische apparatuur (Giesbergen, 2015). Naast de particuliere consumptie dragen ook de woninginvesteringen via de nieuw- en verbouw en toenemend werk voor makelaars en notarissen positief bij aan de economische groei. De bouwnijverheid is in 2015 de snelst groeiende sector van ons land en groeit ook in 2016 naar verwachting harder dan de economie als geheel (Rabobank, 2015b). Dit na jaren waarin juist deze sector bovenmatig hard werd getroffen. De gunstige woningmarktontwikkelingen hebben daarmee een breed gedragen positief effect op de binnenlandse bestedingen.

Figuur 3: Consumentenvertrouwen in economie en woningmarkt
Figuur 3: Consumentenvertrouwen in economie en woningmarktBron: CBS, Vereniging Eigen Huis

Het algemene economische herstel heeft via inkomensgroei en de toename van de werkgelegenheid op zijn beurt weer een positief effect op de ontwikkelingen in de woningmarkt. De inkomensgroei ondersteunt de huizenprijsstijging. Stijgende werkgelegenheid en inkomens en de toename van het consumentenvertrouwen (figuur 3) hebben daarbij ook een gunstige invloed op de beslissing om een (ander) huis te kopen. 

Lage inflatie

De toename van de consumptieve bestedingen is niet alleen te danken aan het herstel op de woningmarkt. Eind 2013 maakte de inflatie een enorme duikvlucht, waardoor deze voor het eerst in drie jaar onder de loongroei kwam te liggen (figuur 4). In 2011 was de inflatie juist fors toegenomen door een stijging van de olieprijs. In 2012 en 2013 bleef het inflatietempo hoog door verhogingen van BTW, accijnzen, energie- en assurantiebelasting. Al die effecten waren in 2014 verdwenen waardoor de inflatie in dat jaar fors lager lag. De reële loongroei (nominale loongroei minus inflatie) die daarvan het gevolg was, zorgde voor een toename van het reëel beschikbare huishoudinkomen en bood daarmee ruimte voor consumptiegroei. De halvering van de olieprijs van midden 2014 tot begin 2015 duwde de inflatie nog verder omlaag. Omdat wij geen verdere daling van de olieprijs verwachten, loopt het neerwaartse effect van de olieprijs op de inflatie aan het einde van 2015 uit de cijfers en mag een inflatieversnelling worden verwacht.

Figuur 4: Loongroei en inflatie
Figuur 4: Loongroei en inflatieBron: CBS

In 2016 is de inflatie dan nog steeds wel laag, maar met een verwachte 1¼% wel een procentpunt hoger dan in 2014 en 2015. Ondertussen loopt de loongroei wel wat op in de private sector en in nog grotere mate ook bij de overheid. Maar de reële loongroei zal volgend jaar wel iets lager liggen dan in de afgelopen twee jaren. Met dank aan de belastingverlaging van 5 miljard euro blijft de groei van het beschikbare huishoudinkomen echter op peil. De overheid zag daarvoor ruimte doordat het begrotingstekort onder invloed van de economische groei aanzienlijk kleiner is geworden. De kickstart die de lagere inflatie samen met het woningmarktherstel aan de consumptieve bestedingen en het bredere economische herstel heeft gegeven, is daarmee voldoende groot geweest om een zichzelf in stand houdende economische dynamiek aan de gang te brengen. 

Omslag overheidsfinanciën

Net als bij de woningmarkt en de economie is ook tussen de overheidsfinanciën en de economie een negatieve spiraal omgebogen in een positieve spiraal. Voor 2013 en 2014 moest het kabinet nog aanzienlijke aanvullende bezuinigingen en lastenverzwaringen bedenken (figuur 5) omdat de tegenvallende economische groei de gewenste verlaging van het begrotingstekort tegenhield. Die bezuinigingsoperaties en de onzekerheid die door de aanvullende begrotingspakketten ontstond, drukten de economische groei verder omlaag.

Figuur 5: Tekortreducerende maatregelen
Figuur 5: Tekortreducerende maatregelenBron: CPB

Door de terugkeer van de economische groei is het begrotingstekort echter ineens voldoende verbeterd om voor 2016 een forse belastingverlaging door te voeren. Zo bezien heeft de meevallende economische groei de lastenverlichting mogelijk gemaakt die volgend jaar een belangrijke rol speelt in het op peil houden van diezelfde economische groei en is de negatieve wisselwerking tussen economie en overheidsfinanciën omgebogen in een positieve wisselwerking, een zeer welkome verandering. Gezien de hoge werkloosheid is het begrijpelijk dat de overheid de economie in 2016 met een belastingverlaging een steun in de rug geeft. Maar vanuit economische optiek was het verstandiger geweest om de bezuinigingen juist in de jaren waarin de economie in recessie verkeerde niet op te schroeven. De overheid heeft de neergang daarmee dieper gemaakt, terwijl zij de opgang nu ondersteunt met een belastingverlaging. Een mooie casus voor de economische tekstboeken van procyclisch begrotingsbeleid, maar schadelijk voor de economie.

Wel heeft de overheid in de afgelopen jaren forse stappen gezet in het met het oog op de vergrijzing houdbaar maken van de overheidsfinanciën (Smid, 2015). Daardoor hoeft in de toekomst veel minder hard te worden ingegrepen in de overheidsbegroting dan een paar jaar geleden nog het geval was.

Figuur 6: Tekort en schuld overheid
Figuur 6: Tekort en schuld overheidBron: CBS, Rabobank

De toename van het aantal vluchtelingen dat in Nederland asiel zoekt, zorgt voor een stijging van de overheidsuitgaven. Het is vooralsnog onduidelijk wat de gevolgen hiervan zullen zijn. Hoewel het begrotingstekort nog ver is verwijderd van de welbekende grens van 3%-BBP (figuur 6), heeft de overheid met de belastingverlaging in 2016 de grenzen van de Europese begrotingsregels rond het structurele begrotingssaldo tot het uiterste opgezocht (Badir en Giesbergen, 2015). Strikt genomen is er binnen de regels dus geen ruimte voor een hoger begrotingstekort. Omdat deze problematiek in heel Europa speelt, zal de Europese Commissie de regels wellicht wat minder streng handhaven. Anders zal mogelijk elders in de rijksbegroting moeten worden bezuinigd. Per saldo leidt dit dan echter niet zozeer tot lagere overheidsuitgaven maar tot een verschuiving ervan, waardoor het voor de economische dynamiek op de korte termijn geen negatieve effecten heeft.

Bescheiden herstel bedrijfsinvesteringen

Met de terugkeer van de economische groei, die bovendien breed gedragen is, zou je verwachten dat de investeringen in bedrijfsuitrusting ook weer aantrekken. Die groei is er wel, maar deze is tot nu toe niet erg fors en evenmin breed gedragen. Voor de totale private investeringen voorzien wij een toename van 10¼% in 2015 na 5% groei in 2014. Dat ziet er op het eerste gezicht goed uit, maar deze groei wordt voor een groot deel bepaald door de woninginvesteringen. Investeringen door het bedrijfsleven waren in 2014 beperkt tot de sectoren onroerend goed (de genoemde woninginvesteringen), financiële dienstverlening, delfstoffenwinning en maakindustrie. In de andere sectoren bleef het investeringsvolume gelijk of kromp het nog (figuur 7). Ook in 2015 blijven de investeringen in belangrijke mate bepaald door de woninginvesteringen. In 2016 neemt de groei van de woninginvesteringen af en wordt de private investeringsgroei die wij voorzien voor een groter deel door investeringen in bedrijfsuitrusting gevormd. Wij gaan er vanuit dat die groei dan ook breder over de sectoren zal zijn verdeeld, waarmee het investeringsherstel in 2016 wat duidelijker aansluit bij de positieve dynamiek die momenteel al tussen de woningmarkt, de overheidsfinanciën en de bredere economie plaatsheeft.

Figuur 7: Opbouw investeringsgroei
Figuur 7: Opbouw investeringsgroeiBron: CBS
Figuur 8: Oordeel banken over vraag naar krediet
Figuur 8: Oordeel banken over vraag naar kredietBron: DNB

Dat de bedrijfsinvesteringen moeizaam op gang komen, heeft te maken met de lange periode van economische tegenwind die achter ons ligt. In veel sectoren ligt het productieniveau momenteel nog onder dat van 2008, waardoor bedrijven de toenemende productie nog met de bestaande productiecapaciteit kunnen realiseren. Het is dan ook niet vreemd dat bedrijven eerst nog een toename van de vraag en een stijging van de bezettingsgraad willen zien om zich voldoende zeker te voelen in het opschroeven van de investeringen. Pas bij voldoende zekerheid over de economische vooruitzichten kan de lage rente ook een rol gaan spelen bij het bespoedigen van de investeringsgroei door het bedrijfsleven.

Tot nu toe is het uitstaande kredietvolume van de banken aan het niet-financiële bedrijfsleven nog dalende. De nieuwe verstrekkingen liggen door de nog zwakke bedrijfsinvesteringen lager dan de aflossingen. Maar inmiddels zien ook de banken wel weer een toename van de vraag naar krediet voor investeringen. In het derde kwartaal van 2015 zagen de banken de kredietvraag van het MKB per saldo voor het eerst in zes en een half jaar weer eens toenemen (figuur 8). Voor het eerst in bijna acht jaar speelden investeringen in vaste activa weer eens een rol in de stijging van de kredietvraag.

Hoewel de acceptatiecriteria die banken hanteren bij het verstrekken van MKB-leningen al acht kwartalen niet meer strenger worden, is van versoepeling tot nu toe evenmin sprake. Met de verwachte toename van de investeringen komt volgend jaar de grote test of het bankwezen samen met de alternatieve vormen van financiering en gesteund door tal van overheidsinitiatieven (Treur, 2014 en Treur en Smid, 2015) in voldoende mate in de financieringsbehoefte van het bedrijfsleven kunnen voorzien. 

Moeten we niet nog schuld afbouwen dan?

Een belangrijke reden voor het pessimisme dat een paar jaar geleden nog over de Nederlandse groeivooruitzichten bestond, was de hoge bruto schuldenlast van Nederlandse huishoudens. Na een zeer beperkte daling in de afgelopen jaren is deze nog steeds tamelijk hoog, zowel in historisch perspectief als in internationale vergelijkingen (figuur 9). Met het aantrekken van de activiteit op de woningmarkt en de stijging van de huizenprijzen is de daling van de hypotheekschuld alweer ten einde. Tot zover dus de schuldafbouw.

Hoewel het op het oog vreemd is dat de schuldafbouw is gestopt, biedt de andere kant van de huishoudbalans wellicht toch meer comfort dan velen in de afgelopen jaren dachten. Daar staat namelijk een zeer omvangrijk vermogen in de vorm van de woningwaarde, pensioenreserves en particuliere spaar- en beleggingspotten (figuur 10). Het grootste deel van dit vermogen is echter illiquide en was daarom in de afgelopen jaren niet goed te gebruiken om schulden af te lossen of om een inkomensterugval op te vangen, met een daling van de activiteit op de woningmarkt en krimpende particuliere consumptie tot gevolg. Bovendien is het vermogen ongelijk over de bevolking verdeeld, waarbij vooral oudere huishoudens veel vermogen hebben en jonge huishoudens vooral hoge schulden. Die laatste groep heeft immers nog weinig tijd gehad om af te lossen op hypotheekleningen, heeft niet geprofiteerd van forse huizenprijsstijgingen en is pas net begonnen met het opbouwen van pensioenvermogen.

Figuur 9: Schuldquote huishoudens
Figuur 9: Schuldquote huishoudensBron: Eurostat
Figuur 10: Opbouw en ontwikkeling vermogen huishoudens
Figuur 10: Opbouw en ontwikkeling vermogen huishoudensBron: CBS

Een deel van de huishoudens die zijn geconfronteerd met een hypotheekschuld die hoger is dan de woningwaarde zal de verhouding tussen beide willen herstellen door extra af te lossen of door een bedrag te sparen waarmee zij een mogelijke restschuld bij verkoop van de woning kunnen voldoen. Met het stijgen van de huizenprijzen wordt deze groep inmiddels weer kleiner (Rabobank, 2015a) en durft wellicht een grotere groep huishoudens met een restschuldfinanciering toch de stap naar een volgende woning te maken.

Door de nog altijd hoge huishoudschuld, het gebrek aan liquiditeit en de scheve verdeling van de vermogens blijft de gevoeligheid van de Nederlandse economie voor een daling van huizenprijzen en inkomens de komende jaren nog bestaan. Met het stapsgewijs verlagen van de maximale LTV tot 100% in 2018 en strengere regels voor de maximale hypotheek ten opzichte van het inkomen neemt de aanvangsschuld voor jonge huishoudens echter wel af. Omdat voor nieuwe hypotheken het recht op hypotheekrenteaftrek is verbonden aan het volledig aflossen, neemt de schuld voor deze huishoudens in de loop van de tijd bovendien sneller af dan voorheen het geval was.

Tegelijkertijd leidt het in grotere mate afbetalen van hypotheken ertoe dat de vermogensopbouw zich nog sterker dan in het verleden concentreert in huizen en pensioenfondsen. Dat zijn illiquide vermogens waarbij het tempo van vermogensopbouw bovendien institutioneel is vastgelegd. Meer flexibiliteit in de pensioenopbouw en een andere fiscale behandeling van de eigen woning zouden er toe bij kunnen dragen dat huishoudens weer meer vrijheid krijgen in het bepalen van het tempo en de vorm van hun vermogensopbouw.

Spaarneiging blijft groot

Door de verbeterende economische omstandigheden neemt de neiging om vanuit algemene onzekerheid maar wat meer te sparen of schuld af te lossen waarschijnlijk af. Daar staat tegenover dat hervormingen in de zorg en de lage dekkingsgraden bij veel pensioenfondsen mensen onzeker maken over de hoogte van hun pensioen en de mate waarin de zorgkosten in de toekomst nog collectief kunnen worden betaald. Dat zorgt er wellicht voor dat huishoudens liever voor de zekerheid wat extra financiële buffers opbouwen.

Per saldo verwachten wij dat de individuele spaarquote –het percentage van het besteedbare inkomen dat niet voor consumptieve doeleinden wordt gebruikt– dit en volgend jaar ruwweg constant blijft. Daarmee blijft deze ongeveer 2½%-punt hoger dan deze gemiddeld in de vijf jaren voor de crisis was. Door de daling van de fiscaal ondersteunde pensioenopbouw nemen de collectieve besparingen wel iets af. Bovendien gebruiken huishoudens een groter deel van de besparingen weer voor woninginvesteringen, waardoor het percentage van het inkomen dat zij gebruiken voor het opbouwen van vrij financieel vermogen of het afbouwen van schuld (het vorderingensaldo) na een forse stijging sinds 2009 inmiddels weer wat kleiner wordt (figuur 11).

Figuur 11: Spaarquote en vorderingensaldo huishoudens
Figuur 11: Spaarquote en vorderingensaldo huishoudensBron: CBS, Rabobank

Al met al gaat van de spaarbeslissing van huishoudens in 2016 nog geen opwaarts effect uit op de consumptieve bestedingen, maar is zij ook geen remmende factor meer. Wij verwachten dat de volumegroei van de consumptie gelijke tred zal houden met de toename van het reëel beschikbare inkomen. 

Werkgelegenheid neemt toe maar arbeidsaanbod ook

De hoge werkloosheid vormt een duidelijke smet op de economische vooruitzichten. Door de beperkte daling die wij voorzien blijft dat ook in 2016 het geval. Gelukkig is de werkelijkheid iets rooskleuriger dan zij op het eerste gezicht lijkt. De werkgelegenheidsgroei is namelijk wel duidelijk op gang gekomen en versnelt volgend jaar ook. De tegenvallende daling van de werkloosheid komt dus doordat het aanbod van arbeid weer is gestegen.

Figuur 12: Beweging van inactief naar werk en werkloosheid
Figuur 12: Beweging van inactief naar werk en werkloosheidBron: CBS

Deze ontwikkeling is goed te zien in de aanzienlijke stijging van het aantal mensen dat niet (meer) actief was op de arbeidsmarkt (dus niet werkte en geen werk zocht) en nu op zoek gaat naar een baan maar deze (nog) niet vindt (figuur 12). Dat kunnen mensen zijn die in de periode van dalende werkgelegenheid zijn gestopt met het zoeken naar een baan en het nu weer proberen. Daarnaast zijn er mensen die door de vele hervormingen van de afgelopen jaren de arbeidsmarkt worden ‘opgeduwd’ (Smid, 2014). Voorts is er een toenemende groep mensen die door de verhoging van de AOW-leeftijd langer op de arbeidsmarkt actief blijft dan voorheen het geval was.

Al dit extra arbeidsaanbod is gunstig voor het groeipotentieel van de Nederlandse economie op middellange termijn. Als we er vanuit gaan dat het grootste deel van de mensen die zich op de arbeidsmarkt melden uiteindelijk een baan vindt, dan duurt het langer voordat krapte op de arbeidsmarkt de economische groei op termijn afremt. Maar de keerzijde daarvan zien we nu nog in de hoge en maar langzaam dalende werkloosheid.

Overigens zal er nog wel wat werk nodig zijn om ervoor te zorgen dat de mensen die zich aanmelden op de arbeidsmarkt ook daadwerkelijk een baan vinden. Op dit moment is de mismatch tussen de kwalificaties die werkzoekenden hebben en die werkgevers vragen op de Nederlandse arbeidsmarkt laag (Erken en Badir, 2015). Maar het is goed mogelijk dat opleiding en vaardigheden van de mensen die zich vanuit inactiviteit op de arbeidsmarkt melden minder goed aansluiten op de behoeften van werkgevers. In dat geval is aanvullend beleid nodig om deze mensen een grotere kans te geven om een baan te vinden.

Behalve de economische tegenwind hebben ook de toegenomen loonkosten sinds de crisis een negatief effect gehad op de arbeidsmarkt. Doordat de werkgeverslasten sinds de crisis zijn toegenomen, zijn de loonkosten in de afgelopen jaren harder gestegen dan de arbeidsproductiviteit. Dit verlaagt de werkgelegenheid. Om de werkloosheid weer op een acceptabel niveau te krijgen, zou het daarom verstandig zijn de werkgeverslasten te verlagen.

De jaren van inhaalgroei

Dat de Nederlandse economische groei volgend jaar ruim boven de 2% uitkomt, wil niet zeggen dat we geen rekening moeten houden met een structureel lagere groei dan ons land sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gekend (Stegeman et al., 2012, Stegeman et al., 2014, Erken et al., 2015).

Door de vergrijzing neemt de groei van de bevolking van werkzame leeftijd af en zet over een jaar of zeven zelfs krimp van deze potentiële beroepsbevolking in. Omdat de arbeidsparticipatie in Nederland al erg hoog ligt, valt van een verhoging daarvan ook niet al te veel meer te verwachten voor het ophogen van het arbeidsaanbod. Zoals beschreven, is door de overheid al veel gedaan om de arbeidsparticipatie zo groot mogelijk te maken. Wel is ons land wereldkampioen deeltijdwerken, dus als het echt moet, kunnen Nederlanders vast nog wel wat meer uren per persoon gaan werken. Of de huidige toestroom van vluchtelingen een significant opwaarts effect gaat hebben op het arbeidsaanbod, is niet te zeggen gezien de grote onzekerheden over het verloop van die problematiek, laat staan over de mate van integratie van vluchtelingen die mogen blijven. In het beste geval is dit een positieve factor die op de langere termijn zichtbaar zal worden. Hoe dan ook zal de groei van het arbeidsaanbod steeds lastiger te bewerkstelligen worden.

Hierdoor wordt de economische groei in de loop der tijd steeds meer afhankelijk van de toename van de arbeidsproductiviteit. Gezien het al hoge niveau van de in Nederland toegepaste technologie, het reeds hoge opleidingsniveau van de beroepsbevolking en een economisch systeem dat een relatief efficiënte inzet van middelen mogelijk maakt, wordt de toename van de arbeidsproductiviteit in hoge mate begrensd door de wereldwijde technologische vooruitgang. Daardoor is het vooral belangrijk dat bedrijven en mensen in Nederland hier optimaal op mee kunnen blijven liften (WRR, 2013).

De potentiële groei van de Nederlandse economie zal waarschijnlijk beperkt blijven tot 1 à 1½%. Dat de groei daar in 2015 en 2016 ruim bovenuit stijgt, wijst dus op inhaalgroei. In de diepste dieptepunten van de crisis van de afgelopen jaren durfden we zelfs daar al niet meer op te hopen. Nu de binnenlandse dynamiek op gang is gekomen en zichzelf versterkt, is het goed mogelijk dat de Nederlandse economie ook voorbij 2016 nog groei laat zien die hoger ligt dan wat op termijn in lijn met de potentiële groei mogelijk zal zijn. Dit zal ook nodig zijn om de werkloosheid omlaag te brengen naar de 4-5% die volgens ons voor Nederland mogelijk is.

Of dat ook echt gaat lukken? Als de nieuwe overheid die ergens in 2016 of 2017 aantreedt geen gekke dingen doet, zal het aan de binnenlandse dynamiek niet liggen. Die houdt zichzelf dan hoogstwaarschijnlijk wel goed op gang. De keur aan zaken die in het buitenland nog mis kan gaan, zorgt er echter voor dat de vooruitzichten voor de exportgroei met grote onzekerheden zijn omgeven. Voor nu geldt echter toch dat het met de Nederlandse economie duidelijk de goede kant op gaat en dat het vooruitkijken op de economie in het volgende jaar en daar voorbij in deze Visie op 2016 een veel aangenamere activiteit is dan vele jaren het geval is geweest. 

Literatuur

Badir, M.C en B.C.J. Giesbergen (2015), “Prinsjesdag 2015: begrotingsfeestje met belastinghervorming als de grote afwezige”. Rabobank Themabericht, 15 september 2015.

Erken, H.P.G. en M.C. Badir (2015a), “Mismatch op de Nederlandse arbeidsmarkt is laag”. Rabobank Themabericht, 17 juli 2015.

Erken, H.P.G., Groot, E. de, en S. Koopman (2015), “Waarom de groei telkens tegenvalt”. Rabobank Special, 17 augustus.

Giesbergen, B.C.J. (2015), “Woningmarktherstel trekt consumptie mee omhoog”. Rabobank Economisch Commentaar, 20 juli 2015.

Rabobank (2015a), “Kwartaalbericht Woningmarkt: Nederlandse woningmarkt houdt hoger niveau verkopen volgend jaar vast”. 5 november 2015.

Rabobank (2015b), “Sectorprognoses 2016: breed herstel bij uitdagende marktomstandigheden voor ondernemers”. Rabobank Cijfers & Trends, oktober 2015.

Smid, T.H. (2014), “Structurele hervormingen op de Nederlandse arbeidsmarkt”. Rabobank Themabericht, 16 september 2014.

Smid, T.H. (2015), “Houdbaarheid Nederlandse overheidsfinanciën”. Rabobank Economisch Commentaar, 10 augustus 2015.

Stegeman, H.W., Badir, M.C. en M. Weernink (2014), “Het groeiperspectief van de eurozone”. Rabobank Special, 19 september 2014.

Stegeman, H.W., Belt, R. van de en D. Piljic (2012, “Minder groei: van de Grote Recessie naar de Lange Stagnatie”. Rabobank Special, 7 november 2012.

Treur, L. (2014), “Financiering voor het MKB: opties in kaart”. Rabobank Special, 13 maart 2014.

Treur, L. en T.H. Smid (2015), “Alternatieve financiering voor het MKB: een update”. Rabobank Themabericht, 14 april 2015.

WRR (2013). “Naar een lerende economie”. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Naar de overzichtspagina van de Visie op 2016

Colofon

De 'Visie op 2016' is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank. De in deze publicatie gepresenteerde visie is gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen. Deze omvatten onder andere Macrobond, NiGEM, Centraal Bureau voor de Statistiek, Centraal Planbureau, Vereniging Eigen Huis, De Nederlandsche Bank en Eurostat. De afsluitdatum van deze publicatie is 13 november 2015.

Deze gegevens van deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. Rabobank aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten. Het betreft algemene informatie die aan veranderingen onderhevig is.

Gebruikte afkortingen bronnen:  BIS: CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek, IMF: Internationaal Monetair Fonds, CPB: Centraal Planbureau, CEIC: Census and Economic Information Center, DNB: De Nederlandsche Bank

Gebruikte afkortingen landen: VK: Verenigd Koninkrijk, VS: Verenigde Staten, CIS: Gemenebest van Onafhankelijke Staten

Aan de verstrekte informatie kunnen geen rechten worden ontleend. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Rabobank en alle andere aanbieders van informatie uit deze brochure en op de websites waarnaar deze verwijst, aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud hiervan of voor informatie die op of via de sites wordt verstrekt.

Gehele of gedeeltelijke overname is uitsluitend toegestaan met bronvermelding. De afnemer van de informatie is verantwoordelijk voor de keuze en elk gebruik van de informatie. De afnemer is verplicht aanwijzingen van de Rabobank omtrent het gebruik van de informatie op te volgen. Nederlands recht is van toepassing.

Voor overige informatie kunt u bellen met het secretariaat van KEO op tel. 030 – 2162666, of mailen naar ‘economie@rabobank.nl’.

Tekstbijdrage:Tim Legierse, hoofd Nationaal Onderzoek, Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek

EindredactieWim Boonstra, hoofd Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek

TekstredactieEnrico Versteegh

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Productiecoördinatie: Christel Frentz

© 2015 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)

naar boven