RaboResearch - Economisch Onderzoek

Regionale economische prognoses 2016

Themabericht

Delen:
  • De breed gedragen economische groei in 2016 leidt tot productiegroei in alle sectoren en in alle regio’s
  • De Randstad, en daarbinnen vooral de noordvleugel, heeft op basis van haar sectorstructuur de meeste groeipotentie
  • Het verleden wijst echter uit dat veel regio’s de verwachte groei niet waarmaken of juist ontstijgen
  • Door de vergrijzing en de wegtrekkende bevolking daalt de werkloosheid in een aantal perifere regio’s relatief hard

De Nederlandse economie groeit in 2015 naar verwachting met 2¼%. In 2016 versnelt deze groei naar 2¾% doordat het negatieve effect van de lagere gaswinning dan wegvalt (tabel 1). Anders dan in 2014, toen de groei van 1% grotendeels voor rekening kwam van de uitvoer, is de groei dit en komend jaar breed gedragen. Dat wil zeggen dat niet alleen de export van goederen en diensten aan de groei bijdraagt, maar ook de particuliere consumptie en de private investeringen (figuur 1). Door de reële loongroei, het herstel op de woningmarkt, het hoge consumentenvertrouwen en de aantrekkende werkgelegenheid groeit de particuliere consumptie in 2015 en 2016. Door de forse stijging van het aantal woningverkopen nemen ook de woninginvesteringen toe. De bedrijfsinvesteringen groeien tot nu toe maar zeer beperkt, maar voor volgend jaar verwachten we een hogere groei hiervan.

Het economische herstel slaat inmiddels over de volle breedte neer in de sectoren, al profiteren niet alle sectoren in gelijke mate. Samen met verschillen in de economische structuur van regio’s leidt dat tot uiteenlopende regionale groeiverwachtingen voor 2016.

Tabel 1: Kerngegevens Nederland
Tabel 1: Kerngegevens NederlandBron: Rabobank
Figuur 1: BBP-bijdragen van bestedingscomponenten
Figuur 1: BBP-bijdragen van bestedingscomponentenBron: CBS, Rabobank

Groei in alle sectoren

Voor 2016 verwachten we dat de gecreëerde toegevoegde waarde in alle sectoren zal groeien (figuur 2). De verwachte groei van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in Nederland als geheel bedraagt 2¾ respectievelijk 1½%. De zestien sectoren in figuur 2 wijken daar in meer of mindere mate van af, maar voor elke sector verwachten we een groei van de toegevoegde waarde en in de meeste sectoren zal ook de werkgelegenheid groeien. De omvang van de bol staat voor de toegevoegde waarde in de sector (behalve de bol voor het totaal). Sectoren die vooral op het buitenland zijn gericht, zoals (delen van) de groothandel, de transportsector, de industrie en de dienstverlening, zien hun export toenemen. Sectoren die het vooral van het binnenland moeten hebben, zoals de detailhandel, de bouw en de horeca, zien hun afzet aan consumenten stijgen. Een uitgebreide beschrijving van onze sectorprognoses vindt u in Rabobank Cijfers & Trends - Sectorprognoses 2016.

Figuur 2: Sectorprognoses 2016
Figuur 2: Sectorprognoses 2016Bron: Rabobank
Figuur 3: Gemiddelde jaarlijkse arbeidsproductiviteitsgroei 1996-2014
Figuur 3: Gemiddelde jaarlijkse arbeidsproductiviteitsgroei 1996-2014Bron: CBS

Groei van de toegevoegde waarde en groei van de werkgelegenheid gaan lang niet altijd hand in hand. In de meeste sectoren is de verwachte groei van de toegevoegde waarde hoger. Dat geldt ook voor alle sectoren samen, wat inhoudt dat de gemiddelde arbeidsproductiviteit in Nederland toeneemt. In grofweg de afgelopen twintig jaar bedroeg die toename gemiddeld 1% per jaar (figuur 3). Theoretisch betekent dit dat de Nederlandse productie met meer dan 1% moet toenemen om de werkgelegenheid te laten stijgen.

Tussen de sectoren bestaat een groot verschil in deze minimale groei die nodig is om de werkgelegenheid te laten stijgen. Dit zien we ook terug in de sectorprognoses voor 2016. In de landbouw, de industrie, de transportsector en de financiële dienstverlening verwachten wij een groei van de toegevoegde waarde, maar een nagenoeg gelijkblijvende of krimpende werkgelegenheid. In de informatie & communicatie en de groothandel is de verwachte groei dusdanig hoog dat de werkgelegenheid waarschijnlijk wel toeneemt, zij het in beperkte mate. In de arbeidsintensieve sectoren, zoals de zakelijke dienstverlening, de horeca en de detailhandel, leidt groei van de productie vrijwel direct tot extra werkgelegenheid. Deze productiegroei kan namelijk niet of veel moeilijker door machines, computers of efficiëntere manieren van werken worden verwezenlijkt. 

Regionale prognoses 2016

De regionale prognoses zijn gebaseerd op de sectorprognoses uit figuur 2 en het belang van die sectoren in de regionale economie. Omdat vrijwel alle sectoren dit jaar naar verwachting groeien, voorzien we ook voor alle regio’s groei van de productie en de werkgelegenheid. Maar het groeitempo verschilt. Een groot belang van sectoren die naar verwachting harder groeien dan het landelijke gemiddelde heeft een positief effect op de prognose. Zo heeft het grote belang van de zakelijke dienstverlening in de totale toegevoegde waarde en werkgelegenheid van Groot-Amsterdam een positief effect op onze prognose voor deze regio. Van die sector verwachten we namelijk een hoge groei in 2016. Logischerwijs heeft een groot belang van sectoren met een relatief lage groei een negatief effect op de verwachtingen. In regio’s waar de zorg of de overheid een relatief groot deel van de toegevoegde waarde voor haar rekening neemt, verwachten we een lagere productie- en werkgelegenheidsgroei. Als we dit voor alle sectoren en voor alle regio’s doorrekenen voor zowel de toegevoegde waarde als de werkgelegenheid, volgen daaruit de regionale prognoses zoals weergegeven in onderstaande kaarten.

Kaart 1: Groeiprognose toegevoegde waarde
Kaart 1: Groeiprognose toegevoegde waardeBron: Rabobank
Kaart 2: Groeiprognose werkgelegenheid
Kaart 2: Groeiprognose werkgelegenheidBron: Rabobank

De kaarten tonen een duidelijk ruimtelijk patroon, met vooral een hoge groeiverwachting voor de Randstedelijke regio’s. Binnen de Randstad valt vooral de noordvleugel op, daarbuiten springen Zuidwest-Gelderland en Zuidoost-Brabant eruit. In die regio’s hebben de sectoren met een hogere groeiverwachting een groot aandeel in de regionale economie, met name de zakelijke dienstverlening. Omgekeerd geldt vooral voor grote delen van Noord-Nederland dat het belang van sectoren met een lagere groeiverwachting groter is. De verwachte regionale groeiverschillen zijn echter zowel voor wat betreft de toegevoegde waarde als qua werkgelegenheid niet bijzonder groot. In beide gevallen is het verschil tussen de regio met de laagste en de hoogste prognose ongeveer 1 procentpunt.

Een blik achteruit

Het is belangrijk om te beseffen dat de hierboven genoemde prognoses er vanuit gaan dat bedrijven in elke regio mee kunnen liften op de verwachte groei in hun sector. In de praktijk zullen bedrijven in bepaalde regio’s het beter (slechter) doen dan hun concurrenten in dezelfde sector in andere regio’s. De groei kan daardoor hoger (lager) uitpakken dan het landelijke gemiddelde voor de sector waardoor ook de regionale groei afwijkt van wat enkel op basis van de sectorstructuur kan worden verwacht. Door met die bril naar het verleden te kijken, kunnen we achterhalen in welke mate de regio’s in de afgelopen jaren afweken van de groei die zij op basis van hun sectorstructuur hadden moeten kunnen realiseren. Een deel van de jaarlijkse groei kan worden verklaard door de economische structuur van een regio. Een groot belang van een sterke groeisector verklaart een hoge regionale groei. Dit werkt dus op dezelfde manier als de hierboven beschreven regionale prognoses. De werkelijke groei in het verleden wijkt echter af van die verwachte groei. De verklaring hiervoor kan worden gezocht in talloze factoren, zoals de kwaliteit van het ondernemerschap, de bereikbaarheid, de beschikbaarheid van ruimte en de kwaliteit van economisch beleid.

De oranje punten in onderstaande figuren tonen voor alle veertig regio’s de gemiddelde afwijking van de verwachte groei van de productie (figuur 4) en de werkgelegenheid (figuur 5). In Agglomeratie Haarlem, links in beide figuren, was de jaarlijkse groei van de productie dus gemiddeld 2 procentpunt lager dan op grond van de economische structuur mocht worden verwacht. Hetzelfde geldt voor de werkgelegenheid. Dat betekent dat de groei in de sectoren in die regio gemiddeld genomen lager was dan landelijk. Dat wil overigens niet zeggen dat de bedrijven in de regio minder goed presteren. De groei van de sectoren is alleen lager. Dat Haarlem minder hard groeit, is niet vreemd. De regio heeft een belangrijke woonfunctie voor forensen die elders in de Randstad werken, met minder focus op economische groei. Hetzelfde geldt voor Het Gooi en Vechtstreek, met eveneens een belangrijke woonfunctie. Ook in Delfzijl en omgeving en IJmond bleef de werkelijke groei van zowel de productie als de werkgelegenheid achter bij de verwachting. Rechts in de figuren vinden we de regio’s met een hogere groei dan kon worden verwacht op basis van de sectorstructuur. Flevoland heeft weliswaar een belangrijke woonfunctie voor werknemers uit met name Amsterdam, maar is zelf ook een forse groeiregio.

Figuur 4: Afwijking van de verwachte productiegroei 1995-2011
Figuur 4: Afwijking van de verwachte productiegroei 1995-2011Bron: CBS, Rabobank
Figuur 5: Afwijking van de verwachte werkgele-genheidsgroei 1996-2014
Figuur 5: Afwijking van de verwachte werkgele-genheidsgroei 1996-2014Bron: LISA, Rabobank

De oranje bollen in de figuur tonen de gemiddelde afwijking, gemeten over een aantal jaren. In de ene regio loopt de jaarlijkse afwijking ten opzichte van de verwachte groei sterker uiteen dan in de andere. De spreiding van de jaarlijkse afwijking wordt weergegeven door de licht- en donkerblauwe bollen. In Delfzijl en omgeving, IJmond en Zeeuwsch-Vlaanderen is die spreiding bijvoorbeeld bijzonder groot, wat het gevolg is van de nadrukkelijke aanwezigheid van een enkel groot bedrijf of een paar grote bedrijven in de regio. In onder meer Utrecht en Arnhem/Nijmegen is de spreiding veel kleiner, wat inhoudt dat jaarlijkse afwijkingen van de verwachte groei minder sterk uiteenlopen.

Onderstaande kaarten geven de gemiddelde jaarlijkse afwijking van de groeiprognoses weer en tonen dus het ruimtelijke beeld van de oranje bollen in figuur 4 en 5. Het ruimtelijke beeld van kaart 1 en 2 verdwijnt. In de Randstad komt Groot-Amsterdam redelijk goed uit de verf, maar verder vallen de meeste Randstedelijke regio’s tegen, vooral de kustregio’s en Het Gooi en Vechtstreek. De regio’s in Zuid-Holland kenden grofweg de afgelopen twee decennia dus een lagere groei dan op grond van hun economische structuur mocht worden verwacht. Het zijn juist de regio’s buiten de Randstad die er positief uitspringen. Met enige goede wil zijn de A6 en de A28 naar het noorden en de A2 naar het zuidoosten herkenbaar. Daarmee is de uitdijing van de Randstad in die richtingen, maar ook de autonome ontwikkeling in de regio’s langs de transportassen mooi zichtbaar.

Kaart 3: Gemiddelde jaarlijkse afwijking van de verwachte groei van de toegevoegde waarde
Kaart 3: Gemiddelde jaarlijkse afwijking van de verwachte groei van de toegevoegde waardeBron: CBS, Rabobank
Kaart 4: Gemiddelde jaarlijkse afwijking van de verwachte groei van de werkgelegenheid
Kaart 4: Gemiddelde jaarlijkse afwijking van de verwachte groei van de werkgelegenheidBron: LISA, Rabobank

Gevolgen voor de werkloosheid

De hoogte van de werkloosheid is afhankelijk van de vraag naar arbeid (de werkgelegenheid) en het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking). Groei van de werkgelegenheid heeft een neerwaarts effect op de werkloosheid, maar betekent niet per se een daling van de werkloosheid. Als tegelijkertijd de beroepsbevolking toeneemt, wat een opwaarts effect heeft op de werkloosheid, kan de werkloosheid zelfs toenemen. Groei van de werkgelegenheid en groei van de beroepsbevolking gaan vaak hand in hand, omdat mensen in tijden van werkgelegenheidsgroei worden aangemoedigd om deel te nemen aan het arbeidsproces. De daling van de werkloosheid wordt dan geremd. Deze relatie lijkt ook in 2016 op te gaan. De landelijke verwachte werkgelegenheidsgroei van 1½% gaat gepaard met een verwachte stijging van de beroepsbevolking van ½%. Naast de werkgelegenheidsontwikkeling in de eigen regio is ook de groei of krimp van het aantal banen in de rest van het land van belang. Lang niet alle werknemers werken immers in de regio waarin zij wonen. Woon-werkverkeer speelt dus ook een rol. Zo is de hoogte van de werkloosheid in Flevoland, Het Gooi en Vechtstreek en de regio rondom Haarlem sterk afhankelijk van de werkgelegenheid in Amsterdam.

Al deze factoren beschouwend, verwachten wij een regionale werkloosheid zoals weergegeven in kaart 5. De landelijke werkloosheid in 2016 is geraamd op 6¼%. De uitkomsten zijn een gevolg van onze groeiverwachtingen voor 2016, maar uiteraard ook van de werkloosheid in 2015. Zo hebben de (regio’s rondom de) grote steden, met name Rotterdam en behalve Utrecht, al jaren een hogere werkloosheid. Dat geldt ook voor Flevoland en grote delen van Noord-Nederland. De werkloosheid zal waarschijnlijk wel in alle regio’s dalen (kaart 6). De verwachting voor heel Nederland is een daling van 0,8 procentpunt. De grootste daling vinden we in Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving, Zeeuwsch-Vlaanderen en Zuid-Limburg. Dat is geen gevolg van een sterke werkgelegenheidsgroei (zie kaart 2), maar van een zeer beperkte groei van de beroepsbevolking door vergrijzing. Het tegenovergestelde geldt voor de aantrekkelijke woongebieden in en rondom de Randstad, waar de daling van de werkloosheid beperkt is door de relatief sterk groeiende (beroeps-)bevolking.

Kaart 5: Prognose werkloosheid 2016                  
Kaart 5: Prognose werkloosheid 2016Bron: Rabobank
Kaart 6: Prognose afname werkloosheid 2016 (%-punt)
Kaart 6: Prognose afname werkloosheid 2016 (%-punt)Bron: Rabobank
Delen:
Auteur(s)

naar boven