RaboResearch - Economisch Onderzoek

Bloeiende wereldhandelsgroei niet langer een zekerheid

Economisch commentaar

Delen:

Een uitgebreidere versie is verschenen op MeJudice, 26 november 2015

  • De mondiale handelsactiviteit blijft al vijf jaar achter bij de ontwikkeling van de economische activiteit
  • Deze trend wordt deels gevoed door handels­belem­me­rin­­gen die op termijn ook de economische activiteit kunnen remmen
  • Handel is een belangrijke factor in de macro-economische groei­ van de Ne­der­landse economie en de economie van de eurozone
  • Beleidsingrijpen is vereist om handelsbelemmeringen weg te nemen en nieuwe, mondiale handelsverdieping te stimuleren

Volgens de wereldhandelsmonitor van het Cen­traal Planbureau kromp het volume van de grens­over­schrij­dende handel in goederen in 2015 in zeven van de acht maanden waarvoor data beschikbaar zijn. Hoewel de han­delsdip van 2015 niet in de buurt komt van de handelsimplosie van eind 2008 – begin 2009, tekent zich inmiddels wel een zorgelijke trend af. De wereldhandel groeit namelijk al sinds 2010 niet meer propor­tioneel mee met het wereldwijde BBP (figuur 1). De recente Europese tendens om met het oog op de beheersing van vluchtelingenstromen en binnenlandse veiligheid de landsgrenzen stren­ger te gaan bewaken (ein­de Schengen) zal hier nog maar nauwelijks in zichtbaar zijn.

Figuur 1: Wereldhandel breekt met het verleden
Figuur 1: Wereldhandel breekt met het verledenBron: CPB, NiGEM, Rabobank

Dit is een zorgelijke trend. Op zichzelf is er geen ‘normaal’ niveau van mondiale handel in verhouding tot het BBP; de handelsintensiteit. Maar vrije en bloeiende handel op een gelijke basis faciliteert wel (eerlijke) concur­ren­tie en herverdeling van werk en kapitaal naar de meest productieve sectoren. Dit kan de effi­ci­ëntie, de productiviteit en het economische groeipotentieel op macroniveau voor alle betrokken landen bevorderen. Ook het belang van handel in de macro-economische groei­ van de Ne­der­landse economie en die van de eurozone maakt een nadere inspectie van de oorzaken van de getoonde terugval nood­zakelijk. 

Vele factoren beïnvloeden de handelsintensiteit (Bruinshoofd, 2015). De Chinese transitie van een productie- naar een consumptie-economie en het einde van de grondstoffencyclus zullen bij­voorbeeld hun weerslag hebben op de handelsintensiteit. Maar ook nieuwe technologieën, conso­li­datie van productieketens en re-shoring spelen een rol. Aangezien het hier economische ver­anderin­gen betreft, waarvan een aanpassing in de handels­activi­teit het gevolg is, ligt hier geen duide­lijke motivatie voor beleidsingrijpen anders dan dat men ver­vangende handelsverdieping kan nastreven.

Maar er spelen twee factoren die wel degelijk om be­leids­ingrijpen vragen: de gestage opbouw van nieuwe handelsbelemmeringen in de afgelopen jaren en het gelijktijdig uitblijven van nieuwe mon­diale im­pulsen voor handelsverdieping.

Handelsbeperkingen

Evenett en Fritz (2015) tonen aan de hand van de jongste versie van de Global Trade Alert (GTA) dat de handelskrimp die we in 2015 tot dusver optekenen in be­langrijke mate is geconcentreerd in die productgroepen waarop de meeste handelsbeperkingen zijn toegepast. Waar de G20-leiders in 2009, op het dieptepunt van de Grote Recessie, nog zeer prominent voor de vrijhandel pleitten, blijken er sindsdien volgens de achttiende GTA door diezelfde G20-landen al 3.581 maatregelen te zijn ge­no­men die de buitenlandse handelsbelangen hebben geschaad, waarvan ruim 80% nog altijd van toepassing is. Het is noodzakelijk om dat proces in elk geval te stoppen en liefst zo snel mogelijk terug te draaien.

Impulsen voor handelsverdieping

Daarnaast heeft de mondiale afbouw van bestaande handelsbeperkingen het afgelopen decennium geen noemenswaardige resultaten opgeleverd. De Doha-ronde voor handelsliberalisering (gestart in 2001!) is nog altijd niet afgerond. In afwezigheid van nieuwe initiatieven voor handelsverdieping loopt de groei-impuls op enig moment ook uit de wereld­handel.

Wel zijn momenteel twee grote regionale handelsverdragen in onderhandeling: het Trans-Pa­ci­fische Partnerschap (TPP) en het Trans-Atlantische Handels- en Investerings ­Partner­schap (TTIP). Aan de TPP nemen twaalf landen aan beide zijden van de Stille Oceaan deel en TTIP wordt onder­handeld tussen de VS en Europa (Kalf en Marey, 2015). Over het algemeen verwachten we een posi­tief effect van beide overeenkomsten op de han­del en de economische activiteit van de betrokken lan­den. De handel en economische activiteit van landen die niet meedoen in de handelsverdragen kun­nen door verlegging van handelsstromen (naar stromen tussen deelnemende landen) juist nega­tief worden beïnvloed. Bij TTIP is Nederland via Europa een van de onderhandelende partijen en geniet het per saldo de voordelen van het af te slui­ten verdrag. Maar Nederland en Europa zitten niet aan tafel bij de onderhandelingen voor TPP. Of de to­tale wereldhandel uiteindelijk toeneemt, hangt af van de vraag of de handelscreatie de handels­ver­leg­ging overtreft, al zijn daarmee de verliezers van eventuele handelsverdringing geenszins gecom­penseerd. Hier ligt een rol voor beleidsingrijpen om deze initiatieven op te schalen naar mondiaal niveau.

 

Referenties

Bruinshoofd, A. (2015), “Rem op wereldhandel bedreigt Nederlandse welvaart”, MeJudice, 27 november.

Evenett, S. J. en J. Fitz (2015), “The tide turns? Falling world trade and the G20”, VoxEU.org, 12 november.

Kalf, J. en P. Marey (2015), “Mare liberum: handelsbevordering over de Atlantische en Stille Oceaan met TTP en TTIP”, Rabobank Themabericht, 8 september.

Delen:
Auteur(s)
Allard Bruinshoofd
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven