RaboResearch - Economisch Onderzoek

Athene moet nu werk maken van pensioenhervorming

Column

Delen:

In Griekenland gaan mensen met pensioen met gemiddeld 61 jaar, tegen 64 jaar in Nederland en zelfs 67 jaar in Portugal

Verschenen als opinie-artikel in het Financieele Dagblad, 13 november 2015

Om de geloofwaardigheid van de eurozone te garanderen zal Brussel een maximale inspanning moeten leveren om de regels op het gebied van langer doorwerken tussen landen op een gelijker speelveld te krijgen. Het is lastig uit te leggen dat belastingbetalers in bijvoorbeeld Duitsland en Nederland een financieel offer moeten leveren, terwijl de verwachte periode dat iemand in deze landen actief is op de arbeidsmarkt acht tot tien jaar hoger ligt dan in Italië of Griekenland.

Tijdens de onderhandelingen over een derde reddingspakket voor Griekenland werd deze zomer duidelijk dat een van de meest heikele punten de hervorming van het Griekse pensioenstelsel betrof. In augustus is het Griekse parlement akkoord gegaan met hervormingen die de mogelijkheid van vervroegd pensioen beperken.

Inmiddels is Alexis Tsipras, politiek leider van Syriza, als premier herkozen en heeft hij de zware taak om noodzakelijke verdergaande pensioenhervormingen goed ten uitvoer te brengen. Daarbij ziet de premier een groot deel van het parlement tegenover zich geplaatst.

De reden dat de Europese Commissie druk blijft zetten op de Griekse regering om te hervormen wordt duidelijk wanneer wordt gekeken naar de mate waarin ouderen actief zijn op de arbeidsmarkt. In Griekenland is de gemiddelde effectieve leeftijd waarop mensen met pensioen gaan 61 jaar, terwijl dit in bijvoorbeeld Ierland en Nederland 64 jaar bedraagt, en in Portugal zelfs 67 jaar. Verder is slechts een kwart van de Griekse ouderen tussen de 55 en 75 jaar actief op de arbeidsmarkt.

Dat is de laagste arbeidsparticipatiegraad van alle grote landen in de eurozone, hoewel België en Oostenrijk het met respectievelijk 28% en 29% niet veel beter doen. In Duitsland en Nederland participeren respectievelijk 43% en 44% van de ouderen nog op de arbeidsmarkt.

Uit een recente analyse van de Rabobank, die ook is gepubliceerd op het economenforum MeJudice, blijkt dat maatregelen die zijn gericht op het bevorderen van de arbeidsdeelname door ouderen zich in een aantal landen ook echt hebben uitbetaald, zoals in Duitsland, Nederland, Ierland en Italië. Hierbij gaat het in Nederland bijvoorbeeld om het afschaffen van fiscale voordelen van vervroegde uittreding (vut) en prepensioen in 2006 en het stapsgewijs verhogen van de pensioenleeftijd naar 67 jaar in 2021.

Ook in Frankrijk kan een versnelling van de participatiegraad van ouderen worden gekoppeld aan een breed pakket van pensioenhervormingen dat is ingevoerd door de regering Sarkozy. President Hollande heeft dit beleid in 2012 deels weer teruggedraaid, waardoor een deel van de ouderen in Frankrijk op 60-jarige leeftijd alsnog met vervroegd pensioen kan.

Landen als Griekenland en Spanje hebben weliswaar hervormingen aangekondigd, maar dit heeft in onze analyse niet geresulteerd in een versnelling van de arbeidsparticipatie van ouderen. Zo heeft Griekenland de officiële pensioensleeftijd eerder al verhoogd naar 67 jaar, maar het liet vervolgens regelingen die vervroegd pensioen mogelijk maakten ongemoeid, waardoor ouderen een ‘ontsnappingsroute’ hebben om zich op relatief jonge leeftijd van de arbeidsmarkt terug te trekken.

Dan zijn er ook nog landen, zoals België en Oostenrijk, die pas heel laat met hervormingen komen of zelfs helemaal niets doen. Dit terwijl ook in deze twee landen de noodzaak hoog is om serieus beleid te voeren dat langer doorwerken bevordert.

Het belang van een actieve populatie ouderen in Europa mag niet worden onderschat. De Europese Commissie hamert vooral op het belang van ouderenparticipatie om de collectieve uitgaven aan pensioenen en zorg betaalbaar te houden.

Maar het belang van een hogere ouderenparticipatie strekt zich veel verder uit dan alleen de budgettaire houdbaarheid. In de Europese Monetaire Unie (EMU) in zijn huidige vorm kunnen verschillen in concurrentiekracht tussen lidstaten op korte termijn alleen worden opgelost door budgettaire transfers. Andere aanpassingsmechanismen, zoals arbeidsmobiliteit en flexibiliteit in lonen en prijzen, functioneren nog niet zoals ze in een optimaal valutagebied zouden moeten.

Aanpassingen via bijvoorbeeld een hogere arbeidsmobiliteit zullen door culturele en taalbarrières nooit zo soepel verlopen als dat in bijvoorbeeld de Verenigde Staten gebeurt.

Budgettaire solidariteit met perifere gebieden hoeft bij burgers overigens niet direct enorme weerstand op te roepen. Op nationaal niveau worden ook sommen geld overgeheveld van bijvoorbeeld het rijke Beieren naar Saksen, van de Randstad naar Zuid-Limburg en van Lombardije naar Calabrië. Er ontstaat vooral weerstand wanneer de economische spelregels voor burgers in verschillende landen uit de pas lopen.

Helaas is daar op dit moment nog te vaak sprake van.

Delen:
Auteur(s)
Hugo Erken
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2223 1650
Theo Smid
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven