RaboResearch - Economisch Onderzoek

Social enterprises: hip, hype of houdbaar?

Special

Delen:
  • De behoefte aan ondernemingen die vooral streven naar een bijdrage aan maatschappelijke uitdagingen in plaats van alleen winstmaximalisatie lijkt toe te nemen
  • De terugtredende overheid is daarvan één van de oorzaken
  • Daarbij blijft de afbakening tussen social enterprises ten opzichte van ‘gewone’ ondernemingen lastig
  • De vraag is echter of dat een probleem is: steeds meer ondernemers zullen kiezen voor meervoudige waardecreatie en het zijn van een social enterprise: het is daarmee de opvolger van MVO. Eerst een luxe, toen een noodzaak, nu meestal een randvoorwaarde.
  • Een van de grootste uitdagingen voor maatschappelijke ondernemingen is de financiering. Social Impact Bonds zijn een goed voorbeeld van hoe dit op een innovatieve manier geregeld kan worden

‘Social enterprises’ staan de laatste tijd steeds meer in de belangstelling. De primaire doelstelling van dit soort ondernemingen[1] is bijdragen aan de oplossing van een maatschappelijk probleem. Maar wat onderscheidt deze ondernemingen nu van ‘gewone’ ondernemingen en ondernemers? En waar richten sociale ondernemingen zich in Nederland zoal op? En is dit nu relevanter dan voorheen? En als maatschappelijk ondernemen nu relevanter is, hoe kunnen deze social enterprises dan verder worden gestimuleerd?

Wat is een social enterprise?

Eigenlijk is de hele discussie over social enterprises economisch gezien een vrij moeizame. Eerst en vooral hebben alle ondernemingen een maatschappelijk doel. Als er geen vraag is vanuit de samenleving naar een bepaald product of bepaalde dienst, dan zal de onderneming immers ook geen duurzaam bedrijfs- en verdienmodel hebben. Zoals managementgoeroe Peter Drucker in de jaren zestig al aangaf:

If we want to know what a business is, we have to start with its purpose. And the purpose must lie outside of the business itself. In fact, it must lie in society, since a business enterprise is an organ of society (Drucker, 1954).

Als je tal van definities van maatschappelijke ondernemingen naast elkaar legt, zit het onderscheid vooral in welk belang centraal wordt gesteld: als het maatschappelijke doel voorop staat en niet de financiële doelstelling van de onderneming, dan heeft men het over een social enterprise.

Daarmee is de discussie vanuit economisch oogpunt nog niet geheel beslecht. Wanneer is het immers evident dat de primaire doelstelling een maatschappelijke is? Wat is het criterium hiervoor?

Er zijn tal van definities van social enterprises in omloop, waarbij deze per land en per tijdsperiode lijken te verschillen en te verschuiven (EC, 2014). Recent heeft de SER (2015) een soort compromis-werkdefinitie voorgesteld, die redelijk eenduidig is en aansluit bij de definitie die Social Enterprise.nl en de Europese Commissie sinds enige tijd propageren. Social enterprises zijn volgens de SER:

Zelfstandige ondernemingen die een product of dienst leveren en primair en expliciet een maatschappelijk doel nastreven, dat wil zeggen een maatschappelijk probleem willen oplossen.
Het gaat om ondernemingen die enerzijds economisch zelfstandig zijn en dus niet duurzaam volledig afhankelijk zijn van subsidies, schenkingen en donaties. Anderzijds zijn het organisatorisch zelfstandige ondernemingen die hun beleid onafhankelijk van de overheid of van ‘reguliere’ bedrijven kunnen voeren. Voor sociale ondernemingen staat de financiële doelstelling in dienst van het primaire maatschappelijke doel. Dit onderscheidt de sociale onderneming van andere ondernemingen (SER, 2015).

Bij een onderneming wordt expliciet uitgegaan van een bedrijf met meer dan één werknemer: zzp‘ers zijn hiervan dus uitgesloten. De Europese Commissie hanteert in haar definitie van sociale ondernemingen naast de SER-kenmerken (onderneming, maatschappelijk doel voorop en zelfstandigheid) twee andere elementen: een expliciete beperking van de mogelijkheid om winst uit te keren en expliciete eisen betreffende de wijze van bestuur en governance (participatie van stakeholders, democratisch bestuur).

Figuur 1: Social enterprises
Figuur 1: Social enterprisesBron: EC, Rabobank

De SER ziet deze twee elementen niet als noodzakelijke gezamenlijke kenmerken van sociale ondernemingen, alhoewel het te verwachten is dat de meeste sociale ondernemers deze elementen belangrijk vinden en toepassen. Uit enquêtes blijkt ook dat veel afhangt van de context waarin de ondernemers ondernemen: in veel gevallen vinden ze de bestuurlijke dimensie overbodig, omdat deze is verankerd in hun eigen normen en waarden.

In figuur 1 zijn de elementen die in de verschillende definities tot uiting komen nogmaals neergezet. Het overlappende gebied tussen de drie elementen is waar de EC haar definitie op baseert. De definitie van de SER zit vooral op de twee overlappende elementen.

Vanuit economisch perspectief is deze definitie ons inziens nog niet helemaal afdoende. Wat daar uiteindelijk aan zou moeten worden toegevoegd, is in welke mate die onderneming bijdraagt aan een maatschappelijk doel: die bijdrage moet dermate dominant zijn in het bedrijfsmodel, dat er daadwerkelijk een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met een ‘normaal’ bedrijf. Alleen primair en expliciet een maatschappelijk doel is uiteindelijk niet toetsbaar.

Randvoorwaardelijk moet hierbij ook worden toegevoegd dat dit niet ten koste mag gaan van andere maatschappelijke doelen. Dit lijkt wellicht een volstrekt overbodige opmerking, maar er zijn voorbeelden te verzinnen waarbij dit niet opgaat.

Het maatschappelijke doel, of de bijdrage aan het oplossen van de maatschappelijke uitdaging moet daarbij ook helder zijn gedefinieerd. Naast financiële waarden (en baten) kunnen de baten van een maatschappelijke onderneming op sociaal of ecologisch terrein liggen. Daarom zijn social enterprises per definitie bedrijven die zogenaamde meervoudige waarde creëren: naast financiële waarden ook andere maatschappelijk relevante opbrengsten (Jonker, 2014).

Dit sluit ook aan bij figuur 2. Elke ondernemer zal in meer of mindere mate maatschappelijke waarde creëren. Daar waar dit op een niet-marktgebaseerde manier gebeurt (links in het schema) is geen sprake van een maatschappelijke onderneming (niet duurzaam in economische zin). Daar waar primair de financiële waarden voorop staan (rechts in het schema) voldoen bedrijven niet aan het criterium dat er sprake is van primair een maatschappelijke doelstelling. De overgangen tussen die verschillende wijzen waarop ondernemingen waarde creëren is niet zo duidelijk af te grenzen. Het verschil tussen een bedrijf dat in alle opzichten maatschappelijk verantwoord opereert en een bedrijf dat dat niet doet is nog wel redelijk goed vast te stellen. Maar een MVO+-bedrijf versus een social enterprise niet altijd. In theorie wordt de maatschappelijke impact bij een MVO+-bedrijf randvoorwaardelijk meegenomen: de financiële doelstellingen staan voorop (SER, 2015). De vraag is of dat in de praktijk altijd helder is. Door in alle opzichten maatschappelijk verantwoord te ondernemen benutten bedrijven winstmaximerende mogelijkheden immers vaak expliciet niet.

Figuur 2: Het ondernemerscontinuüm
Figuur 2: Het ondernemerscontinuümBron: Social enterprise.nl, Rabobank

Waarom maatschappelijk ondernemen?

Het belang en de ontwikkeling van social enterprises kunnen niet los worden gezien van andere ontwikkelingen in de samenleving. Kort gezegd: hoe groter de maatschappelijke uitdagingen, hoe groter het speelveld voor maatschappelijke ondernemingen. In bijvoorbeeld Italië, waar begin jaren tachtig voor het eerst werd gesproken over social enterprises, blijkt bijvoorbeeld ook de ruimte voor en behoefte aan maatschappelijk ondernemen groot te zijn (EC, 2014).

De ruimte voor maatschappelijke ondernemingen ligt daar waar de markt niet automatisch de optimale oplossing voor die uitdaging biedt in de ogen van de bevolking. Daarbij kan het gaat om marktfalen, suboptimale individuele keuzes of verdelingsvraagstukken.

Marktfalen kan zich uiten in externe effecten van markthandelen (bijvoorbeeld milieuvervuiling bij productie), het niet kunnen voortbrengen van publieke goederen (bijvoorbeeld veiligheid, sociale zekerheid), te veel marktmacht (monopolies), incomplete markten en informatieasymmetrie.

Naast marktfalen kan het feit dat mensen in sommige gevallen een voor henzelf suboptimale keuze maken een reden zijn voor een maatschappelijke uitdaging. Denk daarbij aan het inrichten van de financiële levensloop, waarbij mensen de neiging hebben om te weinig te sparen voor hun oude dag. Of bijvoorbeeld aan eetgewoonten, waarbij mensen de neiging hebben te veel (of ongezond) te consumeren.

Een laatste ‘maatschappelijke ruimte’ betreft verdelingsvraagstukken. Een economisch efficiënte verdeling kan maatschappelijk en ook economisch op langere termijn niet gewenst worden geacht. Denk daarbij aan de inkomensverdeling, maar ook aan de toegang tot onderwijs of zorg.

Wie deze ruimte dan invult, is tijd- en plaatsafhankelijk. Figuur 3 helpt bij de gedachtenordening hierover. Waar met name de overheid de maatschappelijke ruimte jarenlang invulde -waarbij zij vooral collectief gefinancierde goederen en diensten aanbood- is sinds de jaren tachtig een deel van deze productie geprivatiseerd. Dit was voor een deel een reactie op een ander probleem: overheidsfalen. De overheid is in haar productie van goederen en diensten niet altijd doelmatig of doeltreffend, bijvoorbeeld door informatieasymmetrieën en/of politiek-bestuurlijke complexiteit. Om ervoor te zorgen dat de markt het politieke belang voortbrengt, stelt de overheid vaak criteria vast voor productie en blijft zij zelf vaak betrokken bij de private onderneming.

In andere gevallen is de overheid zelfs gestopt met het voortbrengen van collectieve goederen, en legt zij de verantwoordelijkheid expliciet neer in de gemeenschap. Van de lokale groenvoorziening tot de huidige decentralisaties naar gemeenten en de toenemende mantelzorg die zij van burgers vraagt.

Bij deze twee ontwikkelingen ligt het initiatief heel duidelijk bij de overheid: zij bepaalt wat zij afstoot, onder welke voorwaarden en vaak ook ingebed in de rest van de publieke dienstverlening. In de zin van de piramide van figuur 3 een duidelijke top-down benadering.

Figuur 3: Vermaatschappelijking van publieke belangen
Figuur 3: Vermaatschappelijking van publieke belangenBron: Van der Steen et al., 2013

De maatschappelijke ruimte kan ook van onderaf, bottom-up, worden ingevuld. In dat geval spreken Van der Steen et al. van een vermaatschappelijking van publieke belangen. In tegenstelling tot participatie en privatisering ligt het initiatief van dit soort activiteiten in de samenleving: bij ondernemers en burgers. Van zorgcoöperaties als antwoord op terugtredende zorg van de overheid tot ondernemers die vooral mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst nemen, zijn het allemaal initiatieven die voortkomen uit het feit dat burgers een oplossing willen bieden voor een maatschappelijk probleem.

De ruimte voor maatschappelijk ondernemen ontstaat dus deels door een terugtredende overheid. De overheid kan alleen niet sturen op maatschappelijke ondernemingen: het is per definitie een bottom-up proces. En daar zit op dit moment de moeilijkheid als het gaat om social enterprises. De overheid laat dingen los, maar kan niet afdwingen dat een ander (een ondernemer) dit oppakt. De waarborgen zoals bij privatisering zijn er niet.

Wel kan de overheid social enterprises faciliteren door een institutioneel kader. Dat maakt het gemakkelijker voor maatschappelijke ondernemingen om te opereren.

Het ‘waarom’ van maatschappelijk ondernemen ligt dus in de samenleving. Maar het begint uiteindelijk met de mensen die het doen. Mensen die hun eigen leefomgeving wil veranderen, een maatschappelijk probleem wil oplossen of mensen wil helpen, vaak vanuit een persoonlijke ervaring en motivatie. Dat is de basis van maatschappelijk ondernemen.

Social enterprises in Nederland

De kern van een social enterprise is dus dat zij op een economisch houdbare manier, dus met een zelfstandig businessmodel, meervoudige waarde tracht te creëren. Vaak wordt hier aan toegevoegd dat dit een innovatieve manier is om maatschappelijke uitdagingen met een duurzaam bedrijfsmodel te helpen oplossen (EC, 2014).

Er is nauwelijks een beeld te geven van de ontwikkeling van maatschappelijke ondernemingen in Nederland. Er zijn alleen enkele steekproeven en enquêtes, zodat de cijfers met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.

In Nederland waren er in 2009 met 1,5% van de bevolking in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig mensen actief binnen sociale ondernemingen (figuur 4). Dit is op basis van de definitie van de SER. Een ruimere definitie, waarbij ook non-profitorganisaties meetellen, komt voor alle landen uit op een hoger percentage, waarbij de rangorde nauwelijks wijzigt.

Figuur 4: Omvang maatschappelijke ondernemingen als % bevolking, 2009
Figuur 4: Omvang maatschappelijke ondernemingen als % bevolking, 2009Bron: Global Entrepreneurship Monitor, 2009
Figuur 5: Social enterprises als aandeel in totale bedrijvigheid
Figuur 5: Social enterprises als aandeel in totale bedrijvigheidBron: EC, 2014

Als aandeel in de totale bedrijvigheid (aantal rechtsvormen), komt dit percentage met gemiddeld 0,3% nog lager uit. De onzekerheid met betrekking tot deze schatting is groot (figuur 5). In totaal ging het in Nederland volgens de EC (2014) in 2013 om tussen de 2.400 en 6.400 maatschappelijke ondernemingen.

Op basis van een recent onderzoek naar sociale ondernemingen in de EU-lidstaten en in Zwitserland komt de Europese Commissie (2014) tot de volgende classificatie van maatschappelijke doelstellingen van sociale ondernemingen:

  • Sociale en economische integratie van achtergestelde en buitengesloten personen/doelgroepen (zoals re-integratie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt);
  • Sociale diensten van algemeen belang (zoals langdurige zorg voor ouderen en gehandicapten, onderwijs en kinderopvang, scholing, sociale huisvesting, gezondheidszorg);
  • Overige publieke diensten zoals openbaar vervoer of onderhoud van de openbare ruimte;
  • Milieuactiviteiten zoals reductie van emissies en afval of hernieuwbare energie;
  • Solidariteit met ontwikkelingslanden;
  • Versterking van democratie, burgerrechten en digitale participatie.
Figuur 6: Doelstellingen maatschappelijke ondernemingen in Nederland
Figuur 6: Doelstellingen maatschappelijke ondernemingen in NederlandBron: Social Enterprise Monitor 2013 en 2014

Uit enquêtes van Social Enterprise.nl ontstaat een soortgelijk beeld voor maatschappelijke ondernemingen in Nederland (figuur 6). Verhogen van de arbeidsparticipatie, solidariteit met ontwikkelingslanden en sociale cohesie zijn de top-drie. Daarachter is het beeld wat meer divers: 55% van de ondernemingen gaf in 2014 aan zich op meer doelen te richten. Te denken valt daarbij aan een bedrijf dat op milieuvriendelijkere wijze produceert en daarvoor mensen inzet met een achterstand tot de arbeidsmarkt.

Hype, hip maar ook houdbaar?

Op basis van bovenstaande is niet te zeggen hoe de ontwikkeling van maatschappelijk ondernemen in Nederland de afgelopen jaren is verlopen. Wel kunnen we constateren dat er meer aandacht lijkt te zijn voor maatschappelijk ondernemen, vooral vanuit de invalshoek van een overheid die de maatschappelijke uitdagingen in steeds mindere mate zelf van een antwoord kan voorzien. Dat geldt bij uitstek voor de gebieden waar sociale ondernemingen zich volgens de Social Enterprise Monitor op richten. De sociale zekerheid is de afgelopen jaren al behoorlijk ingekrompen. De werknemersregelingen op de arbeidsmarkt zijn in vergelijking met begin jaren tachtig aanmerkelijk versoberd (WW, WAO) en de re-integratiebudgetten beperkt. Ook de toegang tot voorzieningen zoals Wajong en bijstand zijn minder gemakkelijk geworden. Op het gebied van de zorg zullen de meeste mensen vooral voor de langdurige zorg steeds meer zelf moeten gaan regelen en financieren. De decentralisatie-operatie van overheidstaken (jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen) naar gemeenten zal in ieder geval leiden tot meer diversiteit en heterogeniteit in uitvoering tussen gemeenten.

Figuur 7: Ontwikkeling bruto collectieve uitgaven Nederlandse overheid
Figuur 7: Ontwikkeling bruto collectieve uitgaven Nederlandse overheidBron: CPB, bewerking Rabobank

De terugtredende overheid is echter nog niet op macroniveau in de cijfers terug te vinden. De bruto collectieve uitgaven van de overheid bedragen naar verwachting in 2015 immers nog steeds zo’n 45% van het Bruto Binnenlands Product. Dit is hoger dan in 2000, het jaar waarin de uitgavenstijging sinds begin jaren zeventig weer nagenoeg teniet was gedaan (figuur 7). De samenstelling van de overheidsuitgaven is in de hele periode wel significant veranderd. Een steeds groter deel van de bruto collectieve uitgaven gaat naar zorg (een stijging van 4%-BBP in de afgelopen vijftien jaar) en aan AOW (en een beetje aan werkloosheidsuitkeringen). Steeds minder geld gaat naar rente-uitgaven, het complex veiligheid, defensie en infrastructuur en openbaar bestuur. Dit onderliggende beeld strookt wel met het idee dat de overheid andere zaken aan het doen is, waardoor er meer maatschappelijke ruimte ontstaat en ook in de toekomst zal blijven ontstaan voor maatschappelijk ondernemen. 

Het succes van maatschappelijke ondernemingen hangt ook af van de mate waarin knelpunten in hun ondernemerschap kunnen worden opgelost. Voor Nederland gelden de volgende uitdagingen (SER, 2015):

  • Belemmeringen door wet- en regelgeving;
  • Knelpunten bij de financiering;
  • Beperkte herkenning en erkenning;
  • Knelpunten bij overheidsinkoop;
  • Knelpunten bij het meten van de impact.

Deze uitdagingen zullen we hier niet allemaal uitgebreid behandelen. We beperken ons tot het meten van impact en de knelpunten bij financiering, omdat deze in onze ogen het dichtst bij de onderneming en haar doel liggen en ook niet los van elkaar kunnen worden gezien. Een financier zal immers ook willen weten wat de mogelijke maatschappelijke impact is van waar hij met zijn financiering aan bijdraagt. Daarmee is het meten van de impact van de onderneming niet alleen een gezamenlijke verantwoordelijkheid (SIIT, 2014), maar vooral een gezamenlijk belang. De andere knelpunten verwijzen veel meer naar de rol van de overheid.

Meten van impact
Op dit moment is er geen eenduidige manier om de impact van social enterprises op de door hun benoemde doelen te meten. Wel geeft twee derde van de Nederlandse maatschappelijke ondernemingen aan hiermee bezig te zijn, maar slechts weinigen doen dat op een geavanceerde manier, zoals via maatschappelijke kosten-batenanalyses of de berekening van een Social Return On Investment (SROI). De meesten maken gebruik van verhalen.

Deze uitdagingen voor wat betreft het meten kwamen recent ook aan de orde in een rapport van de Social Impact Investment Taskgroup. Zij identificeren vier langetermijndoelen om het meten van impact beter te verankeren (figuur 8). Dat begint met het gezamenlijk omarmen van het belang van het meten van impact. Voor een investeerder is dit vaak essentieel, zeker bij professionele partijen, om duidelijk te maken wat het maatschappelijke rendement is. Maar het helpt maatschappelijke ondernemingen ook hun verhaal te vertellen.

Figuur 8: Ontwikkeling van het meten van impact
Figuur 8: Ontwikkeling van het meten van impactBron: Social Impact Investment Taskforce, 2014

Vervolgens dienen best practices en richtlijnen te worden vastgesteld (toepassen), die ertoe kunnen leiden dat eenieder met eenzelfde taal en data-infrastructuur aan het werk gaat (regelen). In zo’n pioniersstadium is het essentieel dat deze cirkel en paar keer wordt doorlopen (ontwikkelen). De resulterende indicatoren dienen aan een aantal eisen te voldoen (buitenste rand). Deze moeten voldoende informatief zijn (zodat investeerders er ook een beslissing op kunnen baseren), betrouwbaar, goed onderling vergelijkbaar, additionele informatie bieden over de bijdrage aan maatschappelijke uitdagingen en universeel zijn (dus niet sectorspecifiek). Voorgaande opsomming geeft ook goed aan wat op dit moment de grootste uitdagingen zijn. 

De financiering van social enterprises
De financiering van social enterprises blijkt in Nederland nog vaak lastig. Dit komt door een combinatie van een aantal factoren, die niet alleen afhankelijk zijn van het maatschappelijke doel van deze ondernemingen. Zo lijken de succes- en faalfactoren van maatschappelijke ondernemingen verrassend veel op die van ‘gewoon’ ondernemen (Labyrinth, 2013):

  • Ondernemerschap: Een belangrijke succesfactor is een goede en ervaren ondernemer aan het roer die niet alleen oog heeft voor het sociale aspect maar ook het verdienmodel
  • Meerjarige ervaring met de bedrijfsactiviteiten met het daarbij horende lerende vermogen
  • Onderling vertrouwen. Partijen zijn aan het experimenteren, niet alles is te voorzien. In probleemsituaties of onverwachte gebeurtenissen moeten partijen flexibel zijn en eruit willen komen.

Dus net als bij ‘normale’ financieringen is een onderneming met de juiste vaardigheden en een goed bedrijfsplan en verdienmodel essentieel. Maar dit is niet het hele verhaal.

Eerst en vooral betreft het vaak ondernemers met innovatieve ideeën, waarbij de levensvatbaarheid van het verdienmodel nog niet vaststaat. Voor alle ondernemers met dit soort ideeën kan financiering dan lastig zijn in Nederland, zeker in het MKB. Wel stijgt het aantal opties, onder andere door crowdfunding en kredietunies (Treur en Smid, 2015).

Ten tweede is het verdienmodel voor maatschappelijke ondernemingen vaak lastiger. Doordat de maatschappelijke ambities expliciet voorgaan, betekent dit dat concessies worden gedaan aan financiële waarden. Financiers moeten (dus) vaak rekening houden met een lager rendement dan een vergelijkbaar bedrijf in dezelfde sector. Als terzelfdertijd het maatschappelijk rendement niet of slecht gemeten wordt, is het voor financiers lastig in te stappen.

De oplossing voor deze financieringsvraagstukken is niet (alleen) het kijken naar de subsidiegevers voor financiering. Immers, maatschappelijke ondernemingen moeten in belangrijke mate zichzelf kunnen ‘bedruipen’. In de opstartfase van het bedrijf is echter wel vaak sprake van subsidies of donaties.[2] In de meeste gevallen is de bedoeling dat die afhankelijkheid in de loop van de tijd afneemt. Echter, als het niet lukt om op een andere manier financiering te krijgen, is dit in lang niet alle gevallen mogelijk.

De Social Impact Bond (SIB) is een mooi innovatief voorbeeld van hoe een publiek-private financiering tot stand kan worden gebracht (Lunes et al, 2013). Het primaire doel van een SIB is investeerders, banken, overheden en sociaal ondernemers te verbinden aan een maatschappelijke doelstelling, bijvoorbeeld de preventieve aanpak van sociale problemen van burgers. Op basis van een onderliggend prestatiecontract, worden kostenbesparingen voor de publieke sector gerealiseerd die (gedeeltelijk) in een later stadium worden uitbetaald aan de betrokken partijen. In Nederland zijn tot nu toe twee SIB’s afgesloten.

Conclusie

Feit is dat er veel meer behoefte ontstaat aan maatschappelijke ondernemingen. Ook is er meer ruimte voor. Bijvoorbeeld als deeloplossing voor een terugtredende overheid, die zich steeds meer bewust is van haar andere rol, en daarin minder sturend maar meer faciliterend gaat optreden. Dat is de maatschappelijke ruimte die steeds groter wordt.

De behoefte begint vaak bij een individuele ondernemer (social entrepreneur) die zijn eigen leefomgeving wil veranderen, een maatschappelijk probleem wil oplossen of mensen wil helpen.

Maar het gaat verder dan dat. Het gehele bedrijfsleven heeft de afgelopen decennia een transformatie doorgemaakt van bedrijven die enkel en alleen gericht waren op financiële waarden naar een bedrijfsleven dat, in ieder geval randvoorwaardelijk, maatschappelijke effecten meeneemt. Dit MVO+-ondernemerschap is inmiddels meer kern- dan randverschijnsel.

Waarom zijn social enterprises dan nog een randverschijnsel? Een belangrijke voorwaarde daarbij is inzicht in de impact van dit soort ondernemingen. Enkel dan is het ook mogelijk andersoortig dan financieel rendement op een betrouwbare manier te financieren. Dit is veel belangrijker dan de vraag wat nou eigenlijk een maatschappelijke onderneming is.

Wanneer obstakels rond impactmeting en financiering kunnen worden weggenomen, praten we over tien jaar wellicht niet meer over maatschappelijke ondernemingen als aparte categorie, maar zijn social enterprises de norm geworden.

Voetnoten

[1] Zie bijvoorbeeld het recente SER-ontwerpadvies over Sociale Ondernemingen en de verwijzingen daarin (SER, 2015).

[2] Rabobank helpt maatschappelijke ondernemingen onder andere met de Rabobank Foundation. Deze initiatieven zijn vooral gericht op mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt weer actief te maken.

Literatuur

Drucker, P. (1954). The Practice of Management. New York: Harper & Brothers.

European Commission (2014). A map of social enterprises and their ecosystem in Europe. Brussel: European Commission.

Jonker, J. (2014). Nieuwe Business modellen: samen werken aan waardecreatie. Nijmegen: stichting OCF 2.0 en Academic Service.

Lunes, R., R. Frissen en F. Vermeer. Social Impact Bonds; Een verkenning naar de kansen van een innovatief financieringsarrangement. Ernst & Young.

SER (2015). Ontwerpadvies Sociale ondernemingen. Den Haag: SER.

Social Enterprise en McKinsey (2013), De Social Enterprise Monitor 2013. Een rapport over de Social Enterprise NL survey 2012. Amsterdam: Social Enterprise.

Social Enterprise en McKinsey (2014), De Social Enterprise Monitor 2014. Een rapport over de Social Enterprise NL survey 2013. Amsterdam: Social Enterprise.

Social Impact Investment Taskforce (2014). Measuring Impact: Subject Paper of the impact Measurement Working Group. September 2014.

Labyrinth onderzoek en advies (2013). Sociaal ondernemen: Passie en poen. Eindhoven: Start foundation en VSB fonds

Steen, M. van der, M. van Twist, N. Chin-A-Fat en T. Kwakkelstein (2013). Pop-up publieke waarde: Overheidssturing in de context van maatschappelijke zelforganisatie. Den Haag: NSOB.

Treur, L. en T. Smid. Alternatieve financiering voor het MKB: een update. Utrecht: Rabobank.

Colofon

Deze Special is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen landen: BE: België, CH: Zwitserland, DE: Duitsland, ES: Spanje, FI: Finland, FR: Frankrijk, GR/EL: Griekenland, GB: Groot Brittannië (UK), IS: IJsland, IT: Italië, NL: Nederland, NO: Noorwegen.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Auteur
Hans Stegeman, hoofd Speciale Projecten

RedactieEnrico Versteegh

Graphics: Reinier Meijer

ProductiecoördinatieChristel Frentz

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
088 726 7864

naar boven