RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Macro-economische ontwikkelingen in Europa

Themabericht

Delen:
  • We verwachten een geleidelijke versnelling van de economische groei in Europa, maar de economie is nog niet volledig hersteld van de financiële crisis en van de grote recessie
  • De fors verslechterde situatie in Griekenland, het conflict in Oost-Oekraïne en de instabiliteit in het Midden-Oosten en Noord-Afrika blijven een neerwaarts (staart-) risico vormen voor de vooruitzichten
  • De waardedaling van de euro heeft waarschijnlijk een matig positief effect op het exportsaldo
  • De lopende rekeningen van de meeste Europese landen zijn duidelijk verbeterd, maar er blijft wel twijfel bestaan over de bestendigheid van deze aanpassingen
  • De binnenlandse kredietgroei herstelt ongelijkmatig over het continent. Gedeeltelijk komt dit door het hogere aantal probleemkredieten in GIIPS-landen en in grote delen van Zuidoost-Europa

(PDF-versie van infographic)

De Europese economie is nog niet helemaal hersteld van de crisis

Door de wereldwijde financiële crisis en de daarop volgende eurocrisis is de economische groei in heel Europa afgezwakt. De hoogste BBP-groei wordt nog steeds verwacht in Turkije, de Centraal- en Oost-Europese landen, de Baltische staten en de Zuidoost-Europese landen[1]. Hierbij is vooral sprake van inhaalgroei. Per hoofd van de bevolking blijft de BBP-kloof tussen deze landen en de rijkere westelijke en noordelijke delen van Europa namelijk groot (figuur 1).

Figuur 1: Grote verschillen in Europa in BBP-groei en welvaart
Figuur 1: Grote verschillen in Europa in BBP-groei en welvaartBron: Macrobond (IMF WEO), Rabobank

Samen met de Zuid-Europese landen vormen de Zuidoost-Europese landen en de Baltische staten echter ook de economieën die tijdens de crisis de sterkste groeivertraging hebben doorgemaakt. Vóór de financiële crisis was er een grote toestroom van goedkoop kapitaal naar deze landen, met een oververhitting van de economie als gevolg. Ondanks de relatief goede groeivooruitzichten (naar Europese normen) blijven het proces van schuldafbouw en het verlies aan productieve investeringen sinds de financiële crisis de groei in deze regio's afremmen. Ook de arbeidsmarkt ondervindt een langdurig negatief effect van de crisis. In bijna alle Europese landen heeft de crisis tot een hogere werkloosheid geleid (figuur 2). De jeugdwerkloosheid is in heel Europa zelfs nog hoger (figuur 3). Vooral in Zuid-Europa en in delen van Zuidoost-Europa dreigt er een 'verloren generatie' te ontstaan. Hoe langer jongeren werkloos blijven, hoe slechter hun kans op de arbeidsmarkt als de economie eenmaal begint aan te trekken.

Figuur 2: Werkloosheid blijft hoog
Figuur 2: Werkloosheid blijft hoogBron: Macrobond (IMF WEO)
Figuur 3: Jeugdwerkloosheid het hoogst in delen van Zuidoost- en Zuid-Europa
Figuur 3: Jeugdwerkloosheid het hoogst in delen van Zuidoost- en Zuid-EuropaBron: Eurostat

We verwachten dat de Europese economie de weg naar herstel zal blijven volgen, met de binnenlandse vraag als belangrijke groeimotor. De hogere reële lonen zullen de koopkracht van huishoudens stimuleren. De nominale loonontwikkeling zal geleidelijk aantrekken door de langzaam verbeterende werkgelegenheid, en de inflatie neemt af dankzij de sterk dalende olieprijzen (figuur 4). Maar in landen met een hoge schuldenlast per huishouden of waar de economische situatie nog heel onzeker is, zullen huishoudens een groot deel van het extra inkomen waarschijnlijk opzij zetten of gebruiken om schulden af te lossen.

Figuur 4: Aanzienlijke daling olieprijs
Figuur 4: Aanzienlijke daling olieprijsBron: Macrobond

Naast de reële loonontwikkeling zouden de consumptie van huishoudens en de overheidsinvesteringen moeten profiteren van het matigende effect van de begrotingsconsolidatie in verschillende landen. De vooruitzichten voor de private beleggingen zijn echter nog minder positief. In vrijwel geheel Europa (met uitzondering van de Baltische staten) ligt de benuttingsgraad van kapitaal onder het gemiddelde van voor de crisis. Het valt te betwijfelen of het kwantitatieve verruimingsprogramma van de ECB en het investeringsplan van Juncker deze trend kunnen doorbreken. Ondertussen lijkt het effect van een duidelijk zwakkere euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar op het exportsaldo beperkt doordat de economie in de eurozone naar verhouding minder open is. Weliswaar zijn de afzonderlijke economieën in de lidstaten redelijk open, maar de meeste grensoverschrijdende handel blijft binnen de muntunie. Vanwege de betrekkelijk gesloten economische en monetaire integratie in het grootste deel van het continent is slechts een relatief klein deel van de export bestemd voor niet-Europese landen. Te midden van al deze trends komt de economische groei in de eurozone waarschijnlijk uit op ongeveer 1-2% in 2015/2016. De economische groei in het Verenigd Koninkrijk en Noord-Europa zal naar verwachting wat gaan toenemen. Maar in het licht van het aanzienlijke inhaalpotentieel van 2-4% zal de economische groei in Turkije en delen van Centraal- en Oost-Europa toch het sterkst zijn. De situatie in Griekenland, het conflict in Oost-Oekraïne en de politieke instabiliteit in het Midden-Oosten en Noord-Afrika blijven echter een neerwaarts risico vormen voor de vooruitzichten in de gehele regio.

Nog weinig economische schade van (geo-) politieke spanningen, maar de stemming kan omslaan

Het voorzichtige herstel in Europa valt samen met een periode van politieke spanningen in de eurozone en met gewelddadige conflicten aan de grenzen van het continent, in het bijzonder in Libië, Syrië en Oekraïne. De ontwikkelingen rondom Griekenland en de stagnerende structurele hervormingen in diverse eurolanden blijven de zorgen over de houdbaarheid van de muntunie voeden. Qua buitenlandse politiek zijn de bilaterale betrekkingen met Rusland duidelijk verslechterd door het conflict in Oekraïne. In de nasleep van de Arabische Lente blijft de politieke stabiliteit in grote delen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika bovendien op zijn best zwak te noemen, nu de regio worstelt met het Islamitische fundamentalisme. Maar deze conflicten hebben tot dusver nog geen uitgesproken negatief effect op het economische sentiment van het Europese continent (figuur 5). Dit sentiment kan echter snel omslaan bij een duidelijke escalatie van de conflicten, wat dan het door binnenlandse vraag gedreven economische herstel in de kiem kan smoren.

De onzekerheid rondom de Griekse crisis en het mogelijke besmettingsgevaar voor de andere zwakkere economieën in de eurozone drukken zwaar op de economische groei van het hele continent. Het directe effect van de twee externe bronnen van conflict blijft echter beperkt. Hoewel de export vanuit Europa naar Oekraïne en Ruslandgecombineerd een relatief groot volume vertegenwoordigen, maakt ze slechts respectievelijk 0,5 en 2,5% uit van de totale export (figuur 6). De verschillen in afhankelijkheid van de export naar Rusland en Oekraïne zijn groot over het hele continent, maar de export naar deze landen is toch voornamelijk geconcentreerd in een aantal kleine economieën in het noordoosten van Europa en de Balkan. Als je in aanmerking neemt dat wederuitvoer het leeuwendeel uitmaakt van de export van de Baltische staten naar Rusland en Oekraïne, zijn Finland, Servië en Polen het meest gevoelig voor een verslechtering van de handel met deze landen. Zelfs als de betrekkingen tussen de EU en Rusland gespannen blijven en de handel niet herstelt, zal het directe effect op de Europese economie daarom beperkt blijven. Ditzelfde geldt ook voor de talrijke conflicten in het Midden-Oosten en Afrika, waar vooral Turkije last van heeft. Maar aangezien dat land voornamelijk op de eurozone is gericht, vormt de teruglopende export naar landen als Irak en Syrië geen belangrijke bedreiging voor de Turkse groeivooruitzichten.

Figuur 5: Economisch sentiment
Figuur 5: Economisch sentimentBron: Macrobond
Figuur 6: Export naar Rusland
Figuur 6: Export naar RuslandBron: EIU, IMF DOTS

De handelsvoordelen van een zwakkere euro zijn ongelijk verdeeld

De waardedaling van de euro (figuur 7) als gevolg van het kwantitatieve verruimingsprogramma van de ECB heeft de komende jaren een positieve invloed op de groei van de netto handel in de eurozone. De prijsconcurrentiepositie van de Europese producenten verbetert en het wordt duurder om producten en diensten van buiten de eurozone te importeren. Ierland zal het meest profiteren van de lagere valutakoers, aangezien een groot deel van de Ierse export voor de VS en het Verenigd Koninkrijk is bestemd (figuur 8). De mogelijke gevolgen voor Zuid-Europa zijn echter minimaal. In vergelijking met de overige lidstaten in de eurozone is de export daar minder belangrijk voor de economie. Al met al is het dus af te vragen of de juiste landen kunnen profiteren van de kwantitatieve verruiming (Zuid-Europa heeft dit het hardst nodig) en of de negatieve invloed van de neveneffecten (de vorming van een zeepbel in de financiële markt ) niet zwaarder zal wegen dan de positieve impact (op inflatie, inflatieverwachtingen en groei). Ten slotte zal de exportgroei in Finland waarschijnlijk tegenvallen, aangezien de grootste exportpartner, Rusland, een diepe economische crisis doormaakt en het huidige invoerverbod voor Europese landbouwproducten wel eens zou kunnen worden verlengd.

Aan de andere kant kregen Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk juist met een waardestijging van hun respectievelijke valuta te maken. Vooral in Zwitserland kan het effect op de handel relatief heftig zijn. De waarde van de CHF is namelijk sterk gestegen sinds de centrale bank de ondergrens onder de wisselkoers van de EUR/CHF abrupt heeft verwijderd. Voor de overige EU-landen die niet tot de eurozone behoren, is het effect van het kwantitatieve verruimingsbeleid van de ECB tweeledig. Aan de ene kant zullen zij waarschijnlijk profiteren van de verwachte aantrekkende groei in de eurozone, hun belangrijkste handelspartner. Dit geldt dan vooral voor de Centraal- en Oost-Europese landen die veel halffabricaten produceren voor de Duitse industriële sector. Aan de andere kant kunnen hun wisselkoersen ten opzichte van de euro gaan stijgen. Dit zou nadelig zijn voor hun prijsconcurrentiekracht, en de lagere importprijzen kunnen een deflatoire druk veroorzaken. Om deze koersstijging te voorkomen, moeten de afzonderlijke centrale banken het monetaire beleid verder versoepelen. Dit heeft al tot een negatieve beleidsrente geleid in bijvoorbeeld Denemarken, Zwitserland en Zweden.

Figuur 7: QE resulteert in een waardedaling van de euro (en de gekoppelde valuta)
Figuur 7: QE resulteert in een waardedaling van de euro (en de gekoppelde valuta)Bron: Macrobond
Figuur 8: Handelspartners van de landen in de eurozone
Figuur 8: Handelspartners van de landen in de eurozoneBron: OESO TiVA database

Externe onevenwichtigheden nemen af

Ten opzichte van de situatie van voor de crisis zijn de lopende rekeningen van de meeste Europese landen flink verbeterd (figuur 9). Dit is deels toe te schrijven aan een verbetering van de prijsconcurrentiekracht. De lopende rekening van de eurozone raakte evenwel meer uit balans, omdat het evenwichtsherstel tussen de lidstaten asymmetrisch is verlopen. Tekortlanden hebben de grootste correcties doorgevoerd, waardoor de lopende rekening van de eurozone nog hogere positieve waardes heeft aangenomen. In landen met een groot overschot op de lopende rekening, zoals Duitsland en Nederland, kwam er echter geen neerwaartse aanpassing. Dit is een teken van een (te) zwakke binnenlandse vraag in deze landen.

In landen met een stevige economische recessie was een fors deel van de correctie van de lopende rekening toe te schrijven aan een krimp van de import. Dit was vooral het geval in Griekenland, Cyprus en Montenegro (figuur 10). Als het herstel in deze economieën eenmaal inzet, dan zal ook de import weer gaan toenemen. Daarom is het twijfelachtig of de correcties van de lopende rekening stand zullen houden. Aan de andere kant is het positief dat in dezelfde groep landen -met name in IJsland, maar ook in Portugal, Spanje en Kroatië- de export behoorlijk is toegenomen. Als je de exportgroei als indicator voor de concurrentiekracht beschouwt, hebben met name de Baltische staten een opmerkelijke verbetering laten zien.

Figuur 9: De lopende rekening is in de meeste Europese landen verbeterd
Figuur 9: De lopende rekening is in de meeste Europese landen verbeterdBron: Macrobond (EC Ameco), Rabobank
Figuur 10: Groei export versus krimp import
Figuur 10: Groei export versus krimp importBron: Macrobond (EC Ameco), Rabobank

Grote probleemkredieten drukken de kredietverlening in verschillende landen

Vooral in de Zuidoost-Europese en Zuid-Europese landen, de Baltische staten en Ierland zijn de probleemkredieten een veel groter deel van de totaal uitstaande leningen uit gaan maken (de NPL-ratio) tijdens de crisisjaren (figuur 11). Dit is meestal het gevolg van een diepe economische crisis, een zwak juridisch kader en/of een (te) snelle binnenlandse kredietgroei vóór de crisis (figuur 12). Met deze kredieten zijn vaak woninginvesteringen gefinancierd waarvan de waarde tijdens de crisis is gedaald. De economische pijn van de verliezen op deze leningen hebben de nationale grenzen echter overstegen. Zo domineren de Griekse en Oostenrijkse banken het bankensysteem in Zuidoost-Europa. In Midden- en Oost-Europa zijn banken uit de grotere landen in de eurozone actief, terwijl een groot deel van het Baltische bankensysteem in handen is van Noord-Europese banken. Het huidige klimaat van geringe groei en hoge werkloosheid draagt niet bij aan een snelle verbetering van de NPL-ratio in de Zuidoost-Europese en Zuid-Europese landen. Ditzelfde geldt voor het vaak zwakke juridische kader waarbinnen de dubieuze leningen moeten worden afgewikkeld.

Voor de toekomst verwachten wij geen snel herstel van de kredietgroei, vooral niet in Zuid- en Zuidoost-Europa (met uitzondering van Turkije). Zowel de vraag naar als het aanbod van kredieten blijft laag. De voortdurende inspanning om de schulden af te bouwen en de weliswaar verbeterende maar toch nog steeds zwakke investeringsverwachtingen drukken de vraag. De lage rentemarge voor banken en de strengere wettelijke vereisten waardoor de kredietkosten stijgen zullen het aanbod waarschijnlijk beperken.

Figuur 11: De NPL-ratio is sterk gestegen tijdens de crisis
Figuur 11: De NPL-ratio is sterk gestegen tijdens de crisisBron: Macrobond (IMF-indicatoren kredietwaardigheid)
Figuur 12: Vertraging van de binnenlandse kredietgroei
Figuur 12: Vertraging van de binnenlandse kredietgroeiBron: Macrobond

Voetnoot

[1] In deze studie worden de volgende regiobenamingen gebruikt: Noord-Europa (Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden), West-Europa (Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Zwitserland), Zuid-Europa (Cyprus, Griekenland, Italië, Malta, Portugal, Slovenië, Spanje), de Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen), Centraal- en Oost-Europa (Tsjechië, Hongarije, Polen, Slowakije), Zuidoost-Europa (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Kosovo, Macedonië, Moldavië, Montenegro, Roemenië, Servië) en Turkije.

Colofon

Deze studie is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: AMECO: Annual Macro-Economic Database, BIS: Bank for International Settlements, DOTS: Directions of Trade Statistics, EC: European Commission, ECB: European Central Bank, OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development, EIU: Economist Intelligence Unit, IMF: Internationaal Monetair Fonds, WEO: World Economic Outlook, UN: Verenigde Naties

Gebruikte afkortingen landen: AL: Albanië, AT: Oostenrijk, BE: België, BG: Bulgarije, BA: Bosnië Herzegovina, CH: Zwitserland, CY: Cyprus, CZ: Tsjechië, DE: Duitsland, DK: Denemarken, EE: Estland, ES: Spanje, FI: Finland, GB: Groot Brittannië (UK), GR/EL: Griekenland, IE: Ierland, HR: Kroatië, IS: IJsland, HU: Hongarije, IT: Italië, LU:Luxemburg LV: Letland, LT: Litouwen, MD: Moldavië, ME: Montenegro, MK: Macedonië, MT: Malta, NL: Nederland, NO: Noorwegen, PL: Polen, PT: Portugal, RO: Roemenië, RS: Servië, SI: Slovenië, SK: Slowakije, TR/TK: Turkije, XK: Kosovo, SE: Zweden, EA17: Euro regio-17, EU27: Europese Unie.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Eindredactie
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek

RedactieEnrico Versteegh

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Productiecoördinatie: Maartje Wijffelaars en Christel Frentz

Delen:
Auteur(s)
Marcel Weernink
Rabobank KEO
030 21 62666
Fabian Briegel
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 64053

naar boven