RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

De Europese (publieke) schuldenproblematiek

Themabericht

Delen:
  • In een groot aantal Europese landen zijn de private en de publieke schuld hoog
  • De staatsschuldproblematiek lijkt het grootst in Zuid-Europese landen, Kroatië en Hongarije
  • De staatsschuldproblematiek is het kleinst in de Baltische staten en Noord-Europa. Al kampt Finland wel met een grote schuldhoudbaarheidsuitdaging en IJsland met schuldbetaalbaarheidsrisico’s
  • In West-Europese landen vormen schuldfinancierbaarheid en betaalbaarheid nauwelijks een risico (alleen Ierland scoort erg zwak op betaalbaarheid). De uitdagingen met betrekking tot de houdbaarheid van de staatsschuld zijn groter, zeker in België, het VK en Ierland, maar ook in Frankrijk
    Infographic

Totale schuldenlast

In een groot aantal Europese landen zijn de private schuld en de staatsschuld hoog (figuur 1). De meeste landen in de eurozone en het Verenigd Koninkrijk overschrijden de door de Europese Commissie (EC) gestelde norm waarbij de staatsschuld maximaal 60% van het BBP mag bedragen (figuur 1 en 2). Bovendien laten de meeste landen op basis van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden bij de EC een alarm afgaan doordat de totale private schuld meer dan 130% van het BBP bedraagt. Noord-Europa, Zwitserland en Luxemburg voldoen aan de norm voor de staatsschuld maar niet aan die voor de private schuld. De Baltische staten, de Centraal- en Oost-Europese landen (met uitzondering van Hongarije) en de Zuidoost-Europese landen (met uitzondering van Kroatië) houden zich aan de norm voor de staatsschuld en de private schuld.[1]

We zullen in dit stuk eerst kort bespreken waarom het schuldniveau belangrijk is voor de economische prestaties van landen. Vervolgens zoomen we in op de staatsschuld en op het risico dat landen niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. In dit artikel maken we geen uitgebreide analyse van de private schuld. Dat is een onderwerp waar we later uitgebreid aandacht aan zullen besteden.

De risico's voor de economische groei

Een hoge bruto schuld is meestal slecht voor de economische groei en kan leiden tot een financiële crisis (Bornhorst en Arranz, 2014).

Met de schuldenlast neemt meestal ook de financieringsbehoefte toe, waardoor kredietnemers minder goed in staat zijn schokken op te vangen en hun (vermeende) kredietwaardigheid onder druk komt te staan. Een hoog schuldniveau valt daarom meestal samen met hogere rentebetalingen, wat ten koste kan gaan van de consumptie- en investeringsuitgaven. De herfinanciering en aflossing van schuld kan duur en moeilijk worden, wat opnieuw de kredietwaardigheid van kredietnemers verlaagt.

Bovendien komt na een sterke groei van (vooral private) schuld vaak een (financiële) crisis, met een soms langdurig negatief effect op de economische groei en de werkgelegenheid. Wanneer de crisis weer voorbij is, versterken huishoudens, bedrijven en overheden met een (hoge) schuldenlast hun balans door schulden af te bouwen. Hierdoor ontstaat een negatieve spiraal van afnemende vraag en verminderde economische groei en werkgelegenheid die de economische achteruitgang verergert of verlengt. In een dergelijk scenario zijn overheden met een hoge schuldenlast minder goed in staat om de economie te ondersteunen.

Figuur 1: Private schuld en staatsschuld in Europa
Figuur 1: Private schuld en staatsschuld in EuropaBron: Macrobond, IMF, Eurostat, BIS

* Maximaal toegestane staatsschuld conform Europese begrotingsrichtlijnen: 60% van het BBP
** Maximaal toegestane private schuld conform procedure macro-economische onevenwichtigheden: 130% van het BBP
Geconsolideerde private schuld, behalve voor het VK, Noorwegen, Zwitserland en Turkije

 

Activa beperken het solvabiliteits- en liquiditeitsrisico

Naast schulden worden ook activa aangehouden. Met activa kunnen de risico's van hoge schuldratio's (althans in theorie) worden beperkt, aangezien kredietnemers activa kunnen verkopen om hun schuld af te lossen[2]. Op basis van de bruto schuld kan het solvabiliteitsrisico te hoog worden geschat. Dit is vooral relevant voor de staatsschuld in Finland en de private schuld in Nederland en Denemarken (figuur 2). Aan de andere kant kan op basis van de netto schuld het solvabiliteitsrisico worden onderschat, aangezien activa en schulden in handen kunnen zijn van verschillende huishoudens en bedrijven.

Figuur 2: Netto financieel vermogen verandert het beeld
Figuur 2: Netto financieel vermogen verandert het beeldBron: Macrobond, Eurostat
Figuur 3: Hoge staatsschuld, weinig liquide activa
Figuur 3: Hoge staatsschuld, weinig liquide activaBron: Macrobond

Op basis van de netto schuld wordt het liquiditeitsrisico mogelijk nog meer onderschat. De meeste activa zijn illiquide, vooral overheidsactiva ( figuur 3). Snel activa verkopen kan in een stress-scenario onmogelijk blijken of leiden tot een lagere gerealiseerde waarde. Bovendien kan de verkoop van overheidsactiva politiek moeilijk liggen, vooral wanneer het gaat om staatsbedrijven.

De problematiek rond de staatsschuld in Europa

Wanneer we inzoomen op de problematiek rond de staatsschuld in Europa, dan kunnen we in het algemeen de volgende drie, onderling verbonden, criteria onderscheiden:

  • schuldfinancierbaarheid: de beschikbaarheid van redelijk geprijsde financiering voor huidige en toekomstige financieringsbehoeften;
  • schuldbetaalbaarheid: in hoeverre kan een overheid voldoen aan huidige en toekomstige betalingsverplichtingen zonder dat zij maatregelen moet nemen die de groei, de welvaart of de kwaliteit van de overheidstaken schaden;
  • schuldhoudbaarheid: het gemak waarmee een overheid de schuld op het bestaande niveau kan stabiliseren of, indien nodig, op termijn kan afbouwen.

Wanneer overheden onvoldoende aan bovengenoemde criteria voldoen, wordt het risico groter dat landen niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen, terwijl noodzakelijke aanpassingen om dergelijke risico's te beperken met bezuinigingsmaatregelen hun weerslag hebben op de economie.

Over het algemeen kunnen we zeggen dat de schuldproblematiek op korte en middellange termijn zich vooral voordoet in Zuid-Europese landen en in Kroatië en Hongarije. Door het kwantitatieve verruimingsprogramma van de ECB zijn de (herfinancierings- en
betaalbaarheids-)risico's in Zuid-Europa echter aanzienlijk afgenomen. De schuldproblematiek is het geringst in de Baltische staten en Noord-Europa, hoewel Finland kampt met een aanzienlijk houdbaarheidsrisico en IJsland met een betaalbaarheidsrisico. Centraal- en Oost-Europese landen presteren ook relatief goed, met uitzondering van Hongarije waar schuldfinanciering en -betaalbaarheid problematisch zijn. De Zuidoost-Europese landen laten een gemêleerd beeld zien. Voor sommige landen, zoals Bulgarije en Roemenië, zijn de risico's relatief gering; voor andere, zoals Kroatië, juist hoog. Servië en Albanië scoren ook minder goed. In West-Europese landen zijn de risico’s ten aanzien van de financiering en betaalbaarheid van schulden relatief beperkt (alleen Ierland staat voor betaalbaarheidsuitdagingen). De uitdagingen rond de houdbaarheid van schulden zijn groter, vooral in België, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, maar ook in Frankrijk.

De schuldfinancierbaarheid

De schuldfinancierbaarheid is onder andere af te lezen uit:

  • de omvang van de staatsschuld: hoge schuld zorgt voor een grotere financieringsbehoefte en meestal ook hogere financieringskosten (figuur 3);
  • het aandeel van de buitenlandse schuld: wellicht moeilijker te herfinancieren omdat buitenlandse beleggers minder gebonden zouden kunnen zijn. Ook kunnen schokbewegingen en onzekerheid op de wereldwijde financiële markten de toegang tot buitenlandse financiering verkleinen (figuur 4);
  • het aandeel van de schulden in vreemde valuta: brengt valutarisico met zich mee waardoor terugbetaling van de schuld moeilijker kan worden en de herfinanciering duurder (figuur 5);
  • de financieringsbehoefte op korte termijn, dat wil zeggen aflopende schulden in combinatie met het begrotingstekort, en de kosten waartegen deze kunnen worden geherfinancierd: hoe groter de behoefte en hoe hoger de staatsrente, des te groter is het liquiditeitsrisico en des te geringer is de mogelijkheid tot schuldfinanciering (figuur 6);
  • liquide financiële activa: kunnen direct worden gebruikt voor de terugbetaling van schulden, waardoor het liquiditeitsrisico afneemt (figuur 7).

Bruto staatsschuld
Statistieken over de bruto staatsschuld geven aan dat het herfinancieringsrisico het grootst is in de meeste landen van de eurozone en het Verenigd Koninkrijk, en het laagst in de Baltische staten, Noord-Europa (met uitzondering van IJsland) en verschillende Zuidoost-Europese landen.

Buitenlandse staatsschuld
Het aandeel van de buitenlandse schuld is het grootst voor landen die tijdens de crisis financiële steun nodig hadden (Griekenland, Ierland, Portugal en Cyprus), maar ook voor België, Oostenrijk en Frankrijk (figuur 4). De lange looptijd beperkt de risico's die zijn verbonden aan de grote buitenlandse schulden van deze landen aanzienlijk. En in Griekenland, Portugal en Ierland beperkt ook het feit dat de staatsschuld grotendeels in handen is van buitenlandse officiële instanties de risico’s. Dit laatste aangezien deze instanties meer gebonden zouden zijn. 

Staatsschuld in vreemde valuta
Voor de meeste eurolanden en voor het Verenigd Koninkrijk zijn de schulden vrijwel allemaal in de nationale munteenheid uitgedrukt (figuur 5). De schuld in vreemde valuta van Litouwen als percentage van het BBP is echter vrij groot, en dit geldt in zekere mate ook voor Ierland en Portugal. Kroatië, Hongarije, Roemenië en Litouwen zijn het meest gevoelig voor valutarisico's.

Figuur 4: Risico's rond grote buitenlandse schulden zijn beperkt
Figuur 4: Risico's rond grote buitenlandse schulden zijn beperktBron: Macrobond, ECB, Rabobank, IMF
Geen gegevens beschikbaar over schulden bij buitenlandse instanties van CY, HU, LT, SK, RS, LV, XK, PL, AL, RO, MK, MD, MT, TR, LU, BG, EE
Figuur 5: Weinig landen lopen valutarisico
Figuur 5: Weinig landen lopen valutarisicoBron: Eurostat, Wereldbank, ECB, IMF

Financiering op korte termijn en liquiditeitsrisico's
In 2015 is vooral in Italië de financieringsbehoefte van de overheid groot en dit geldt in iets mindere mate ook voor onder meer Spanje en Hongarije (figuur 6). In Zwitserland en IJsland is de financieringsbehoefte daarentegen zeer laag. De risico's verbonden aan een hoge financieringsbehoefte worden momenteel getemperd doordat het kwantitatieve verruimingsprogramma van de ECB de beschikbaarheid aan financiële middelen aanzienlijk vergroot (en de kosten verlaagt). De liquiditeit vloeit ook naar de markt voor staatsschulden van andere Europese landen. In feite is de rente alleen in Griekenland, Turkije en IJsland hoog. Onder de huidige omstandigheden zijn alleen Griekenland[3], Hongarije en Kroatië in 2015 kwetsbaar voor liquiditeitsrisico's. En dit beeld verandert niet wanneer we ook met liquide financiële activa rekening houden (figuur 3). 

Schuldbetaalbaarheid

Volgens ratingbureaus is een schuld betaalbaar wanneer de rentebetaling minder dan 10% van de totale overheidsinkomsten uitmaakt. Om de betaalbaarheid vast te stellen, moet echter ook worden gekeken naar het gemak waarmee overheden hun inkomsten kunnen verhogen of hun uitgaven kunnen verlagen. Als dit redelijk gemakkelijk lukt, dan is ook een hoger niveau aan rentebetalingen haalbaar. Momenteel is in Albanië, Portugal, Ierland en IJsland de betaalbaarheid van de schuld laag (figuur 7); in Italië is de situatie slechts marginaal beter. In Griekenland is de betaalbaarheid zwak ondanks dat de op de Trojka-leningen kunstmatig laag is. Dit komt door het hoge schuldniveau en de lage (belasting-)inkomsten van de overheid.

Figuur 6: Griekenland, Hongarije en Kroatië gevoeliger voor liquiditeitsrisico
Figuur 6: Griekenland, Hongarije en Kroatië gevoeliger voor liquiditeitsrisicoBron: IMF, Macrobond, TradingEconomics, ECB
*Datum is anders voor: Cyprus (31 Maart), Luxemburg, Malta, Slowakije (22 April)
Figuur 7: Grote verschillen in betaalbaarheid schuld
Figuur 7: Grote verschillen in betaalbaarheid schuldBron: Ameco, IMF, Rabobank

Schuldhoudbaarheid

Een staatsschuld is houdbaar zolang de betreffende overheid te allen tijde aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Op de korte termijn hangt dit mede af van de liquiditeitspositie van de overheid en op de middellange en lange termijn van de solvabiliteit. Op de korte termijn mag staatsschuld dus als houdbaar worden beschouwd zolang de overheid toegang tot de kapitaalmarkten heeft om aflopende schulden te herfinancieren.

Er wordt aan de solvabiliteitseis voldaan zolang het de verwachting is dat de overheid op de middellange en lange termijn de schuld kan blijven betalen en (her-)financieren. Bij de beoordeling daarvan en derhalve van de houdbaarheid van de schuld wordt gekeken of de overheid, binnen een bepaalde tijdsspanne of over een oneindige horizon, (i) haar schuldratio tot een bepaald niveau kan reduceren en/of (ii) deze op het huidige niveau kan stabiliseren.

Het is hoe dan ook gemakkelijker om schuld houdbaar te laten blijven als, onder andere, het begrotingstekort laag is en de nominale groei van het BBP hoog (zie bijlage 1 voor de opbouw van de staatsschuld als percentage van het BBP). Dit laatste vloeit voort uit het feit dat de inkomsten waaruit de schuld moet worden afgelost onder dergelijke omstandigheden toenemen, waardoor bezuinigingsmaatregelen niet nodig zijn. Het structurele begrotingssaldo[4] (tabel 1) geeft het te verwachte gemiddelde begrotingssaldo op de lange termijn weer (met de aanname dat het overheidsbeleid niet verandert). Voor de gemiddelde reële BBP-groei over een langere periode kijken we naar de potentiële volumegroei van het BBP. Aangezien aannames de einduitkomst sterk beïnvloeden, kijken we naar de verschillende houdbaarheidsmaatstaven van de EC en het IMF.

Zowel de EC als het IMF berekent de omvang van de bezuinigingsmaatregelen die nodig is om in 2030 een schuldratio van 60% van het BBP te bereiken (of 40% van het BBP voor opkomende economieën, in het geval van het IMF). Zie bijlage 3 voor meer details over de berekeningen. Hoe groter de benodigde begrotingsinspanning om dit te realiseren, des te lager is de houdbaarheid van de schuld op middellange termijn. De EC berekent daarnaast welke begrotingsinspanning nodig is om de huidige schuldratio voor onbeperkte tijd te stabiliseren (indicatie voor het houdbaarheidsrisico op lange termijn). In de berekeningen wordt zowel de budgettaire uitgangspositie als de (verwachte) toename van de vergrijzingsuitgaven meegenomen.

Tabel 1: Indicatoren schuldhoudbaarheid
Tabel 1: Indicatoren schuldhoudbaarheidBronMacrobond, AMECO, IMF, IMF (2014), EC (2014)
* Volgens de Europese Commissie is het houdbaarheidsrisico op middellange termijn:
(i) laag wanneer de vereiste begrotingsaanpassing lager is dan 0, (ii) gemiddeld als deze tussen 0 en 2,5 ligt en (iii) hoog wanneer deze groter is dan 2,5.
** Volgens de Europese Commissie is het houdbaarheidsrisico op lange termijn:
(i) laag wanneer de vereiste begrotingsaanpassing lager is dan 2, (ii) gemiddeld als deze tussen 2 en 6 ligt en (iii) hoog wanneer deze groter is dan 6.
De uitkomsten van de indicatoren van het IMF en de EC kunnen soms aanzienlijk van elkaar verschillen. De verschillen in uitkomst tussen de twee indicatoren zijn zowel toe te schrijven aan de verschillen in de berekening als aan de problematiek in de berekeningen (zie bijlage 3). Het is daarom zinvol om bij de beoordeling van de houdbaarheid van de staatsschuld op middellange termijn met beide indicatoren rekening te houden.

Over het algemeen presteren de Zuid- en West-Europese landen, Kroatië en Finland vrij zwak als het gaat om de schuldhoudbaarheid op middellange termijn, met uitzondering van Luxemburg, Duitsland en Zwitserland. Omvangrijke overheidsactiva beperken de risico’s mogelijk in Finland. België en het Verenigd Koninkrijk presteren het slechtst op schuldhoudbaarheid. De Baltische staten en Noord-Europa (met uitzondering van Finland) behoren tot de best presterende landen. In Noorwegen verzachten de hoge potentiële groei van het BBP en de extreem omvangrijke overheidsfondsen de potentiële risico’s die zijn verbonden aan het grote structurele tekort aanzienlijk. Ook in de Centraal- en Oost-Europese landen lijken de schuldhoudbaarheidsrisico's beperkt. De meeste Zuidoost-Europese en Centraal- en Oost-Europese landen plus Turkije hebben het voordeel dat de (potentiële) volumegroei van het BBP (relatief) hoog is (met uitzondering van Kroatië), terwijl de schuldratio nog redelijk laag is (met uitzondering van Albanië, Kroatië, Servië en Hongarije) en de sociale zekerheden in omvang beperkt zijn. De structurele tekorten in deze landen zijn echter eveneens hoog, waardoor de schuldratio's relatief snel kunnen stijgen wanneer de groei vertraagt en het begrotingsbeleid niet wordt aangepast.

De Europese Commissie beschouwt het schuldhoudbaarheidsrisico op lange termijn groot in België, Malta, Slovenië, Finland en Luxemburg[5]. Vooral de hoge, toekomstige vergrijzingsuitgaven zijn hier debet aan (zie voor meer informatie over vergrijzingsuitgaven het hoofdstuk over Demografische trends in Europa in deze publicatiereeks). De meeste Centraal- en Oost-Europese en Zuidoost-Europese landen presteren slechter op het gebied van schuldhoudbaarheid op lange termijn dan op middellange termijn, maar nergens zijn de risico's groot. Tegelijkertijd hebben Spanje, Portugal, Frankrijk en Italië te maken met lage schuldhoudbaarheidsrisico's op lange termijn evenals Hongarije, Letland en Estland. Dit is te danken aan gunstige of minder slechte ontwikkelingen in de vergrijzingsuitgaven.

Belangrijker is nog dat het voor een aantal landen moeilijk zal blijken om de houdbaarheidsrisico’s van de overheidsschuld te verminderen. Er zijn in het verleden vrijwel geen voorbeelden van landen die gedurende een lange periode in staat waren een groot begrotingsoverschot te handhaven, vooral niet in tijden van een lage nominale BBP-groei (IMF, 2013).

Voetnoten

[1] We hebben de volgende regio's samengesteld: Noord-Europa (Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden), West-Europa (Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Zwitserland), Zuid-Europa (Cyprus, Griekenland, Italië, Malta, Portugal, Slovenië, Spanje), de Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen), Centraal- en Oost-Europa (Tsjechië, Hongarije, Polen, Slowakije), Zuidoost-Europa (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Kosovo, Macedonië, Moldavië, Montenegro, Roemenië, Servië) en Turkije.

[2] Hoewel dit strikt genomen niet binnen de reikwijdte van deze publicatie valt, kan de aanwezigheid van een centrale bank die is gemachtigd om te fungeren als geldschieter in laatste instantie de risico's beperken die een hoog schuldniveau met zich meebrengt.

[3] Voor Griekenland hangt het liquiditeitsrisico af van de mate waarin het land de afspraken kan nakomen die met de Europese Commissie, de ECB en het IMF (de Trojka) zijn gemaakt in het kader van het lopende noodhulpprogramma. Wij gaan ervan uit dat Griekenland deze afspraken nakomt.

[4] Conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo + eenmalige uitgaven - eenmalige inkomsten. Zie ook bijlage 2.

[5] Dit betekent specifiek dat het moeilijk is voor Luxemburg om het niveau van de staatsschuld voor onbeperkte tijd op 24% van het BBP te houden. Daarnaast betekent een laag Italiaans houdbaarheidsrisico op lange termijn dat het land naar verwachting in staat is om het niveau van de staatsschuld voor onbeperkte tijd op 137% van het BBP te houden, mede dankzij dalende leeftijdsgebonden uitgaven in de komende jaren als gevolg van grote pensioenhervormingen in de afgelopen jaren.

Literatuur

Bornhorst, F. & Arranz, M.R. (2014). Jobs and Growth: Supporting the European Recovery. Hoofdstuk 2. Washington: IMF.

European Commission (2014). The 2014 Stability and Convergence Programmes: An Overview, European Economy. Occasional Papers, No. 199. Brussels: EC.

International Monetary Fund (2014). Fiscal Monitor - Back to Work: How Fiscal Policy Can Help. Washington: IMF.

International Monetary Fund (2013). Fiscal Monitor - Fiscal adjustment in an uncertain world. Washington: IMF.

Pescatori, A., Sandri, D. & Simon, J. (2014). Debt and Growth: Is There a Magic Threshold?. IMF Working Paper, No. 14/34. Washington: IMF.

Rabobank Special (2010), Demystifying the paths towards debt sustainability, bijlage 1, 1 mei 2010.

Bijlage 1: Schuldopbouw

De analyse van de houdbaarheid van de staatsschuld begint met het vaststellen van de factoren waaruit de staatsschuld is opgebouwd:

For

Dis hier de verhouding staatsschuld/BBP in jaar t en Dt-1 is de verhouding staatsschuld/BBP in de voorgaande periode. B­t is de verhouding van het begrotingssaldo van de overheid/BBP en SFis de verhouding stock flow adjustment/BBP. Stock flow adjustments (tekort/schuld-aanpassingen) bevatten de elementen die van invloed zijn op de verhouding staatsschuld/BBP maar geen invloed hebben op het begrotingssaldo (zoals mutaties in financiële verplichtingen, mutaties in reële activa als gevolg van privatisering, maar ook mutaties in de waarde van schuld in vreemde valuta als gevolg van valutakoersfluctuaties, evenals statistische verschillen).

De vergelijking (1.1 ) kan als volgt worden herschreven[6]:

xx

ris de impliciete (dat wil zeggen gemiddelde) nominale rente te betalen op de uitstaande schuldenlast; gis de nominale groei van het BBP en PBis de verhouding van het primaire begrotingssaldo/BBP (zie voor definities bijlage 2).

De vergelijking voor de mutatie in de verhouding staatsschuld/BBP (ΔDt) kan worden afgeleid uit de vergelijking (1.2):

xx

Derhalve is er een positieve relatie tussen de rente (rt) en de mutatie in de schuldratio en een negatieve relatie tussen de nominale groei van het BBP(gt) en de mutatie in de schuldratio.

Een lage nominale groei van het BBP als gevolg van een lage inflatie en/of lage volumegroei van het BBP maakt het dus lastiger om de staatsschuld te stabiliseren en af te bouwen. Een hoge nominale groei van het BBP maakt het voor een land juist mogelijk om uit de schulden te groeien. Dit betekent dat een overheid in staat kan zijn om de staatsschuld te stabiliseren of te verminderen zonder dat bezuinigingsmaatregelen nodig zijn.

Voetnoot
[6] Zie voor meer informatie: Kamalodin, S. (2010), Demystifying the paths towards debt sustainability, Bijlage 1, Rabobank, 1 mei 2010.

Bijlage 2: Veel gebruikte definities

Begrotingssaldo overheid:Totale overheidsinkomsten - totale overheidsuitgaven

Primair begrotingssaldo overheid:Begrotingssaldo overheid + netto rentebetalingen

Conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo overheid: Begrotingssaldo overheid gezuiverd voor de stand van de conjunctuur

Conjunctuurgezuiverde primaire begrotingssaldo overheid: Begrotingssaldo overheid gezuiverd voor de stand van de conjunctuur + netto rentebetalingen

Structureel begrotingssaldo overheid: Conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo overheid + eenmalige uitgaven - eenmalige inkomsten

Primair structureel begrotingssaldo overheid: Conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo overheid + netto rentebetalingen + eenmalige uitgaven - eenmalige inkomsten

Bijlage 3: Berekening vereiste begrotingsaanpassingen - verschillen tussen EC en IMF en de moeilijkheidsgraad

Europese Commissie

Houdbaarheidsrisico op middellange termijn - S1
De Europese Commissie berekent hoeveel het structurele primaire begrotingssaldo als percentage van het BBP (bijlage 2) op de korte termijn moet verbeteren om in 2030 een verhouding staatsschuld/BBP te realiseren van 60%. De uitkomst daarvan staat bekend als de S1-indicator. De in tabel 1 gerapporteerde S1-indicator geeft aan hoeveel het structurele primaire begrotingssaldo als percentage van het BBP moet verbeteren tussen 2015 en 2020.

Houdbaarheidsrisico op lange termijn - S2
Om de houdbaarheidsrisico's op lange termijn te definiëren, berekent de Europese Commissie hoeveel het huidige structurele primaire begrotingssaldo moet verbeteren om de schuldratio over een oneindige horizon op het huidige niveau te handhaven. De uitkomst daarvan staat bekend als de S2-indicator.

Berekeningsgrondslag
De berekeningen zijn gebaseerd op (i) prognoses voor de staatsschuld en het structurele primaire begrotingssaldo voor 2014 en 2015 in de Voorjaarsprognose 2014 van de EC, (ii) de toename tot 2030 (S1) en 2060 (S2) van de vergrijzingsuitgaven, zoals geschat in het Ageing report 2012 van de Europese Commissie. Het effect van de pensioenhervormingen in de periode tussen het Ageing report 2012 en de Voorjaarsprognose 2014 is eveneens meegenomen.

IMF

Vereiste begrotingsaanpassing om schulddoelstelling te behalen
In haar Fiscal Monitor van oktober 2014 berekent het IMF welke aanpassing er tussen 2014 en 2020 nodig is in het conjunctuurgezuiverde primaire begrotingssaldo (bijlage 2) om

  • de schuld in 2030 terug te brengen tot 60% van het BBP voor ontwikkelde economieën en tot 40% van het BBP voor opkomende economieën wanneer de bruto staatsschuld deze norm op dit moment overschrijdt, of om
  • de schuld te stabiliseren op het niveau van eind 2014 wanneer deze op dit moment onder deze norm ligt.

Berekeningsgrondslag
De berekeningen zijn gebaseerd op (i) de geschatte staatsschuld en het geschatte conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo voor 2014 in de IMF Fiscal Monitor van oktober 2014, en (ii) de toename tot 2030 van de vergrijzingsuitgaven zoals geraamd door Clements, Eich en Gupta (2014).

Verschillen in berekening van de vereiste begrotingsaanpassing op middellange termijn tussen het IMF en de EC:

  • Gebruik van verschillende parameters om de benodigde begrotingsinspanning te berekenen;
  • het IMF berekent de vereiste aanpassing over zes jaar, het EC over vijf jaar;
  • het IMF berekent de benodigde aanpassingen om de schuldratio van landen te stabiliseren met schuldratio's die onder de norm liggen, terwijl de EC toestaat dat schuldratio's tot aan de norm mogen stijgen.

Berekeningsproblematiek
Berekeningen zijn gebaseerd op verwachtingen over de impliciete, toekomstige rente op de staatsschuld en groei van het nominale BBP. Wanneer de rente hoger (lager) wordt dan verwacht, dan zal de vereiste verbetering van het begrotingssaldo toenemen (afnemen). Ditzelfde geldt wanneer de toekomstige groei lager (hoger) is dan nu wordt verwacht. In het Sustainability Report 2012 verrichtte de Europese Commissie een aantal gevoeligheidsanalyses. Daarbij zat ook de berekening van de S1-indicator met een 1 procentpunt hogere rente. De impact hangt af van de omvang van de schuldratio en de financieringsbehoefte op middellange termijn, maar gemiddeld stijgt de S1-indicator met een aantal procentpunten.

Colofon

Deze studie is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: AMECO: Annual Macro-Economic Database, BIS: Bank for International Settlements, DOTS: Directions of Trade Statistics, EC: European Commission, ECB: European Central Bank, OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development, EIU: Economist Intelligence Unit, IMF: Internationaal Monetair Fonds, WEO: World Economic Outlook, UN: Verenigde Naties

Gebruikte afkortingen landen: AL: Albanië, AT: Oostenrijk, BE: België, BG: Bulgarije, BA: Bosnië Herzegovina, CH: Zwitserland, CY: Cyprus, CZ: Tsjechië, DE: Duitsland, DK: Denemarken, EE: Estland, ES: Spanje, FI: Finland, GB: Groot Brittannië (UK), GR/EL: Griekenland, IE: Ierland, HR: Kroatië, IS: IJsland, HU: Hongarije, IT: Italië, LU:Luxemburg LV: Letland, LT: Litouwen, MD: Moldavië, ME: Montenegro, MK: Macedonië, MT: Malta, NL: Nederland, NO: Noorwegen, PL: Polen, PT: Portugal, RO: Roemenië, RS: Servië, SI: Slovenië, SK: Slowakije, TR/TK: Turkije, XK: Kosovo, SE: Zweden, EA17: Euro regio-17, EU27: Europese Unie.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Eindredactie
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek

RedactieEnrico Versteegh

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

ProductiecoördinatieMaartje Wijffelaars en Christel Frentz

Delen:
Auteur(s)
Maartje Wijffelaars
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 68740

naar boven