RaboResearch - Economisch Onderzoek

Een toereikend pensioen is niet vanzelfsprekend

Special

Delen:
  • Nederlandse gepensioneerden zijn over het geheel genomen tevreden met hun inkomen
  • De toekomstige pensioenopbouw staat via verschillende wegen onder druk
  • Ruim de helft van de werkenden haalt de gangbare pensioenambitie niet
  • Meer informatie is nodig over de pensioenopbouw van risicogroepen zoals zelfstandigen

Het Nederlandse pensioenstelsel

Het Nederlandse pensioenstelsel staat internationaal hoog aangeschreven (Mercer, 2014). Een van de voordelen ervan is dat het verschillende vormen van financiering combineert. Zo is de eerste pijler van het pensioenstelsel (AOW) omslaggefinancierd. Hierbij betalen huidige werkenden voor huidige gepensioneerden. In de tweede pijler (aanvullende collectieve pensioenen) en derde pijler (individuele levensverzekeringen en pensioenspaarproducten) zetten de huidige generaties geld opzij voor hun toekomstige pensioen. Daarnaast is er een informele vierde pijler bestaande uit het in de eigen woning opgebouwde vermogen en andere vermogensbestanddelen (spaargeld, beleggingsportefeuilles). De eerste en tweede pijler zijn veruit de belangrijkste bronnen van pensioeninkomen. Meer dan 90% van de werknemers is deelnemer in de tweede pijler. De derde pijler is van relatief ondergeschikt belang. Het vermogen in de vierde pijler is voor een gemiddeld Nederlands huishouden weliswaar behoorlijk van omvang, maar ook vaak illiquide (eigenwoningvermogen) en daardoor niet gemakkelijk voor consumptieve bestedingen te gebruiken.

Het Nederlandse pensioenstelsel kent een hoog ambitieniveau. Traditioneel hadden veel pensioenfondsen de ambitie om hun deelnemers pensioen (AOW en aanvullend pensioen) te laten opbouwen gelijk aan 70% van het laatstverdiende bruto salaris. Tegenwoordig streven veel regelingen ernaar om hun deelnemers 70% van het gemiddeld gedurende de loopbaan verdiende loon (middelloon) aan pensioen uit te keren. Volgens de OECD ligt de bruto mediane vervangingsratio in Nederland op 91% (OECD, 2013). Netto valt de vervangingsratio zelfs nog hoger uit, doordat gepensioneerden geen AOW-premie betalen. Het vervangingspercentage is internationaal gezien hoog (figuur 1). De OECD overschat echter het daadwerkelijk ontvangen pensioen, doordat ze rekent met een fictief persoon die gedurende zijn hele leven een mediaan inkomen ontvangt en in Nederland 45 jaar pensioen opbouwt. In de praktijk blijven pensioeninkomens door een onvolledig arbeidsverleden vaak achter bij het door de OECD gerapporteerde percentage. Dit geldt voor zowel Nederland als de andere in figuur 1 genoemde landen.

Feitelijke inkomenssituatie gepensioneerden

De inkomensverschillen tussen 65-plussers en andere leeftijdsgroepen zijn beperkt. Het gemiddelde besteedbare huishoudinkomen (het netto inkomen gecorrigeerd voor inkomensoverdrachten zoals alimentatie) van 65-plussers bedroeg vorig jaar € 28.500. Het gemiddelde gestandaardiseerde besteedbare inkomen bedroeg € 23.100. Deze tweede maatstaf rekent het besteedbare inkomen om naar het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Omdat 65-plus huishoudens relatief vaak maar uit een persoon bestaan, levert deze maatstaf over de verschillende leeftijdsgroepen bezien een meer gelijke inkomensverdeling op (figuur 2). Ter vergelijking: het gemiddelde gestandaardiseerde besteedbare inkomen in de leeftijdsgroep 45-65 jaar bedroeg in 2013 € 26.500. De inkomensstijging van gepensioneerden was de afgelopen decennia hoger dan die van werkenden. Dit komt grotendeels door cohorteffecten: ouderen uit cohorten die later met pensioen zijn gegaan (jongere cohorten) hebben vaker een aanvullend pensioen dan mensen die al geruime tijd met pensioen zijn (oudere cohorten) (Soede, 2012). De koopkracht (inkomensontwikkeling zonder cohorteffecten) van 65-plus huishoudens met aanvullend pensioen is de afgelopen jaren echter het hardst gedaald van alle typen huishoudens, doordat aanvullende pensioenen de laatste jaren veelal niet zijn geïndexeerd of zelfs zijn gekort.

Figuur 1: Hoge vervangingsratio
Figuur 1: Hoge vervangingsratioBron: OECD
Figuur 2: Beperkte inkomensterugval gepensioneerden
Figuur 2: Beperkte inkomensterugval gepensioneerdenBron: CBS

Meerderheid ouderen tevreden met inkomen

Vanuit het perspectief van de gepensioneerde hangt de toereikendheid van het pensioen af van het gewenste uitgavenniveau. Op die basis zijn huidige generaties voor het overgrote deel tevreden met hun inkomen. Het aandeel dat aangeeft gemakkelijk tot zeer gemakkelijk van zijn inkomen te kunnen rondkomen ligt iets hoger voor 65-plussers dan voor 45-65-jarigen. Het aandeel gepensioneerden dat (zeer) gemakkelijk zegt te kunnen rondkomen is bovendien toegenomen van 40% in 1991 naar 63% in 2011 (Soede, 2012). Hoe de tevredenheid zich na 2011 heeft ontwikkeld weten we niet, maar gezien de daling van de koopkracht van gepensioneerden is het niet vanzelfsprekend dat de stijgende trend zich heeft doorgezet.

Naast de zelfverklaarde inkomenstevredenheid komt armoede –een inkomen beneden het sociale minimum– onder ouderen relatief weinig voor. In 2013 bedroeg het armoedepercentage onder 65-plus huishoudens 7%, ten opzichte van 7,9% van de totale huishoudens. Dat gepensioneerden een relatief kleine kans op armoede hebben, komt mede doordat de AOW boven het sociale minimum ligt en dus alleen ouderen zonder een volledige AOW als arm kunnen worden aangemerkt.[1] De inkomenssituatie van huidige Nederlandse gepensioneerden is dus veelal goed, in de zin dat gepensioneerden gemiddeld een hoog besteedbaar inkomen hebben en er een sociaal vangnet is in de vorm van de AOW. Er zijn echter verschillende ontwikkelingen die ervoor zorgen dat het toekomstige pensioeninkomen onder druk komt te staan.

Onvolledige indexatie…

Door de lage rente en dalende aandelenkoersen kregen pensioenfondsen tijdens en na de financiële crisis te maken met een forse daling van hun dekkingsgraden.[2] Daardoor zijn aanvullende pensioenen al een aantal jaren niet of niet volledig meegestegen met de lonen of prijzen (geïndexeerd) en zelfs op redelijk grote schaal verlaagd. Inmiddels staan de dekkingsgraden er weer iets beter voor. De pensioenwet van staatssecretaris Klijnsma zorgt er echter voor dat veel pensioenfondsen ook in de komende jaren geen volledige prijs-/loonindexatie kunnen geven. Zo kunnen ze pas overgaan tot indexatie bij een dekkingsgraad van 110% of hoger.[3] Boven de 110% mag slechts mondjesmaat worden geïndexeerd.[4] Bovendien zijn de eisen voor het mogen geven van inhaalindexatie aangescherpt, zodat het zelfs in een gunstig scenario decennia kan duren voordat de volledige achterstand aan indexatie is ingehaald.

…en verlaging grenzen Witteveenkader…

Een tweede reden waarom de pensioenopbouw onder druk staat vormt de verlaging van de grenzen waarbinnen werknemers fiscaal vriendelijk pensioen kunnen opbouwen (Witteveenkader). In 2014 zijn de maximale opbouwpercentages voor het ouderdomspensioen verlaagd van 2,25% naar 2,15% voor middelloonregelingen. Dit betreft het maximale percentage van het pensioengevend loon dat werknemers jaarlijks belastingvrij als pensioen mogen opbouwen. Deze verlaging valt samen met een verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 67 jaar. Per 1 januari 2015 is het percentage verder verlaagd tot 1,875%. In 2013 zat 55% van de deelnemers in Nederlandse pensioenfondsen in een regeling waarbij de jaarlijkse opbouw minder dan 2% van het pensioengevend salaris was. In 2014 was dit al van toepassing op 90% van de deelnemers. Pensioenfondsen hebben dus veelal al geanticipeerd op de verdere verlaging van het fiscale kader in 2015 en slechts een kleine minderheid van de deelnemers zal dit jaar in een regeling zitten waarbij de opbouw hoger ligt dan het fiscaal vriendelijke maximum van 1,875%.

…leiden tot lagere pensioenopbouw

De impact van het gemis aan indexatie en de aanpassing van de grenzen van het Witteveenkader kunnen we illustreren met een voorbeeld. Hierbij rekenen we voor een fictief persoon die veertig jaar werkt en een modaal salaris van € 33.000 op jaarbasis verdient uit wat de vervangingsratio (AOW en aanvullend pensioen) op het moment van pensioneren zou zijn. De prijsinflatie bedraagt in dit voorbeeld jaarlijks 2%, de reële loongroei 0,25% en het pensioenfonds in kwestie heeft de doelstelling te indexeren met de looninflatie (2,25%).

Figuur 3: Vervangingsratio in drie scenario’s
Figuur 3: Vervangingsratio in drie scenario’sBron: Rabobank, eigen berekeningen

Op basis van bovenstaande veronderstellingen hebben we een aantal scenario’s doorgerekend. Het meest optimistische scenario rekent met een jaarlijkse pensioenopbouw van 2% en gaat uit van volledige indexatie (jaarlijks 2,25%). Voor het pessimistische scenario zijn we uitgegaan van een jaarlijkse opbouw van 1,875% en gemiddelde indexatie van 1,125% (de helft van de doelstelling van 2,25%). Het verschil in vervangingsratio tussen beide extremen bedraagt circa 7% (figuur 3). In het pessimistische scenario bedraagt de bruto vervangingsratio 68,6%. Dit is weliswaar beneden de doelstelling van 70%, maar internationaal gezien zou dit nog steeds een hoge score zijn. In dit eenvoudige voorbeeld is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een onvolledig arbeidsverleden (door bijvoorbeeld werkloosheid of arbeidsongeschiktheid).

Niet iedereen haalt de pensioenambitie

Uit het voorgaande rekenvoorbeeld blijkt dat iemand met een veertigjarige loopbaan nog steeds een vervangingsratio van om en nabij de 70% van het gemiddelde loon kan verwachten, zelfs in een pessimistisch scenario. In werkelijkheid is er een grote spreiding in vervangingsratio’s. Volgens Knoef et al. (2014) haalt ruim de helft (56%) van de huidige werkenden de pensioenambitie van 70% van het middelloon naar verwachting niet. Dit blijkt uit een simulatie waarin AOW-aanspraken, aanvullende pensioenopbouw en opgebouwd vermogen in de derde pijler worden meegenomen. Het grote verschil met de uitkomsten uit figuur 3 is dat de simulatie van Knoef et al. rekening houdt met loopbaanonderbrekingen in het verleden. De auteurs kijken namelijk naar daadwerkelijke pensioenaanspraken. Overigens houden ze geen rekening met mogelijke toekomstige onderbrekingen in de pensioenopbouw. De pensioenleeftijd is voor iedereen gelijk gesteld aan 65 jaar.[5] Overige vermogenscomponenten zoals eigenwoningvermogen en vrije besparingen zijn in deze analyse niet meegenomen.[6]

Mensen die langere tijd niet deelnemen aan het arbeidsproces en zelfstandigen worden aangemerkt als risicogroep. Het aantal zelfstandigen is de afgelopen jaren bovendien behoorlijk gegroeid. Over de pensioenopbouw van deze groepen is nu nog relatief weinig bekend. Toekomstig onderzoek zal dit beter in kaart moeten brengen.

Voor een deel van de gepensioneerden hoeft een vervangingsratio lager dan 70% geen probleem te zijn, omdat zij een laag uitgavenniveau hebben of andere financiële bronnen kunnen aanboren. Andere groepen zullen er echter meer problemen mee hebben om zich na pensionering aan te passen aan een lager inkomensniveau. De bovenstaande uitkomsten geven dus wel duidelijk aan dat een hoog pensioen niet voor iedereen een vanzelfsprekendheid is.

Overige ontwikkelingen: wonen en zorg

Naast veranderingen in de pensioenopbouw hebben ook andere ontwikkelingen invloed op de levensstandaard van toekomstige ouderen. Gezien de lagere pensioenopbouw worden andere financiële bronnen belangrijker. Doordat het op de koopwoningmarkt weer de norm is geworden de hypotheek volledig af te lossen, zullen mensen met een koopwoning in de verre toekomst meer netto vermogen in deze woning opbouwen. Hierdoor hebben toekomstige ouderen met een koopwoning (momenteel ongeveer de helft van alle 65-plus huishoudens) lagere woonlasten dan wel de mogelijkheid om de woning te verkopen of meer hypotheekschuld op zich te nemen om consumptieve bestedingen te financieren.

In de zorg richt overheidsbeleid zich steeds meer op het langer thuis blijven wonen van ouderen en particuliere financiering van zorgkosten (zie voor een overzicht van genomen maatregelen en voorgenomen hervormingen Badir, 2014). Vanuit het voorzorgsmotief kan dit een reden zijn voor huidige generaties werkenden om een hoger pensioen na te streven.

Conclusie

Nederland heeft internationaal gezien een goed pensioenstelsel met een hoog ambitieniveau. Door een aantal jaren van gemiste indexatie en strengere regels voor pensioenfondsen staat de pensioenopbouw echter wel onder druk. Uit recente studies die kijken naar de daadwerkelijke pensioenaanspraken blijkt dat meer dan de helft van de werkenden de gebruikelijke pensioenambitie van 70% van het gemiddeld verdiende loon niet gaat halen. Dat hoeft niet voor iedereen die bij deze ambitie tekortschiet problematisch uit te pakken, maar het is wel een signaal dat een hoog pensioen geen vanzelfsprekendheid is. Met name naar de pensioenopbouw van bepaalde risicogroepen, zoals zelfstandigen en langdurig werklozen, zou meer aandacht uit moeten gaan.

Voetnoten

[1] In 2013 is bij ongeveer een op de vijf AOW-ontvangers een korting toegepast, omdat ze voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd minder dan vijftig jaar ingezetene van Nederland zijn geweest. Deze situatie komt vooral voor bij eerste generatie allochtonen.

[2] De dekkingsgraad geeft de verhouding weer tussen de bezittingen en de huidige waarde van de verplichtingen van een pensioenfonds.

[3] Voorheen konden fondsen al indexatie toepassen vanaf een dekkingsgraad van 105% en konden ze zelf de mate van indexatie bepalen mits de indexatie kon worden gefinancierd uit de reserves. Er was geen verplichting om financiële reserves aan te houden om dezelfde mate van indexatie ook in de toekomst te kunnen geven. In de nieuwe wet is vastgelegd dat als pensioenfondsen in een bepaald jaar een gegeven percentage indexatie willen geven, ze genoeg reserves moeten aanhouden om ook in de jaren daarna een indexatie van een gelijk percentage te kunnen geven.

[4] De hoogte van de toegestane indexatie wordt bepaald als een tiende van het verschil tussen de huidige dekkingsgraad en een dekkingsgraad van 110%. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij een dekkingsgraad van 120% de pensioenen met 1% mogen worden geïndexeerd.

[5] Gezien de verhoging van de AOW-leeftijd is dit een conservatieve aanname. Verder houden de auteurs rekening met de verlaagde grenzen van het Witteveenkader. Net als wij in het eerder genoemde voorbeeld rekenen de auteurs met een prijsinflatie van 2%, een reële loongroei van 0,25% en een indexatie van 50% van de prijsinflatie.

[6] In een eerder artikel uit 2013 betrekken Knoef et al. wel het overige (vierde pijler) vermogen bij de analyse en doen de aanname dat dit vermogen op 65-jarige leeftijd wordt omgezet in een lijfrente. Hierdoor neemt de mediane vervangingsratio met circa 10%-punt toe, maar er blijft een aanzienlijke groep over van wie de vervangingsratio tekortschiet bij de 70%-doelstelling.

Literatuur

Badir, M. (2014), Grootschalige hervormingen zorgstelsel in 2015.

CPB (2014), Generatie- en premie-effecten aanpassing FTK, CPB Notitie, 20 juni 2014

DNB (2014), Opbouwpercentage bij de toezegging van het ouderdomspensioen voor uitkeringsovereenkomsten.

Knoef, M., J. Been, R. Alessie, K. Caminada, K. Goudswaard en A. Kalwij (2013), Measuring retirement savings adequacy, Netspar Design Paper 25.

Knoef, M., K. Goudswaard, J. Been en K. Caminada (2014), Pensioenopbouw in internationaal perspectief, in: Toekomst voor aanvullende pensioenen, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staatshuishoudkunde 2014.

Mercer (2014), Global Pension Index, Mercer/Australian Center for Financial Studies.

OECD (2013), Pensions at a Glance 2013.

Pensioenfederatie (2014), Herziening Financieel Toetsingskader (FTK), Position Paper, augustus 2014.

PBL (2013), Vergrijzing en woningmarkt.

Soede, A. (2012), Tevreden met pensioen

Delen:
Auteur(s)

naar boven