RaboResearch - Economisch Onderzoek

Verenigde Staten: pas op de plaats

Economisch Kwartaalbericht

Delen:
Deze publicatie is verouderd. Bekijk de recentste editie

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

  • Amerikaanse groeimotor loopt vast in eerste kwartaal, deels door tijdelijke factoren
  • Maar sterke dollar zorgt mogelijk voor langdurigere economische tegenwind
  • Positief effect van daling energieprijzen blijft vooralsnog uit
  • Renteverhoging door de Fed pas op zijn vroegst in laatste kwartaal 2015 verwacht

De Amerikaanse groeimotor liep in het eerste kwartaal van 2015 vast. Voor een deel is dit te wijten aan tijdelijke factoren zoals de strenge winter en aan problemen met de seizoenscorrecties van de BBP-cijfers. Maar de sterke dollar zou weleens voor aanhoudende tegenwind kunnen zorgen.

Economie loopt weer vast in de sneeuw

In het eerste kwartaal van het jaar stagneerde de Amerikaanse economie met een gemeten BBP-groei van -0,7% (kwartaal-op-kwartaal, geannualiseerd cijfer) volgens de tweede schatting. Tijdelijke factoren speelden een belangrijke rol, zoals de extreme winter en de havenstakingen aan de westkust. Maar er lijkt ook een statistisch probleem te zijn met de seizoenscorrecties van het Bureau of Economic Analysis (BEA) dat de BBP-cijfers berekent. De afgelopen jaren valt de economische groei in het eerste kwartaal telkens veel lager uit dan de groei in de overige drie kwartalen. Dit suggereert dat de door de BEA gehanteerde seizoenscorrecties onvolledig zijn, waardoor er toch nog seizoenseffecten zichtbaar blijven. Berekeningen van onderzoekers van de Amerikaanse centrale bank suggereren dat het groeicijfer voor het eerste kwartaal in geval van een volledige seizoenscorrectie met 1,6 procentpunt omhoog zou moeten worden bijgesteld.[1] Aangezien het slechte groeicijfer voor het eerste kwartaal in belangrijke mate lijkt te zijn veroorzaakt door tijdelijke factoren en statistische problemen, wordt voor het tweede kwartaal een beter cijfer verwacht.

Voetnoot

[1] Glenn D. Rudebusch, Daniel Wilson, Tim Mahedy, The Puzzle of Weak First-Quarter GDP Growth, FRBSF Economic Letter 2015-16.

Aanhoudende negatieve gevolgen van dure dollar

Er is echter ook een tegenwind opgestoken die weleens langer kan aanhouden dan alleen het eerste kwartaal. Door de divergentie in het monetaire beleid van de Fed en de meeste andere centrale banken in de wereld (waarbij de Amerikanen afstevenen op de eerste renteverhoging terwijl elders in de wereld juist extra monetaire stimulering wordt gegeven) is de Amerikaanse dollar flink in waarde toegenomen ten opzichte van andere munten. Hierdoor is de internationale concurrentiepositie van Amerikaanse exporteurs verzwakt, waardoor zij ook minder prikkels hebben om te investeren. De exporten en bedrijfsinvesteringen staan daardoor onder druk (figuur 1). Dit nadelige wisselkoerseffect zal naar verwachting nog even aanhouden. Vandaar dat we voor het tweede kwartaal geen spectaculair herstel van het groeitempo van de Amerikaanse economie verwachten.

Figuur 1: Investeringen onder druk
Figuur 1: Investeringen onder drukBron: Macrobond
Macro-economische kerngegevens VS
Macro-economische kerngegevens VSBron: Macrobond

Positief effect van goedkope olie blijft uit

Ondertussen is het wachten op een steun in de rug van de lage olieprijs. Door de daling van de energieprijzen houden consumenten meer geld over. Als zij dit uitgeven aan goederen en diensten, krijgt de economie een bestedingsimpuls. Tot op heden lijken de Amerikanen er echter de voorkeur aan te geven deze meevaller nog even op te sparen. Tegelijkertijd zijn de negatieve effecten van de lage olieprijs op de Amerikaanse economie wel voelbaar. In de afgelopen jaren heeft zich in de Verenigde Staten een schalieolie- en -gasrevolutie voltrokken met verstrekkende gevolgen. Inmiddels produceren de Amerikanen meer olie per dag dan de Saoedi’s en dit heeft een prijsdrukkend effect gehad. Vervolgens heeft Saoedi-Arabië gereageerd met een prijzenoorlog om zo verdere Amerikaanse investeringen in de winning en productie van schalieolie te ontmoedigen. Een lage olieprijs vermindert namelijk de prikkel om te investeren in de energiesector. Dit heeft inmiddels zijn weerslag gehad op de Amerikaanse bedrijfsinvesteringen. Als we naar de Amerikaanse economie als geheel kijken, zien we dus dat de negatieve gevolgen van de lage olieprijs op de investeringen hebben bijgedragen aan de zwakke BBP-groei in het eerste kwartaal, terwijl de verwachte positieve effecten op de consumptieve bestedingen vooralsnog uitblijven. In de loop van het jaar zullen de negatieve effecten op de investeringen naar verwachting afnemen en de positieve effecten op de consumptie toenemen, maar in het tweede kwartaal kan de huidige situatie nog even voortduren. Ook om deze redenen verwachten we geen sterk tweede kwartaal, hoewel we wel uitgaan van positieve economische groei.

Fed wacht het juiste moment af

Voor de centrale bank betekent de haperende groeimotor dat de eerste renteverhoging waarschijnlijk zal worden uitgesteld. Eerder dit jaar gaf de Fed aan dat de rente mogelijk al in juni zou kunnen worden verhoogd, maar inmiddels lijkt die optie van tafel. Hoewel de Fed ervan overtuigd is dat de stagnatie in het eerste kwartaal voor een belangrijk deel is veroorzaakt door tijdelijke factoren zoals de extreme winter en havenstakingen aan de westkust en door statistische ruis (veroorzaakt door seizoenscorrecties), wil zij hiervoor meer bewijs zien alvorens de rente te verhogen.

De werkgelegenheidsontwikkeling ondersteunt het beeld dat de onderliggende kracht van de economie nog intact is. Na een scherpe daling van de werkgelegenheidsgroei in maart tot een magere 85.000 banen, is in april alweer een stijging van 223.000 banen gemeten; dit is meer dan de 200.000 banen die de Fed graag als ondergrens ziet (figuur 2). De werkloosheid daalde in april bovendien tot 5,4% en daarmee is de arbeidsmarkt niet ver meer verwijderd van de 5,0-5,2% die de Fed als ‘normale werkloosheid’ op de lange termijn ziet. Dit geeft ook aan dat de afwegingen ten aanzien van de eerste renteverhoging vooral over de timing gaan; het einde van het extreem ruime monetaire beleid lijkt hoe dan ook in zicht. De beleidsraad heeft echter aangegeven dat de rente pas wordt verhoogd als er verdere vooruitgang is geboekt op de arbeidsmarkt en als er een ‘redelijk vertrouwen’ is dat de inflatie op de middellange termijn terugkeert naar de doelstelling van 2%.

Figuur 2: Werkgelegenheid groeit door
Figuur 2: Werkgelegenheid groeit doorBron: Macrobond
Figuur 3: Inflatie tijdelijk laag door olieprijsdaling
Figuur 3: Inflatie tijdelijk laag door olieprijsdalingBron: Macrobond

De inflatie speelt dus een belangrijke rol bij de timing van de renteverhoging. De favoriete maatstaf van de Fed, de deflator van de private consumptieve bestedingen, bedraagt weliswaar slechts 0,3% jaar-op-jaar, maar dit is voor een substantieel deel te wijten aan de lage olieprijs. Als we de volatiele voedsel- en energieprijzen buiten beschouwing laten, komen we op een kerninflatie van 1,3%. De stabiliteit van de inflatieverwachtingen van consumenten, ondanks de lage inflatiecijfers, geeft de centrale bank het vertrouwen dat de inflatie weer gaat stijgen zodra de effecten van de olieprijsdaling wegebben (figuur 3). De beleidsraad maakt zich nog wel enige zorgen over de lage compensatie voor inflatie die kan worden afgeleid uit financiële marktprijzen. Maar als het economische herstel doorzet, verwacht de Fed een gestage afname van de onderbenutting in de economie. Hierdoor zal de prijsdruk oplopen en de inflatie in de richting van de doelstelling van 2% bewegen. Al met al lijkt de lage inflatie die op dit moment wordt gemeten geen beletsel om de beleidsrente te gaan verhogen, maar tegenvallers in een of meer inflatie-indicatoren zouden wel een reden voor uitstel kunnen zijn.

Bij de timing van de eerste renteverhoging is in onze ogen ook een cruciale rol weggelegd voor de wisselkoers. De economische tegenwind door de sterke dollar wordt immers mede bepaald door de centrale bank zelf. De Fed kan de kracht van die tegenwind tot op zekere hoogte bijsturen: een minder agressief rentebeleid leidt ceteris paribus tot een minder sterke dollar. Zolang de economie teveel tegenwind ondervindt van de sterke dollar, heeft de Fed een reden om de eerste renteverhoging uit te stellen.

Figuur 4: Lange rente nog niet omhoog
Figuur 4: Lange rente nog niet omhoogBron: Macrobond

Al met al gaan wij er nog steeds van uit dat de Fed pas in het laatste kwartaal van het jaar de trekker zal overhalen. Wij hebben meermalen onze twijfels geuit over de haalbaarheid van een renteverhoging in juni. Voor de lange rente betekent dit dat we de opwaartse druk van de aankomende monetaire verkrappingscyclus pas later in het jaar verwachten (figuur 4). 

 

 

 

Naar de overzichtspagina van het Economisch Kwartaalbericht

Colofon

Het Economisch Kwartaalbericht is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank en kwam mede tot stand in samenwerking met Financial Markets Research.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek, EIU: Economist Intelligence Unit, NIESR: National Institute of Economic Social Research, ONS: Office of National Statistics, OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development, IMF: Internationaal Monetair Fonds, BIS: Bank for International Settlements, CEIC: CEIC Macroeconomic Databases for Emerging and Developed Markets.

Gebruikte afkortingen landen: VK: Verenigd Koninkrijk, IE: Ierland, VS: Verenigde Staten, DE: Duitsland, IT: Italië, NL: Nederland, ES: Spanje, AT: Oostenrijk, FR: Frankrijk, GR: Griekenland, BE: België, FI: Finland, LU: Luxemburg, CY: Cyprus, PT: Portugal, SI: Slovenië, MT: Malta, LT: Lithouwen, LV: Letland, EE: Estland EZ: Eurozone, SK: Slowakije.

Gebruikte afkortingen valuta: BRL: Braziliaanse real, IDR: Indonesische roepia, INR: Indiase roepie, TRY: Turkse lira, ZAR: Zuid-Afrikaanse rand.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Eindredactie: 
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek
Tim Legierse, hoofd Nationaal Onderzoek

Redactie: Enrico Versteegh

Productiecoördinatie: Christel Frentz

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Delen:
Auteur(s)
Philip Marey
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 71 21437

naar boven