RaboResearch - Economisch Onderzoek

MREL en TLAC: aanvullende schokdempers voor het bankwezen

Special

Delen:
  • In de tweede helft van 2014 zijn voorstellen gepresenteerd door de EBA en de FSB die een impact hebben op de financieringsstructuur van banken
  • Ze stellen minimumvereisten aan ‘bail-inbaar’ vermogen van banken; daarmee gaan de verschaffers van vreemd vermogen een grotere bijdrage leveren bij een afwikkeling of redding van een bank
  • Samen met eerdere hervormingen van kapitaaleisen en toezicht maken MREL en TLAC de kans dat een bank omvalt kleiner
  • Op korte termijn zal de uitgifte van bail-inbaar vreemd vermogen de kosten voor banken verhogen

Nieuwe voorstellen

Sinds de financiële crisis zijn verschillende maatregelen genomen om te voorkomen dat banken in de toekomst nogmaals in financiële problemen komen. Zo zijn er onder meer strengere eisen gesteld aan de omvang en de kwaliteit van het eigen vermogen dat banken moeten aanhouden en is het toezicht op banken ingrijpend gewijzigd (zie ook: Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen). Daarnaast zijn eind 2014 verdere maatregelen voorgesteld voor het verbeteren van de afwikkelbaarheid van een bank wanneer deze ondanks alle maatregelen toch in de problemen mocht komen. Het gaat hier onder andere om voorstellen voor MREL (minimum requirement for own funds and eligible liabilities) en TLAC (Total Loss Absorbing Capacity). Bij deze voorstellen speelt ‘bail-inbaar’ vreemd vermogen een belangrijke rol.

De ‘going concern’ en ‘gone concern’ fases

Bij een (dreigend) faillissement van een bank wordt een onderscheid gemaakt tussen twee fases. Tijdens de going concern fase kan een bank de problemen nog te boven komen. Wanneer dit niet meer het geval is, dan bevindt de bank zich in de zogenoemde gone concern fase. Dit heet ook wel de resolutie- of afwikkelfase. In deze fase worden de verliezen genomen en wordt de bank geherkapitaliseerd. De levensvatbare delen worden voortgezet of verkocht en niet-levensvatbare delen worden ontmanteld. Resolutie of afwikkeling zal in principe plaatshebben bij systeembanken, aangezien een faillissement van deze instellingen grote negatieve gevolgen heeft voor het financiële systeem en de reële economie. Het doel is dus om de negatieve gevolgen van een bancair faillissement voor de samenleving zo klein mogelijk te houden.

Het concept bail-in speelt bij resolutie een centrale rol. Bail-in houdt in dat de ongedekte en onverzekerde vorderingen van schuldeisers van banken[1] kunnen worden omgezet of afgeschreven in eigen vermogen wanneer een bank in de problemen komt. Zo kunnen afwikkeling en herkapitalisatie plaatsvinden zonder inzet van publieke middelen. MREL en TLAC zijn nauw aan elkaar verwant. Beiden stellen eisen aan de hoeveelheid aan te houden eigen vermogen en voor bail-in in aanmerking komend vreemd vermogen. MREL is gericht op alle banken die actief zijn in de Europese Unie (EU) en TLAC is een eis die specifiek geldt voor mondiaal opererende systeembanken. Mondiale systeembanken die actief zijn in de EU, zoals Barclays, BNP Paribas, ING Bank en Deutsche Bank, moeten dus zowel aan MREL als aan TLAC voldoen.

MREL voor banken in de EU

De MREL-eisen zijn gericht op het vergroten van de absorptiecapaciteit en de afwikkelbaarheid van banken tijdens de gone concern fase. Banken kunnen ervoor kiezen om deze eis in te vullen met zowel eigen vermogen als met bail-inbaar vreemd vermogen. De MREL-eis is afkomstig uit de Europese ‘Bank Recovery and Resolution Directive’ (BRRD) en zal per 2016 in werking treden voor alle banken die actief zijn in de EU-lidstaten. Hierbij geldt overigens wel een infaseringsperiode van vier jaar, zodat banken tot 1 januari 2020 de tijd hebben om aan alle definitieve eisen te kunnen voldoen. De Europese Bankenautoriteit (EBA)[2] heeft in november 2014 criteria voorgesteld die gelden onder MREL. De relevante nationale resolutieautoriteit stelt de specifieke hoogte van de MREL nog vast op basis van het risicoprofiel van individuele banken; voor Nederland is dat De Nederlandsche Bank (DNB). Bij dit risicoprofiel speelt de mate van systeemrelevantie van een bank een belangrijke rol. De eis zal minimaal 8% van de totale (ongewogen) balans bedragen voor mondiale en nationale systeembanken. Deze banken kunnen in geval van resolutie gebruik maken van het Single Resolution Fund (SRF).

TLAC voor mondiale systeembanken

TLAC verplicht wereldwijde systeembanken om bail-inbaar vermogen aan te houden om met onverwachte verliezen om te kunnen gaan. Het doel daarvan is de kans te verkleinen dat deze financiële instellingen failliet gaan. Een faillissement zou namelijk leiden tot instabiliteit in het mondiale financiële systeem. In het verleden zagen overheden zich gedwongen om met publieke middelen ondersteuning te bieden bij de redding van dergelijke banken. De TLAC-regels zijn afkomstig van de Financial Stability Board (FSB)[3] en vereisen een buffer die dermate hoog is dat deze zowel voldoet aan een norm van 16-20% van de risicogewogen uitzettingen (RWA), als aan een norm van twee keer de voorgestelde ongewogen kapitaalratio uit Basel III (leverage ratio). De precieze hoogte van de norm is op dit moment nog onderwerp van discussie in de consultatiefase. De eerder voorgeschreven risicogewogen kapitaalbuffers uit Basel III tellen mee om aan de TLAC-eis te voldoen, met uitzondering van de additionele kapitaalbuffers zoals de conservatiebuffer en de anticyclische buffer[4] (figuur 1[5]), die hier nog bovenop komen. Voor de TLAC geldt zelfs een minimumvereiste dat 33% van de instrumenten niet mag bestaan uit de hoogste kwaliteit eigen vermogen (Common Equity Tier-1 (CET-1) kapitaal).

Figuur 1: Buffereisen onder Basel III en TLAC
Figuur 1: Buffereisen onder Basel III en TLACBron: BIS, FSB, Rabobank

De TLAC-eisen zijn in november 2014 door de FSB gepubliceerd in de ‘Adequacy of loss-absorbing capacity of global systemically important banks in resolution’ en zullen naar verwachting vanaf 2019 formeel in werking treden. Op dit moment is het nog onduidelijk of er een pad van infasering volgt. Van de Nederlandse grootbanken is alleen ING een mondiale systeembank. Formeel gelden de TLAC-eisen dus niet voor de Rabobank en ABN AMRO[6]. De kans is overigens wel aanwezig dat investeerders of de toezichthouder andere Nederlandse banken als de Rabobank en ABN AMRO langs dezelfde lat als ING leggen waardoor de eisen toch indirect ook voor hen gelden.

Of de impact van TLAC groter is dan die van MREL hangt af van de uiteindelijke vormgeving van beide voorstellen, vooral van de nog vast te stellen hoogte van de percentages aan te houden verliesbuffers. De vergelijkbaarheid van de voorstellen wordt daarbij bemoeilijkt doordat MREL een eis vormt voor de ongewogen balans terwijl de bindende eis in TLAC afhankelijk is van de risicoweging van de activa (RWA). Voor banken met relatief hoge risicogewichten zal TLAC waarschijnlijk zwaarder uitpakken dan MREL. Voor banken met relatief lage risicogewichten zal MREL waarschijnlijk bepalend zijn.

Bancair vermogen onder MREL en TLAC

Om aan de MREL- en TLAC-eisen te voldoen, mag een bank naast eigen vermogen ook bail-inbaar vreemd vermogen gebruiken (figuur 2). Dit in tegenstelling tot de kapitaaleisen van Basel III waarbij het uitsluitend gaat over eigen vermogen. Het bancaire vermogen dat zowel aan de TLAC- als aan de MREL-eisen voldoet, kan bestaan uit Aanvullend Tier-1 (AT-1) kapitaal zoals perpetual (eeuwigdurende) coco’s[7], gedateerde achtergestelde leningen (Tier-2) of kapitaal dat in een andere vorm is achtergesteld. In figuur 2 zijn de in aanmerking komende instrumenten onder zowel TLAC als MREL blauw omkaderd. Gewone obligaties (senior unsecured) tellen alleen mee onder MREL, wat in figuur 2 is aangeduid met een stippellijn.

Figuur 2: Bancair vermogen dat meetelt onder MREL en TLAC
Figuur 2: Bancair vermogen dat meetelt onder MREL en TLACBron: FSB, EBA, Rabobank

Coco’s zijn instrumenten die worden afgeschreven[8] of omgezet in eigen vermogen als een bepaalde ‘trigger’ wordt geraakt. De trigger wordt geactiveerd wanneer de CET-1 ratio onder een bepaalde grens zakt. De CET-1 ratio is de verhouding tussen het CET-1 kapitaal (figuur 2) en de risicogewogen activa van een bank. Voor AT-1 instrumenten ligt deze trigger minimaal op 5,125% (art. 54, CRR). Veel banken die coco’s uitgeven, hanteren echter een hogere trigger van 7%[9]. Naast deze contractuele trigger heeft de toezichthouder (ECB) een discretionaire bevoegdheid om over te gaan tot afschrijving of conversie wanneer een ‘point of non-viability’ is bereikt, óók als de contractuele trigger nog niet is bereikt. De coco is dus een instrument dat ook in de going concern fase kan worden ingezet. Overigens zijn er ook banken die Tier-2 instrumenten met een trigger uitgeven.

Impact van de voorgestelde regels

Door de voorgestelde regels zullen banken hun bail-inbare vermogen vergroten. Door de TLAC-regels zijn mondiale systeembanken zelfs verplicht om dit soort instrumenten uit te geven. Uit een rapport van Moody’s blijkt dat banken in 2014 wereldwijd voor 174 miljard dollar aan coco’s hebben uitgegeven (Moody’s, 2015). Overigens bestaat bail-inbaar vermogen niet alleen uit coco’s. In Nederland hebben de Rabobank en ING recentelijk bail-inbare perpetuals uitgegeven om zo hun kapitaalbasis verder te versterken (box 1). De verwachting is dat banken deze instrumenten en andere vormen van kapitaal en bail-inbare instrumenten de komende jaren meer zullen uitgeven.

Box 1: Uitgifte van ‘perpetuals’ door Nederlandse banken

De Rabobank en ING hebben recentelijk via uitgiftes van zogenoemd Aanvullend Tier-1 kapitaal hun kapitaalbasis vergroot. Deze perpetuals zijn eeuwigdurend en hebben een trigger van 7% CET-1. De Rabobank heeft in januari voor een bedrag van 1,5 miljard euro aan deze perpetuals uitgegeven tegen een couponrente van 5,5%. ING heeft in april voor 2,25 miljard dollar aan deze instrumenten geplaatst in twee tranches: een van 1 miljard dollar tegen een couponrente van 6%, en een van 1,25 miljard dollar tegen een couponrente van 6,5%. 

Banken kunnen kiezen of zij de MREL- en TLAC-eisen willen invullen met eigen dan wel bail-inbaar vreemd vermogen. Vermoedelijk zullen zij vaak voor het laatste kiezen aangezien dit goedkoper is en er dan geen verwatering van het aandelenvermogen plaatsvindt. Ook is de couponrente op coco’s en overig achtergesteld schuldpapier net als bij ‘gewone’ (niet-achtergestelde) obligaties aftrekbaar van de belasting terwijl dat bij dividenduitkering niet het geval is.

Voor banken is de uitgifte van coco’s en andere vormen van bail-inbaar vreemd vermogen wel kostenverhogend doordat investeerders hiervoor een hogere vergoeding[10] verwachten dan voor gewone (senior unsecured) obligaties[11]. Zo blijkt dat het gemiddelde effectieve rendement op het moment van schrijven voor een gewone obligatie 1,7% is, maar dit instrument mag alleen meetellen onder MREL, en niet onder TLAC. Het gemiddelde effectieve rendement voor instrumenten die zowel onder de MREL- als onder de TLAC-eisen meetellen, is achtereenvolgens 2,9% voor achtergestelde Tier-2 leningen (subordinated Tier-2) en 6,1% voor de perpetuals (Aanvullend Tier-1) die zijn uitgegeven door Nederlandse banken. Daarbij is het mogelijk dat de vergoeding op nieuwe gewone obligaties in de toekomst daalt, aangezien deze een veiligere investering zijn geworden doordat de coco’s en achtergestelde leningen bij faillissement eerder worden geraakt dan de gewone obligaties. Zo kan er op de lange termijn een nieuwe evenwichtssituatie ontstaan zodat uiteindelijk de totale of gemiddelde financieringskosten onveranderd zouden moeten blijven. In de transitiefase worden op relatief korte termijn diverse hybride instrumenten voor zeer grote bedragen uitgegeven. Naar verwachting is er dan wel degelijk sprake van een kostenverhogend effect (Boonstra en De Cleen, 2014).

Wat is nu nog onduidelijk?

Zoals eerder aangegeven, is er nog geen duidelijkheid over de vereiste MREL per bank. De consultatieperiode voor TLAC liep tot en met februari van dit jaar. Momenteel vindt er een zogenoemde Quantitative Impact Study (QIS) plaats. Met dit onderzoek wil de FSB inzichtelijk maken wat de (kwantitatieve) impact is van de voorgestelde eisen. Uiterlijk in november van dit jaar worden de definitieve TLAC-eisen vanuit de FSB verwacht, waarna deze worden verwerkt in (nationale) wetgeving. Uiteindelijk zullen de TLAC-eisen in of na januari 2019 in werking treden. Tegen die tijd zullen Europese banken reeds voor een groot deel voldoen aan MREL. Zoals besproken, is nu nog niet goed te beoordelen wat er dan nog nodig is om ook aan de TLAC te voldoen. Voor die tijd zal meer duidelijk worden over de vereiste hoogte van de ongewogen kapitaalratio (de leverage ratio) in Europa. Zoals gezegd, vereist TLAC een buffer die tenminste twee keer de voorgestelde Basel III leverage ratio omvat. De leverage ratio zal in 2018 mogelijk hoger worden voor Europese banken dan de voorgestelde 3% uit Basel. Dit roept de vraag op hoe dit voor Europese banken gaat uitpakken.

Door de toepassing van bail-in hoeven overheden minder snel de kosten te dragen van een redding of afwikkeling van een bank. Behalve bij de houders van eigen vermogen komen de kosten hiervan nu terecht bij de houders van bail-inbaar vreemd vermogen. Het meest recente Overzicht Financiële Stabiliteit (OFS) van DNB gaat in op de mogelijke nadelige effecten van bail-in voor de financiële stabiliteit (DNB, 2015). Een coco-conversie kan een signaal afgeven over de verslechterde kwaliteit (van de activa) van de desbetreffende bank (Van Wijnbergen en Chan, 2014) en dus juist voor onrust zorgen in plaats van de rust te bewaren. Maar dit is natuurlijk niet wezenlijk anders dan bij een situatie zonder coco-conversie: het is geen goede zaak als er slecht nieuws over een bank naar buiten komt. De vraag is verder wie de investeerders in coco’s zijn en of de bail-inverliezen die zij dragen, kunnen leiden tot besmetting of andere complicaties, bijvoorbeeld doordat het onduidelijk is wie welke coco’s op de balans heeft staan. Overigens is dit in wezen niet anders dan bij door banken uitgegeven aandelen. Coco’s komen in beleggingsportefeuilles en daardoor kunnen elders in het financiële systeem systeemrisico’s ontstaan.

Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer banken grootschalig in elkaars coco’s (of aandelen) gaan beleggen. De toezichthouders moeten goed in kaart brengen of dit gebeurt. Vooralsnog zijn het vooral professionele investeerders zoals beleggingsinstellingen en pensioenfondsen die in coco’s beleggen[12]. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft er in een persbericht voor gewaarschuwd dat particuliere, niet-professionele beleggers niet in coco’s moeten beleggen vanwege hun complexiteit en risicovolle karakter. Mede hierom hebben Nederlandse banken de minimale nominale omvang van een coco-obligatie vastgesteld op 200.000 euro.

Conclusie

Samen met eerdere hervormingen van kapitaaleisen en toezicht maken MREL en TLAC de kans dat een bank omvalt kleiner. Met de nieuwe eisen is bovendien geregeld dat de afwikkelings- of herkapitalisatiekosten terechtkomen bij de investeerders en niet bij de overheid, mocht het toch nog misgaan: van bail-out naar bail-in. Deze extra schokdempers zijn niet gratis: op korte termijn zal de uitgifte van bail-inbaar vreemd vermogen de kosten voor banken verhogen. Dit kan leiden tot hogere kosten voor klanten en/of additionele kostenbesparende maatregelen bij banken. Veelgebruikte kapitaalinstrumenten onder de nieuwe regels, coco’s en achtergesteld schuldpapier, zijn een meer risicovolle belegging dan reguliere obligaties. Wanneer banken elkaars coco’s en achtergestelde leningen kopen, dan kunnen er systeemrisico’s ontstaan, net als wanneer zij in elkaars aandelen zouden beleggen. Daarvan is op dit moment overigens geen sprake.

Bijlage 1: Selectie van door Nederlandse banken uitgegeven instrumenten
Bijlage 1: Selectie van door Nederlandse banken uitgegeven instrumentenBron: Rabobank, ING, ABN AMRO, Bloomberg
De in de tabel gehanteerde gemiddelde % mid-YTM is gebaseerd op de geldende tarieven van 01-07-2015

Voetnoten

[1] Gewone obligatiehouders en spaarders met een tegoed van meer dan 100.000 euro. Binnen de huidige depositogarantieregeling worden deposito’s tot 100.000 euro gedekt bij een faillissement.

[2] De Europese Bankenautoriteit (EBA) houdt toezicht op banken in de EU en is in 2010 ingesteld naar aanleiding van de economische crisis en de grote begrotingstekorten van een aantal EU-lidstaten. EBA maakt deel uit van het Europees Systeem voor Financieel Toezicht (ESFA) dat naast EBA bestaat uit de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa).

[3] De FSB is in 2009 opgericht, als opvolger van het Financial Stability Forum. Dit internationale orgaan doet aanbevelingen- en monitort ontwikkelingen in het mondiale financiële systeem. Leden zijn onder anderen afgevaardigden van nationale ministeries van Financiën en nationale monetaire autoriteiten (Nederland: DNB).

[4] Deze additionele buffers kunnen namelijk in hoogte variëren. Zie ook: Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen voor meer informatie over de kapitaaleisen uit Basel III en deze additionele buffers.

[5] Bij figuur 1 is uitgegaan van de maximaal mogelijke vereisten onder Basel III en TLAC.

[6] Dit is ook bevestigd door de minister van Financiën in een kamerbrief uit november 2014. Wel zal de nationale toezichthouder bij het vormgeven van de MREL-eisen rekening houden met een eventueel geldende TLAC-eis.

[7] Coco’s zijn zogenoemde contigent convertibele obligaties en kunnen zowel eeuwigdurend (perpetual) als aflopend (non-perpetual) zijn.

[8] Bij afschrijving is er formeel geen sprake van conversie, maar in de volksmond wordt de term ‘coco’s’ gebruikt voor zowel converteerbare als afschrijfbare obligaties.

[9] Dit blijkt uit een selectie van prospectussen van de Rabobank en ING behorend bij de emissies van dergelijke instrumenten.

[10] Het gaat hierbij om het effectieve rendement dat beleggers behalen, de zogenoemde ‘yield to maturity’. Dit is het effectieve rendement op een obligatie waarbij de totale jaarlijkse rentebetalingen zijn inbegrepen, inclusief de aankoopprijs en –in geval van non-perpetual instrumenten- de tijd tot de afloop van de obligatie.

[11] In de bijlage is een overzicht opgenomen van een aantal door Nederlandse banken uitgegeven instrumenten die wij hebben gebruikt bij onze kostenbenadering.

[12] Dit blijkt uit antwoorden van de minister van Financiën op 22 mei 2015 op kamervragen over coco’s.

Literatuur

Boonstra, W.W. De Cleen, B. (2014). Verhogen van eigen vermogen bij banken. Economisch Statistische Berichten, 7 februari 2014, pp. 74 – 75.

DNB (2015). Overzicht Financiële Stabiliteit. Voorjaar 2015. De Nederlandsche Bank: Amsterdam.

EBA (2014). Draft Regulatory Technical Standards on criteria for determining the minimum requirement for own funds and eligible liabilities under Directive 2014/59/EU. 28 November 2014. European Banking Authority: Londen.

EC (2014). EU Bank Recovery and Resolution Directive (BRRD): Frequently Asked Questions. 15 april 2014. Europese Commissie: Brussel.

Europese Unie (2013). Capital Requirements Regulation. Artikel 54.

Financial Stability Board (2014). Adequacy of loss-absorbing capacity of global systemically important banks in resolution, consultative document. Basel.

Giesbergen, B. en Treur, L. (2014). Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen. Rabobank Themabericht.

Ministerie van Financiën (2014). Toelichting op het recentelijke gepubliceerde TLAC-voorstel. Kamerbrief 17 november 2014. Den Haag.

Moody’s (2015). Global Banking - Moody's Quarterly CoCo Monitor: CoCo Issuance to Stay Strong in 2015. Moody’s investors service.

Van Wijnbergen, S. en Chan, S. (2014). Coco’s en het risico van een nieuwe crisis. Economisch Statistische Berichten. Jaargang 99 (4695).

Delen:
Auteur(s)

naar boven