RaboResearch - Economisch Onderzoek

Aan de andere kant van de grens

Special

Delen:

Jenseits der Grenze, à l’autre côté de la frontière

De vele Nederlanders die met de auto op vakantie gaan in Zuid-Europa ervaren het eerste deel van het traject –en bij terugkeer de laatste loodjes– doorgaans als saai en onaantrekkelijk. Pas als de wijnstokken van de Pfalz of Bourgondië in zicht komen, ontstaat er een ‘vakantiegevoel’. Omdat onze directe buren vaak dichterbij zijn dan het lijkt en vaak aan de aandacht van de Nederlander ontsnappen, worden ze hier nu eens in het zonnetje gezet. Dan blijkt dat zich niet alleen sociaal-economische verschillen voordoen tussen Nederland en zijn buren, maar –net zoals binnen Nederland– ook binnen onze buurstaten.

Wie zijn onze directe buren?

In de volksmond grenst Nederland weliswaar aan België en Duitsland, maar dit zijn –anders dan ons land–geen centrale eenheidsstaten, maar federaties van min of meer zelfstandige eenheden. Sinds de vorming van de Bondsrepubliek Duitsland in 1948 grenst Nederland in het oosten aan Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen en sinds 1993 na een reeks Belgische staatshervormingen in het zuiden aan Vlaanderen en aan Wallonië (figuur 1).

Figuur 1: Nederland en zijn directe buren
Figuur 1: Nederland en zijn directe burenBron: Belstat, CBS, Destatis

Hoe doen we het?

Nederland kan zich weliswaar goed meten met deze directe buren, maar voert niet altijd de boventoon. Nedersaksen is in oppervlakte groter dan Nederland en Noordrijn-Westfalen in inwonertal en op het voetbalveld doet niet alleen –zoals gebruikelijk– Die Mannschaft het beter dan Oranje, maar nu ook de Rode Duivels. Nederland heeft van de vijf (deel)staten wel de grootste economie, maar moet Vlaanderen voor zich dulden qua welvaart (tabel 1)[1] [2]. De kwaliteit van leven in Nederland mag er wel zijn, maar ook qua levensverwachting troeven de Vlamingen ons af. De druk op de ruimte is in Vlaanderen –en in Noordrijn-Westfalen– echter ook groter dan in Nederland.

In elk van de vijf (deel)staten zijn de bevolking en de activiteiten die zij onderneemt –en dus de economische productiewaarde– geconcentreerd op slechts een klein deel van het beschikbare oppervlak. Het aandeel van dit bebouwde areaal verschilt echter sterk en dat is niet alleen het gevolg van de verschillen in bevolkingsdichtheid, maar wordt ook veroorzaakt door verschillen in efficiëntie van het ruimtegebruik. In ons land, dat internationaal bekend staat om zijn strikte ruimtelijke ordening, is het aantal inwoners per hectare bebouwd gebied anderhalf maal zo groot als in Vlaanderen en Wallonië en zelfs meer dan tweemaal zo groot als in Nedersaksen. Nederland mag dan –als gevolg van de bevolkingssomvang, economische structuur en hoge welvaart– een forse ecologische voetafdruk hebben, het gebruik van het (beperkte) grondoppervlak is dus veel efficiënter dan in de aangrenzende deelstaten. Ons land beschikt daardoor over relatief veel open ruimte.

Doordat de bevolkingsomvang in ons land de afgelopen decennia veel sterker is toegenomen dan bij onze buren is het aandeel van Nederland in deze groep van vijf –en in het Verenigde Europa als geheel– in de afgelopen decennia groter geworden. Aan deze versterking van de Nederlandse positie is inmiddels echter een einde gekomen doordat de bevolkingsgroei in ons land sterk is afgezwakt. Duitsland heeft al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog te maken met een zeer laag geboortecijfer en ziet zijn positie in Europa demografisch gezien in hoog tempo verzwakken. In Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen neemt de bevolkingsomvang inmiddels al sterk af. Aan de andere kant zijn Vlaanderen, Wallonië en Brussel qua tempo van de bevolkingsgroei ons land juist voorbijgestreefd. De opkomst van Brussel als Europese hoofdstad speelt hierbij een belangrijke rol.

Tabel 1: Kengetallen Nederland en zijn buren
Figuur 2: Kengetallen Nederland en zijn burenBron: Belstat, CBS, Destatis

Regionale verschillen binnen de (deel)staten

Niet alleen tussen Nederland en zijn directe buren, maar ook binnen de vijf (deel)staten doen zich grote verschillen voor in (bevolkings-)dichtheid, welvaart en ontwikkeling voor[3]. De bevolking en haar activiteiten zijn zeer ongelijkmatig over de vijf (deel)staten verspreid (figuur 2). Het Roergebied, de Randstad en de Vlaamse Ruit –Antwerpen-Gent-Brussel-Leuven– zijn veruit de grootste concentraties van mensen en activiteiten. Daarmee volgt de spreiding van bevolking en activiteiten in Nederland, Vlaanderen en Nedersaksen nog altijd het patroon dat zich tijdens de Middeleeuwen ontwikkelde. Het nederzettingenpatroon in Noordrijn-Westfalen en Wallonië kwam echter voornamelijk tijdens de industriële revolutie tot stand. Het verschil in efficiëntie van het ruimtegebruik tussen Nederland en zijn buren komt tot uiting in het contrast tussen het –in meer of mindere mate bebouwde areaal– en het buitengebied in de vijf (deel)staten. In Nederland zijn de grootstedelijke gebieden duidelijk te onderscheiden van niet verstedelijkt gebied, maar in Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen worden ze omgeven door een zeer omvangrijk ‘verrommeld’ areaal. De openheid van Noordoost-Nederland wordt alleen in de Ardennen en in de Harz geëvenaard.

Figuur 2: Verstedelijkingspatroon 2013
Figuur 2: Verstedelijkingspatroon 2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

De grote steden in Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Wallonië liggen dicht bij de Nederlandse grens. Daardoor is de afstand tussen een aantal regio’s in Zuid-Nederland en deze omvangrijke buitenlandse afzetmarkten en centra van voorzieningen en werkgelegenheid doorgaans kleiner dan de afstand tot de Randstad. Ook de grensregio’s in het oosten van het land liggen dichter bij het Roergebied en een aantal andere stedelijke centra in Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen dan bij de Randstad. De aantrekkelijkheid van deze Duitse centra voor de Nederlandse grensregio’s is echter betrekkelijk. Het Roergebied stagneert al decennia lang in economisch en demografisch opzicht en de andere steden in Duitsland zijn veel kleiner dan de Randstad.

Krimp en groei

Qua tempo van de bevolkingsontwikkeling zijn de verschillen tussen de (deel)staten weliswaar het meest opmerkelijk, maar toch doen zich ook hierbij forse regionale verschillen voor. Het patroon van de bevolkingsontwikkeling in Nederland en de Duitse deelstaten komt sterk overeen. Met uitzondering van een aantal oude industrie- en mijnsteden die kampen met het verlies van hun economische basis –Roergebied, Parkstad Limburg, Emmen, Veenkoloniën–zien de grootstedelijke gebieden hun bevolkingsomvang toenemen. Daarbuiten daalt of stagneert de bevolkingsomvang echter, –met uitzondering van Flevoland en het Oldenburger Land. In Vlaanderen en Wallonië neemt de bevolking –door de combinatie van sterke landelijke groei en soepele ruimtelijke ordening– echter in vrijwel alle gemeenten toe.

De regionale bevolkingsprognose van de Europese Unie voorziet voor de komende decennia geen verandering in dit patroon. In de komende 25 jaar zal de bevolkingsomvang in de Regierungsbezirken van Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen met 5% tot 15% afnemen, behalve in Keulen. De Belgische provincies kunnen echter een groei van meer dan 15% tegemoet zien, met uitzondering van West-Vlaanderen en Limburg. In Nederland groeien de provincies in de Randstad met meer dan 10% maar daarbuiten stagneert of krimpt de bevolkingsomvang.

Figuur 3: Bevolkingsontwikkeling 2008-2013
Figuur 4: Bevolkingsontwikkeling 2008-2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

Verschillen in economisch profiel tussen en binnen de (deel)staten

Zowel in Nederland als bij de buren domineren de dienstverlenende sectoren in hoge mate de werkgelegenheid (figuur 4[4]). In Nederland en Wallonië is het aandeel van deze sectoren in de werkgelegenheid met 80% nog wat groter dan in Vlaanderen en in de beide Duitse deelstaten. Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen hebben in vergelijking met Nederland een sterk industrieel profiel, maar voor Wallonië valt –als teken van zwakte van de Waalse economie–het zeer grote aandeel op dat de overheid er in de werkgelegenheid heeft. Nederland heeft van de vijf (deel)staten veruit het grootste aandeel van transport, handel en commerciële diensten, het kleinste aandeel van openbaar bestuur, onderwijs en zorg en –samen met Nedersaksen– veruit het grootste aandeel van de landbouw in de werkgelegenheid.

Figuur 4: Samenstelling werkgelegenheid in vier sectoren 2013
Figuur 4: Samenstelling werkgelegenheid in vier sectoren 2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

De diensten vormen in werkgelegenheid gemeten in vrijwel alle gemeenten en Kreisen in de vijf (deel-) staten veruit de belangrijkste activiteit. Desondanks bieden verschillen in de mate van concentratie[5] van de vier activiteiten toch inzicht in regionale verschillen in economisch profiel. In een groot deel van Nederland en de beide Duitse deelstaten heeft de landbouw de hoogste concentratie-index van de vier activiteiten, maar in Vlaanderen en Wallonië is dat in geen van de gemeenten het geval (figuur 5). Het westelijke deel van het Roergebied, het Sauerland, enkele regio’s in Vlaanderen en Wallonië, IJmond/Zaanstreek en een groot aantal gemeenten in Zuid- en Oost-Nederland vertonen een industrieel profiel. Commerciële diensten voeren de boventoon in de Noordvleugel van de Randstad, Brussel/Antwerpen, Hannover, Keulen en enkele Roersteden. In Haaglanden, enkele provinciehoofdsteden, de voormalige Duitse hoofdstad Bonn, in enkele delen van het landelijke gebied in Nederland, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen en in het overgrote deel van de beide Belgische gewesten zijn bestuur, onderwijs en zorg dominant in de werkgelegenheid. Deze dominantie van verzorgende activiteiten in Vlaanderen en Wallonië weerspiegelt de sterke ruimtelijke spreiding van de bevolking.

Figuur 5: Typering economische structuur op basis van sectorsamenstelling werkgelegenheid 2013
Figuur 5: Typering economische structuur op basis van sectorsamenstelling werkgelegenheid 2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

Regionale variatie in economische prestatie

Doordat de wijze waarop de werkgelegenheid wordt gepresenteerd per (deel-)staat verschilt, kunnen we de ontwikkeling van de werkgelegenheid voor de vijf (deel-)staten niet onder één noemer brengen. Ten opzichte van het gemiddelde per (deel-)staat kunnen de regionale verschillen echter wel worden getoond (figuur 6). In een groot deel van Nederland en Nedersaksen bleef de werkgelegenheidsgroei achter bij de landelijke ontwikkeling. In beide andere (deel)staten was alleen in Aken, het oostelijke deel van het Roergebied en in delen van West-Vlaanderen en Limburg sprake van een relatief ongunstige ontwikkeling. In Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen was de werkgelegenheidsontwikkeling dus tamelijk verspreid, maar in Nederland en Nedersaksen was de banengroei juist geconcentreerd. In Nedersaksen deed zich hierbij een behoorlijke samenhang met de bevolkingsdichtheid en het aandeel van de dienstverlening in de werkgelegenheid voor. In de drie andere (deel-)staten was er tijdens de eerste jaren van de recente economische crisis echter nauwelijks sprake van samenhang met dichtheid en sectorstructuur.

Figuur 6: Ontwikkeling van de werkgelegenheid 2008-2011
Figuur 6: Ontwikkeling van de werkgelegenheid 2008-2011Bron: Belstat, CBS, Destatis

Regionale variatie in arbeidsparticipatie

Niet alleen het bedrijfsleven, maar ook de bevolking van de vijf (deel-)staten vertoont forse regionale verschillen in economische activiteit. In Nederland is de mate waarin de bevolking actief is op de arbeidsmarkt hoog in de grote steden en in gebieden met een agrarisch profiel. In Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen is de arbeidsparticipatie in de grote steden doorgaans juist relatief laag (figuur 7). Mogelijk speelt hier een rol dat in Nederland de jonge, hoogopgeleide beroepsbevolking zich in hoge mate richt op de grote steden en hun omgeving, terwijl de bevolking in de Belgische gewesten en de Duitse deelstaten in het algemeen sterk is verspreid en daardoor ook de beroepsbevolking aldaar. De hoogste arbeidsparticipatie doet zich hier voor in West-Vlaanderen en het Osnabrücker Land.

Het is opmerkelijk dat regio’s met een lage arbeidsparticipatie in Oost- en Zuid-Nederland grenzen aan regio’s met een hoge arbeidsparticipatie in Vlaanderen, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. De lage arbeidsparticipatie in deze Nederlandse regio’s kan het gevolg zijn van hun geringe werkgelegenheidsdichtheid. Inwoners van deze regio’s zijn minder actief op de arbeidsmarkt omdat er weinig werkgelegenheid is. Aan de andere kant van de grens doet dit ‘discouraged worker’-effect zich –dankzij de relatief sterke spreiding van de verstedelijking–echter niet voor. Voor de inwoners van Nederlandse grensregio’s kan het dan ook geen kwaad de blik te richten op de arbeidsmarkt over de grens. De Randstad mag dan (te) ver weg zijn, Osnabrück en Gent zijn dat niet.

Figuur 7: Netto arbeidsparticipatie 2013
Figuur 7: Netto arbeidsparticipatie 2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

Nederland en zijn buren komen wel overeen in het ruimtelijke patroon van de werkloosheid (figuur 8). Deze is het grootst in de grote steden –Rotterdam, Antwerpen, Essen en Dortmund– en in landelijk gebied dat op grote afstand is gelegen van de economische centra, zoals Noord-Nederland en delen van Nedersaksen. Een dienstverlenend profiel gaat doorgaans dan ook gepaard met hoge werkloosheid. De werkloosheid is in het algemeen echter relatief laag in gemeenten en Kreisen met een agrarisch profiel of –behalve in Nederland– in gemeenten met een industrieel profiel, zoals in West- en Oost-Vlaanderen en Emsland.

Figuur 8: Werkloosheid 2013
Figuur 8: Werkloosheid 2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

Regionale variatie in welvaart

Evenmin als de werkgelegenheidsgroei kunnen we de welvaart in de vijf (deel-)staten onder één noemer brengen. Maar ook voor de welvaart is wel een vergelijking van de regionale variatie mogelijk. Net als voor de werkloosheid komt ook voor de welvaart het ruimtelijke patroon in de vijf (deel)staten overeen (figuur 9). Perifeer landelijk gebied en grote steden kennen doorgaans een laag inkomen per persoon, maar het ommeland van die steden is juist welvarend. De hoogste inkomens vinden we in de gemeenten ‘op zand’ in de Noordvleugel van de Randstad, in Waals-Brabant, in het Bergisch Land en aan de zuidkant van Hamburg.

Figuur 9: Welvaart ten opzichte van gemiddelde (deel)staten 2013
Figuur 9: Welvaart ten opzichte van gemiddelde (deel)staten 2013Bron: Belstat, CBS, Destatis

Tot besluit

Nederland vergelijkt zich als onafhankelijke staat doorgaans met andere Europese staten, die in een aantal gevallen veel groter zijn dan ons land. De Belgische gewesten en Duitse deelstaten die aan Nederland grenzen, komen qua schaal meer overeen met ons land. Nederland is ten opzichte van deze buren beslist geen ‘kleintje’. Zowel tussen deze (deel-)staten als daarbinnen is echter sprake van een forse variatie in dichtheid, ontwikkeling en welvaart. Zowel in Nederland als bij de buren staan minder welvarende en weinig dynamische regio’s tegenover rijke en dynamische gebieden. In de minder dynamische delen van ons land wordt de afstand tot de grote, welvarende Randstad vaak als oorzaak van de achterstand gezien. Centra aan de andere kant van de grens zijn vaak dichterbij dan de Randstad en bieden mogelijk kansen als arbeidsmarkt en afzetmarkt.

Voetnoten

[1] Nedersaksen inclusief Bremen.

[2] Het BBP per inwoner in Vlaanderen, Wallonië en Brussel is gecorrigeerd voor de omvangrijke pendel vanuit Vlaanderen en Wallonië naar Brussel. Inwoners van Vlaanderen en Wallonië tekenen voor een groot deel van de economische waarde die in het Brusselse gewest tot stand wordt gebracht.

[3] Voor de kenmerken die hier aan de orde komen, biedt Eurostat alleen inzicht op het niveau van de (deel)staten, provincies en Regierungsbezirke. Deze indeling is nogal grof en sluit bovendien niet aan bij de sociaal-economische variatie binnen de (deel)staten. Daarom hebben we hier gebruik gemaakt van data op gemeente- en Kreisniveau van de nationale statistische bureaus. Nadeel hiervan is dat deze data niet altijd even recent zijn en dat voor enkele kenmerken de definities verschillen, zoals de werkloosheid. In dat geval is de regionale variatie in de vorm van standaarddeviaties ten opzichte van het gemiddelde van de betreffende (deel-)staat gepresenteerd.

[4] De primaire sector omvat de productie van voedsel (landbouw), de secundaire sector de productie van fysieke goederen en objecten (delfstoffenwinning, industrie en bouwnijverheid), de tertiaire sector transport, handel en commerciële dienstverlening en de quartaire sector diensten die doorgaans uit collectieve middelen worden betaald (openbaar bestuur, onderwijs en zorg).

[5] De concentratie-index drukt het aandeel van een gebied in een economische sector uit in het aandeel van dat gebied in de totale economie van een (deel)staat. Als een sector in een gebied een index met een waarde van meer dan ‘1’ heeft, geeft dat aan dat die sector in belangrijke mate in dat gebied is geconcentreerd.

Delen:
Auteur(s)

naar boven