RaboResearch - Economisch Onderzoek

Vermogen en schokbestendigheid van woningeigenaren en huurders

Special

Delen:
  • Een groot deel van het vermogen van Nederlandse huishoudens zit vast in de woning of in de pensioenopbouw. Voor de schokbestendigheid op korte termijn zijn juist de liquide vermogenscomponenten van belang, zoals spaargeld en verhandelbare beleggingen.
  • Tenminste 2,3 miljoen huishoudens hebben een liquide vermogen lager dan € 5.000 en dus een zeer lage schokbestendigheid. Deze groep bestaat vooral uit huurders.
  • Deze groep bestaat niet alleen uit huishoudens met een laag inkomen. Ook een aanzienlijk deel van de huishoudens met een middeninkomen of een hoger inkomen is kwetsbaar bij financiële tegenslagen.
  • Recente beleidswijzigingen ten aanzien van pensioenopbouw en hypotheekverstrekking beïnvloeden de schokbestendigheid van huishoudens.

Inleiding

Nederlandse huishoudens zijn gemiddeld behoorlijk vermogend. Tegelijkertijd zijn er huishoudens die nauwelijks vermogen hebben. De aandacht voor vermogensverdeling is in 2014 sterk gestegen, vooral dankzij het boek Kapitaal in de 21e eeuw van de Franse econoom Thomas Piketty. Wanneer we het pensioenvermogen niet meerekenen, heeft een grote groep huishoudens een laag vermogen, zo stelde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in een verkenning (WRR, 2014).

Het netto vermogen van huishoudens is het saldo van (bruto) bezittingen en (bruto) schulden. Een laag (of zelfs negatief) netto vermogenssaldo hoeft dus niet te betekenen dat deze huishoudens geen geld op de bank hebben staan. Het kan ook betekenen dat hun spaargeld en de waarde van eventuele beleggingen onvoldoende zijn om de onderwaarde van hun woning te compenseren. Om beter zicht te krijgen op de vermogenspositie van huishoudens richt dit artikel zich op de verschillende componenten die deel uitmaken van het vermogen van huishoudens.

Vermogensopbouw stelt huishoudens in staat om de mogelijkheden voor toekomstige consumptie te vergroten. Het opbouwen van pensioenvermogen is erop gericht de consumptie op de lange termijn, na pensionering, veilig te stellen. In Nederland bouwen werknemers in loondienst veel vermogen op in collectieve pensioenregelingen en hoeven zij dus verhoudingsgewijs weinig zelf te sparen voor de oude dag. Daarnaast bouwen huishoudens zelf vermogen op om de consumptiemogelijkheden op de korte of middellange termijn te vergroten. We kunnen hierbij denken aan spaardoelen als een toekomstige vakantie, de aankoop van een woning of de studie van kinderen. Ook sparen huishoudens uit voorzorg: om een buffer te hebben voor onverwachte uitgaven of om hun consumptie niet al te sterk te laten dalen bij een inkomensterugval. Voor het bereiken van spaardoelen op korte of middellange termijn en een buffer voor onverwachte tegenslag is niet zozeer het totale vermogenssaldo (vorderingen minus schulden, ofwel ‘solvabiliteit’) van belang, maar de mate waarin huishoudens het opgebouwde vermogen snel kunnen aanwenden voor consumptie (‘liquiditeit’). De meest liquide vermogenscomponenten bestaan uit contant geld, snel opvraagbare spaartegoeden en goed verhandelbare beleggingsportefeuilles. Huishoudens met lage liquide financiële bezittingen zijn potentieel het meest kwetsbaar omdat zij nauwelijks schokbestendig zijn en nauwelijks sparen voor een specifiek doel. Die kwetsbaarheid wordt mede bepaald door hun mogelijkheden om op korte termijn op verantwoorde wijze geld te lenen om tegenvallers op te vangen.

Ontwikkeling vermogenssaldo woningeigenaren en huurders

De waardeontwikkeling van het woningbezit heeft een grote invloed op het totale vermogen van huishoudens met een eigen woning. Dit zijn circa 57% van alle huishoudens. We zien dan ook dat het vermogen van huishoudens met een koopwoning zich anders heeft ontwikkeld dan dat van huishoudens met een huurwoning.

In de decennia voor de crisis stegen de huizenprijzen sterk, waardoor woningeigenaren een aanzienlijk vermogen konden opbouwen. In de jaren na de crisis daalden de huizenprijzen fors. Hierdoor groeide de groep huizenbezitters met een hypotheekschuld die hoger is dan de waarde van hun woning (CBS, 2014). Wanneer vervolgens de totale waarde van spaartegoeden en eventuele beleggingen onvoldoende is om de onderwaarde op de woning te compenseren, dan is het totale vermogen negatief.

Box 1: Definities en bronnen

Het vermogen van huishoudens bestaat uit een aantal onderdelen. Allereerst zijn er de (bruto) financiële vorderingen (bezittingen), bestaande uit contant geld, banktegoeden (betaal- en spaarrekeningen) en beleggingen. In de Nationale Rekeningen rekent het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ook de reserves die pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen aanhouden toe aan huishoudens. Hoewel huishoudens hier niet rechtstreeks over kunnen beschikken vóór pensionering, vormt deze financiële vordering ruim 60% van de totale financiële vorderingen. Tegenover de financiële vorderingen staan de (bruto) schulden. Het saldo van beide is het netto financiële vermogen.

Daarnaast is er het (bruto) niet-financiële vermogen van huishoudens, dat voornamelijk bestaat uit de waarde van de eigen woning.

In de context van dit artikel bedoelen we met de term vermogenssaldo het totale netto financiële en niet-financiële vermogen van huishoudens exclusief pensioenopbouw, tenzij anders aangegeven. Dit komt overeen met het vermogen in de CBS Statline-tabel ‘Samenstelling vermogen: particuliere huishoudens naar kenmerken’, die voor dit artikel is gebruikt. Deze tabel geeft de hoogte van verschillende vermogenscomponenten, behalve het pensioenvermogen, voor verschillende typen huishouden. Zo is het mogelijk om de huishoudens in te delen naar kenmerken als leeftijd, vermogenssaldo of inkomen. Een gelijktijdige indeling naar meer soorten kenmerken –bijvoorbeeld zowel leeftijd als inkomen- is echter niet mogelijk. De meest recente cijfers in deze tabel zijn de bedragen per 1 januari 2013.

Woningeigenaren

Sinds de crisis zijn er zijn méér woningeigenaren bijgekomen met een negatief vermogen, terwijl het aantal woningeigenaren met een hoog vermogen is afgenomen (figuur 1).

Figuur 1: Aantal woningeigenaren naar vermogenssaldo
Figuur 1: Aantal woningeigenaren naar vermogenssaldoBron: CBS Statline. In de Statline-tabel ‘Samenstelling vermogen: particuliere huishoudens naar kenmerken’ is het pensioenvermogen niet opgenomen. Cijfers voor 2013 zijn voorlopige cijfers.
Figuur 2: Aantal huurders naar vermogenssaldo
Figuur 1: Aantal huurders naar vermogenssaldoBron: CBS Statline. In de Statline-tabel ‘Samenstelling vermogen: particuliere huishoudens naar kenmerken’ is het pensioenvermogen niet opgenomen. Cijfers voor 2013 zijn voorlopige cijfers.

Voor de meeste woningeigenaren is dit vermogensverlies alleen een ‘papieren’ verlies, dat naar verwachting weer geleidelijk verdwijnt als de huizenprijzen stijgen. Bij een gemiddelde prijsstijging van 1% in 2014 en van 2% of meer in 2015 zullen eind 2015 ruim 200.000 woningeigenaren met onderwaarde weer ‘boven water’ komen. Wanneer de huizenprijzen met 2% per jaar blijven stijgen, is in 2019 de helft van het aantal huishoudens van wie de woning in 2014 onder water stond weer ‘boven water’. Bij de huishoudens die nog onder water staan is de onderwaarde dan afgenomen. Een uitgebreide beschrijving van huishoudens met onderwaarde en de invloed van prijsstijgingen en aflossingen in verschillende scenario’s is te lezen in ons Themabericht Herstelvermogen van huishoudens die onder water staan.

Pas bij verkoop van de woning ontstaat er een daadwerkelijke restschuld. Een negatief netto vermogen door onderwaarde heeft dus de meeste impact op huishoudens die moeten of willen verhuizen, bijvoorbeeld door een inkomensterugval, scheiding of gezinsuitbreiding. Dat wil niet zeggen dat een ‘papieren’ vermogensverlies geen enkel effect heeft. Een nieuwe empirische studie van het Centraal Planbureau (Van Beers et al., 2015) bevestigt dat huishoudens extra sparen en aflossen als de huizenprijzen dalen. Dit drukt de consumptie en daarmee de economische groei.

Huurders

De vermogensverdeling onder huurders is sinds 2006 nauwelijks veranderd. Waar we de woningeigenaren vooral aantreffen bij zowel de negatieve als de hoge netto vermogens, zien we huurders vooral terug bij de lage vermogens (figuur 2). Circa 1,8 miljoen huishoudens met een huurwoning hebben zelfs een zeer laag vermogen (exclusief pensioenaanspraken) van tussen de € 0 en € 5.000 per huishouden. Dit is ruim de helft van alle huurders en bijna een kwart van alle Nederlandse huishoudens. Een deel van deze groep zal bestaan uit jonge huishoudens die nog weinig tijd hebben gehad om vermogen op te bouwen en ouderen die juist ontsparen. Voor jonge of oude huishoudens is een laag vermogen vaak een tijdelijke kwestie. Daarnaast bestaat er ook een grote groep huurders met een laag vermogen van wie het ‘hoofd’ van het huishouden tussen de dertig en zeventig jaar oud is.[1] Het is dus zeer waarschijnlijk dat er een groep huurders is bij wie het lage vermogen van langduriger aard is.

We concluderen dat ‘laag vermogen’ bij huurders van een geheel andere omvang en aard is dan bij woningeigenaren. De groep woningeigenaren met een laag netto vermogen is, in vergelijking met huurders, relatief klein en bij een doorzettende stijging van de huizenprijzen zal hun vermogenspositie zich de komende jaren geleidelijk weer herstellen. De groep huurders met een laag vermogen is daarentegen veel groter en we verwachten niet dat deze groep de komende jaren in omvang zal afnemen.

Zoals gezegd biedt het totale vermogen maar beperkte informatie over de schokbestendigheid van huishoudens. Om een beter beeld te krijgen van de schokbestendigheid van huishoudens met een laag vermogen richt de volgende paragraaf zich op de liquiditeit van de verschillende vermogenscomponenten.

Schokbestendigheid: liquide versus illiquide vermogenscomponenten

Vermogen dat vastzit -in de woning, de eigen onderneming of in de pensioenopbouw- is illiquide en kan niet direct worden aangewend voor consumptie.[2] De mogelijkheden om ‘illiquide’ vermogen weer liquide te maken zijn voor veel huishoudens beperkt. Het pensioenvermogen kan niet voortijdig worden aangesproken. Huishoudens met een eigen woning waarvan de waarde hoger is dan de hypotheek kunnen eventueel de hypotheek verhogen, mits het inkomen dit toelaat, maar woningbezitters waarvan de woning ‘onder water’ staat of huurders hebben deze optie niet. Bij overwaarde is woningverkoop ook een optie, maar dit is tijdrovend en brengt kosten met zich mee.

Voor de schokbestendigheid op korte termijn zijn daarom de zogeheten liquide financiële vorderingen het belangrijkst. Deze bestaan uit contant geld, (direct opvraagbaar) spaargeld en verhandelbare beleggingen. In Nederland bestaat circa 85% van het banktegoed van huishoudens uit rekeningcouranttegoeden of direct opvraagbare (internet-)spaarrekeningen. Slechts 15% staat op een termijndeposito. Voor dit artikel beschouwen we banktegoeden daarom als een liquide vordering.

Huishoudens kunnen hun liquide financiële vorderingen inzetten om een geplande aankoop te verrichten. Ook zorgen de liquide financiële vorderingen voor schokbestendigheid: huishoudens kunnen liquide vorderingen inzetten voor onverwachte uitgaven of om bij een plotselinge daling van het besteedbaar inkomen de consumptiedaling te beperken. Huishoudens met lage liquide vorderingen zijn financieel kwetsbaar doordat zij nauwelijks schokbestendig zijn. Volgens het Nibud (Warnaar, M. en Van Galen, C., 2012) is de minimaal benodigde buffer voor onverwachte uitgaven tussen de € 3.550 en € 5.900 per huishouden, afhankelijk van de gezinssamenstelling. Als het inkomen kan fluctueren is daarnaast een extra buffer wenselijk voor het opvangen van een eventuele inkomensterugval.

Er is een U-vormig verband tussen de hoogte van het totale vermogen en de aanwezigheid van specifieke vermogenscomponenten. In de vorige paragraaf zagen we al dat woningbezit vooral voorkomt onder huishoudens met een negatief vermogen of juist een relatief hoog vermogen. Dit U-vormig verband geldt ook voor ondernemingsvermogen of effectenbezit (figuur 3).

Figuur 3: Percentage huishoudens per vermogensklasse met eigen woning, effectenportefeuille of ondernemingsvermogen 1-1-2013
Figuur 3: Percentage huishoudens per vermogensklasse met eigen woning, effectenportefeuille of ondernemingsvermogen 1-1-2013Bron: CBS Statline

De groep huishoudens met een negatief vermogenssaldo (1,1 miljoen huishoudens) bestaat vrijwel geheel uit woningbezitters (95%, figuur 3). Ook heeft ongeveer 18% van de huishoudens met een negatief vermogen een effectenportefeuille en 15% heeft ondernemingsvermogen.

Dit vormt een sterk contrast met de huishoudens met een vermogenssaldo van € 0 - € 5.000. Dit is een zeer grote groep van 1,86 miljoen huishoudens die doorgaans géén eigen woning, effecten of ondernemingsvermogen hebben; naast eventuele pensioenopbouw is het banktegoed de enige aanwezige vermogenscomponent.

Wanneer we kijken naar de gemiddelde hoogte van de banktegoeden en beleggingen dan valt op dat huishoudens met een negatief vermogen niet de minst liquide huishoudens zijn (figuur 4).

Figuur 4: Mediaan bedrag banktegoed en effecten naar vermogenssaldo op 1-1-2013
Figuur 4: Mediaan bedrag banktegoed en effecten naar vermogenssaldo op 1-1-2013Bron: CBS Statline. De 146.000 huishoudens met een netto vermogen van boven de € 1 miljoen zijn in deze figuur niet afgebeeld.

Huishoudens met een negatief vermogen hebben gemiddeld een banktegoed van ruim € 12.000. Het mediane banktegoed bedraagt circa € 5.000, dus we kunnen stellen dat ongeveer de helft van de huishoudens met een negatief vermogenssaldo een banksaldo lager dan € 5.000 heeft. Deze huishoudens hebben dus een zeer beperkte buffer. De andere helft heeft juist een banksaldo hóger dan € 5.000 en een kwart heeft een banktegoed van meer dan € 14.000. Binnen de groep van 1,1 miljoen huishoudens met een negatief vermogenssaldo heeft 18% van de huishoudens tevens een effectenportefeuille, met een gemiddelde waarde van € 21.000. We veronderstellen dat de huishoudens met beleggingen niet degenen zijn met het laagste banktegoed. De rest van dit artikel richt zich daarom op huishoudens met een laag banktegoed.

De huishoudens met een vermogenssaldo tussen de € 0 en € 5.000 hebben een gemiddeld banktegoed van slechts € 1.700. Zoals beschreven in de vorige paragraaf bestaat deze groep voornamelijk uit huurders. Hun gemiddelde banktegoed is daarmee zeven keer zo laag als het gemiddelde banktegoed van huishoudens met een negatief vermogenssaldo, een groep die voornamelijk uit woningeigenaren bestaat.

Wanneer we de informatie over huishoudens met een negatief vermogen en over degenen met een vermogenssaldo lager dan € 5.000 combineren, dan komen we op minimaal 2,3 miljoen huishoudens[3] met een banktegoed lager dan € 5.000, ofwel ruim 30% van alle Nederlandse huishoudens. De totale groep huishoudens met een banktegoed lager dan € 5.000 is waarschijnlijk nóg iets groter. Het is namelijk mogelijk dat zich onder de woningeigenaren met een vermogenssaldo hoger dan € 5.000 nog een groep bevindt met een zeer laag banksaldo waarbij het positieve vermogenssaldo vooral te danken is aan overwaarde op de woning. Dit valt echter niet uit de beschikbare Statline-statistieken te distilleren.

De groep van (minimaal) 2,3 miljoen huishoudens met een banktegoed lager dan € 5.000 heeft niet alleen een te lage buffer voor onverwachte tegenslagen, maar heeft ook nauwelijks gespaard voor een specifiek doel, zoals een grote aankoop of studiekosten. Huishoudens met zowel een laag inkomen als een laag vermogen hebben nauwelijks mogelijkheden om dit vermogen alsnog op te bouwen, terwijl huishoudens met een hoger inkomen er gemakkelijker voor kunnen kiezen om hun uitgaven te verminderen en meer te sparen – in ieder geval in theorie. In de volgende paragraaf onderzoeken we in welke mate de groep huishoudens met een laag vermogen en de groep met een laag inkomen elkaar overlappen.

Laag banktegoed ook bij middeninkomens en hogere inkomens

Huishoudens met een hoger inkomen hebben doorgaans ook een hoger vermogen. Ook hebben zij doorgaans een hoger banktegoed, zoals te zien is in figuur 5.

Figuur 5: Mediaan banktegoed naar inkomensdeciel per 1-1-2013
Figuur 5: Mediaan banktegoed naar inkomensdeciel per 1-1-2013Bron: CBS Statline

Binnen een inkomensdeciel kunnen de verschillen groot zijn. Doordat een kleine groep huishoudens met een zeer laag inkomen toch een zeer hoog banktegoed heeft, komt het gemiddelde banktegoed in het eerste inkomensdeciel uit op bijna € 16.000. In plaats van het gemiddelde hanteren we daarom het mediane bedrag als maatstaf. Het mediane banktegoed in het eerste inkomensdeciel bedraagt circa € 2.000 (figuur 5 en tabel 1), wat betekent dat de helft van deze huishoudens een banktegoed heeft dat lager is dan dit bedrag. De andere helft heeft een banktegoed hoger dan € 2.000 en een kwart hoger dan circa € 8.000. Tabel 1 laat zien dat er ook in de andere inkomensdecielen een grote spreiding is rond het gemiddelde banktegoed.

Tabel 1: Hoogte banktegoed per inkomensdeciel 1-1-2013
Tabel 1: Hoogte banktegoed per inkomensdeciel 1-1-2013Bron: CBS Statline. Bedragen lager dan € 5.000 zijn rood gemarkeerd.

Op 1 januari 2013 waren er 7,46 miljoen huishoudens in Nederland, dus ieder inkomensdeciel in figuur 5 en tabel 1 omvat 746.000 huishoudens. Deze tabel laat zien dat de eerder genoemde 2,3 miljoen huishoudens met een zeer laag banktegoed (lager dan € 5.000) niet geclusterd zijn binnen de laagste inkomensdecielen, maar juist verspreid zijn over bijna alle inkomensdecielen. Het gaat om meer dan de helft van de huishoudens in het eerste en tweede inkomensdeciel, ongeveer de helft van het derde inkomensdeciel, meer dan een kwart van de huishoudens in het vierde tot en met het zevende inkomensdeciel en ongeveer een kwart van het achtste inkomensdeciel. Op deze manier is af te leiden dat van de huishoudens met een banktegoed lager dan € 5.000 zich er minimaal één miljoen in de laagste drie inkomensdecielen bevinden en ook minimaal één miljoen in de midden- en hogere decielen.

We concluderen dat een laag banktegoed zowel voorkomt bij huishoudens met een laag inkomen als bij huishoudens met een midden- of hoger inkomen. De mogelijkheid van huishoudens om liquide vermogen op te bouwen wordt niet alleen beïnvloed door de hoogte van het inkomen, maar ook door de hoogte van de verplichte opbouw van illiquide vermogen. De volgende paragraaf bespreekt daarom de impact van recente beleidswijzigingen op het gebied van pensioenopbouw en hypotheekverstrekking.

Invloed recente beleidsmaatregelen

Naarmate huishoudens verplicht zijn om meer illiquide vermogen op te bouwen, blijft er minder ruimte over voor consumptie en de opbouw van vrij besteedbaar (liquide) financieel vermogen. Beleidsmaatregelen op het gebied van pensioenopbouw of hypotheekverstrekking hebben daarom gevolgen voor de schokbestendigheid van huishoudens. Veranderingen in de sociale zekerheid, zoals het verkorten van de WW-duur, verkleinen het collectieve vangnet en vergroten zodoende het belang van een eigen buffer.

Woningeigenaren hebben een groot deel van hun vermogen in hun woning ondergebracht. Sinds 2013 komen starters op de woningmarkt alleen nog in aanmerking voor hypotheekrenteaftrek als zij hun hypotheek in dertig jaar volledig annuïtair of lineair aflossen. De netto maandlasten van een dergelijke hypotheek liggen aanzienlijk hoger dan bij een (gedeeltelijk) aflossingsvrije of bankspaarhypotheek, waardoor er evenredig minder overblijft voor consumptie of vrije besparingen. Nieuwe woningeigenaren bouwen zodoende weliswaar huizenvermogen op, maar hebben minder ruimte om zelf een spaartegoed op te bouwen dan degenen die vóór 2013 een woning kochten. Door het verplichte aflossen zijn nieuwe woningeigenaren, enigszins paradoxaal, langer kwetsbaar voor tegenvallers dan wanneer zij minder zouden aflossen en meer geld op hun spaarrekening zouden zetten.

Het beperken van het maximale bedrag dat huishoudens kunnen lenen kan zowel een positief als een negatief effect hebben op de schokbestendigheid van woningeigenaren. De aanscherping van de Nibud-normen, die voorschrijven welk deel van het inkomen aan hypotheeklasten mag worden besteed (Loan-to-Income), zal de schokbestendigheid verbeteren: wanneer huishoudens een kleiner deel van het inkomen aan hypotheeklasten besteden, blijft er meer over om te sparen en zo een buffer op te bouwen. Het beperken van de maximale hypotheeksom ten opzichte van de woningwaarde (Loan-to-Value) maakt huishoudens juist minder schokbestendig. Starters moeten steeds meer eigen geld meebrengen bij de aankoop van een woning, waardoor zij hun opgebouwde spaartegoed bij aankoop van een woning vrijwel volledig hieraan besteden.

Werknemers bouwen verplicht pensioenvermogen op. Nu de pensioenopbouw per 1 januari 2015 is verlaagd (Witteveenkader), verlagen veel pensioenfondsen de premies, waardoor het netto inkomen van werknemers stijgt. Werknemers bouwen dus minder (illiquide) pensioenvermogen op en hebben meer ruimte om zelf te sparen. De vraag is in hoeverre zij dit ook echt zullen gaan doen; zij kunnen er namelijk ook voor kiezen om het extra inkomen te consumeren. Het is te hopen dat de groep met een laag liquide vermogen ervoor kiest om een deel van dit extra inkomen te sparen.

Niet alleen banken proberen het sparen te stimuleren, met producten als doelsparen, periodesparen, saldosparen en pinsparen. Ook in andere sectoren is er aandacht voor de beperkte schokbestendigheid van huishoudens. Zorgverzekeraars zagen zich de afgelopen jaren geconfronteerd met een toename van betalingsachterstanden. Zo heeft een steeds grotere groep verzekerden onvoldoende gespaard om het steeds hoger geworden eigen risico te kunnen betalen. Veel zorgverzekeraars (Independer, 2014) hebben hierop beleid ontwikkeld en bieden een spaaroptie waarbij klanten het wettelijke eigen risico van € 375 per jaar (tarief 2015) gespreid betalen in maandelijkse termijnen. Klanten die het eigen risico niet volledig gebruiken, krijgen het teveel betaalde bedrag aan het einde van het jaar weer teruggestort.

Conclusie

Om een oordeel te vormen over de schokbestendigheid van huishoudens geeft een blik op het totale vermogen van huishoudens een onvolledig beeld. Huishoudens die te maken hebben met onverwachte uitgaven of een inkomensterugval kunnen op korte termijn alleen gebruik maken van het liquide deel van hun vermogen, zoals spaargeld en verhandelbare beleggingen.

Meer dan 2,3 miljoen huishoudens, onder wie circa 1,8 miljoen huurders en minimaal 0,5 miljoen woningeigenaren, hebben een zeer laag liquide vermogen. Dit betekent dat zij nauwelijks een buffer hebben om geplande of onverwachte extra uitgaven te bekostigen of om op terug te vallen bij een inkomensdaling. Deze groep bestaat zowel uit huishoudens met een laag als huishoudens met een hoger inkomen. Beide groepen zijn kwetsbaar bij financiële tegenslagen.

De huishoudens in de laagste inkomensdecielen kunnen moeilijk extra sparen om hun buffers te versterken. Pas wanneer hun inkomen stijgt kunnen zij meer sparen. Een substantiële inkomensstijging is vooral te verwachten bij jongere huishoudens met goede carrièreperspectieven. Huishoudens met een laag banktegoed, een laag overig vermogen én een laag inkomen hebben op dit moment nauwelijks mogelijkheden om extra te sparen of extra uitgaven te doen. Bij onverwachte uitgaven zullen zij snel in de financiële problemen raken. Huishoudens met een midden- of hoger inkomen kunnen er in theorie gemakkelijker voor kiezen om hun uitgaven te verminderen en zo meer te sparen. In de praktijk is het niet altijd mogelijk om het consumptiepatroon aan te passen, vooral in situaties met hoge woonlasten.

De mogelijkheden om ‘illiquide’ vermogen weer liquide te maken zijn voor veel huishoudens beperkt. Het pensioenvermogen kan niet voortijdig worden aangesproken en het verhogen van de hypotheek of de verkoop van de woning bieden alleen soelaas als de woningwaarde hoger is dan de hypotheek. Voor extra uitgaven, gepland of ongepland, zijn veel huishoudens met een beperkte buffer daarom al snel aangewezen op consumptief krediet, voor zover hun inkomen dit toelaat. Bij een laag inkomen is echter de ruimte voor consumptief krediet beperkt, zodat ook huishoudens met een hoog inkomen financieel kwetsbaar zijn bij een inkomensterugval – bijvoorbeeld na baanverlies of aan het einde van de WW-duur.

De mate waarin huishoudens in staat zijn om zelf liquide vermogen op te bouwen, hangt niet alleen samen met de hoogte van het inkomen maar ook met de hoogte van woonlasten, belastingen en (pensioen)premies. Bij toekomstige beleidswijzigingen op het gebied van belasting, pensioenopbouw, woningmarkt en hypotheekverstrekking is het dan ook van groot belang om rekening te houden met de impact op het liquide vermogen van huishoudens.

Voetnoten

[1] Met CBS Statline is het niet mogelijk om binnen een vermogenscohort een onderverdeling te maken naar zowel leeftijd als woningbezit. Wel is vast te stellen dat de groep van 1,8 miljoen huishoudens met een huurwoning en een vermogenssaldo van € 0-5.000 onmogelijk geheel uit jongeren en bejaarden kan bestaan – zoveel jongeren en ouderen zijn er eenvoudigweg niet. Er zijn 675.000 huishoudens in een huurwoning met een hoofdkostwinnaar onder de dertig jaar en 686.000 huishoudens in een huurwoning met een hoofdkostwinnaar boven de zeventig jaar, dus in totaal 1.361.000. Zelfs al zouden deze zich allemaal(!) in de vermogensklasse € 0-5.000 bevinden dan nog zijn er bijna een half miljoen huishoudens met een huurwoning van wie de hoofdkostwinnaar tussen de dertig en zeventig jaar oud is en die nauwelijks vermogen hebben. Het oprekken van het begrip ‘jongere’ tot 35 jaar helpt niet. Van de huishoudens met een hoofdkostwinnaar tussen de dertig en 35 jaar wonen er 242.000 in een huurwoning.

[2] De hoogte van het opgebouwde pensioenvermogen is overigens wel relevant voor de toekomstige hoogte van het inkomen – het genereert een kasstroom na pensionering.

[3] De groep met een totaal vermogen van € 0 - € 5.000 (96,9% x 1.855.000). De kleine groep woningeigenaren met een vermogenssaldo van € 0 - € 5.000 heeft mogelijk een banktegoed dat hoger is dan € 5.000 en is daarom niet meegerekend.

Literatuur

CBS (2014): Welvaart in Nederland. Inkomen, bestedingen en vermogen van huishoudens en personen, juni.

Independer (2014): Eigen risico zorgverzekering in 2015 gespreid betalen

Van Beers, N., Bijlsma, M. en Mocking, R. (2015): Huizenprijsschokken en spaargedrag van huishoudens: resultaten op basis van Nederlandse administratieve data, CPB Discussion Paper, januari

Warnaar, M. en Van Galen, C. (2012), Een referentiebuffer voor huishoudens. Onderzoek naar het vermogen en het spaargedrag van Nederlandse huishoudens

WRR, 2014: Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, juni

Vries, P. de (2014), Het herstelvermogen van huishoudens die onder water staan

Delen:
Auteur(s)

naar boven