RaboResearch - Economisch Onderzoek

Wat te verwachten van macroprudentieel beleid?

Special

Delen:
  • Macroprudentiële maatregelen staan hoog op de internationale beleidsagenda
  • Onzekerheid over de effecten ervan is nog groot; er is wel enig bewijs dat sommige instrumenten kredietgroei kunnen beperken
  • Macroprudentieel beleid kan politiek omstreden zijn
  • Een juiste timing en balans en realistische verwachtingen over de impact zijn cruciaal bij de invoering 

Waarom macroprudentieel beleid en wat is het?

Door de mondiale financiële crisis staan zogeheten macroprudentiële maatregelen hoog op de internationale beleidsagenda. Dit zijn maatregelen die zich richten op de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel. De negatieve gevolgen van financiële crises voor BBP-groei, werkgelegenheid en de overheidsfinanciën zijn vaak groot, langdurig en deels ook structureel (Reinhart en Rogoff, 2011). Aan financiële crises gaan meestal perioden van hoge groei van krediet en prijzen van en/of investeringen in onroerend goed en financiële activa vooraf (zie ook Jorda et al., 2014). Vooral vanwege de potentieel zeer destabiliserende gevolgen die de zogenoemde financiële cyclus vaak heeft, is de overtuiging gegroeid dat er in aanvulling op microprudentieel beleid, gericht op individuele instellingen, en monetair beleid, gericht op prijsstabiliteit, nieuwe zogeheten macroprudentiële instrumenten nodig zijn om de stabiliteit van het financiële stelsel in zijn geheel te bewaken. Daarnaast zijn er ook andere risico’s voor de stabiliteit van het systeem die macroprudentieel beleid zou kunnen aanpakken. Voorbeelden hiervan zijn een verhoogd liquiditeitsrisico door bijvoorbeeld afhankelijkheid van geld- en kapitaalmarktfinanciering (wholesale funding), concentratierisico’s in het financiële systeem en verkeerde prikkels voor financiële instellingen (bijvoorbeeld too big too fail).

Onder de noemer macroprudentiële maatregelen schaart men daarom zeer uiteenlopende maatregelen. Er is een onderscheid te maken tussen maatregelen die gelden voor bepaalde instellingen of sectoren versus maatregelen die over de tijd worden aangepast al naar gelang de stand van de financiële cyclus. Daarbij kan men vervolgens weer een nader onderscheid maken tussen maatregelen die de financiële sector alleen beschermen tegen de financiële en/of conjunctuurcyclus of (ambitieuzere) maatregelen waarmee men beoogt de financiële cyclus zelf te temmen.

Wat de maatregelen met elkaar gemeen hebben, is dat zij zich richten op de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel en dat zij doorgaans in de praktijk resulteren ineen grotere controle van toezichthouder/overheid over het opereren van het financiële systeem. De belangrijkste typen maatregelen zijn:

  • Maatregelen primair gericht op de verliesabsorptiecapaciteit van financiële instellingen, zoals dynamische kapitaalratio’s of speciale kapitaalratio’s voor specifieke segmenten of (systeemrelevante) financiële instellingen, restricties op winstuitkeringen door financiële instellingen en dynamische provisies;
  • Restricties op kredietgroei (in buitenlandse valuta) of omvang van de kredietportefeuille in bepaalde sectoren;
  • Restricties op het niveau van debiteuren: Loan-to-Value (LTV)[1] en Loan-to-Income (LTI) of Debt-to-Income (DTI) ratio[2];
  • Liquiditeitsrestricties en reserveverplichtingen;
  • Andere maatregelen, zoals belastingen (bijvoorbeeld het gebruik van overdrachtsbelasting om speculatie op de vastgoedmarkt tegen te gaan) en centrale clearing van derivaten[3].

Het gebruik van macroprudentiële maatregelen is de afgelopen jaren snel toegenomen. Voor de financiële crisis waren het met name Aziatische overheden[4] die dit soort maatregelen gebruikten. De afgelopen jaren hebben ook steeds meer Westerse landen macroprudentiële maatregelen ingevoerd. Ook in beleidskringen is de aandacht voor dit onderwerp snel toegenomen. Zowel het IMF als de OESO adviseert in zijn landenanalyses steeds meer Westerse landen om macroprudentiële maatregelen in te voeren. Ook neemt de hoeveelheid beleidsgerelateerd onderzoek rondom het thema macroprudentieel toezicht snel toe. Onder andere de Bank for International Settlements (BIS) en de European Systemic Risk Board (ESRB) zijn hierin naast het IMF voorlopers en al deze instellingen hebben een grote invloed op de nationale centrale banken. Het bovenstaande allemaal in ogenschouw nemende, denken we dat een verdere toename van het gebruik van macroprudentiële maatregelen voor de hand ligt.

Onzekerheden

Gebruik van macroprudentiële maatregelen is echter omgeven met de nodige onzekerheden.Hoewel steeds meer landen macroprudentiële maatregelen invoeren, is het allereerst nog steeds een jong beleidsterrein. In ontwikkelde economieën zijn macroprudentiële maatregelen doorgaans pas in de afgelopen jaren ingevoerd en dan ook meestal in combinatie met (de aanscherping van) andere beleidsmaatregelen. Ook verschillen financiële stelsels institutioneel behoorlijk van elkaar. Daardoor is het lastig om nu al een goed beeld te hebben van de effectiviteit van het beleid.

Verder is het onmogelijk om macroprudentieel beleid in te voeren op grond van alleen objectieve, harde data. Dit betekent dat het oordeel van deskundigen uiteindelijk de doorslag zal moeten geven of en in welke mate een instrument moet worden ingezet. Dit komt allereerst doordat er onzekerheid ligt in het schatten van de trendmatige krediet- of economische groei[5]. Daarnaast kunnen financiële innovaties leiden tot een andere trendmatige kredietgroei. Als laatste zijn systeemrisico’s inherent staartrisico’s, waardoor de ervaringen hiermee gering zijn en ook indicatoren voor dit type risico’s moeilijk kunnen worden getest.

De bovenstaande factoren kunnen snel leiden tot passiviteit van de toezichthouders (inaction bias, zie Houben et al., 2014). Zo zullen toezichthouders meer druk voelen om sluitend bewijs te krijgen om actie te ondernemen dan om bestaand beleid te handhaven. Daarnaast is het lastig voor een toezichthouder om aan te geven dat een kantelpunt is bereikt en dat ingrijpen noodzakelijk is. Daarbij speelt dat mensen vaak geneigd zijn vooral data te verzamelen die het eigen gelijk bevestigen; dit fenomeen staat in de psychologie ook wel bekend als de confirmation bias. Het is ook mogelijk dat een toezichthouder juist overactief wordt, bijvoorbeeld om zijn bestaan extra te rechtvaardigen.

Hiermee hangt samen dat het remmen van kredietgroei in de opgaande fase politiek buitengewoon gevoelig ligt. Met name restricties op kredietverstrekking zullen waarschijnlijk op verzet stuiten, en dan in het bijzonder maatregelen die zichtbaar zijn voor consumenten en bedrijven, zoals strengere LTV en LTI ratio’s. Hoewel mag worden verwacht dat maatregelen gericht op het dempen van de kredietgroei ook zullen leiden tot lagere prijsstijgingen, zal een aanscherping zeker voor bepaalde groepen bijvoorbeeld de toegang tot de woningmarkt kunnen beperken[6]. Politieke gevoeligheid kan een argument zijn om de verantwoordelijkheid voor het voeren van macroprudentieel beleid op afstand van de politiek te plaatsen, zoals in de meeste landen al het geval is bij de verantwoordelijkheid voor monetair beleid.

Box 1: Institutionele vormgeving macroprudentieel toezicht en beleid

In Europa vindt afstemming over macroprudentieel toezicht en beleid plaats binnen het Europees Comité voor Systeemrisico’s (European Systemic Risk Board; ESRB). Het ESRB is binnen de Europese Unie (EU) verantwoordelijk voor het macroprudentiële toezicht op het financiële stelsel. DNB is als Nederlandse toezichthouder aangesloten bij het ESRB. De rol die ESRB hierbij aanneemt, is overigens vooral coördinerend en adviserend. De nationale verantwoordelijkheid op het gebied van macroprudentieel toezicht ligt dus bij DNB, al heeft de ECB wel topping up bevoegdheid. De ECB en de nationale monetaire autoriteiten zijn verplicht om elkaar ten minste tien dagen van tevoren in te lichten bij elke beslissing over de inzet van macroprudentieel beleid (ESRB, 2011c). Binnen Nederland komt het Financieel Stabiliteitscomité, bestaande uit vertegenwoordigers van DNB, AFM en het ministerie van Financiën, minimaal tweemaal per jaar bijeen om risico’s voor de financiële stabiliteit in Nederland te signaleren en daarover aanbevelingen te doen. De president van DNB zit dit comité voor.

Afstemming en reikwijdte

Afstemming en reikwijdte zijn ook belangrijke vraagstukken. Zo kan macroprudentieel beleid soms botsen met monetair beleid en laat het wellicht dieperliggende problemen ongemoeid. Vanuit het mandaat voor prijsstabiliteit is de huidige, zeer lage rente in de Westerse wereld begrijpelijk, aangezien deze vanuit de vraagzijde een opwaartse druk op de inflatie uitoefent. De lage rente kan echter risico’s voor de financiële stabiliteit opleveren. Idealiter zouden macroprudentiële maatregelen ervoor kunnen zorgen dat het zeer ruime monetaire beleid niet tot financiële instabiliteit hoeft te leiden, maar het is de vraag of maatregelen zo gericht kunnen worden ingezet. Wanneer we bovendien denken in termen van seculiere stagnatie (zie bijvoorbeeld Teulings en

Box 2: Voorbeelden van macroprudentiële instrumenten

De tot nu in Nederland door DNB geïmplementeerde macroprudentiële instrumenten zijn gebaseerd op de Capital Requirements Directive IV (CRD IV) van de Europese Unie. Ze zijn op basis van deze Europese richtlijn in Nederlandse wetgeving verwerkt.

Allereerst wordt voor de tijdsdimensie van systeemrisico de contra-cyclische buffer (CCB) ingevoerd. DNB zal de daadwerkelijke hoogte van deze tier I kernvermogen (CET-1) kapitaalbuffer voor exposures die banken hebben in Nederland vaststellen aan de hand van de stand van de financiële cyclus in Nederland, buitenlandse macroprudentiële autoriteiten doen hetzelfde voor exposure s in hun eigen land. Als Nederlandse banken exposure hebben in landen, inclusief Nederland zelf, die de CCB invoeren, dan wordt deze tussen 2016 en 2019 in stappen van 0,625% van de risicogewogen activa (RWA) per jaar ingevoerd. Daarna hebben banken in principe steeds 1 jaar de tijd om te voldoen aan de vastgestelde buffereis.

In Nederland worden net als in veel andere Europese landen voor de structurele dimensie van systeemrisico ook systeembuffers ingevoerd, namelijk de systeemrisicobuffer (SRB), de buffer voor mondiale systeemrelevante instellingen (G-SII) en de buffer voor andere systeemrelevante instellingen (O-SII). ING, Rabobank en ABN Amro zullen door de invoering van de SRB een extra CET-1 kapitaalbuffer die tot 2019 stapsgewijs oploopt tot 3% van de RWA moeten hebben en SNS door de invoering van de O-SII een extra buffer die tot 2019 stapsgewijs oploopt tot 1% van de RWA (voor ING, Rabobank en ABN Amro zou een O-SII-buffer van 2% en voor ING een G-SII-buffer van 1% gelden, maar op geconsolideerde basis geldt alleen de hoogste buffer).

Verder heeft DNB op basis van de Capital Requirement Regulation (CRR) van de Europese Unie ook de bevoegdheid om voor specifieke sectoren een minimale risicoweging of loss given default (LGD) in te stellen. Tevens kunnen macroprudentiële autoriteiten de Liquidity Coverage Ratio (LCR) en de nog in te voeren Net Stable Funding Ratio (NSFR ) extra verhogen op basis van systeemrisico’s. De aanscherping van de LTV tot 100% door de overheid die in Nederland tot en met 2018 plaatsvindt en de recente aanscherping van de inkomenseisen voor hypotheken zouden ook als macroprudentiële maatregelen kunnen worden gezien, al zijn deze maatregelen vooral gericht op de bescherming van de individuele consument tegen overkreditering. In een aantal Aziatische landen worden hypotheeknormen wel als actief macroprudentieel sturingsinstrument gebruikt en probeert men de financiële cyclus te beïnvloeden door de LTV- en LTI-normen te verstrengen en te versoepelen.

Ook in andere landen worden uiteenlopende macroprudentiële maatregelen toegepast. Zo is in meerdere Europese landen is de systeemrisicobuffer (SRB) al ingevoerd. Verder is in november 2013 de minimale risicoweging van Zweedse hypotheken verhoogd. In Zwitserland gebruikt men een sectorale anticyclische kapitaalbuffer die in juli 2012 is ingesteld. In zijn huidige vorm is deze gericht op onevenwichtigheden in de binnenlandse hypotheekverstrekking en op de huizenmarkt. Sinds 2000 wordt er in Spanje gebruik gemaakt van zogenoemde anticyclische dynamische provisies. Provisies kunnen maximaal 1,25% van de risicogewogen activa (Tier-2) uitmaken. De provisies worden vastgesteld op basis van een gemiddelde voorziening over homogene kredietportefeuilles en een specifieke voorziening op basis van niet-homogene portefeuilles. Een selectie uit de overige voorbeelden van instrumenten uit diverse landen zijn het verbod op winstuitkeringen voor banken en de invoering van limieten op looptijdverschillen tussen activa en passiva. 

Baldwin (2014) en Wolf (2014), zijn kredietzeepbellen een manier om de vraag in de Westerse wereld toch in ieder geval op de korte termijn op peil te houden, hoewel hierdoor de kiem wordt gelegd voor toekomstige crises. Macroprudentieel beleid gericht op het voorkomen van zeepbellen doet in deze visie niets aan het achterliggende probleem van tekort schietende vraag.

Macroprudentieel beleid kan ook botsen met microprudentieel beleid. Zo kan een verlaging van kapitaalbuffers tijdens een neergaande fase van de financiële cyclus vanuit macroprudentieel oogpunt wenselijk zijn om kredietstromen op gang te houden, terwijl deze voor de stabiliteit van een individuele bank ongewenst kan zijn. Op dit moment kan het voornamelijk vanuit microprudentieel oogpunt gevoerde beleid van versterking van kapitaalbuffers ook wel als procyclisch worden beschouwd; kapitaalratio’s worden nu immers verhoogd gedurende de neergaande fase van de kredietcyclus.

Niet alleen binnen maar ook tussen landen zal er afstemming plaats moeten vinden over macroprudentieel beleid. Binnen de eurozone ligt het voor de hand om macroprudentieel beleid primair op nationaal niveau te voeren. Zoals Panetta (2014) argumenteert is het Europese financiële systeem binnen de eurozone gefragmenteerd, waarbij er weinig over landsgrenzen heen wordt gebankierd. Ook hebben de afgelopen jaren laten zien dat met name de financiële cycli van de eurozonelidstaten nog niet synchroon lopen, terwijl de lidstaten deze cycli dankzij de invoering van de euro niet meer met monetair en/of wisselkoersbeleid kunnen beïnvloeden. Sterker nog, bij uiteenlopende financiële cycli vergroot een gemeenschappelijk monetair beleid de onevenwichtigheden juist[7]. Daarnaast wijkt de structuur van de financiële markten en de vastgoedmarkten binnen de verschillende lidstaten veel van elkaar af, onder andere door verschillen in wet- en regelgeving. Zowel voor de effectiviteit van macroprudentieel beleid als voor het bewaken van een gelijk speelveld is het niettemin belangrijk dat er ook aandacht is voor grensoverschrijdende transacties. Wanneer bijvoorbeeld de kapitaalbuffer voor hypotheken in een Europees land omhoog zou gaan om excessieve kredietgroei te beperken, is het voor de effectiviteit van de maatregel belangrijk dat deze hogere buffer ook van toepassing is voor partijen die vanuit andere landen hypotheken in dat land verstrekken. Dat zou echter wel kunnen leiden tot (re-)nationalisering van het financiële systeem, en de vorming van een Europese interne bancaire markt kunnen belemmeren.

Verder is de reikwijdte van het macroprudentiële toezicht en beleid van belang. Wanneer de regulering alleen op banken wordt toegepast, is de kans aanwezig dat activiteiten verschuiven naar andere gedeelten van het financiële systeem, zoals de schaduwbanksector[8] of bijvoorbeeld verzekeraars en pensioenfondsen. Dit kan de weerbaarheid en stabiliteit van het financiële systeem op een negatieve manier beïnvloeden. Mede daar veel financiële instellingen in verschillende marktsectoren actief zijn, is een cross-sectorale aanpak in regelgeving en toezicht daarom van belang (Boonstra en De Vries, 2014).

Werkt het?

Hoewel macroprudentieel beleid een relatief jong werkterrein is en het moeilijk is vast te stellen of het gewenste resultaat is bereikt, zijn er de afgelopen jaren de nodige effectiviteitsanalyses gemaakt. In een studie naar de effecten van macroprudentieel beleid in 49 landen[9] concludeerden Lim et al. (2011) dat veelgebruikte macroprudentiële maatregelen effectief zijn in het terugdringen van procycliciteit. Ze onderscheiden hierbij een aantal typen risico’s en het meest effectieve beleid:

1) Om excessieve krediet- of activaprijzengroei tegen te gaan, zijn maatregelen die de kredietgroei direct tegengaan, zowel aan de vraagzijde (LTV, LTI) als aan de aanbodzijde (restricties op maximale kredietgroei) het meest effectief, in het bijzonder een anticyclische toepassing van een LTV of LTI (aanscherpen van deze ratio’s in tijden van hoge kredietgroei / hoogconjunctuur en versoepelen ervan in perioden van lage kredietgroei / laagconjunctuur).

2) Liquiditeitsmaatregelen, zoals een limiet op de liquiditeitsmismatch of de FX-funding, zijn een effectief middel om systematische liquiditeitsrisico’s tegen te gaan.

In een recente studie concentreerden Claessens et al. (2014) zich op de groei van de activazijde van de bankbalans aan de hand van de balansen van 2.800 banken wereldwijd, waarbij ze twee conclusies trokken:

1) De meest effectieve maatregelen zijn het beperken van de vraagzijde (LTV, LTI) en beperkingen op de bankbalans aan de activazijde (reserveverplichtingen) en liquiditeitsvereisten. Ze hebben geen statistisch bewijs gevonden voor de effectiviteit van kapitaalbuffermaatregelen zoals de anticyclische kapitaalbuffer en dynamische provisies.

2) Macroprudentiële maatregelen zijn vrij effectief gedurende de opgaande fase, maar in de neergaande fase dragen alleen maatregelen die zich richten op de vraag naar kredieten (een versoepeling van LTV en LTI) tot op zekere hoogte bij aan de continuïteit van de kredietverlening.

Kuttner en Shim (2013) onderzochten de effectiviteit van maatregelen om te snelle groei van huizenprijzen tegen te gaan. Op basis van hun dataset van huizenmarktbeleid in 57 landen concludeerden zij dat:

1) maatregelen gericht op het beïnvloeden van het aanbod van krediet door het verhogen van de kosten van het aanbieden van de leningen (zoals verhoging van kapitaals- of liquiditeitseisen) geen effect hebben op de huizenprijzen, en

2) dat een aanscherping van de LTI effectiever is dan een verlaging van de LTV.

Op basis van een modelmatige exercitie stellen Alpanda et al. (2014) vast dat maatregelen die zich richten op de vraag naar krediet zoals de LTV[10] het meest (kosten-)effectief zijn in het tegengaan van te hoge schuldniveaus bij huishoudens. Een second-best oplossing zijn kapitaalmaatregelen.

Conclusie

Dankzij de grote negatieve effecten van de mondiale financiële crisis op de reële economie is macroprudentieel beleid hoog op de beleidsagenda komen te staan. De combinatie van alleen monetair beleid en microprudentieel toezicht bleek namelijk niet voldoende om de financiële stabiliteit te bewaren. Vooral vanwege de hoge kosten voor de overheden en de maatschappij van financiële crises is dan ook een toenemend gebruik van macroprudentieel beleid te verwachten. Aangezien het een nieuw beleidsterrein is, zijn de onzekerheden nog groot. Ook kan macroprudentieel beleid politiek omstreden zijn, vooral wanneer wordt geprobeerd om in de opwaartse fase de (krediet-)groei te beperken. Verschillende onderzoeken laten zien dat macroprudentieel beleid de kredietgroei kan beïnvloeden; vooral de maatregelen die de vraag naar krediet beperken lijken excessieve kredietgroei te kunnen verminderen, waardoor de kans op een nieuwe financiële crisis afneemt. Daarnaast maken hogere kapitaalbuffers niet alleen individuele banken maar ook het financiële systeem als geheel weerbaarder.

Timing en het vinden van de juiste balans zijn echter wel cruciaal bij de invoering van macroprudentiële maatregelen. Het is belangrijk dat landen leren van elkaars ervaringen en dat flexibiliteit wordt gewaarborgd. Voor de effectiviteit van macroprudentieel beleid is het daarbij van belang dat buiten de gereguleerde bankensector ook andere delen van het de financiële sector worden meegenomen, zo leert de crisis. Binnen de eurozone ligt het voor de hand om macroprudentieel beleid primair op het niveau van nationale lidstaten te beleggen. Daarbij is afstemming tussen lidstaten echter wel cruciaal voor zowel de effectiviteit van macroprudentieel beleid als het voorkomen van een ongelijk speelveld tussen lidstaten. Ondanks de eerste positieve signalen is het van belang om te beseffen dat macroprudentieel beleid niet het wondermiddel is dat ervoor zorgt dat er nooit meer een financiële crisis kan ontstaan. Daarom moet macroprudentieel beleid ook worden gezien in samenhang met andere vormen van economisch beleid, zoals monetair beleid of hervormingen op de woningmarkt. Zoals Borio (2014) zei: “Macro-prudential frameworks must be part of the answer, but they cannot be the whole answer”.

Voetnoten

[1] LTV: maximale hypotheeksom (of leningsom) ten opzichte van de waarde van de woning of ander onderpand.

[2] LTI: het maximaal te lenen bedrag in verhouding tot het inkomen

[3] De centrale clearing van derivaten verbetert de robuustheid van het financiële systeem en wordt daarom door onder meer de BIS als een complementaire macroprudentiële beleidsmaatregel gezien.

[4] Onder meer China, Hong Kong, Singapore en Zuid-Korea. 

[5] Zoals beschreven in Weernink (2014) beweegt de potentiële groei namelijk mee met de gerealiseerde cijfers door de gebruikte methoden. Daarnaast zijn voor het vaststellen van beleid de real-time trendschattingen cruciaal, terwijl deze, vooral gedurende crisisperiodes, fors worden bijgesteld.

[6] Zo zal de toegang tot de markt door een verscherping van LTV’s verslechteren voor consumenten met weinig eigen middelen, terwijl een hogere LTI mensen met lage inkomens maar goede inkomensvooruitzichten relatief zou kunnen benadelen.

[7] Dit is het geval doordat het reële-rentekanaal dan geen evenwicht meer brengt. Immers, als een land sterker groeit dan de rest van de zone, maar hetzelfde monetaire beleid kent, zal de inflatie in het betreffende land oplopen. Dat verlaagt de reële rente en voedt in feite de relatieve opgang van de betreffende economie nog meer. Alleen met macroprudentiële maatregelen (of begrotingsbeleid) kan hier iets aan worden gedaan.

[8] Het systeem van schaduwbankieren omvat onder andere de activiteiten van financieringsmaatschappijen (waaronder maatschappijen die zich bezighouden met leasing), van Special Purpose Vehicles (SPV’s), hedgefondsen, geldmarktfondsen en handelaren in financiële instrumenten, zoals kredietderivaten, obligaties en gestructureerde financiële producten.

[9] De dataset van Lim et al. (2011) bestond uit 49 landen, zowel opkomende economieën als geïndustrialiseerde landen, verspreid over alle continenten, verzameld in de survey financiële stabiliteit en macroprudentieel beleid van 2010. De onderzochte periode was 2000 tot 2010.

[10] Alpanda et al. (2014) hebben niet specifiek naar een LTI gekeken.

Literatuurlijst

Alpanda, S., G. Cateau en C. Meh (2014). A policy model to analyze macroprudential regulations and monetary policy, BIS Working Papers, no. 461. Basel: BIS.

Borio, C. (2014). (Too) great expectations for macro-prudential?, Contribution to the 25th anniversary edition of Central Banking Journal, http://www.bis.org/speeches/sp140813.pdf

Boonstra, W.W., De Vries, Y.B. (2014). Gaan betere regulering en beter toezicht bijdragen aan een stabieler bankwezen? Jaarboek Overheidsfinanciën. januari 2014. Den Haag: Wim Drees Stichting

Claessens, S., S.R. Ghosh en R. Mihet (2014). Macro-prudential policies to mitigate financial system vulnerabilities. IMF Working Paper, WP/14/155. Washington D.C.: IMF

ECB (2014). Recent experience of European countries with macro-prudential policy, Financial Stability Report, May 2014, pp. 113-126. Frankfurt am Main: ECB

ESRB (2011c). Recommendation of the ESRB of 22 December 2011 on the macroprudential

mandate of national authorities (ESRB/2011/3). OJ 2012/C 41/01. Frankfurt am Main: ESRB

Galati, G. en R. Moessner (2014). What do we know about the effects of macroprudential policy? DNB Working Paper, no. 440, Amsterdam: DNB

Giesbergen, B., Treur, L. (2014). Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen. Rabobank Themabericht, 16 september 2014. Utrecht: Rabobank

Houben A., R. Nijskens en M. Teunissen (2014). Introduction. In Houben, A. et al. (red). Putting macroprudential policy to work. DNB Occassional Studies, vol 12-7, pp. 138-158. Amsterdam: DNB

Houben, A.C.F.J., and J.I. Kakes (2013), Financial imbalances and macroprudential policy in a currency union, DNB Occasional Studies 11(5), Amsterdam: DNB

Hoogduin, L., J. Osiński en K. Seal (2013). Macroprudential and microprudential policies: toward cohabitation. IMF Staff Discussion Note 13/5. Washington D.C.: IMF

Jorda, Oscar, Schularick, Moritz and Taylor, Alan M. (2014), The Great Mortgaging: Housing Finance, Crises, and Business Cycles, Federal Reserve Bank of San Francisco Working Paper, San Francisco: FRBSF

Kuttner, K.N. en I. Shim (2013). Can non-interest rate policies stabilise housing markets? Evidence from a panel of 57 economies, BIS Working Papers, no. 433. Basel: BIS.

Lim C. et al. (2011). Macroprudential Policy: What Instruments and How to Use Them? Lessons from Country Experiences, IMF Working Paper, WP/11/238. Washington D.C.: IMF

Panetta, F. (2014). On the special role of macroprudential policy in the euro area. In Houben, A. et al. (red). Putting macroprudential policy to work. DNB Occassional Studies, vol 12-7, pp. 138-158. Amsterdam: DNB

Reinhart, Carmen M. en Rogoff, Kenneth (2011), This Time Is Different: Eight Centuries of Financial Folly. Princeton: Princeton University Press

Teulings, C. en Baldwin, R. (2014) Introduction. In: Teulings, C. en Baldwin, R. (red.) Secular stagnation: facts, causes, and cures. London: Centre for Economic Policy Research, pp. 1-23.

Weernink, M. (2014). De zin en onzin van de ‘output gap’. Rabobank Special, 19 september 2014. Utrecht: Rabobank.

Wolf, Martin (2014). The Shifts and the Shocks: What We’ve Learned - and Have Still to Learn - from the Financial Crisis. New York City: Penguin Press

Delen:
Auteur(s)

naar boven