RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Sub-Sahara Afrika: de regio worstelt, maar groeit nog steeds

Special

Delen:

Naar de overzichtspagina van de Sub-Sahara Afrika regiostudie

  • Sub-Sahara Afrika groeit nog steeds snel, toch neemt de armoede maar weinig af
  • Lagere grondstofprijzen remmen de groei, voeden tekorten op de lopende rekening en in de begroting, duwen de staatsschuld op en verzwakken valuta’s
  • De vertraagde groei in China, de belangrijkste exportmarkt, heeft een negatieve uitwerking op Sub-Sahara Afrika
  • Oost-Afrika heeft minder last van de dalende grondstofprijzen dan West-Afrika
  • De demografische transitie verloopt traag en is afhankelijk van onderwijs en institutionele kwaliteit

Sinds The Economist Sub-Sahara Afrika in mei 2000 vanwege overstromingen, hongersnood, oorlog, ziekte en armoede betitelde als het 'hopeloze continent', heeft het flink vooruitgang geboekt. Gewelddadige conflicten komen sindsdien minder voor (Dumitru en Hayat, 2015), het onderwijs is verbeterd (Hayat en Kalf, 2015) en er sterven minder mensen aan ziektes die voorkomen kunnen worden.

Ook is Sub-Sahara Afrika nog steeds een van de snelst groeiende economieën ter wereld, vooral door overheidsinvesteringen in infrastructuur en een groeiende landbouwproductie en dienstensector. Toch haalt de BBP-groei het gemiddelde van 6% van de afgelopen vijf jaar niet meer en wij verwachten dat de economische groei van Sub-Sahara Afrika de eerstkomende jaren rond de 4% zal uitkomen.

Desondanks blijft de BBP-groei per hoofd van de bevolking helaas achter door de forse bevolkingsgroei. De armoede is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw nauwelijks minder geworden (figuur 1).[1] Een belangrijke reden waarom de BBP-groei niet tot minder armoede heeft geleid, is dat de rijken er meer van hebben geprofiteerd dan de armen. Dit is grotendeels te wijten aan corruptie (Dumitru en Hayat, 2015). De Gini-coëfficiënt (een bekende maatstaf voor ongelijkheid) voor Sub-Sahara Afrika is in de afgelopen tien jaar nauwelijks gedaald (figuur 2).

Figuur 1: Groei is versneld, maar armoede is niet veel afgenomen
Figuur 1: Groei is versneld, maar armoede is niet veel afgenomenBron: Wereldbank
Figuur 2: Ongelijkheid is nauwelijks minder
Figuur 2: Ongelijkheid is nauwelijks minder Bron: Wereldbank

Risico's van grondstofafhankelijkheid worden duidelijk

In de afgelopen zeventien maanden zijn de grondstofprijzen (vooral de energieprijzen) scherp gedaald (figuur 3; Dumitru, 2015). Zowel een overaanbod als een afgezwakte vraag vanuit China heeft hierin een rol gespeeld, en beide elementen drukken zwaar op de economische vooruitzichten van Sub-Sahara Afrika omdat de regio voornamelijk uit netto grondstofexporteurs bestaat (figuur 4). In Nigeria en Angola bijvoorbeeld (samen goed voor 42% van het BBP van Sub-Sahara Afrika) vertegenwoordigt de netto grondstofexport respectievelijk 13% en 44% van het BBP. Daar komt bij dat de regeringen van de landen in Sub-Sahara Afrika in hoge mate afhankelijk zijn van grondstoffen. Zo maakt olie 70% of meer uit van de overheidsinkomsten in Angola, de Republiek Congo en Equatoriaal-Guinea.

Figuur 3: Neerwaartse trend grondstofprijzen
Figuur 3: Neerwaartse trend grondstofprijzenBron: Macrobond
Figuur 4: Sub-Sahara Afrika bestaat voornamelijk uit grondstofexporteurs
Figuur 4: Sub-Sahara Afrika bestaat voornamelijk uit grondstofexporteursBron: Unctad, Rabobank

De sterke afhankelijkheid van grondstoffen vormt een risico. Dit komt niet alleen tot uitdrukking in een vertragende economische groei, maar ook in grotere tekorten op de lopende rekening en in de overheidsbegroting, in een toenemende staatsschuld, zwakkere valuta’s en stijgende inflatie.

Over het algemeen zijn de lopende rekeningen in Sub-Sahara Afrika al zwak; gemiddeld bedraagt het tekort op de lopende rekening 9% van het BBP (zie bijlage). Bovendien zullen ze naar verwachting nog verder afzwakken, vooral in de landen waar de export scherp daalt maar de import niet (bijvoorbeeld omdat deze uit eerste levensbehoeften zoals voedsel bestaat).

Ook zijn de overheidsbegrotingen zwak; gemiddeld bedraagt het begrotingstekort van de overheid 4% van het BBP (zie bijlage). Het begrotingstekort zal naar verwachting oplopen in die landen waar de overheid sterk afhankelijk is van inkomsten uit grondstoffen. Deze overheden zien hun inkomsten dalen, maar kunnen de kosten niet eenvoudig terugdringen zonder daarmee onrust te veroorzaken omdat een groot deel van deze kosten uit ambtenarensalarissen bestaat. Daarnaast kunnen de begrotingstekorten in de aanloop naar de verkiezingen die voor 2016 gepland staan in Ghana, Zambia, Gabon en Oeganda nog verder oplopen.

De staatsschuld in Sub-Sahara Afrika zal naar verwachting ook toenemen. Op dit moment is de staatsschuld er niet erg hoog (gemiddeld 30% van het BBP). Maar dit komt vooral doordat de overheden geen toegang hebben tot de internationale kapitaalmarkten (hun gedrag in het verleden wekt over het algemeen weinig vertrouwen en behalve de grondstof-gerelateerde inkomsten is er slechts een magere grondslag voor belastingheffing). Zo bekeken is het schuldenniveau ook niet erg laag te noemen en dit zal waarschijnlijk nog stijgen nu de grondstof-gerelateerde inkomsten zijn gedaald. Bovendien moeten de overheden een hogere rente betalen voor de leningen omdat ze door de groeivertraging risicovoller zijn geworden. De overheden in Sub-Sahara Afrika krijgen in de toekomst dus met zwaardere financieringsvoorwaarden te maken.

Om de hierboven genoemde redenen zijn de valuta’s van de landen in Sub-Sahara Afrika aanzienlijk minder waard geworden (figuur 5). Niet alle waardedalingen zijn echter toe te schrijven aan de lagere grondstofprijzen. De Zuid-Afrikaanse rand (ZAR) is bijvoorbeeld sinds januari 2014 26% in waarde gedaald ten opzichte van de dollar ondanks dat de ZAR van nature is ingedekt tegen grondstofprijsschommelingen (Zuid-Afrika exporteert edelmetalen, maar importeert olie). De waardedaling van de ZAR heeft meer te maken met een lagere mijnbouwproductie (door stakingen en stroomonderbrekingen) en een eventuele renteverhoging door de Fed (waardoor de Zuid-Afrikaanse staatsobligaties minder aantrekkelijk worden). Hierdoor is er een kapitaalvlucht uit Zuid-Afrika op gang gekomen, gefaciliteerd door de goed ontwikkelde Zuid-Afrikaanse kapitaalmarkt.

Figuur 5: Grondstofafhankelijke valuta’s zijn in waarde gedaald
Figuur 5: Grondstofafhankelijke valuta’s zijn in waarde gedaaldBron: Macrobond

De waardedaling van de valuta’s heeft een grote invloed op Sub-Sahara Afrika om de volgende twee redenen. Ten eerste zorgt dit voor geïmporteerde inflatie nu import uitgedrukt in lokale valuta duurder wordt. Dit gebeurt bijvoorbeeld in Ghana, waar de inflatie 15% bedraagt doordat de waarde van de Ghanese cedi ten opzichte van de dollar sinds januari 2014 met 41% is gedaald. Ten tweede komen landen met een hoge schuldenlast in vreemde valuta door de waardedaling van hun eigen valuta onder druk te staan. De omvang van dit probleem is moeilijk te bepalen omdat (i) er nauwelijks gegevens beschikbaar zijn over de hoogte van de schuld in vreemde valuta, (ii) de landen met een schuld in vreemde valuta van nature afgedekt kunnen zijn omdat ze ook inkomsten in vreemde valuta ontvangen uit de export van grondstoffen en (iii) de lenende partijen in deze landen hun valutaposities met derivaten kunnen afdekken. Toch zijn er drie landen die we in verband hiermee in de gaten moeten houden: Zambia, Ghana en Angola, waar de staatsschuld in vreemde valuta respectievelijk 26%, 32% en 37% van het BBP bedraagt.

Landen met een direct (bijvoorbeeld Eritrea) of indirect (bijvoorbeeld Nigeria) aan de dollar gekoppelde munt (zie bijlage) kunnen hun buitenlandse reserves zien wegsmelten om de koppeling in stand te houden voordat ze deze alsnog moeten loslaten.

De effecten van de lagere grondstofprijzen moeten wel zorgvuldig worden geïnterpreteerd, want zij maskeren grote verschillen tussen de afzonderlijke landen in Sub-Sahara Afrika. Over het algemeen is Oost-Afrika bijvoorbeeld minder grondstofintensief en netto eerder importeur dan exporteur van grondstoffen (figuur 4). Voor Kenia, Mozambique en Tanzania bedraagt de netto grondstofimport respectievelijk 4%, 3% en 2% van het BBP. Per saldo hebben deze landen geprofiteerd van de lagere grondstofprijzen.[2] De invoer van grondstoffen in Ethiopië, Rwanda en Oeganda is ongeveer gelijk aan de uitvoer, waardoor deze landen minder gevoelig zijn voor grondstofprijsschommelingen.

De risico's van de afhankelijkheid van grondstoffen kunnen verder reiken dan het hierboven beschreven conjuncturele effect op de korte termijn. Door de afhankelijkheid van grondstoffen (i) kunnen overheden een te passieve houding aannemen ten aanzien van de benodigde economische hervormingen en (ii) kan de ongelijkheid toenemen. De overheid moet dan maatschappelijke onrust afkopen met (inefficiënte) subsidies en andere zoethoudertjes, waardoor ze minder flexibel is om de kosten terug te dringen als de grondstofprijzen dalen.

In het geval van Sub-Sahara Afrika is afhankelijkheid van grondstoffen een vermomde afhankelijkheid van China, aangezien dit land de grootste consument van grondstoffen ter wereld is en tevens de voornaamste exportmarkt van Sub-Sahara Afrika. De Chinese economie is aan het veranderen van een bouw-, productie- en exportgerichte economie naar een diensten- en consumptiegerichte economie, en de groei vertraagt (Loman, 2015). Sommige Afrikaanse landen worden hier dubbel door getroffen omdat ze aan de ene kant gebukt gaan onder de lagere grondstofprijzen en aan de andere kant last hebben van een afgenomen vraag (uit China) naar hun exportproducten. Dit is vooral zichtbaar in Sierra Leone, Republiek Congo en Angola, waar respectievelijk 80%, 59% en 51% van de export voor China is bestemd (zie bijlage). De lagere groei in China treft Afrika niet alleen via de export, maar ook via de buitenlandse directe investeringen (BDI). Een tragere Chinese groei kan namelijk ook minder Chinese BDI in Afrika tot gevolg hebben (een groot deel van de BDI in Afrika is afkomstig van China).

Bevolkingsgroei laten beperken door economische ontwikkeling

Hoewel de economie in Sub-Sahara Afrika nog flink groeit, komt dit voor een groot deel nog door de sterke bevolkingsgroei. Figuur 6 laat een aanzienlijke vooruitgang zien in de BBP-groei per hoofd van de bevolking sinds het begin van deze eeuw. De bevolkingsgroei is echter erg hoog waardoor de bevolking in Sub-Sahara Afrika zal toenemen van het huidige niveau van 974 miljoen mensen tot 2,4 miljard mensen in 2050. Dit kan tot allerlei problemen leiden in de gebieden waar onmisbare bestaansmiddelen als voedsel en water schaars zijn. Het continent is daarom gebaat bij een afvlakking van de bevolkingsgroei, al biedt het verhogen van de gewasopbrengsten gedeeltelijk soelaas (Barendregt, 2015). Gelukkig zijn er al een paar landen met een relatief hoge BBP-groei per hoofd van de bevolking (boven het regionale gemiddelde) in combinatie met een relatief lage bevolkingsgroei. Dit zijn bijvoorbeeld Mauritius, Seychellen, Botswana en Angola. Aan de andere kant hebben Burundi, Nigeria en Eritrea een lage BBP-groei per hoofd van de bevolking.

Figuur 6: Eindelijk het begin van een demografische transitie?
Figuur 6: Eindelijk het begin van een demografische transitie?Bron: Verenigde Naties, Macrobond, Rabobank
Figuur 7: BBP-groei per hoofd van de bevolking versus bevolkingsgroei (2005-2014)
Figuur 7: BBP-groei per hoofd van de bevolking versus bevolkingsgroei (2005-2014)Bron: Verenigde Naties, Macrobond, Rabobank

De theorie achter de demografische transitie

Galor en Weil (2000) stellen dat economische ontwikkeling zelf kan zorgen voor een afnemende bevolkingsgroei. Zij gebruiken West-Europa als casestudy en beschrijven hoe regio's een demografische transitie ondergaan van bevolkingsgerichte groei (in het geval van Europa vóór 1820) naar economische groei die wordt gedreven door BBP-groei per hoofd van de bevolking. Technologische verandering vormt de ruggengraat van het model van Galor en Weil: zij leidt tot een hogere BBP-groei per hoofd van de bevolking, wat vervolgens weer tot een hoger ontwikkelingsniveau leidt. Technologische verandering heeft echter ook invloed op het rendement op menselijk kapitaal. Dit komt doordat technologie gewoonlijk kennis en vaardigheden vereist. Het rendement op menselijk kapitaal leidt ertoe dat ouders de kwaliteit van de opvoeding van hun kinderen (dat wil zeggen de hoeveelheid onderwijs) belangrijker gaan vinden dan het aantal kinderen. Een afname van het sterftecijfer versterkt dit effect nog eens. Doordat rijkere ouders beter toegang hebben tot voedsel en gezondheidszorg zorgt het hogere inkomen per hoofd van de bevolking dus voor lagere sterftecijfers van hun kinderen. Ten slotte verhoogt het lagere sterftecijfer het rendement op de investering in het menselijke kapitaal van een kind. Naarmate ouders minder kinderen krijgen, daalt de vruchtbaarheidsindex. Het resultaat is een dalende bevolkingsgroei en een stijgende inkomensgroei per hoofd van de bevolking. Zoals duidelijk blijkt uit tabel 1 heeft Sub-Sahara Afrika nog een lange weg te gaan in deze transitie, aangezien het de hoogste vruchtbaarheid- en sterftecijfers van alle regio's kent.

Tabel 1: Vruchtbaarheid- en sterftecijfers zijn nog steeds hoog in Sub-Sahara Afrika
Tabel 1: Vruchtbaarheid- en sterftecijfers zijn nog steeds hoog in Sub-Sahara AfrikaBron: Verenigde Naties, Macrobond, Rabobank

Om aan te tonen dat het transitiemechanisme van Galor en Weil toch nog steeds opgaat, laat figuur 8 het aantal kinderen zien per vrouw (kwantiteit) in verhouding tot het aantal inschrijvingen op de middelbare school (kwaliteit) over het hele gebied. Hieruit blijkt een negatieve relatie tussen het aantal inschrijvingen op de middelbare school en het aantal kinderen per vrouw. Landen als Botswana, Seychellen en Kaapverdië hebben een hoger inschrijvingspercentage en minder geboortes per vrouw. Aan de andere kant hebben landen als Angola, Burkina Faso, Burundi, Nigeria, Zambia en Oeganda nog steeds een hogere vruchtbaarheidsindex terwijl minder dan 25% van de kinderen naar een middelbare school gaat[3]. Zoals The Economist al aangaf, zou particulier onderwijs wel eens een betere indicator kunnen zijn voor de investering die ouders bereid zijn te doen in de opvoeding van hun kinderen. Op basis van figuur 9 zien we dat er geen duidelijke negatieve correlatie is tussen het aandeel particulier geschoolde kinderen en de vruchtbaarheid. Dit gezegd hebbende, voegen we er aan toe dat het aandeel particulier geschoolde kinderen ook door legio andere factoren kan worden beïnvloed. Met het transitieraamwerk van Galor en Weil in ons achterhoofd staan we voor een raadsel: waarom daalt de vruchtbaarheid niet sneller? Er zijn twee mogelijkheden: of het substitutie-effect tussen het aantal kinderen en onderwijs is niet sterk genoeg om de vruchtbaarheid terug te dringen, of het rendement op het menselijke kapitaal van kinderen is te laag om de groeicijfers per hoofd van de bevolking te verhogen.

Figuur 8: Netto inschrijvingspercentage van kinderen naar leeftijdscategorie
Figuur 8: Netto inschrijvingspercentage van kinderen naar leeftijdscategorieBron: Verenigde Naties, Wereldbank, Rabobank
Figuur 9: Aandeel particulier geschoolde kinderen
Figuur 9: Aandeel particulier geschoolde kinderenBron: Verenigde Naties, Wereldbank, Rabobank

Het is moeilijk de eerste hypothese te vergelijken met gegevens op macroniveau, maar de tweede hypothese kunnen we wel nader onderzoeken. Als we naar figuur 10 kijken, zien we dat het menselijke kapitaal per hoofd van de bevolking met de tijd gestaag groeit. De BBP-groei per hoofd van de bevolking blijft aan de andere kant achter en is in de afgelopen 45 jaar nauwelijks toegenomen. Pas in de jaren nul was er een substantiële groei te zien (figuur 10), maar deze is waarschijnlijk nog te bescheiden om de keuze voor het aantal kinderen in belangrijke mate te beïnvloeden.

Figuur 10: Menselijk kapitaal en BBP-groei per hoofd van de bevolking
Figuur 10: Menselijk kapitaal en BBP-groei per hoofd van de bevolkingBron: Penn World Tables, Wereldbank, Rabobank

Figuur 10 suggereert dat de meeste landen in Sub-Sahara Afrika hun menselijke kapitaal onvoldoende weten te benutten. Om dit voor elkaar te krijgen, moet er aan twee randvoorwaarden worden voldaan: minder conflicten en een verbetering van de institutionele kwaliteit. Het aantal conflicten in Sub-Sahara Afrika is afgenomen, maar met de institutionele kwaliteit is het nog droevig gesteld in de regio (Dumitru en Hayat, 2015). Deze factoren bepalen het uiteindelijke succes van de demografische transitie die van levensbelang is voor de verdere economische ontwikkeling van Sub-Sahara Afrika.

Voetnoten

[1] Armoedepercentage (of liever, het extreme-armoedepercentage) wordt hier gedefinieerd als het percentage van de bevolking dat van minder dan USD 1,25 per dag leeft.

[2] Tenzij de verdeling van deze meevaller binnen de landen tot ongelijkheid leidt.

[3] Gegevens op landenniveau voor de relevante variabelen zijn in de bijlage te vinden.

Literatuur

The Economist (2015), Learning unleashed, gedrukte uitgave van The Economist van 1 augustus.

Galor, O. en D. Weil, (2000), Population, technology and growth: from the Malthusian regime to the demographic transition and beyond, American Economic Review, 90, blz. 806-828.

Loman, H. (2015), China: onzekerheden nemen toe, Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek.

Barendregt, E. (2015), Sub-Saharan Africa: developing Food and Agricultural value chains in Sub-Saharan Africa, Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek.

Dumitru, A. en R. Hayat (2015), Sub-Saharan Africa: stronger but still fragile, Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek.

Dumitru, A. (2015), Latin America: the tide has turned, Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek.

Naar de overzichtspagina van de Sub-Sahara Afrika regiostudie

Colofon

Deze studie is een uitgave van Kennis en Economisch Onderzoek (KEO) van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Macrobond. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. De economische groeivoorspellingen zijn gegenereerd met behulp van het werelddekkende econometrische structuurmodel NiGEM.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Kennis en Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: FAO: Voedsel- en landbouworganisatie de Verenigde Naties, FAOstat: Statistische afdeling van de FAO, USDA:  Amerikaanse ministerie van landbouw

Gebruikte afkortingen landen: Angola: AO, Benin: BJ, Botswana: BW, Burkina Faso: BF, Burundi: BI, Kameroen: CM, Kaapverdië: CV, Tsjaad: TD, Centraal Afrikaanse Republiek: CF, Comoren: KM, Congo (Democratische Republiek): CD, Congo: CG, Djibouti DJ, Equatoriaal Guinee: GQ, Eritrea: ER, Ethiopië: ET, Gabon: GA, Gambia: GM, Ghana: GH, Guinee: GN, Guinee-Bissau: GW, Ivoorkust: CI, Kenia: KE, Lesotho: LS, Liberia: LR, Madagaskar: MG, Malawi: MW, Mali: ML, Mauritanië: MR, Mauritius: MU, Mozambique: MZ, Namibië: NA, Niger: NE, Nigeria: NG, Rwanda: RW, St Tomé & Principe: ST, Senegal: SN, Seychellen: SC, Sierra Leone: SL, Zuid-Afrika: ZA, Zuid-Soedan: SS, Swaziland: SZ, Tanzania: TZ, Togo: TG, Oeganda: UG, Zambia: ZM, Zimbabwe: ZW

Gebruikte afkortingen valuta: AOA: Angolese kwaza, ETB: Ethiopische birr, KES: Keniaanse shilling, MZN: Mozambique metical, RWF: Rwandese frank, TZS: Tanzaniaanse shilling, UGX: Oegansese shilling, ZAR: Zuid-Afrikaanse rand, ZMW: Zambiaanse kwacha

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwartaalbericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666. U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rabobank.nl

Eindredactie
Allard Bruinshoofd, hoofd Internationaal Onderzoek

RedactieEnrico Versteegh

Graphics: Selma Heijnekamp en Reinier Meijer

Productiecoördinatie: Ester Barendregt en Christel Frentz

Delen:
Auteur(s)
Raphie Hayat
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 51295
Jurriaan Kalf
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven