RaboResearch - Economisch Onderzoek

Langdurige werkloosheid vraagt om lagere sociale lasten

Special

Delen:

Inleiding

Medeauteurs: Wouter Verbeek en Maurits van Kempen

Verschenen op MeJudice, 14 december 2015

In de nadagen van de Grote Recessie is de sterk opgelopen langdurige werkloosheid in Nederland en de eurozone een van de grootste uitdagingen op de arbeidsmarkt. Ondanks een aantrekkende economische groei en betere werkgelegenheidsperspectieven, is het aantal mensen dat langer dan één jaar op zoek is naar werk (als % van de beroepsbevolking) sterk gestegen van 0,9% in 2009 naar 2,8% in 2014, een stijging van 170 duizend personen (zie figuur 1).

Figuur 1: Ongunstige ontwikkeling van de langdurige werkloosheid in Nederland
Figuur 1: Ongunstige ontwikkeling van de langdurige werkloosheid in NederlandBron: CBS en eurostat. Toelichting: langdurige werkloosheid is hier gedefinieerd als het aantal personen (leeftijd 15-65 jaar) dat langer dan 1 jaar op zoek is naar een baan als percentage van de beroepsbevolking.

Inmiddels is de discussie over hoe langdurige werkloosheid moet worden bestreden in Nederland breed gestart (De Graaf et al., 2015a; De Graaf et al., 2015b). Hierin wordt onder meer gewezen op rol van institutionele factoren op de hoogte van langdurige werkloosheid van met name ouderen.  Informatie in de literatuur over de invloed van loonkosten op langdurige werkloosheid is echter beperkt. In deze Special onderzoeken we met behulp van een economisch raamwerk wat belangrijke aanpassingsmechanismes op de arbeidsmarkt om een economische crisis te mitigeren. In het empirische deel van deze Special richten we ons vooral op de rol van reële loonkosten en rekenen we op basis van een modelschatting door wat de effecten zijn van drie scenario’s op de ontwikkeling van langdurige werkloosheid in Nederland. Tot slot formuleren we enkele beleidsaanknopingspunten. 

Theorie: aanpassingsmechanismes op de arbeidsmarkt

Om te onderzoeken welke factoren van invloed zijn op langdurige werkloosheid gebruiken we een eenvoudig theoretisch raamwerk. Uitgangspunt van ons raamwerk is dat bij een economische schok de arbeidsmarkt zich aanpast via verschillende mechanismes. Langdurige werkloosheid is één van deze aanpassingsmechanismes, maar er zijn er meerdere en er zijn ook nog eens afruilen tussen deze mechanismes. Met andere woorden: werkloosheid en langdurige werkloosheid worden deels bepaald door de wijze waarop een land de economische schok mitigeert via de andere aanpassingsmechanismes.

Het aanbod van arbeid en de vraag naar arbeid in personen worden in figuur 2 aangegeven door respectievelijk S0 en D0. We kiezen voor de eenvoud voor een inelastische (verticale) arbeidsaanbodcurve. De vraag naar arbeid hangt af van de reële loonkosten W, de reële productie, de stand van de technologie (arbeidsintensiteit) en het aantal gewerkte uren per werkzame persoon. Productie wordt bepaald door vraagfactoren zoals het beschikbare inkomen, prijzen, rente en het welvaartsniveau.

Figuur 2: Aanpassingsmechanismes op de arbeidsmarkt
Figuur 2: Aanpassingsmechanismes op de arbeidsmarktBron: Erken et al. (2015)

Stel dat punt A het evenwichtsniveau is. Dit evenwicht wordt gekarakteriseerd door volledige werkgelegenheid (LA) tegen reële loonkosten W0. Vervolgens wordt de economie getroffen door een recessie en de leencapaciteit verslechtert door kredietrantsoenering en liquiditeitsbeperkingen. Dit betekent dat de rente stijgt en de vraag naar goederen en diensten daalt. De arbeidsvraagcurve verschuift vervolgens van D0 naar D1, waardoor de werkloosheid stijgt van met LALB op loonkostenniveau W0 (verschuiving naar punt B).

Als loonkosten volledig flexibel zouden zijn, wordt het evenwicht van volledige werkgelegenheid hersteld door een daling van de nominale lonen naar punt C tegen loonkostenniveau W1. Er is een uitgebreide literatuur die laat zien dat nominale lonen neerwaarts rigide zijn (bijvoorbeeld Gottschalk, 2005; Schmitt-Grohé and Uribe, 2013). Voor OECD landen laten Abbritti en Fahr (2013) zien dat lonen relatief snel kunnen stijgen en dat dit ten koste gaat van werkgelegenheidscreatie, maar omgekeerd neerwaarts rigide zijn waardoor de werkgelegenheid bij een ruime arbeidsmarkt onvoldoende kan herstellen. Er is dus sprake van een sterke asymmetrie tussen loonaanpassingen en werkgelegenheidsfluctuaties tijdens verschillende fases van een economische conjunctuurcyclus.

Een ander (prijs)mechanisme om volledige werkgelegenheid te bewerkstelligen is verzwakking van je munt. Devaluatie zorgt voor een betere prijsconcurrentiepositie van bepaalde sectoren die hun producten in het buitenland afzetten, waardoor productie zal stijgen en de arbeidsvraagfunctie D0 weer (deels) terug zal schuiven. Ook inflatie kan helpen, zodat lonen in reële termen dalen, ondanks dat ze dat in nominale termen niet doen. Inflatie wordt veroorzaakt door devaluatie of het vergroten van de geldhoeveelheid. Er zijn echter studies die aantonen dat ook reële lonen neerwaarts rigide zijn (Babecký et al., 2010) en door een gemeenschappelijke muntunie behoort devaluatie niet tot de mogelijkheden om evenwicht te creëren op de arbeidsmarkt.

In sommige landen zoals Duitsland en Japan is de economische schok van de Grote Recessie opgevangen door personeel vast te houden waarvoor te weinig werk beschikbaar is.[1] Dit gaat op korte termijn wel ten koste van de winstgevendheid van bedrijven, die kiezen voor een hogere arbeidsintensiteit waardoor de arbeidsvraagcurve in figuur 2 terugschuift naar de initiële positie D0 en volledige werkgelegenheid ontstaat tegen reële loonkosten W0. Bedrijven zullen opteren voor deze aanpak wanneer ze beschikken over substantiële financiële reserves en wanneer ze verwachten snel weer op te moeten schakelen naar het oude productieniveau. In dat geval worden transactiekosten van ontslagen en het opnieuw aannemen van personeel vermeden en is de werkgever uiteindelijk goedkoper uit. Indien vraaguitval echter langer aanhoudt dan geanticipeerd, zullen bedrijven alsnog genoodzaakt zijn om werknemers op straat te zetten en is ook de winstgevendheid van bedrijven gedaald, wat de investeringsmogelijkheden heeft beperkt. In dat geval is de economie vaak slechter uit dan wanneer de pijn van de vraaguitval direct was genomen via een verlaging van de werkgelegenheid.

Werktijdverkorting kan een andere manier zijn om vraaguitval via de aanbodzijde op te vangen. In dat geval wordt het aantal gewerkte uren per werkzaam persoon verlaagd, waardoor mensen wel hun baan kunnen behouden, maar iedereen wat inlevert in termen van uren en loon. In sommige landen, zoals Duitsland en Japan, is sprake van grootschalige werktijdverkortingsregelingen waarmee cyclische fluctuaties in de arbeidsvraag wordt getracht tegen te gaan. De empirische literatuur is echter ambivalent of dit soort maatregelen nuttig zijn om werkloosheidseffecten op te vangen (zie bijvoorbeeld Van den Berge et al., 2014).

Een laatste aanpassingsmechanisme is een reductie van het arbeidsaanbod, bijvoorbeeld wanneer een deel van de beroepsbevolking er niet in slaagt om een plekje op de arbeidsmarkt te bemachtigen en zich ontmoedigd terugtrekt (ontmoedigingseffecten). Ook wanneer er beleidsmatig maatregelen worden genomen om via bijvoorbeeld vervroegde uittredingsregelingen ouderen in grote getalen te laten uitstromen van de arbeidsmarkt wordt het arbeidsaanbod teruggedrongen. In beide gevallen schuift de arbeidsaanbodcurve in figuur 2 van S0 naar S1 en punt D wordt het nieuwe langetermijnevenwicht. De literatuur is redelijk eenduidig dat beleid gericht op het afknijpen van arbeidsaanbod in tijden van economische neergang op korte termijn weliswaar verlichting kan brengen op de arbeidsmarkt, maar op de lange termijn vooral welvaart vernietigt (zie bijvoorbeeld Erosa et al., 2012; Vestad, 2013). Op lange termijn wordt de werkgelegenheid, en daarmee een belangrijk deel van de potentiële groei van een land, namelijk bepaald door het arbeidsaanbod.

Afruil tussen loonkosten en langdurige werkloosheid

Ons theoretisch raamwerk laat zien dat een daling van de geaggregeerde vraag gepaard moet gaan met:

  • een daling van de reële loonkosten (prijseffect);
  • een stijging van de werkloosheid (volume-effect);
  • een daling van het arbeidsaanbod (volume-effect);
  • een lagere winst bij het bedrijfsleven;
  • een combinatie van bovengenoemde factoren.

De reactie op ieder van deze componenten hangt samen met de mate waarin instituties bepaalde aanpassingsmechanismes belemmeren dan wel stimuleren. Zo zal een aanpassing van de werkgelegenheid minder soepel gaan wanneer sprake is van een sterke mate van ontslagbescherming.

De vraag is hoe groot de afruil is tussen deze verschillende aanpassingsmechanismes. Omdat ontmoedigingseffecten vaak pas optreden op de middellange termijn en labour hoarding afhangt van zeer specifieke omstandigheden, richten we ons nu primair op de afruil tussen loonkosten en werkloosheid. Uit de literatuur blijkt namelijk dat de ontwikkeling van de loonkosten een sterke invloed heeft op de vraag naar arbeid en daarmee op de werkloosheid (Hamermesh, 1993).  Hoewel onderzoeken naar de invloed van loonkosten op de werkgelegenheid een gevarieerd beeld laten zien, wordt er grofweg aangenomen een 10% loonstijging leidt tot een werkgelegenheidsdaling van 3%. Uiteraard is bij veel van deze onderzoeken het probleem de richting van de causaliteit niet altijd helder is: het is meestal moeilijk vast te stellen of hogere loonkosten leiden tot een lagere werkgelegenheid of dat een hogere vraag naar arbeid leidt tot hogere loongroei. Studies die focussen op een eenmalige schok in loonkosten laten echter zien dat de ontwikkeling van de loonkosten wel degelijk van invloed is op de werkgelegenheid. Zo leidde een plotselinge stijging van de loonkosten met 13% in Colombia in de jaren ’80 en ’90 tot een daling van de werkgelegenheid met 6% (Kugler en Kugler, 2009). Ook onderzoek van Acemoglu et al. (2004) naar het verband tussen loonontwikkeling van vrouwen en hun werkgelegenheid na de tweede wereldoorlog laat zien dat er een duidelijk negatief verband bestaat tussen deze variabelen. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het CPB in hun macro-econometrische model SAFFIER II de loonkosten meeneemt  als relevante variabele voor het bepalen van de langetermijnwerkgelegenheid (CPB, 2010).

Voor het bepalen van de aanpassing van de loonkosten is het echter belangrijk dat we ook de ontwikkeling van de structurele arbeidsproductiviteit in ogenschouw nemen. In het algemeen vertoont de arbeidsproductiviteit een opwaarts trendmatig verloop als gevolg van technologische ontwikkeling. De loonkosten kunnen in lijn met de productiviteit stijgen, zonder dat de kosten per eenheid arbeid oplopen. Het aanpassingsvermogen van de loonkosten is dus het netto effect van productiviteitsstijging in combinatie met neerwaartse druk op de lonen als gevolg van een oplopende werkloosheid.

In landen die gekenmerkt door relatief rigide arbeidsmarktinstituties, zoals Italië en Spanje, zijn de loonkosten per uur tijdens de Grote Recessie gewoon doorgestegen, waardoor een groot gat ontstond met het structurele productiviteitsniveau (zie figuur 3). In landen zoals Nederland en Frankrijk hebben de loonkosten per uur de productiviteitstrend ruwweg gevolgd. Landen waar de loonkosten zich relatief gematigd hebben ontwikkeld ten opzichte van de structurele arbeidsproductiviteitsontwikkeling zijn het VK, de VS en Duitsland.

Figuur 3: Aanpassing van de loonkosten in rigide arbeidsmarkten verliep stroef
Figuur 3: Aanpassing van de loonkosten in rigide arbeidsmarkten verliep stroef

<br>

<br>Bron: OECD, Erken et al. (2015)

Toelichting: de structurele arbeidsproductiviteit is gebaseerd op een HP-filterde trend (lambda = 100) van het reële BBP-volume per uur voor de periode 1970-2013/2014.

Opvallend is dat juist in landen waar de loonkosten zich tijdens de crisis relatief ongunstig hebben ontwikkeld ten opzichte van de structurele arbeidsproductiviteit ook het langdurig werkloosheidsniveau het hoogst is (zie figuur 4).

Figuur 4: Te hoge loonkosten hangen samen met hoog niveau van langdurige werkloosheid
Figuur 4: Te hoge loonkosten hangen samen met hoog niveau van langdurige werkloosheidBron: OECD, Erken et al. (2015

Toelichting: langdurige werkloosheid is hier gedefinieerd als het aantal personen dat langer dan 1 jaar op zoek is naar een baan (leeftijd 15-65 jaar) als percentage van de beroepsbevolking.

In figuur 4 is ook een groep landen zichtbaar waar de langdurige werkloosheid relatief resistent lijkt te zijn voor ongunstige loonkostenontwikkeling, gelabeld afgeschermd. Deze groep bestaat uit relatief gesloten economieën, zoals Finland en Noorwegen. In open economieën worden te hoge loonkosten via een lagere concurrentiepositie afgestraft door een lager marktaandeel, lagere exporten en bijgevolg een hogere werkloosheid.  In gesloten economieën zullen hogere loonkosten niet direct leiden tot een lager marktaandeel, omdat bedrijven relatief afgeschermd zijn van concurrentie waardoor de gevolgen voor de werkloosheid minder sterk zijn.

Modeluitkomsten

De trendlijn in figuur 4 heeft betrekking op de groep landen zonder de afgeschermde economieën en uitbijter Portugal. Om te onderzoeken of de positieve relatie ook opgaat voor de gehele groep landen over een langere tijdsperiode, hebben we in bijlage 1 een regressieanalyse uitgevoerd. Hiermee kunnen we meer in algemene zin de afruil tussen loonkosten en langdurige werkloosheid formeel testen. De resultaten van het model laten zien dat zowel de ontwikkeling van het BBP als de reële loonkosten een significant effect hebben op de ontwikkeling van de langdurige werkloosheid. Een stijging van het reële BBP met 1% zorgt voor een daling van het langdurige werkloosheidspercentage op lange termijn tussen de 0,13%-punt en 0,17%-punt. Een stijging van de reële loonkosten per uur ten opzichte van de reële structurele arbeidsproductiviteit met 1% leidt tot een stijging van het langdurige werkloosheidspercentage op lange termijn tussen de 0,04%-punt en 0,07%-punt.

Scenario-analyse voor Nederland

Het is mogelijk om de resultaten van het dynamische panelmodel te gebruiken om een beter gevoel te krijgen voor de effecten van de loonkostenontwikkeling ten opzichte van de structurele arbeidsproductiviteit. Hoewel de convergentie van het panelmodel naar alle waarschijnlijkheid wat trager verloopt dan wanneer dezelfde scenario’s met een landenspecifiek model zouden worden geschat, geven de uitkomsten voor Nederland wel een eerste indicatie van de ordegrootte van het totale effect op de middellange termijn.

We werken twee scenario’s uit ten opzichte van een basisscenario (zie figuur A.1 in de bijlage voor de aannames).[2] In het basisscenario gaan we uit van een economische groei in 2015 van 2% en in 2016 van 2½% (zie het meest recente raming voor Nederland in Visie op 2016). Voor 2017 en 2018 gaan we gemakshalve uit van een gemiddelde groei van 2% per jaar. In het basisscenario stijgen de reële loonkosten per uur even hard als de reële structurele arbeidsproductiviteit per uur. In dit scenario heeft de ontwikkeling van de loonkosten dus geen effect op de ontwikkeling van de langdurige werkloosheid. De resultaten van dit basisscenario worden in figuur 5 weergegeven door de oranje gestreepte lijn: de langdurige werkloosheid stabiliseert de komende jaren rond de 3¼%. Zoals hiervoor al aangegeven verwachten we dat de convergentie bij een specifiek model van de Nederlandse economie sneller verloopt en de langdurige werkloosheid al in eerdere jaren zou stabiliseren. We willen daarom benadrukken dat het ons er vooral om gaat de ontwikkeling van de scenario’s af te zetten tegen een basisscenario.

Figuur 5: Matigen van de loonkosten scheelt 65.000 langdurig werklozen
Figuur 5: Matigen van de loonkosten scheelt 65.000 langdurig werklozenBron: OECD, CBS, Rabobank.

In het eerste scenario worden de loonkosten gematigd. Deze matiging begint met 1,5% in 2015 en 2016 en bouwt af naar 0% in 2018. Dit scenario lijkt op wat er in het VK is gebeurd de afgelopen jaren (zie figuur 3). De modelvoorspelling van scenario 1 staan in figuur 5 weergegeven door de paarse lijn: de langdurige werkloosheid stabiliseert zich in 2015 en in 2016 wordt een daling ingezet. In het tweede scenario groeien de loonkosten met 2% per jaar. In dat geval stijgen de loonkosten een stuk sneller dan de structurele arbeidsproductiviteit. Dit uit zich in een continu stijgend verloop van de langdurige werkloosheid en tot en met 2018 en is er in ieder geval nog geen zicht op stabilisatie (zie blauwe lijn in figuur 5. Het absolute verschil tussen loonkostenmatiging (scenario 1) ten opzichte van loonkostenstijging (scenario 2) betreft 65.000 langdurig werklozen. 

Daar komt bij dat een daling van de reële loonkosten uiteraard ook zal helpen om personen die te maken hebben met kortdurende werkloosheid eerder aan een baan te helpen, waardoor de totale vermindering van de werkloosheid bij een loonkostenmatiging ten opzichte van loonkostenstijging een stuk hoger zal uitvallen.

Toename Nederlandse loonkosten sinds crisis door hogere werkgeverslasten

Onze resultaten laten zien dat het economisch onwenselijk is geweest dat de loonkosten in de jaren na de crisis in Nederland relatief hard zijn gestegen ten opzichte van de arbeidsproductiviteit. Toch zijn de stijgende loonkosten niet zozeer te wijten aan de ontwikkeling van de reële bruto lonen, maar aan de opgelopen werkgeverslasten.[3] Deze ontwikkelingen hebben de effecten op de arbeidsmarkt vooral verergerd. De gematigde reële loonontwikkeling was niet voldoende om de loonkosten te doen dalen, terwijl die ontwikkeling er ook nog eens voor heeft gezorgd dat het beschikbare inkomen van huishoudens in de afgelopen jaren nauwelijks toe is genomen. Dit heeft de consumptiegroei gedrukt en geleid tot lagere economische groei, wat volgens ons model ook leidt tot hogere langdurige werkloosheid. De Nederlandse arbeidsmarkt heeft hierdoor het slechtste van twee werelden gekend als we kijken naar de effecten op de langdurige werkloosheid: dalende binnenlandse bestedingen en dus lagere economische groei gecombineerd met hogere loonkosten.

De Nederlandse arbeidsmarkt heeft hierdoor het slechtste van twee werelden gekend als we kijken naar de effecten op de langdurige werkloosheid: dalende binnenlandse bestedingen en dus lagere economische groei gecombineerd met hogere loonkosten. Wat moet er gebeuren om de situatie in de komende jaren te verbeteren? Gezien het broze economische herstel lijkt het niet verstandig om de brutolonen teveel te matigen. Aangezien de stijgende loonkosten veroorzaakt zijn door overheidsmaatregelen zou wat ons betreft daar ook het antwoord moeten worden gezocht. Het zou daarom verstandiger zijn als de loonkosten worden verminderd door de werkgeverslasten te verlagen. Uiteraard heeft ook de economische groei een grote impact op de hoogte van de langdurige werkloosheid, waardoor het ook belangrijk is dat de economische groei in de komende jaren hoog blijft.

Dit laatste geldt des te meer omdat werkloosheid op zijn beurt de werkgeverslasten aanwakkert. De totale werkgeverslasten bestaan voor een groot deel uit lasten die voortvloeien uit de wettelijke sociale verzekeringen. Daarbinnen spelen twee posten, de Werkloosheidswet (WW)- en Zorgverzekeringswet (ZVW)-premies, de belangrijkste rol in de toegenomen kosten. Naarmate meer werknemers hun baan verloren, nam het beroep op de uitkeringen uit de WW toe. De WW wordt volledig gefinancierd door middel van werkgeverspremies, die daardoor tijdens en na de recessie sterk zijn gestegen (SZW, 2011). Hoe dit deel van de wig zich ontwikkelt is daarmee afhankelijk van de (langdurige) werkloosheid en de gerelateerde in- en uitstroom van de WW. Daarnaast steeg tijdens het begin van de recessie het tarief van inkomensafhankelijke bijdrage (IAB), waardoor de werkgeverslasten ten behoeve van de ZVW toenamen (SZW, 2011). Die stijging ging ook na de recessie door.

Uit de Belastingplan 2016 gepresenteerd op Prinsjesdag blijkt dat het kabinet in het lastenverlichtingspakket van vijf miljard vooral oog heeft gehad voor de werknemerslasten. Figuur 6 laat duidelijk zien dat de geplande lastenverlaging weliswaar de werknemerswig sterk verkleint, maar niks doet aan de werkgeverswig. Hoewel de lagere werknemerslasten voor meer economische groei en dus ook banen zullen leiden, is wat betreft de langdurige werkloosheid het niet verlagen van het werkgeverswig de grootste gemiste kans van het kabinet. Gezien de krappe budgettaire ruimte lijkt het namelijk erg onwaarschijnlijk dat er de komende jaren genoeg geld is om de werkgeverslasten significant te verlagen.

Figuur 6: Kabinet doet niets aan gestegen werkgeverslasten
Figuur 6: Kabinet doet niets aan gestegen werkgeverslastenBron: MEV 2015

Overigens moet worden opgemerkt dat het aandeel ouderen in de langdurige werkloosheid in Nederland internationaal gezien hoog is: meer dan 40% van de langdurig werklozen is ouder dan vijftig jaar. Hoewel ouderen minder vaak hun baan verliezen dan jongeren, is de kans dat zij langdurig werkloos raken wel een stuk groter (De Graaf et al., 2015a). Door beleidshervormingen zoals het verhogen van de AOW-leeftijd bieden tegenwoordig meer ouderen zich aan op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd zien we dat deze groep moeilijker een baan vindt, zowel door het stigma wat er op deze groep rust als ook institutionele factoren. Bij het verlagen van de langdurige werkloosheid dienen beleidsmakers daarom ook rekening te houden met de huidige samenstelling van deze groep. 

Conclusie

De langdurige werkloosheid in Nederland is de afgelopen jaren relatief sterk opgelopen. Uit ons onderzoek blijkt dat een hogere langdurige werkloosheid nauw samenhangt met de ontwikkeling van de loonkosten ten opzichte van de arbeidsproductiviteit. In landen waar de loonkosten sinds de crisis harder zijn gestegen dan de arbeidsproductiviteit is de langdurige werkloosheid ook sterker toegenomen. Ook in Nederland zijn de loonkosten de afgelopen jaren sterker gestegen dan de arbeidsproductiviteit. De oorzaak hiervan kan echter niet worden gevonden in stijgende reële brutolonen, maar in een toename van de werkgeverslasten. Het zou economisch gezien verstandig zijn als het kabinet de komende jaren de loonkosten matigt door een verlaging van de werkgeverslasten. Uit onze modeluitkomsten blijkt dat een loonkostenmatiging tot een vermindering van wel 65.000 langdurig werklozen kan leiden.

Voetnoten

[1] Dit gedrag wordt door in de economische literatuur ook wel labour hoarding genoemd.

[2] We gebruiken variant 4 (Handel IV) in tabel 2 voor onze scenarioanalyse, omdat in deze variant de meeste effecten worden meegenomen.

[3] Volgens de klassieke economische theorie zou het overigens op de lange termijn niet moet uitmaken welke van de twee wordt verlaagd: hogere werkgeverslasten zullen in een efficiënte arbeidsmarkt uiteindelijk worden doorberekend in het contractloon van de werknemers. Zeker op korte termijn blijkt echter dat een verhoging van werkgeverslasten niet direct leidt tot lagere contractlonen. Daardoor zullen de arbeidskosten toenemen bij een verhoging van de werkgeverslasten, wat de vraag naar arbeid vermindert. Of een verandering in werkgeverslasten op de lange termijn wel wordt doorberekend in de contractlonen blijkt afhankelijk van de institutionele vormgeving van de arbeidsmarkt in een land (OECD, 2008).

[4] De landen zijn: België, Canada, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Japan, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het VK, de VS, Zweden en Zwitserland.

[5] Als we de geschatte autoregressieve term van 0,4 (en 0,3 in de IV-schattingen) meenemen in onze berekeningen, zorgt een stijging van het reële BBP met 1% voor een daling van het langdurige werkloosheidspercentage op lange termijn met 0,18%-punt (= 0,10/(1-0,43)) en 0,13%-punt in de IV-schattingen.

Literatuur

Acemoglu, D., D. Autor, en D. Lyle (2004), Women, war and wages: The effect of female labor supply on the wage structure at midcentury, Journal of Political Economy, 112(3), blz. 497-551

Abbritti, M., and S. Fahr (2013), Downward wage rigidity and business cycle asymmetries, Journal of Monetary Economics, 60(7), 871-886.

Arellano, M. and S. Bond (1991), Some tests of specification for panel data: Monte Carlo evidence and an application to employment equations, Review of Economic Studies, 58(2), blz. 277-297.

Babecký, J., P. Du Caju, T. Kosma, M. Lawless, J. Messina and T. Rõõm (2010), Downward nominal and real wage rigidity: Survey evidence from European firms, Scandinavian Journal of Economics, 112(4), 884-910.

Bassanini, A., S. Scarpetta en P. Hemmings (2001), Economic growth: the role of policies and institutions. Panel data evidence from OECD countries, OECD, Economic Department Working Papers, no. 283.

Berge, W. van den, H.P.G. Erken, M. de Graaf-Zijl and E.J.M. van Loon (2014), The Dutch labour market during the Great Recession, CPB achtergronddocument, Den Haag.

Cameron, A.C. en P.K. Trivedi (2005), Microeconometrics: Methods and Applications, Cambridge University Press, Cambridge.

CPB (2010), SAFFIER II: 1 model voor de Nederlandse economie, in 2 hoedanigheden, voor 3       toepassingen, CPB document no. 217, Den Haag.

Erken, H.P.G., K. Grabska and M. van Kempen (2015), Labour market adjustments during the Great Recession: an international comparison, CPB achtergronddocument, Den Haag.

Erosa, A., L. Fuster en G. Kambourov (2012), Labor supply and government programs: A cross-country analysis, Journal of Monetary Economics, 59(1), blz. 84-107.

Graaf-Zijl, M. de, A. van der Horst en D. van Vuuren (2015a), Langdurige werkloosheid: Afwachten en hervormen, CPB Policy Brief 2015/11, The Hague. 

Graaf-Zijl, M. de, A. van der Horst, D. van Vuuren, H.P.G. Erken en R. Luginbuhl (2015b), Long-term unemployment and the Great Recession in the Netherlands: Economic mechanisms and policy implications, De Economist, 163(4), blz. 415-434.

Greene, W.H. (2000), Econometric Analysis, 4th edition, Prentice Hall, New Jersey.

Gottschalk, P. (2005), Downward nominal-wage flexibility: real or measurement error?, Review of Economics and Statistics, 87(3), 556-568.

Gordon, R.J. (2010), Revisiting and rethinking the business cycle. Okun’s law and productivity innovations, American Economic Review Papers & Proceedings, 100, blz. 11-15.

Hamermesh, D. (1993), Labor Demand. Princeton, NJ: Princeton University Press.

Klinger, S. en E. Weber  (2014), On GDP-employment decoupling in Germany, IAB discussion paper no. 21/2014.

Krueger, A., J. Cramer en D. Cho (2014), Are the long-term unemployed on the margins of the labor market?, Brookings papers on economic activity, 229–280.

Kugler, A., en M. Kugler (2009), Labor market effects of payroll taxes in developing countries: Evidence from Colombia, Economic Development and Cultural Change, 57(2), blz. 335–358.

OECD (2008), Tax and Economic Growth, OECD Economics Department Working Paper no. 620, Parijs.

Schmitt-Grohé, S., and M. Uribe (2013), Downward Nominal Wage Rigidity and the Case for Temporary Inflation in the Eurozone, Journal of Economic Perspectives, 27(3), 193-211.

SZW (2011), Beleidsdoorlichting van artikel 42 van de SZW-begroting (arbeidsparticipatie), Den Haag.

Vestad, O.L. (2013), Labour supply effects of early retirement provision, Labour Economics, 25, blz. 98-109.

Bijlage 1

Om te onderzoeken of we het verband geschetst in figuur 4 kunnen formaliseren presenteren we in deze bijlage de resultaten van een dynamische panelschatting voor 18 OECD-landen[4] over een periode van 23 jaar (1992-2014). De data voor de regressie zijn afkomstig van de nationale rekeningen van de OECD. Voor een overzicht van alle gebruikte data verwijzen we naar Appendix B in Erken et al. (2015).

Model

Ons panelmodel heeft de volgende vormgeving:

Waar i = 1,...,N (N is het aantal landen), t = 1992,...,2014. LU representeert het aantal langdurige werklozen (langer dan 1 jaar werkloosheid) als percentage van de beroepsbevolking, Y is het reële BBP (constante prijzen van 2005 en uitgedrukt in US$ koopkrachtpariteiten). Onze loonaanpassingsparameter α3 definiëren we als de mutatie van de afwijking van de reële loonkosten (LK) per gewerkt uur (H) van de reële structurele arbeidsproductiviteit (LP) per gewerkte uur (H), waarbij alle termen zijn uitgedrukt in als index met als basisjaar 2005. De structurele arbeidsproductiviteit is gebaseerd op een HP-filterde (lambda = 100) trend van het reële BBP-volume per uur voor de periode 1970-2013/2014. Coëfficiënt α4meet hetzelfde effect als α3, maar wordt geïnteracteerd met een variabele die de openheid van de economie meet (T). Dit doen we omdat uit figuur 4 een groep landen naar voren kwam waar de langdurige werkloosheid redelijk resistent lijkt te zijn voor loonkostenstijgingen. Dit zou kunnen komen doordat deze groep relatief gesloten is voor buitenlandse handel, waardoor loonkostenstijgingen via een verslechtering van de concurrentiepositie minder sterk wordt afgestraft door de tucht van de internationale markt dan in relatief open economieën. De indicator voor openheid van de economie is gebaseerd op de indicator openness to foreign trade (zie Bassanini et al., 2001), waarbij we hebben gecorrigeerd voor de grootte van een economie. DUM staat voor landdummy’s om rekening te houden met fixed effects in de cross-sectie.

Schattingsmethode en endogeniteitsproblemen

We gebruiken zogenoemde eerste verschillen Generalised Method of Moments (GMM) als schatter van ons model. Deze schattingsmethode behoort tot de dynamische paneltechnieken gebaseerd op Arellano en Bond (1991). We volgen Greene (2000, pp. 583-584) en gebruiken de vertraagde niveaus van onze afhankelijke variabele (LUt-2 en LUt-3) als instrumenten voor de autoregressieve term DLUi,t-1.

Bij het schatten van dynamische panelvergelijking (1) dient rekening te worden gehouden met twee vormen van endogeniteit. Allereerst zorgt de autoregressieve term voor endogeniteit (Cameron en Trivedi, 2005), waardoor de gebruikelijke within, first-difference en GLS schatters inconsistent zijn. Daarom maken wij gebruik van de Arellano-Bond GMM schatter (Arellano en Bond, 1991). Het tweede endogeniteitsprobleem betreft mogelijke wederkerige causaliteit tussen langdurige werkloosheid en loonkosten. Het is bekend dat wanneer de arbeidsmarkt ruim is en er sprake is van hoge werkloosheid, vakbonden een zwakke onderhandelingspositie hebben bij de arbeidsvoorwaardenvorming. Hierdoor zal de ontwikkeling van loonkosten worden gedrukt. We verwachten echter dat mogelijke wederkerige causaliteit een stuk beperkter is tussen loonkosten en specifiek de groep langdurig werklozen. Recente studies van De Graaf et al. (2015b) voor Nederland en Krueger et al. (2014) voor de VS laten zien dat zowel de reële lonen als het aantal vacatures nauwelijks reageert op een stijging van het langdurig werkloosheidspercentage.

Om het mogelijke probleem van wederkerige causaliteit econometrisch te ondervangen voeren we schattingen uit waarbij we de wig inzetten als instrumentele variabele voor onze loonkostenparameter. De wig betreft het verschil tussen de loonkosten voor een werkgever en het nettoloon dat de werknemer ontvangt en meet dus alle sociale premieafdrachten. Aangezien de wig onderdeel uitmaakt van totale loonkosten verwachten we dat dit instrument de langdurige werkloosheid direct beïnvloedt. Omgekeerd worden veranderingen van sociale werkgeverslasten (zoals de arbeidsongeschiktheidspremies, zorgpremies en pensioenpremies) vaak politiek en beleidsmatig ingegeven, waardoor de kans kleiner is dat verandering van het langdurig werkloosheidspercentage invloed heeft op de wig. De wig is echter geen perfect instrument, omdat ook WW-premies onderdeel hiervan uitmaken en deze beurtelings weer­­ zeer sterk gecorreleerd zijn met het aantal WW’ers en daarmee de werkloosheid. Echter, de WW-component voor bijvoorbeeld Nederland betreft vanaf 2008 gemiddeld ongeveer de 10% van de totale sociale lasten, waardoor we het nadeel van gebruik van de wig als instrument beperkt achten.

Resultaten

De resultaten van onze schattingen staan in tabel 1. Ten eerste laten de resultaten zien dat economische groei een significant effect heeft op de verandering in het langdurig werkloosheidspercentage. Coëfficiënt α2 laat in alle schattingsvarianten een waarde zien van om en nabij de 0,10. Dit betekent dat een groei van de economie met 1% leidt tot een daling van de langdurige werkloosheid met 0,10%-punt één jaar later. Dit effect is intuïtief gemakkelijk te verklaren. Economische groei leidt tot werkgelegenheidsgroei, waardoor een deel van de werklozen werk zal vinden en proportioneel ook een deel van de werklozen dat langer dan 1 jaar op zoek is naar werk. Omdat onze autoregressieve term significant is heeft economische groei ook in de jaren na de impuls nog effect op langdurige werkloosheid.[5]

Ook onze loonkostenparameter heeft een significant effect op het langdurige werkloosheidspercentage. De coëfficiënt bedraagt 0,02 in de basisvariant en 0,05 in de IV-variant. Dit betekent dat een stijging van de reële loonkosten per uur ten opzichte van de reële structurele arbeidsproductiviteit met 1% leidt tot een stijging van het langdurige werkloosheidspercentage met tussen de 0,02%-punt en 0,05%-punt. Het langetermijneffect ligt tussen de 0,04%-punt en 0,07%-punt. De interpretatie van de loonkostenparameter in de schattingsvarianten 3 en 4 is minder eenduidig, omdat het hier gaat om een interactieterm.

Tabel 1. Dynamische panelschattingen
Tabel 1. Dynamische panelschattingen Bron: Rabobank

Methode: Arellano-Bond GMM schatter. Significant op * 5% en * * 1%. Let op: het is bekend dat de standaardfouten door de Arellano-Bond GMM schatter worden onderschat (Arrelano en Bond, 1991). Daarom is het belangrijk voorzichtigheid in acht te nemen met het interpreteren van de significantie van de coëfficiënten.

Figuur A.1: Aannames scenario-analyse: economische groei, reële loonkosten per uur en reële structurele arbeidsproductiviteit
Figuur A.1: Aannames scenario-analyse: economische groei, reële loonkosten per uur en reële structurele arbeidsproductiviteitBron: OECD, Rabobank
Figuur A.2: Model vertoont goede fit met realisaties Nederlandse langdurige werkloosheid
Figuur A.2: Model vertoont goede fit met realisaties Nederlandse langdurige werkloosheidBron: OECD, Rabobank
Delen:
Auteur(s)
Hugo Erken
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
06 2223 1650
Martijn Badir
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 - 21 62666
Overige auteurs
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven