RaboResearch - Economisch Onderzoek

De voor- en nadelen van full reserve banking

Special

Delen:
  • Invoering van full reserve banking heeft voordelen, maar ook tal van nadelen
  • Procycliciteit wordt niet volledig uitgebannen, klantvrijheid wordt sterk ingeperkt en verlegging van activiteiten naar het niet-gereguleerde deel van het financiële stelsel wordt in de hand gewerkt
  • Het Chicago Plan is erg intern gericht; over de mogelijke invloeden vanuit het buitenland rept het met geen woord
  • Ook het voorstel om het monopolie op geldschepping bij de overheid te leggen kent de nodige nadelen
  • Reeds getroffen maatregelen kunnen het huidige financiële stelsel verregaand stabiliseren zonder dat ingrijpende systeemveranderingen nodig zijn

Het huidige stelsel van fractional reserve banking is gevoelig voor bank runs en het is procyclisch gebleken. Daarom zijn er voorstellen om over te gaan op full reserve banking, waarbij banken hun direct opvraagbare verplichtingen volledig moeten dekken met liquide activa. Ook wordt voorgesteld om banken hun geldscheppende vermogen te ontnemen en dit geheel bij de overheid neer te leggen. In deze Special bespreken we de voor- en nadelen van deze plannen en de mogelijkheid om ze in te voeren. Daarbij concluderen we dat reeds getroffen toezichtmaatregelen, aan te vullen met enkele extra maatregelen, het stelsel al verregaand kunnen stabiliseren zonder dat daartoe ingrijpende systeemveranderingen nodig zijn. 

Inleiding

In een aantal landen weerklinkt op dit moment de oproep om commerciële banken hun geldscheppende vermogen te ontnemen en dit uitsluitend bij de overheid te beleggen. Het bankwezen zou daarbij moeten worden omgevormd van het vigerende stelsel van fractional reserve banking in een stelsel van full reserve banking waarin het uitstaande girale geld voor de volle 100% is gedekt met reserves bij de centrale bank. In ons land is dit debat aangezwengeld door het zogeheten Burgerinitiatief Ons Geld.

Het idee van full reserve banking is niet nieuw. Reeds aan het begin van de achttiende eeuw lanceerde de Britse econoom David Ricardo voorstellen in deze richting (Laìna, 2015; Goodhart & Jensen, 2015). Toen ging de discussie tussen de zogeheten currency school (voorstanders van gedekt geld) en de banking school nog vooral over de vraag of de geldvoorraad, die op dat moment nog overwegend bestond uit munten en bankbiljetten, wel in voldoende mate was gedekt door goud of zilver. Dit speelt in de huidige discussie niet meer. Hoewel de currency school bij de Britse Banking Act uit 1844 nog de overhand had, verdween het belang hiervan in de praktijk naar de achtergrond. Dit kwam vooral doordat in de loop der tijd het girale geld in toenemende mate opkwam.

De meest recente ideeën om over te gaan op full reserve banking gaan terug op voorstellen die in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn gedaan (Fisher, 1935). Fisher was niet de eerste voorstander van full reserve banking, maar zijn boek bevat wel de meest samenhangende bespreking van de voorstellen hieromtrent.[1] Die voorstellen waren een reactie op de diepe depressie waarin de Amerikaanse economie zich op dat moment bevond. Daarom gaan we in deze studie eerst in op de context waarin indertijd het pleidooi voor full reserve banking naar voren werd gebracht en wat de voorstanders er mee wilden bereiken. Vervolgens bespreken we de voor- en nadelen van full reserve banking en de haalbaarheid ervan. In de slotparagrafen gaan we in op minder ingrijpende alternatieven die trachten de nadelen van het huidige stelsel te ondervangen, maar die niet zozeer het gehele stelsel op zijn kop zetten.[2]

Deze Special gaat slechts zijdelings in op fractional reserve banking. De werking daarvan staat beschreven in Boonstra (2015a, 2015b). In het kader van deze studie is het wel van belang om de grootste kwetsbaarheid van het huidige stelsel te begrijpen. Doordat de uitstaande direct opvraagbare verplichtingen van een bank (giraal geld) normaal gesproken haar liquiditeitsreserves overtreffen, kan een bank bij massale opvragingen in liquiditeitsproblemen komen. Het stelsel vereist daarom een goed functionerende geldmarkt en een centrale bank die indien nodig inspringt als lender of last resort. Verder is het stelsel de afgelopen decennia procyclisch gebleken (Jakab & Kumhof, 2015). Dit zullen we verderop uitvoeriger bespreken. 

Functies van banken

Banken spelen een cruciale rol in het financiële intermediatieproces. Bij directe financiering trekken tekorthuishoudingen (geldnemers of leners), zoals gezinnen die een huis willen kopen of ondernemers die willen investeren, het geld rechtstreeks aan bij overschothuishoudingen (geldverschaffers), zoals spaarders of beleggers. Bij indirecte financiering bevindt zich een intermediair tussen geldverschaffers en geldnemers, zoals een bank. Banken zijn dus in belangrijke mate een doorgeefluik van geld. Maar zij creëren daarbij ook zelf giraal geld via het proces van wederzijdse schuldaanvaarding. Hierbij leidt onder meer kredietverlening tot een toename van de girale geldhoeveelheid (Boonstra, 2015a). Verder wikkelen banken het girale betalingsverkeer af, inclusief de interactie tussen het girale en het chartale betalingscircuit. In hun rol als intermediair verrichten banken tevens diverse zogeheten transformatiefuncties.[3] 

Daarvan zijn in het kader van deze Special vooral de transformatie van risico en die van looptijd van belang. Het eerste slaat op het feit dat de bank het kredietrisico van de klant (spaarder) overneemt. Het tweede slaat op het feit dat de geldgevers in het algemeen graag directe beschikking over hun spaargeld willen behouden, terwijl de geldnemer zekerheid wil over de looptijd van zijn lening. Banken hebben dus in het algemeen veel korte middelen op de passiefzijde van hun balans staan, waaronder giraal geld en direct opvraagbaar spaargeld en zij verstrekken langlopende leningen. Dit leidt bij banken tot het ontstaan van het opvraagbaarheids- of liquiditeitsrisico (Mishkin et al., 2013).

Full reserve banking: het Chicago Plan

Context

Het Chicago Plan ontstond in de jaren dertig van de vorige eeuw. De Verenigde Staten waren in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw het land van de bank runs (Galbraith, 1975). Een aantal pogingen om het Amerikaanse financiële stelsel adequaat te reguleren, stuitte op maatschappelijke weerstand. Tot tweemaal toe werd in de negentiende eeuw een Amerikaanse centrale bank opgericht, te weten de First Bank of the United States (1791 – 1811) en de Second Bank of the United States (1816 - 1836), maar tweemaal werd deze na verloop van tijd ook weer opgeheven. De Federal Reserve Board (Fed), opgericht in 1913, was dus de derde poging om tot een centrale bank te komen. Vanwege deze voorgeschiedenis was de Fed tijdens de jaren dertig aanvankelijk erg terughoudend om een sterk stempel te drukken op de ontwikkelingen in het bankwezen. Daardoor was haar beleid ten tijde van de boom te ruim en tijdens de depressie (bust) te terughoudend. Ook faalde zij in haar rol als lender of last resort (Friedman & Schwarz, 1963; Galbraith, 1975). Dit kwam mede doordat de crisis er aanvankelijk niet toe leidde dat banken massaal in de problemen kwamen.

Indertijd bestond een groot deel van de uitstaande kredieten in de Verenigde Staten uit kortlopende en/of direct opvraagbare (bedrijfs-)kredieten (Fisher, 1935, p. 127). Banken deden dus weinig aan looptijdtransformatie (zie onder). Door uitstaande kredieten in te trekken, kon een bank daardoor haar liquiditeitspositie snel verbeteren. Banken leken dus relatief stabiel, maar dit kwam doordat het liquiditeitsrisico (zie boven) op de debiteuren werd afgewenteld. Hierdoor werd een run op een bank een run op haar klanten. Dit leidde tot een snelle daling van de kredietverlening en de geldhoeveelheid en daarmee tot grote schade voor de reële economie. Maar de banken zelf leken aanvankelijk niet in de gevarenzone te zijn. Dit illustreert dat een crisissituatie kan worden verergerd als de centrale bank uitsluitend kijkt naar de stabiliteit van de banken op de korte termijn en zij onvoldoende oog heeft voor de bredere context. Als de Fed eerder was gedwongen om in te grijpen was de depressie van de jaren dertig minder diep geweest.

Tegenwoordig hebben in veel landen bancaire leningen meestal een beduidend langere looptijd. Dat betekent dat banken bij liquiditeitsnood niet massaal kredieten kunnen opeisen. Een situatie zoals indertijd in de VS kan daardoor nu niet meer optreden. Tegelijkertijd is de looptijd van het spaargeld tegenwoordig veelal kort. De looptijdtransformatie -het fenomeen dat leningen met een lange looptijd worden gefinancierd met kortlopende funding- is dus fors toegenomen. Dit heeft er overigens wel toe geleid dat het liquiditeitsrisico van banken veel groter is geworden. Maar het gevolg is wel dat centrale banken sneller worden gedwongen om liquiditeitssteun aan de banken te verschaffen als zij een crisis willen vermijden.

In tegenstelling tot de Fed in de jaren dertig hebben de centrale banken na 2008 wel daadkrachtig opgetreden. Daardoor is een van de belangrijkste problemen die het Chicago Plan wilde bestrijden -een sterke krimp van de geldhoeveelheid doordat banken massaal hun krediet opeisen- in de huidige crisis nauwelijks aan de orde geweest.

Het Chicago Plan

Het Chicago Plan is zoals gezegd het beste verwoord door Irving Fisher (1935), hoewel hij ook in de jaren dertig zeker niet de eerste was[4] Weliswaar zijn er meer recente voorstellen verschenen (Benes & Kumhof, 2012), maar in de kern voegen die niet veel toe aan het voorstel van Fisher. Daarom baseert deze studie zich primair op zijn voorstel. Onder het Chicago Plan moeten banken het bij hen uitstaande girale geld volledig dekken met chartaal geld of reserves bij de centrale bank (full reserve banking). Zij kunnen daardoor geen extra giraal geld meer creëren. In de kern komt het voorstel neer op het uiteenrafelen van de taken van de geldvoorziening en die van de financiële intermediatie (Goodhart & Jensen, 2015). Laatstgenoemde taak blijft ook onder het Chicago Plan een bancaire taak, waarbij banken dan nog uitsluitend kunnen optreden als secundaire bank. De overheid moet de eerstgenoemde taak overnemen, waarover later meer.

Als het girale geld voor 100% is gedekt door liquide activa loopt een bank geen liquiditeitsrisico meer. Als mensen dan massaal hun girale geld opvragen om het om te zetten in chartaal geld is het enige effect een verandering van de samenstelling van de geldhoeveelheid. De omvang van de geldhoeveelheid (M1) verandert door deze transactie niet (Boonstra, 2015b). Merk op dat de moderne voorstellen inzake full-reserve banking niets meer te maken hebben met de dekking van fiduciair geld met iets dat intrinsiek waardevol is. Dat is duidelijk anders dan eerdere voorstellen, waarin werd voorgesteld om het door banken gecreëerde geld te dekken met bijvoorbeeld goud of grondstoffen.[5] Het huidige debat heeft dus een duidelijk andere inhoud dan het negentiende-eeuwse debat tussen de currency school en de banking school. Het Chicago Plan behelst het dekken van fiduciair giraal geld door al even fiduciair chartaal geld. In beide gevallen met een intrinsieke waarde die de nul benadert.

Uiteraard moeten banken kredieten blijven verstrekken. Die moeten in het voorstel van Fisher volledig worden gefinancierd met (reeds bestaand) spaargeld of het eigen vermogen van de bank. Dat spaargeld moet voor langere tijd vaststaan. Door de looptijd van de bancaire funding zo dicht mogelijk op die van de kredieten te laten aansluiten, wordt de kans op bank runs kleiner. Spaargeld mag niet gaan fungeren als een near money of quasigeld; dat zou het plan onderuit halen, omdat dan de hoeveelheid geld en quasigeld in omloop zich nog steeds onafhankelijk zou kunnen bewegen ten opzichte van de bancaire liquiditeitsreserves. Dit betekent dat het aanhouden van direct opvraagbaar spaargeld onder het plan van Fisher ook niet is toegestaan. Hier ligt een kwetsbaarheid van het plan, waarover later meer.

In het Chicago Plan wordt verder voorgesteld een overheidscommissie op te richten die de optimale geldhoeveelheid moet vaststellen. De centrale bank moet er dan via aan- en verkopen van financiële activa van zowel de banken als het publiek voor zorgen dat de geldhoeveelheid op het gewenste niveau blijft. Hiermee kan de bancaire kredietverlening geen procyclische werking op de geldhoeveelheid meer uitoefenen.

Merk op dat aanhangers van het Chicago Plan een wezenlijk andere kijk op de werking van het geldsysteem hebben dan de voorstanders van fractional reserve banking. Voorstanders van het huidige systeem stellen, analoog aan die van de Banking school, dat de geldhoeveelheid zich endogeen ontwikkelt, als uitvloeisel van de ontwikkelingen in de reële economie. De geldhoeveelheid is daarmee naar haar aard zeker op korte termijn niet te voorspellen (Boonstra, 2015b). De aanhangers van full reserve banking gaan er daarentegen vanuit dat een ‘optimale’ geldhoeveelheid vooraf kan worden bepaald, waarna de diverse betrokken partijen ervoor dienen te zorgen dat die waarde wordt bereikt.

De voordelen van het Chicago Plan lijken op het eerste gezicht duidelijk. Bank runs zijn niet meer mogelijk, omdat banken het bij hen aangehouden girale geld voor 100% met reserves bij de centrale bank moeten dekken en dus 100% liquide zijn. Omdat de leningenportefeuille wordt gedekt met lange financiering (obligaties, spaardeposito’s met vaste looptijd of een vaste opzegtermijn en eigen vermogen), kunnen banken niet meer worden geconfronteerd met acute liquiditeitsproblemen. Banken zijn daardoor minder kwetsbaar, vooral trouwens doordat spaarders niet meer direct over hun spaargeld kunnen beschikken.

Nadelen van het Chicago Plan

Tegenwoordig doen de meeste banken zoals gezegd veel meer aan looptijdtransformatie dan tachtig jaar geleden. Dit geldt zeker voor Nederland. Een groot deel van de huidige bancaire kredietportefeuille bestaat uit hypothecaire leningen aan gezinshuishoudingen, met looptijden tot dertig jaar. Het leeuwendeel van het spaargeld is juist direct opvraagbaar. Dit weerspiegelt de voorkeuren van de klanten; mensen hechten aan de beschikbaarheid van hun spaargeld. Deze situatie vergroot het liquiditeitsrisico van banken en onderstreept het belang van een adequate beleidsreactie door centrale banken. Maar het maakt het zo goed als onmogelijk om de looptijd van bancaire activa en passiva nauw op elkaar te laten aansluiten. Geldverschaffers willen in meerderheid nu eenmaal niet voor langere tijd afstand doen van hun geld.

Tegenover de genoemde voordelen van het Chicago Plan staan dus ook de nodige nadelen. Ten eerste kunnen ook onder het Chicago Plan nog steeds liquiditeitsproblemen ontstaan zo lang de looptijd van het spaargeld niet exact gelijk is aan die van de uitstaande kredieten. Het spreekt zoals gezegd vanzelf dat het Chicago Plan direct opvraagbaar spaargeld (of iedere andere near money) niet verdraagt. Deze moeten dus worden verboden. Ten tweede kan het Chicago Plan niet voorkomen dat er kredietcycli optreden. Het plan redeneert volledig vanuit de aanbodzijde van het geldscheppingsproces, in dit geval de banken. Die zien in de voorstellen van het Chicago Plan hun kredietverlenend vermogen ingeperkt doordat hen de mogelijkheid tot girale geldschepping wordt ontnomen. Daardoor kunnen zij uitsluitend krediet verlenen op basis van reeds bestaand geld. Maar men ziet over het hoofd dat banken nog steeds krediet kunnen verlenen en er dus schulden kunnen ontstaan als de geldhoeveelheid constant is. Voorts kan full reserve banking niet voorkomen dat de hoeveelheid krediet afneemt als de vraag ernaar wegvalt. De kredietvraag zal ook onder het Chicago Plan vooral afhangen van de kansen en risico’s die ondernemers zien en van de mogelijkheden die mensen hebben om een woning aan te schaffen. Het plan ziet verder over het hoofd dat veranderingen in de omloopsnelheid van het geld eveneens tot procyclische effecten vanuit de monetaire sfeer kunnen leiden.

Een speciaal aspect betreft de rol die de aanhangers van full reserve banking de overheid toedichten. Die krijgt het geldscheppingsmonopolie toegeschoven. Zoals bekend heeft de overheid (inclusief de centrale bank), anders dan commerciële banken, geen rem op haar geldscheppende vermogen (Boonstra, 2015a). Dit is een van de belangrijkste redenen geweest om in de Europese wetgeving vast te leggen dat de overheid haar tekorten niet meer mag financieren met nieuw aangemaakt geld (verbod op monetaire financiering). Maar de voorstellen van het Chicago Plan gaan nog veel verder dan monetaire financiering. In de moderne versies ervan is zelfs sprake van een massieve financiering met nieuw door de overheid aan te maken geld van collectieve én private uitgaven. Daarbij kan de overheid via de centrale bank, wederom anders dan de commerciële banken, geldscheppingswinst incasseren. In het verleden is regelmatig gebleken dat het erg gevaarlijk kan zijn als de overheid een monopolie op de geldschepping heeft (Boonstra, 2013a, 2013b).

Verder legt het Chicago Plan sterke restricties op aan de keuzevrijheid van de spaarders. Direct opvraagbaar spaargeld mag zoals gezegd niet meer. Eigenlijk maakt het Chicago Plan banken vooral veiliger door risico’s door te schuiven naar de spaarders en de keuzevrijheid van klanten daarbij ook nog eens sterk in te perken. Tot slot staat het idee dat een overheidscomité vooraf kan bepalen wat de ‘optimale’ ontwikkeling van de geldhoeveelheid is bezijden de werkelijkheid. De ontwikkeling van de geldhoeveelheid is zelfs in een relatief klein land als Nederland de uitkomst van ettelijke miljoenen transacties per jaar, als uitkomst van de interacties tussen banken en hun binnenlandse en buitenlandse klanten (Boonstra, 2015b). Dit kan achteraf worden waargenomen en waar nodig door de centrale bank via monetair beleid worden bijgestuurd, maar het kan niet worden ´voorspeld´.

Impact op het betalingsverkeer

Als banken niet meer als primaire bank mogen optreden, en dus geen giraal geld meer mogen creëren, verliezen zij een bron van inkomsten. De hoeveelheid gratis funding die zij in omloop kunnen brengen neemt dan immers af. Ofschoon de inkomsten uit geldschepping bij lange na niet de mythische proporties hebben die sommigen zich erbij voorstellen, kunnen zij wel substantieel zijn. Op dit moment dienen die baten, aangeduid als balansinkomsten (balance related income), nog in hoge mate om de kosten van het betalingsverkeer (deels) te dekken. Daarom mag worden verwacht dat banken zich bij verlies van deze baten genoodzaakt zullen zien om hun klanten nog hogere kosten in rekening te brengen voor de afwikkeling van het betalingsverkeer, net zolang totdat dit geheel kostendekkend is (Boonstra, 2015b). Overigens is dit precies wat Irving Fisher (1935) al voorstelde, al wordt daar door de aanhangers van full reserve banking steevast aan voorbij gegaan. Het is zelfs denkbaar dat het dan voor banken niet langer aantrekkelijk is om het betalingsverkeer af te wikkelen en dat zij dit daarom afstoten (Hennipman, 1943).

Een laatste opmerking is dat het Chicago Plan het buitenland helemaal buiten beschouwing laat. Het is niet goed voorstelbaar dat het kan worden ingevoerd in een open economie als de rest van de wereld tegelijkertijd niet meegaat. Goodhart & Jensen (2015) wijzen er op dat banken in een wereld met vrij kapitaalverkeer en elektronisch bankieren vanuit het buitenland alle diensten kunnen aanbieden die zij willen. Daarmee dreigen de banken die onder full reserve banking moeten opereren te worden gemarginaliseerd, waarmee alle voordelen van het Chicago Plan direct zijn verdwenen. Los daarvan hebben grensoverschrijdende transacties een eigenstandige invloed op de omvang van de geldhoeveelheid. En deze staat op zeer gespannen voet met de starheid die een van overheidswege ingestelde geldgroeidoelstelling nu eenmaal met zich meebrengt.

De rol van innovatie

Overschothuishoudens kunnen onder het Chicago Plan geen direct opvraagbaar spaargeld meer aanhouden. Zij kunnen hun geld renteloos op een betaalrekening aanhouden of bij de bank stallen in de vorm van een voor een langere tijd vaststaand spaardeposito. In de variant van Benes & Kumhof (2012) kan zelfs dit laatste niet meer. Mensen die rendement op hun geld willen hebben, moeten gaan beleggen.

Dit opent perspectieven voor beleggingsfondsen om kortlopend geldmarktpapier te emitteren ten einde een kredietportefeuille te financieren. Dergelijke fondsen vallen niet onder de definitie van een bank (want zij trekken geen deposito’s aan en voeren geen betaalrekeningen) en vallen dus ook niet onder het toezicht van de centrale bank. Maar zij verrichten dan dus wel de looptijdtransformatie die een bank niet meer mag verrichten. Het door hen uitgegeven geldmarktpapier is voor spaarders een aantrekkelijk alternatief. Dan zou de situatie ontstaan dat onder toezicht staande banken geen looptijdtransformatie meer mogen verrichten, terwijl dat in het ongereguleerde schaduwsysteem wel zou kunnen. Dit, terwijl ook vanuit het schaduwstelsel grote schokken kunnen komen die het gehele stelsel kunnen raken. Goodhart & Jensen (2015) wijzen er in dit kader fijntjes op dat Lehman Brothers -de investment bank wier faillissement in september 2008 de crisis pas echt in gang zette- noch een onder toezicht staande bank, noch een geldscheppende instelling was. Op de mogelijkheid dat buitenlandse banken alle in het binnenland verboden diensten leveren, is hierboven al gewezen. Het is zelfs denkbaar dat sommige banken ervoor kiezen om hun bankvergunning in te leveren om zichzelf tot een ongereguleerd beleggingsfonds om te vormen. Het is aannemelijk dat door dergelijke fondsen uitgegeven geldmarktpapier zich ontwikkelt tot een near money, waarmee mensen onderling buiten het bankwezen om betalingen gaan verrichten.

In dit kader hoeft men alleen maar te denken aan de bitcoin. Deze virtuele munt is door niets gedekt, is volstrekt ongereguleerd, is niet transparant, heeft geen binding met de reguliere economie en is daardoor zeer volatiel in waarde. Toch heeft de bitcoin op velen een grote aantrekkingskracht. De kans is groot dat geldmarktpapier, gebaseerd op een goed gespreide kredietportefeuille en uitgegeven door een emittent met een goede naam, het -gebruikmakend van de blockchain-technologie (de technologie achter de bitcoin)- nog veel beter gaat doen. De kans dat overregulering van het bankwezen tot een grootschalige verlegging van activiteiten naar het schaduwcircuit zal leiden, is niet gering (Dow et al., 2015).

Dit is de grootste kwetsbaarheid van alle plannen om over te gaan op full reserve banking. Ook dit is geen nieuw inzicht, want het is reeds in 1934 verwoord door Simons, die overigens zelf een voorstander van full reserve banking was. Maar hij zag alras in dat financiële innovaties het plan zouden ondermijnen. In de woorden van Goodhart & Jensen (2015): It is the Achilles heel of the Currency School, and most proponents deal with it by ignoring it.

Procyclisch

Een belangrijk en deels terecht kritiekpunt op het huidige stelsel van fractional reserve banking is dat het procyclisch werkt (Jakab & Kumhof, 2015). Daarbij is de cycliciteit van de hoeveelheid krediet in het algemeen echter groter dan die van de geldhoeveelheid.

De cyclische uitslagen in de kredietverlening hebben verschillende oorzaken, waarbij het gedrag van de banken, dat van hun klanten en de vormgeving van het bankentoezicht allemaal een rol spelen. Bij de banken speelt dat kredietrisico’s in economisch gunstige tijden positiever worden ingeschat waardoor de bereidheid tot het verstrekken van krediet (ceteris paribus) groter is. De rol van het toezicht is eveneens belangrijk, en ook die loopt via de bankbalans. Het tweede Bazelse regime heeft het stelsel onbedoeld meer procyclisch gemaakt (Rochet, 2010). Onder dit stelsel mogen banken hun activa (kredieten, effecten, overige bezittingen) een risicoweging geven, waarna de solvabiliteitsratio’s op de naar risico gewogen activa worden gebaseerd. Dit betekent dat de risicoweging in een opgaande conjunctuur omlaag gaat, met name doordat de kwaliteit van de kredietverlening verbetert. Daardoor krijgen de banken gegeven de hoeveelheid eigen vermogen die zij hebben meer ruimte voor balansverlenging en dus ook voor kredietverlening. In een neergaande conjunctuur werkt dit mechanisme omgekeerd, omdat de kwaliteit van eerder verstrekte leningen afneemt door de economische omstandigheden. Dat betekent dat de risicoweging van de kredieten omhoog gaat. Daar heeft niet alleen de verstrekking van nieuw krediet onder te lijden, maar ook tegenover bestaande kredieten moet dan meer eigen vermogen worden aangehouden. Bij de klanten speelt dat zij, als zij de toekomst positief inzien, meer bereid zijn tot het aangaan van schuld dan in slechtere tijden. In tijden van recessie kan men er zelfs toe overgaan om grootschalig schulden af te lossen, zoals de afgelopen jaren in ons land gebeurde met woninghypotheken. Dit leidt niet alleen tot een daling van de geldhoeveelheid, maar het drukt ook de bestedingen. Merk op dat de meeste van de voornoemde oorzaken van procycliciteit ook kunnen spelen onder een stelsel van full reserve banking. Daarbij verkleint het Chicago Plan de procycliciteit van het financiële stelsel zoals gezegd vooral in een opgaande conjunctuur, als het kan helpen om overkreditering af te remmen. In een neergaande fase legt het echter geen enkele beperking op aan de krimp van krediet en geldhoeveelheid. Het plan elimineert de procycliciteit dus geenszins (Dow et al., 2015).

Beleidsperspectief: hoe verder

De ontwikkeling van de geldhoeveelheid weerspiegelt ex-post de uitkomst van de wisselwerking tussen vraag naar en aanbod van geld en krediet. Hoewel de uitkomst van dit proces volledig tot uiting komt op de balans van het bankwezen, spelen de banken daarin vaker een passieve dan een actieve rol (Boonstra, 2015b). Vanwege de vele invalshoeken waarlangs de omvang en samenstelling van de geldhoeveelheid kan veranderen, valt zoals gezegd vooraf niet goed vast te stellen hoe groot de ‘optimale ontwikkeling’ van de geldhoeveelheid is. Centrale banken kunnen de feitelijke ontwikkeling van de geldhoeveelheid nauwgezet volgen en waar nodig via het monetaire beleid ingrijpen.

Voor de crisis van 2007/2008 werd de feitelijke ontwikkeling van de geldhoeveelheid en vooral het inflatietempo niet als zorgwekkend gezien. Toch is een belangrijke les uit de crisis dat het uitsluitend volgen van grootheden als geldhoeveelheid en inflatie niet genoeg is. Monetaire autoriteiten moeten ook goed zicht hebben op onderliggende kwetsbaarheden, zoals schuldniveaus op sectorniveau. Want de uitslagen in de kredietverlening zijn groter dan die van de geldhoeveelheid.

Verder is het belangrijk dat de hiervoor beschreven procycliciteit van het stelsel wordt verminderd. De maatregelen hiertoe liggen voor de hand en zijn deels al ingevoerd. Aan de vraagzijde is het raadzaam om de fiscale ondersteuning van schuldfinanciering verder terug te dringen, teneinde overkreditering tegen te gaan. In ons land zijn wat dit betreft stappen gezet bij de recente (2013) hervorming van de hypotheekrenteaftrek. De vraag naar hypothecair krediet kan desgewenst worden ingeperkt door inkomensnormen aan te scherpen en door banken te verplichten om in tijden van erg lage rentevoeten bij het berekenen van het maximaal te lenen bedrag te werken met minimum rekenrentes die hoger liggen dan de op dat moment vigerende leentarieven. In Nederland is het overigens al gebruikelijk dat een bank, ongeacht de feitelijke rente, bij het bepalen van het maximaal te lenen bedrag rekent met een minimale hypotheekrente van 5%, met name bij de leningen met een relatief korte rentelooptijd. Dit beperkt niet alleen de leenruimte van de klant, maar ook diens kwetsbaarheid als de rente onverhoopt mocht stijgen. Ook kan men trachten de vraag naar consumptief krediet en/of de vraag naar effectenkrediet verder terug te dringen. Bij dit alles moet wel worden voorkomen dat deze vraag naar krediet zich verlegt naar het niet-gereguleerde stelsel van schaduwbankieren.

Aan de aanbodzijde kan de procycliciteit in de kredietverlening worden teruggedrongen door banken te verplichten om in een opgaande conjunctuur extra vermogensbuffers op te bouwen, zoals inmiddels vastgelegd in het nieuwe toezichtregime Bazel-III. Overwogen kan worden om hetzelfde te doen ten aanzien van verplichte liquiditeitsbuffers. Overigens vormt de na de crisis reeds ingevoerde combinatie van zwaardere vermogenseisen, het opleggen van minimale risicogewichten voor bancaire activa en het (in Bazel-III) opleggen van minimum normen ten aanzien van de liquidity coverage ratio (LCR) en de net stable funding ratio (NSFR) al een belangrijke rem op het geldscheppende vermogen van de banken (BIS, 2011).

Intermezzo: een alternatief voorstel om het ‘geldscheppingsprivilege’ te elimineren

Bij velen leeft het gevoel dat geldscheppende banken in het huidige stelsel een onevenredig groot voordeel hebben. Dat is één van de redenen waarom oproepen om banken hun geldscheppend vermogen te ontnemen zoveel weerklank krijgen. Hier kan echter ook een ander pad worden ingeslagen. Stel dat banken de kosten voor het betalingsverkeer stapsgewijs steeds meer doorrekenen aan hun klanten via abonnementsgelden voor het aanhouden van een bankrekening en transactiegebonden tarifering, totdat volledige dekking is bereikt (conform Fisher, 1935). Daartegenover zouden zij dan over de rekening-courantsaldi een marktconforme rente moeten vergoeden, gelijk aan die op direct opvraagbaar spaargeld. Daarmee zou het privilege van de ‘gratis funding’ dat de geldscheppende banken nu nog hebben direct zijn verdwenen. Voor de samenleving heeft dit als voordeel dat alle kosten en baten van het financiële verkeer duidelijk worden, wat zal leiden tot een efficiënter gebruik van het betaalsysteem. Ook wordt het speelveld voor alle partijen geëffend, dus voor primaire (geldscheppende) banken, secundaire banken en andere aanbieders van financiële diensten. De klanten van de banken worden geconfronteerd met de kosten van hun betaalgedrag, maar worden daarvoor gecompenseerd via de rentevergoeding over hun betaalrekening.

Ook aan deze oplossing kleeft helaas een nadeel. Het huidige stelsel bevat een impliciete subsidie van ‘winstgevende’ naar ‘verlieslatende’ klanten, omdat het rentevoordeel dat de banken genieten op grotere girale saldi hoger is dan op kleine saldi. Deze subsidie zou door deze hervorming volledig verdwijnen. De kosten van een betaalrekening kunnen daardoor voor mensen met een laag inkomen te hoog worden. Dit is niet aanvaardbaar, omdat participatie in een moderne samenleving nu eenmaal vereist dat men gebruik kan maken van giraal betalingsverkeer. Het is een bancaire nutsfunctie waar iedereen toegang toe moet hebben.

Voor de banken is het grootste voordeel van deze benadering dat de kosten van het betalingsverkeer op een stabiele en transparante wijze worden gedekt in plaats van via de onvoorspelbare en sterk schommelende baten vanuit de ‘balansopbrengsten’ (Boonstra, 2015b). Om grote schokken te voorkomen, dient overigens ook deze overgang geleidelijk en op Europees niveau gecoördineerd te geschieden. Dit om te voorkomen dat de concurrentieposities van de diverse nationale stelsels te ver uiteen gaan lopen.

Tot besluit

Invoering van full reserve banking brengt niet alleen voordelen, maar ook nadelen met zich mee. Waar banken hun problemen ten tijde van de crisis van de jaren dertig aanvankelijk konden afwentelen op hun debiteuren, worden zij onder het Chicago Plan vooral veiliger gemaakt door de risico’s naar crediteuren te verschuiven, in het bijzonder de spaarders. Procycliciteit wordt niet volledig uitgebannen, klantvrijheid wordt sterk ingeperkt en verlegging van activiteiten naar het niet-gereguleerde deel van het financiële stelsel wordt in de hand gewerkt. De voorgestelde grotere rol voor de overheid in het geldscheppingsproces is omstreden. Verder is het Chicago Plan erg intern gericht; over de mogelijke invloeden vanuit het buitenland rept het met geen woord.

Sinds het uitbreken van de crisis is een veelheid aan toezichtmaatregelen getroffen om het stelsel stabieler te maken. Hierbij gaat het onder meer om zwaardere vermogenseisen voor banken, hogere liquiditeitsvereisten (LCR), inperking van de looptijdtransformatie (NSFR) en inperking van het maximale bedrag dat mensen mogen lenen voor de eigen woning. Het lijkt verstandig om de uitwerking van dit pakket af te wachten, alvorens drastische verdere ingrepen te doen.

Het huidige stelsel, dat dankzij de ingebouwde flexibiliteit grote maatschappelijke voordelen kent, kan worden hervormd langs de hier voorgestelde lijnen. Dus een marktconforme rentevergoeding op betaalrekeningen, een kostendekkend betalingsverkeer, minder fiscale ondersteuning van schuldopbouw, striktere inkomensnormen, vooral voor niet-productieve (consumptieve) leningen, en meer anticyclische liquiditeits- en vermogenseisen. Dan zijn verregaande en risicovolle ingrepen zoals overgaan op full reserve banking volstrekt onnodig. 

Voetnoten

[1] Dit was opmerkelijk, omdat Fisher eerder het stelsel van fractional reserve banking nog grondig had uitgelegd, waarbij hij met name inging op het ook toen al levende misverstand dat giraal geld ‘nergens op is gebaseerd’(Fisher, 1911, par. II-2).

[2] In ons land heeft het Burgerinitiatief Ons Geld zich opgeworpen als voorstander van full reserve banking. Dit initiatief omvat overigens nog meer voorstellen (zie www.burgerinitiatiefonsgeld.nu). Zie voor een kritische bespreking ervan Visser (2015).

[3] Transformatie van looptijd, risico, plaats en omvang.

[4] Hennipman (1943) wijst op W.E. Brooks (1908), J.R. Cummings (1912), F. Soddy (1921) en Von Mises (1928). Benes & Kumhof (2012) wijzen verder onder meer op werk van F. Knight (1933), G. Means (1933), L. Currie (1934), J. Angell (1935) en H. Simons (1936).

[5] Zie voor een overzicht Lainà (2015).

Literatuur

Angell, J.W. (1935) The 100 per cent reserve plan. The Quarterly Journal of Economics, 50(1), 1–35.

Bagehot, W. (1873) Lombard Street. A description of the money market, 3rd edition. Londen: Henry S. King & Co.

Benes, J. en M. Kumhof (2012) The Chicago Plan revisited. IMF Working Paper, 12(202).

Basel Commitee on Banking Supervision (BIS, 2011), Basel III: a global regulatory framework for more resilient bank and banking systems, Basel, juni.

Boonstra, W.W. (2013a), Geld speelt (g)een rol. Oratie. Amsterdam: VU University Press, 11 oktober.

Boonstra, W.W. (2013b), Bruikbaarheid van het Chicago Plan, ESB, 13 december.

Boonstra, W.W. (2015a), Hoe werkt geldschepping?, Rabobank Special, mei.

Boonstra, W.W. (2015b), De geldfabriek nader beschouwd, ESB, 5 november.

Dewatripont, M., J-C Rochet & J. Tirole (2010), Balancing the Banks, Global Lessons from the Financial Crisis, Princeton University Press, Princeton and Oxford.

Dow, S, G. Johnson & A. Montagnoli (2015), A critique of full reserve banking, Sheffield Economic Research Paper No. 2015008, maart.

Dyson, B. (2012) Full-reserve banking (in plain English). A few simple changes to banking that could end the debt crisis. Artikel op www.positivemoney.org.uk, februari.

Fisher, I. (1911) The purchasing power of money. In: Barber, W.J. (red.) The works of Irving Fisher. Londen: Pickering & Chatto.

Fisher, I. (1933) The Debt-deflation Theory of Great Depressions. Econometrica, 1(4), 337–357.

Fisher, I. (1935) 100% Money. In: Barber, W.J. (red.) The works of Irving Fisher. Londen: Pickering & Chatto, 1997(11).

Friedman, M. en A.J. Schwartz (1963) A monetary history of the United States 1867–1960. Princeton: Princeton University Press.

Galbraith, J.K. (1975) Money, whence it came, where it went. Boston: Pelican Books.

Goodhart, C.A.E. & M.A. & Jensen (2015), A commentary on Lainà’s Proposals for full-reserve banking: A historical surveyfrom David Ricardo to Martin Wolf. Currency School versus Banking School: an ongoing confrontation, Economic Thought 4.2, pp. 20 – 31.

Jakab, Z. & M. Kumhof (2015), Banks are not intermediairies of loanable funds – and why this matters, Bank of England Working Paper No. 529, May.

Lainà, P. 2015, Proposals for full-reserve banking: A historical survey from David Ricardo to Martin Wolf, Economic Thought 4.2, pp. 1 - 19.

Mishkin, F.S., K. Matthews en M. Giuliodori (2013) The economics of money, banking & financial markets. Harlow, United Kingdom, Pearson.

Rochet, J.C (2010), The Future of Banking Regulation, Hfst. 3 in Dewatripont et al. (2010).

Visser, H. (2015), Het wensdenken van het burgerinitiatief Ons geld, Economisch Statistische Berichten, 26 maart, pp. 170 – 173.

Graham, Frank D. (1936), Partial Reserve Money and the 100 per cent Proposal, The American Economic Review, Vol. 26, No 3 (September), pp. 428 – 440.

Hennipman, P. (1943) Het 100% plan. Het voorstel tot volledige dekking van niet bij de centrale bank aangehouden girosaldi. Maandschrift Economie, 92(1), 269–302.

Delen:
Auteur(s)
Wim Boonstra
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 66617

naar boven