RaboResearch - Economisch Onderzoek

Veranderende arbeidsmarkt zet druk op inkomensongelijkheid

Themabericht

Delen:
  • Technologische ontwikkelingen en globalisatie zijn in het voordeel van hooggeschoolden, terwijl routinematige werkgelegenheid in het middensegment door deze processen steeds meer onder druk komt te staan
  • Dit kan ertoe leiden dat de ongelijkheid in de inkomensverdeling in de toekomst verder gaat toenemen
  • De overheid kan dit proberen te voorkomen door middelbaar geschoolden om te scholen voor hogere beroepen en door het stimuleren van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt

Uit verschillende indicatoren blijkt dat de inkomensongelijkheid in Nederland laag is vergeleken met andere Westerse landen (zie bijv Badir, 2015). Wel is er sinds het midden van de jaren negentig sprake van een licht stijgende ongelijkheid in de verdeling van het primaire inkomen [1]. Veruit het belangrijkste deel van dit inkomen bestaat uit loon. De andere bronnen van het primaire inkomen (vermogen, bedrijf) laten we in de rest van de analyse dan ook grotendeels buiten beschouwing [2].

Volgens veel economen is het waarschijnlijk dat loonongelijkheid in de toekomst verder zal toenemen. In dit themabericht bespreken we de belangrijkste oorzaken die daar volgens de literatuur aan bijdragen. Als de politiek de toenemende inkomensongelijkheid onwenselijk vindt, dan kan herverdeling een instrument zijn om te voorkomen dat groeiende ongelijkheid doorzet naar het besteedbare inkomen van huishoudens. Maar ook aan deze herverdeling kan een grens zitten in termen van verlies aan economische groei. We bespreken daarom een aantal beleidsmaatregelen die volgens ons structureel kunnen bijdragen aan het beperken van de groeiende loonongelijkheid.

Verklaringen voor groeiende loonverschillen

Skill-biased technological change

Onder economen overheersen twee verklaringen voor de groeiende ongelijkheid in arbeidsinkomen: technologische ontwikkeling en globalisering.

De eerste verklaring staat in de literatuur bekend als Skill Biased Technical Change (SBTC) (Violante, 2008) en gaat uit van de veronderstelling dat nieuwe technologieën de vraag naar hoogopgeleide arbeidskrachten sneller doen toenemen dan de vraag naar laagopgeleide krachten [3]. De reden is dat technologische vooruitgang vaker complementair is aan hooggeschoold werk. Met andere woorden: hoogopgeleiden doen werk dat goed samengaat met nieuwe technologieën. Aangezien laagopgeleiden minder profiteren van technologische vooruitgang, en er soms zelfs door worden vervangen, stijgt het loonverschil tussen hoog- en laagopgeleiden volgens deze theorie. SBTC is in een aantal studies succesvol geweest in het verklaren van de evolutie van loonverschillen in de vorige eeuw, zoals voor de VS, waar de meeste empirische studies naar zijn gedaan (zie voor een overzicht Acemoglu en Autor, 2011).

De afgelopen jaren zijn er echter steeds meer tekortkomingen van de SBTC-theorie aan het licht gekomen. Het klassieke model van SBTC kan niet verklaren waarom in de afgelopen twintig tot dertig jaar het aandeel van de werkgelegenheid van de middengroepen van de inkomensverdeling daalt, terwijl het werkgelegenheidsaandeel van de onder- en bovenkant juist toeneemt (Autor en Dorn (2013); Goos, Manning en Salomons (2014)). Dit fenomeen wordt ook wel baanpolarisatie genoemd. Dezelfde polarisering zien we terug bij lonen, die aan de boven- en onderkant van de inkomensverdeling sterker toenemen dan in het midden. Ook Nederland laat een patroon van baanpolarisatie zien, zij het minder sterk dan in veel landen om ons heen (Figuur 1).Een ander deel van de literatuur (bijv Mishel et al, 2013) spreekt liever over occupational upgrading, omdat zij vooral een krimp van het middensegment zien en een stijging van het hoge segment. Ook in Nederland zien we dat de opleidingseisen voor banen in het middensegment omhoog gaan (CPB, 2015).

Figuur 1: Werkgelegenheidsaandeel middengroepen daalt
Figuur 1: Werkgelegenheidsaandeel middengroepen daaltBron: Goos, Manning en Salomons (2014)
Figuur 2: Indeling van werk volgens het routinemodel
Figuur 2: Indeling van werk volgens het routinemodelBron: Autor, Levy en Murnane (2003)

Autor, Levy en Murnane (2003) hebben de SBTC-theorie uitgebreid door vier soorten taken centraal te stellen (Figuur 2). Hun aanpassing wordt ook wel het Routine Biased Technical Change (RBTC) of ‘routinemodel’ genoemd. Het routinemodel leent zich goed om baan- en loonpolarisatie te verklaren. Het routinematige en manuele werk is vaak ongeschoold en is sinds de industriële revolutie al grotendeels vervangen door machines. Werk in het middensegment van de arbeidsmarkt valt veelal in het kwadrant routinematig en cognitief (bijv administratief medewerker). Dit type werk is de laatste dertig jaar  door de inzet van ICT binnen het bereik gekomen van computers. Hierdoor dalen de relatieve lonen in deze groep. Computers zijn nu nog een stuk slechter in het overnemen van werk in de twee overige kwadranten: niet-routinematige abstracte taken en manuele taken die niet repetitief zijn. Abstracte taken vereisen analytische capaciteiten, inschattingsvermogen en creativiteit. Dit werk wordt veelal uitgeoefend door hoger opgeleiden. Niet-routinematig, manuele taken zijn van fysieke aard en bevatten weinig herhaling. Dit type werk bevindt zich vaker binnen het domein van lager opgeleiden.

Globalisering

Globalisering vormt een tweede verklaring voor de toenemende loongelijkheid. Laagopgeleiden in Westerse landen ondervinden steeds meer concurrentie van de veel lager betaalde laagopgeleiden in opkomende economieën. Dit uit zich in verplaatsing (offshoring) van werk naar opkomende economieën. Dit geldt voor het maken van goederen, maar steeds vaker ook voor het verlenen van diensten, omdat internet de kosten van communicatie drastisch heeft verlaagd. Hoewel offshoring niet makkelijk te meten is[4], laat de literatuur die beschikbaar is wel zien dat de impact ervan op loongelijkheid veel kleiner is dan die van Skill Biased Technical Change. Hoogopgeleiden profiteren juist van globalisering doordat zij hun capaciteiten in zekere zin op de wereldmarkt te gelde kunnen maken (De Beer, 2014). Dit vergt wel dat zij een positie weten te veroveren in internationale waardeketens, door hun kennis van nieuwe technologie of door klantvraagversnippering (BCG, 2014).

Onderwijs

Naast vraagzijde-effecten worden loonontwikkelingen uiteraard ook gedreven door aanbodfactoren. Een belangrijke aanbodfactor is de groep hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt. Bij een voldoende snelle onderwijsexpansie in verhouding tot de stijgende vraag naar hoger opgeleiden, daalt het relatieve loon van hoger opgeleiden.

Figuur 3: Groei hoger opgeleiden op weg naar stagnatie
Figuur 3: Groei hoger opgeleiden op weg naar stagnatieBron: CBS, Rabobank

Met de inhaalslag die vrouwen hebben gemaakt in het hoger onderwijs, is de grootste onderwijsexpansie in Nederland inmiddels wel achter de rug. Het aandeel van hoger opgeleiden in de beroepsbevolking groeit in de komende vijf jaar nog, maar zal in de periode daarna gaan afvlakken (Figuur 3) [5]. Het aandeel van middelbaar opgeleiden ontwikkelt zich al geruime tijd vlak en blijft dat de komende jaren doen. Dit kan betekenen dat het al sinds de jaren tachtig groeiende relatieve loon van hoogopgeleiden verder gaat toenemen.

 

 

Toekomstige arbeidsmarkt

Computers zullen in de toekomst steeds meer taken van mensen kunnen overnemen. Frey en Osborne (2013) komen tot de conclusie dat 47% van de 702 ‘soorten’ banen zeer gevoelig zijn voor automatisering in de komende twee decennia. Deloitte (2014) projecteerde de resultaten van Frey en Osborne op de Nederlandse situatie en komen tot de inschatting dat twee tot drie miljoen banen mogelijk gaan verdwijnen. Daar staat tegenover dat technologische verandering ook weer zorgt voor nieuwe werkgelegenheid. De arbeidsmarkt is dan ook absoluut niet statisch: jaarlijks wordt 10-15% van de banen geheralloceerd (vernietigd dan wel gecreëerd). De relevante vraag is dus meer hoe de balans tussen baancreatie en verlies in de toekomst uitvalt.  Experts zijn denken verschillen over het antwoord. Brynjolfsson en McAfee (2014) stellen dat machines veel meer dan in het verleden mensen zullen vervangen. Maar er zijn ook experts die op de positieve facetten van technologie voor de arbeidsmarkt wijzen.

Uit de eerder besproken literatuur blijkt dat vooral banen in het middensegment met een routinematig karakters een hogere kans lopen om geautomatiseerd of geoffshored te worden. De baankansen in het middensegment nemen af en een omvangrijke groep werkenden ziet hierdoor zijn welvaart in het gedrang komen. De dreiging van groeiende ongelijkheid en de negatieve sociaaleconomische gevolgen die dit kan hebben, kan reden zijn voor de politiek om na te denken over beleid dat de middenklasse zoveel mogelijk aan het werk houdt.

Beleidsimplicaties

Onderwijs kan een goed instrument zijn om groeiende loonongelijkheid in te dammen. Technologie is immers vooral complementair aan het niet-routinematige en cognitieve werk van hoger opgeleiden. Herscholing en bijscholing zullen in de toekomst alleen maar belangrijker worden. Nederland kent nu nog weinig aandacht voor post-initieel onderwijs en scoort slecht als het gaat om levenslang leren (WRR, 2013). Het proces van occupational upgrading verloopt daardoor vooral via cohorteffecten: werkenden die met pensioen gaan zijn gemiddeld genomen lager opgeleid dan degenen die hen vervangen. Het CPB (2015) wijst erop dat investeringen in onderwijs nog onvoldoende op de markt tot stand komen, omdat werkgevers zich het rendement van investeringen niet kunnen toe-eigenen (het risico bestaat immers dat iemand vertrekt naar een andere werkgever). Ook werknemers investeren uit zichzelf te weinig in scholing, omdat zij niet kunnen lenen tegen hun toekomstige menselijke kapitaal. Met behulp van scholingsvouchers of vergelijkbare instrumenten kan worden geprobeerd het maatschappelijke rendement op opleidingen beter tot stand te laten komen. Financiering kan eventueel gericht kunnen worden op specifieke kwetsbare groepen.

Wie de sprong naar het hogere segment niet kan maken, dreigt af te zakken naar de onderkant van de arbeidsmarkt. Door neerwaartse verdringing komen de lonen daar onder druk te staan. Meer werk voor laagopgeleiden in lokale dienstverlening kan deze trend misschien nog enigszins tegengegaan. In dit segment zijn in de VS de afgelopen decennia veel banen gecreëerd – een ontwikkeling die ook wel wordt aangeduid als ‘the return of the nanny’. De overheid kan de groei van lokale dienstverlening bevorderen door de lasten op arbeid voor lagere inkomens te verlagen. Dit gaat het probleem van loonpolarisatie niet oplossen, maar het beperkt wel de schade.

Conclusie

Verschillende factoren wijzen erop dat de ongelijkheid in de inkomensverdeling in de toekomst verder kan toenemen. Technologische ontwikkelingen en globalisatie zijn in het voordeel van hooggeschoolden. Werk van middelbaar opgeleiden staan hierdoor juist onder druk. Onderwijs is een voor de hand liggend instrument om zoveel mogelijk mensen uit de middenklasse de stap naar boven te laten maken. In Nederland valt in dit opzicht veel winst te halen op het gebied van post-initieel onderwijs. Middelbaar geschoolden die dreigen af te zakken naar het lagere segment kunnen geholpen zijn met lagere lasten op arbeid.

Voetnoten

[1] Het primair inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming en inkomen uit vermogen. Een andere veelgebruikte maatstaf is het besteedbare inkomen. Dit is het primaire inkomen verhoogd met sociale uitkeringen, gecorrigeerd voor inkomensoverdrachten (zoals alimentatie), verminderd met sociale premies en na belasting op inkomen en vermogen.

[2] Het deel van het nationaal inkomen dat verdiend wordt door loontrekkers – de arbeidsinkomensquote – is  de afgelopen vijfentwintig jaar wel gedaald. Dit duidt erop dat inkomen uit de eigen onderneming en inkomen vermogen in belang zijn toegenomen. Het kan dus interessant zijn om de ongelijkheidsanalyse in de toekomst uit te breiden naar inkomen uit vermogen en de onderneming.

[3] Het klassieke model van SBTC verdeelt de beroepsbevolking in twee groepen: hoogopgeleid en laagopgeleid. De definitie van hoogopgeleid stemt overeen met de in Nederland gebruikte definitie van hbo of hoger. De restgroep wordt dan vaak aangeduid als laagopgeleid.

[4] Offshoring van taken wordt niet gemeten in de nationale rekeningen. In de literatuur wordt daarom vaak het potentieel van offshoring van een bepaalde taak gemeten, in plaats van de daadwerkelijke offshoring zelf. Dit kan bijvoorbeeld door te kijken of een taak directe (persoonlijke) communicatie vereist en of het werk aan een bepaalde fysieke locatie is gebonden (Autor en Dorn, 2013).

[5] Bij het maken van de voorspelling hebben we de aanname gemaakt dat de procentuele verdeling van personen in de leeftijdscategorie 25-35 jaar naar onderwijsniveau in de komende tien jaar gelijk blijft. Met andere woorden: nieuwe instromers zijn net zo vaak hoog-, middelbaar of laagopgeleid als de huidige 25-35 jarigen. De stijging van het aandeel hoger opgeleiden tot 2020 is daarmee een puur cohorteffect: lager opgeleide ouderen treden uit en worden vervangen door hoger opgeleide jongeren.

Literatuur

Autor, D.H., Levy, F. & Murnane, R.J. (2003). The Skill Content of Recent Technological Change: An Empirical Exploration. The Quarterly Journal of Economics, 118, 1279-1334.

Acemoglu, D. & D. Autor (2011). Skills, Tasks and Technologies: Implications for Employment and Earnings. In: Ashenfelter & Card (Ed.) Handbook of Labor Economics. Amsterdam: Elsevier vol. 4B, 1043-1171.

Autor, D.H. & Dorn, D. (2013). The Growth of Low-Skill Service Jobs and the Polarization of the US Labor Market. American Economic Review, 103 (5), 1553–97.

Badir (2015). Ongelijkheid in Nederland

BCG (2014). Meer groei, minder middenklasse? Boston Consulting Group

Beer, P. De (2014). Groeiende beloningsverschillen in Nederland. In: M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers & R. (Ed.). Hoe ongelijk is Nederland? Den Haag: WRR

Brynjolfsson, E. & McAfee, A. (2014). The Second Machine Age. New York: WW Norton.

CPB (2012). Loonongelijkheid in Nederland stijgt. CPB Policy Brief 2012/06

CPB (2015), Baanpolarisatie in Nederland, CPB Policy Brief 2015/13

Deloitte (2014). De impact van automatisering op de Nederlandse Arbeidsmarkt

Frey, C.B. & Osborne, M.A. (2013). The Future of Unemployment: How Susceptible Are Jobs to Computerization?Oxford: Oxford Martin Publication.

Goos, M., Manning, A. & Salomons, A. (2014). Explaining Job Polarization: Routine-Biased Technological Change and Offshoring’. American Economic Review, 104 (8), 2509-2526.

Kool, L. (2015). De IT-revolutie en de arbeidsmarkt. In: R. van Est en L. Kool (Ed.). Werken aan de robotsamenleving. Den Haag: Rathenau Instituut

Mishel, L., Schmitt, J. & Shierholz, H. (2013). Assessing the Job Polarization: Explanation of Growing Wage Inequality. Economic Policy Institute Working Paper.

Piketty (2014). Kapitaal in de 21ste eeuw. Amsterdam: Bezige Bij

Violante, G.J. (2008). Skill-Biased Technical Change  In: Durlauf & Blume (eds.) The New Palgrave Dictionary of Economics Online. Second Edition. New York: Palgrave Macmillan

WRR (2013). Naar een lerende economie. Den Haag: WRR

Delen:
Auteur(s)

naar boven