RaboResearch - Economisch Onderzoek

Het nieuwe werken (maar dan anders)

Themabericht

Delen:
  • Bedrijfsleven en werkgelegenheid krijgen steeds meer een dienstverlenend karakter. Het kantoor vormt voor de werkzame beroepsbevolking dan ook het belangrijkste biotoop.
  • Toch is van de werkzame beroepsbevolking nog altijd 40% in de weer met productie en –distributie van goederen en werkt nog altijd een kwart in een hal-met-kantoor.
  • De opkomst van de zzp’er heeft de gemiddelde bedrijfsomvang sterk doen dalen. Overheidsinstellingen werden in de afgelopen jaren juist groter.

De manier waarop we in Nederland ons brood verdienen, ligt niet vast. De activiteiten waarin we werkzaam zijn, het type locatie waar we die werkzaamheden uitvoeren en de omvang van de organisatie waarin we werken zijn in de afgelopen twee decennia sterk veranderd. Ooit waren we boer of ambachtsman, maar de onderneming van nu is ook vaak een dienstverlenende zzp’er.

Vestigingen en banen naar activiteit

Nederland telt bijna 1,2 miljoen adressen waarop bedrijven en instellingen zijn gevestigd. In deze vestigingen[1] wordt in bijna acht miljoen banen[2] arbeid verricht (2014). De werkzaamheden die in deze banen worden uitgevoerd, zijn erop gericht om ons te voorzien van goederen en –vooral– diensten. De Nederlandse economie heeft namelijk in grote mate een dienstverlenend karakter. Rond zestig procent van de vestigingen in ons land houdt zich bezig met dienstverlening (figuur 1). Deze bedrijven en instellingen zijn goed voor eveneens zestig procent van de werkgelegenheid (figuur 2). Een vijfde deel van de bedrijven en instellingen is actief in de productie van voedsel en goederen en een vergelijkbaar aandeel in de distributie daarvan. Productie en distributie bieden elk ook een vijfde van de werkgelegenheid.

Figuur 1: Samenstelling bedrijfsvestigingen naar aard van de activiteit die er plaatsvindt 1996 en 2014
Figuur 1. Samenstelling bedrijfsvestigingen naar aard van de activiteit die er plaatsvindt 1996 en 2014Bron: LISA
Figuur 2: Samenstelling werkgelegenheid naar aard van de activiteit die er plaatsvindt 1996 en 2014
Figuur 2. Samenstelling werkgelegenheid naar aard van de activiteit die er plaatsvindt 1996 en 2014Bron: LISA

Vestigingen en banen naar type locatie

De aard van de bedrijfsactiviteit stelt eisen aan haar locatie. Bedrijfsgebouwen zijn dan ook vaak specifiek voor bepaalde activiteiten ingericht. Landbouw vindt doorgaans plaats in of vanuit specifiek op veehouderij of plantenteelt ingerichte locaties – boerderijen of kassen. Productie van goederen en de distributie daarvan op grote schaal vindt plaats vanuit een hal-met-kantoor. De hal dient voor de productie of de distributie, het kantoor voor aansturing en administratie van de bedrijfsactiviteiten. Dienstverlening vindt doorgaans plaats in of vanuit een kantoorgebouw[3]. Zorg, onderwijs, detailhandel en horeca stellen niet alleen specifieke eisen aan hun onderkomen, maar ook aan de ligging van die locatie ten opzichte van hun klanten. Veertig procent van de vestigingen van bedrijven en instellingen zou naar de aard van hun werkzaamheden in een kantoor kunnen worden ondergebracht, ruim een vijfde in een hal-met-kantoor en een zesde in een winkel of horecagelegenheid (figuur 3). Kantoren en hallen-met-kantoor zijn elk goed voor rond dertig procent van de werkgelegenheid (figuur 4).

Figuur 3: Samenstelling bedrijfsvestigingen naar (geschat) type locatie 1996 en 2014
Figuur 3: Samenstelling bedrijfsvestigingen naar (geschat) type locatie 1996 en 2014Bron: LISA
Figuur 4: Samenstelling werkgelegenheid naar (geschat) type locatie 1996 en 2014
Figuur 4: Samenstelling werkgelegenheid naar (geschat) type locatie 1996 en 2014Bron: LISA

Deze aandelen zijn echter niet meer dan een grove inschatting, omdat de relatie tussen de aard van de werkzaamheden en het type locatie beslist niet eenduidig is. In de eerste plaats wordt de activiteit in een aantal gevallen niet in, maar alleen vanuit de vestigingslocatie van de onderneming of instelling uitgevoerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bouw en voor een belangrijk deel van de zorg. Ook is tussen de locaties van activiteiten sprake van ‘branchevervaging’. Voormalige boerderijen doen dienst als distributiecentrum, voormalige fabriekshallen of woningen als kantoor of horecagelegenheid, kantoren als tandartsenpraktijk en in congrescentra vinden opleidingsactiviteiten plaats. Bedrijfsruimte wordt weliswaar met het oog op een specifiek type gebruik gecreëerd, maar kan in de praktijk vaak voor verschillende doeleinden worden gebruikt.

Omvang vestiging verschilt per activiteit

De aandelen van de verschillende activiteiten en locaties in het totale aantal vestigingen komen niet overeen met hun aandeel in de werkgelegenheid. Dat duidt erop dat het aantal banen in een vestiging verschilt per type activiteit en per type locatie. Gemiddeld is een vestiging van een bedrijf of instelling goed voor bijna zeven banen (figuur 5). Vestigingen van instellingen voor openbaar bestuur zijn met gemiddeld bijna 138 banen echter veel groter. Ook de beide andere activiteiten die doorgaans uit collectieve middelen worden bekostigd –onderwijs en zorg– zijn relatief groot. Scholen en zorginstellingen zijn dan ook de locaties met gemiddeld het grootste aantal banen. Bedrijven en instellingen in de landbouw en de commerciële dienstverlening zijn met respectievelijk drie en vier banen gemiddeld het kleinst. Boerderijen en kantoren zijn gemiddeld dan ook de bedrijfslocaties met de minste banen (figuur 6). Tegenover de grote ‘kantoorkolossen’ voor het openbaar bestuur en voor een aantal grote commerciële ondernemingen staat een zeer groot aantal kleine kantoren –zelfstandige gebouwen of onderdelen van kantoorgebouwen– voor de zakelijke dienstverlening. Nauwelijks meer dan een procent van de driehonderdduizend vestigingen die naar hun aard in een kantoor gehuisvest zouden kunnen zijn, biedt een werkgelegenheid van meer dan tien banen.

Figuur 5: Gemiddelde omvang bedrijfsvestigingen in banen per aard van de activiteit 2014
Figuur 5: Gemiddelde omvang bedrijfsvestigingen in banen per aard van de activiteit 2014Bron: LISA
Figuur 6: Gemiddelde omvang bedrijfsvestigingen in banen per (geschat) type locatie 2014
Figuur 6: Gemiddelde omvang bedrijfsvestigingen in banen per (geschat) type locatie 2014Bron: LISA

Make-over van de werkgelegenheid en de werkomgeving

De groei van de Nederlandse economie sinds het midden van de jaren negentig ging gepaard met een toename van de werkgelegenheid met ruim anderhalf miljoen banen en een toename van het aantal vestigingen met ruim een half miljoen. De Nederlandse economie is in deze periode ook (verder) van karakter veranderd. Zowel in het aantal vestigingen als in de werkgelegenheid was sprake van een sterke ‘verdienstelijking’. Deze kwam tot uiting in een sterke groei van de vestigingen en banen in kantoren, in schoolgebouwen en in zorginstellingen. In de voedselproductie nam het aantal vestigingen, locaties (boerderijen) en banen juist fors af (figuur 7). In het openbaar bestuur nam het aantal vestigingen af, maar nam de werkgelegenheid nog wat toe. In de productie van goederen was dit juist andersom. Daardoor nam het aantal vestigingen van een hal-met-kantoor weliswaar toe, maar nam de werkgelegenheid op deze locaties af (figuur 8). In 2014 werkten daardoor veel meer Nederlanders in een kantoor, schoolgebouw of zorginstelling dan in 1996 en veel minder op een boerderij of in een bedrijfshal.

Figuur 7: Ontwikkeling vestigingen en banen per activiteit 1996-2014
Figuur 7: Ontwikkeling vestigingen en banen per activiteit 1996-2014Bron: LISA
Figuur 8: Ontwikkeling vestigingen en banen per (geschat) type locatie 1996-2014
Figuur 8: Ontwikkeling vestigingen en banen per (geschat) type locatie 1996-2014Bron: LISA

Schaalverkleining in het bedrijfsleven

Uit het verschil in ontwikkeling tussen het aantal vestigingen van bedrijven en instellingen en het aantal banen blijkt dat de gemiddelde bedrijfsvestiging in de afgelopen jaren sterk is gekrompen. In 1996 werkten in een vestiging nog gemiddeld negen personen, maar in 2014 minder dan zeven personen. Het aantal banen per vestiging van een bedrijf of instelling in ons land is nu dus een kwart kleiner dan in het midden van de jaren negentig. In absolute zin nam het aantal banen per vestiging in de zorg en het onderwijs het sterkst af (figuur 9). Ten opzichte van de gemiddelde bedrijfsomvang in 1996 was de schaalverkleining in de goederenproductie en de commerciële dienstverlening het sterkst. Aan de andere kant was in het openbaar bestuur juist sprake van een zeer forse schaalvergroting. Hierbij hebben de concentratie van rijksdiensten, gemeentelijke fusies[4] en de opheffing van onder meer de productschappen en de WGR+-regio’s een rol gespeeld. Daarnaast nam ook in de landbouw en in de transport en distributie het aantal banen per vestiging toe.

De schaalvergroting in de transport en distributie is meer dan gecompenseerd door de sterke schaalverkleining in de goederenproductie. Daardoor nam het aantal banen per hal-met-kantoor fors af (figuur 10). Het aantal banen per boerderij en per winkel of horecagelegenheid is echter wel toegenomen. In een gemiddelde boerderij, een gemiddeld winkelpand of een gemiddelde horecagelegenheid zijn nu meer mensen aan het werk dan in 1996. Aan de andere kant is het onwaarschijnlijk dat er in een kantoor, school of zorginstelling minder mensen aan het werk zijn dan voorheen. De koppeling tussen de ontwikkeling van het aantal vestigingen en het aantal locaties gaat hier mank. De sterke toename van het aantal vestigingen in commerciële diensten, onderwijs en zorg kwam voor rekening van ‘eenpitters’ die weliswaar vaak op hun woonadres geregistreerd staan, maar feitelijk werken op de locatie van een andere vestiging, of –in toenemende mate– in een café of verzamelgebouw. Het aantal vestigingen is dus veel sterker gegroeid dan het aantal locaties[5], maar de werkende Nederlander is waarschijnlijk niet minder in groepsverband gaan werken.

Figuur 9: Ontwikkeling aantal banen per vestiging naar aard van de activiteit 1996-2014
Figuur 9: Ontwikkeling aantal banen per vestiging naar aard van de activiteit 1996-2014 Bron: LISA
Figuur 10: Ontwikkeling aantal banen per vestiging naar (geschat) type locatie 1996-2014
Figuur 10: Ontwikkeling aantal banen per vestiging naar (geschat) type locatie 1996-2014Bron: LISA

Krimp van het kleinbedrijf

De schaalverkleining is het gevolg van de sterke groei van het aantal vestigingen waar slechts één persoon werkzaam is (figuur 11). Door de toegenomen populariteit van het ondernemerschap, fiscale stimulering en de vergrijzing van de beroepsbevolking werd het aantal ‘eenmanszaken’ tussen 1996 en 2014 bijna driemaal zo groot (Badir, 2014). Er zijn daardoor nu bijna driekwart miljoen zelfstandigen-zonder-personeel, ‘zzp’ers’, die ruim zestig procent van de vestigingen uitmaken (2014). Vooral zorg, onderwijs(-advies), bouw en commerciële diensten maakten een forse groei van het aantal zzp’ers door. Het aantal vestigingen in het kleinbedrijf met twee tot tien banen nam echter af door de daling van deze categorie in de detailhandel, de horeca en het transport. Het winkelbedrijf en de horeca werden getroffen door de economische crisis. In de transportsector wordt het kleinbedrijf vervangen door zelfstandige rijders. In de landbouw gingen echter de meeste vestigingen van het kleinbedrijf verloren. De structurele rationalisering en schaalvergroting in de agrarische sector leidt tot de teloorgang van het traditionele familiebedrijf ten gunste van eenpersoonsbedrijven aan de ene kant en zeer grote landbouwbedrijven aan de andere kant.

Door deze ontwikkelingen is het aandeel van het kleinbedrijf met twee tot tien werkzame personen in het Nederlandse bedrijfsleven in de afgelopen decennia fors afgenomen (figuur 12). Hoewel het aantal vestigingen in het midden- en grootbedrijf ook toenam, kon deze groei niet voorkomen dat het aandeel van vestigingen met slechts één werkzame persoon in de meeste activiteiten met twintig tot veertig procentpunten toenam. Het aandeel van grote vestigingen nam alleen in het openbaar bestuur toe, het aandeel van het middenbedrijf alleen in de landbouw.

Figuur 11. Ontwikkeling aantal vestigingen per grootteklasse 1996-2014
Figuur 11. Ontwikkeling aantal vestigingen per grootteklasse 1996-2014Bron: LISA
Figuur 12. Ontwikkeling aandelen vestigingen naar grootteklasse in procentpunten 2007-2014
Figuur 12. Ontwikkeling aandelen vestigingen naar grootteklasse in procentpunten 2007-2014Bron: LISA

De invloed van de crisis

Schaalverkleining is niet over de gehele periode 1996-2014 aan de orde geweest. Door de zeer sterke toename van de werkgelegenheid was aan het eind van de jaren negentig juist sprake van schaalvergroting. Sinds 2001 is de groei van het aantal vestigingen echter voortdurend sterker geweest dan de groei van het aantal banen. De schaalverkleining bereikte een top toen de economische crisis vanaf 2009 de banengroei deed stagneren, terwijl de groei van het aantal vestigingen nog tot 2012 op het hoge peil van de jaren voor de crisis bleef (figuur 13).

De sterke schaalverkleining die tijdens de eerste jaren van de crisis optrad, is dus niet het resultaat van de toename van het aantal vestigingen –startende ondernemers na ontslag uit een dienstbetrekking–als gevolg van die crisis, maar juist van het wegvallen van de banengroei. In de goederenproductie en de commerciële dienstverlening –waaronder de bouw en de zakelijke diensten– nam de groei van het aantal vestigingen in het begin van de crisis al af, maar het onderwijs en de zorg kenden in de eerste jaren van de crisis wel een piek in de groei van het aantal vestigingen (figuur 14). Deze groei kwam echter niet voort uit de economische crisis, maar was het gevolg van wijzigingen in het beleid van de overheid op het gebied van onderwijs, kinderopvang en zorg. Wijziging in de vergoedingenstructuur deed het aantal kinderdagverblijven, zorgverleners en pgb-adviseurs sterk toenemen.

Figuur 13: Ontwikkeling aantal vestigingen, banen en banen per vestiging in Nederland 1996-2014
Figuur 13: Ontwikkeling aantal vestigingen, banen en banen per vestiging in Nederland 1996-2014 Bron: LISA
Figuur 14: Ontwikkeling aantal vestigingen per activiteit 2007-2014
Figuur 14: Ontwikkeling aantal vestigingen per activiteit 2007-2014Bron: LISA

Het nieuwe werken (maar dan anders)

Het aanzien van het Nederlandse bedrijfsleven in ons land is sinds het midden van de jaren negentig sterk veranderd. Nog meer dan destijds het geval was, heeft een bedrijf of instelling nu een dienstverlenend karakter. Daarbij gaat het niet alleen om (commerciële) dienstverlening, maar ook om opslag en distributie van goederen. De verandering van activiteit heeft geleid tot verandering van werkplek. Voor vier van de tien vestigingen is de aangewezen locatie een kantoor en voor (nog altijd) bijna een kwart van de vestigingen is dat een hal-met-kantoor.

Daarbij neemt het aantal vestigingen al sinds 2001 sterker toe dan het aantal banen en als gevolg daarvan nam de gemiddelde omvang van bedrijven en instellingen sterk af. Deze schaalverkleining bereikte een piek tussen 2008 en 2011 toen de economische crisis leidde tot stagnatie van de werkgelegenheidsontwikkeling, terwijl de toename van het aantal vestigingen op een hoog peil bleef als gevolg van structurele veranderingen in het aanbod van onderwijs en zorg, zoals huiswerkbegeleiding en betaalde mantelzorg.

Voetnoten

[1] Stichting LISA verstaat onder vestiging: locatie van een onderneming, instelling of zelfstandige beroepsbeoefenaar (dat wil zeggen elke fabriek, werkplaats, kantoor, winkel of andere bedrijfsruimte, dan wel elk complex daarvan) waarin of van waaruit een economische activiteit of zelfstandig (vrij) beroep wordt uitgeoefend door minimaal één werkzaam persoon.

[2] Stichting LISA verstaat onder een baan een persoon die betaalde activiteiten verricht op of vanuit de vestiging: meewerkende eigenaar (directie, bedrijfshoofd), meewerkend gezinslid, zelfstandige beroepsbeoefenaar en/of werknemer. Uitzendkrachten zijn werknemers en worden meegeteld in het totaal aantal werkzame personen.

[3] Van Dale noemt als betekenis van ‘kantoor’: bedrijfsgebouw van een dienstverlenend bedrijf.

[4] Het aantal gemeenten in ons land nam tussen 1996 en 2014 met meer dan een derde af, van 625 naar 403.

[5] In de beschouwde periode nam de voorraad bedrijfsruimte weliswaar ook sterk toe, maar een groot deel van deze toename wordt niet gebruikt. Buck Consultants (2010) becijferde dat de toename van de leegstand in de periode 2000-2010 bijna 90% bedroeg van de toename van kantoorruimte.

Delen:
Auteur(s)

naar boven