RaboResearch - Economisch Onderzoek

Regionale prognoses 2015 - update

Themabericht

Delen:
  • Hogere en breder gedragen economische groei in 2015
  • Dat leidt tot groei in alle regio’s, maar wel met grote verschillen
  • De noordvleugel van de Randstad, en daarbinnen Het Gooi en Vechtstreek, heeft de meeste groeipotentie

De Nederlandse economie groeide in 2014 met 0,9% en voor 2015 voorspellen wij een versnelling van die groei. Naar verwachting neemt het BBP-volume dit jaar met 1¾% toe (tabel 1). In het jongste Economisch Kwartaalbericht leest u onze uitgebreide visie op de Nederlandse economie. In de Special Regionale prognoses 2015 van december vorig jaar beschreven wij de regionale verschillen voor wat betreft de groei van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid. Nieuwe cijfers leiden echter tot nieuwe inzichten, die op hun beurt leiden tot nieuwe prognoses. Daarom geven we in dit Themabericht een update van de regionale prognoses voor 2015.

Hogere en breder gedragen groei

In 2015 zal de economische groei hoger zijn en breder worden gedragen dan in het afgelopen jaar. Dat wil zeggen dat niet alleen de netto uitvoer en de investeringen, maar ook de particuliere consumptie dit jaar zal groeien. Vooral door de toegenomen koopkracht en de stijgende werkgelegenheid neemt het besteedbare inkomen van huishoudens toe en dragen consumenten voor het eerst sinds 2008 weer substantieel bij aan de economische groei (figuur 1).

Als onze prognose uitkomt, ligt het niveau van het BBP-volume ergens rond de komende jaarwisseling weer op het niveau van het hoogtepunt in 2008. We zijn dan acht jaar verder. Aangezien de Nederlandse bevolking tegen die tijd met ruim 3% is gegroeid, ligt het BBP per hoofd van de bevolking (een traditionele economische maatstaf voor welvaart) ook dan nog ruim onder dat van 2008. Bovendien kampen we in 2015 nog steeds met een, in historisch perspectief, hoge werkloosheid en een relatief groot aantal faillissementen. Los van de vraag of ons materiële welvaartsniveau van vlak voor de crisis een goede vergelijking is, staat onze economie dus nog voor een aantal uitdagingen. We zijn er nog niet.

Tabel 1: Kerngegevens Nederland
Tabel 1: Kerngegevens NederlandBron: Rabobank
Figuur 1: Bijdrage van groeicomponenten
Figuur 1: Bijdrage van groeicomponentenBron: Rabobank

Vanwege het bovenstaande zijn we niet onverdeeld positief over de stand van de economie in het huidige jaar. We zijn echter wel te spreken over de verwachte hogere en breder gedragen groei. Het is erg belangrijk dat consumenten ‘weer meedoen’ aangezien zij na de uitvoer goed zijn voor het grootste aandeel van de vraag naar Nederlandse goederen en diensten. Bedrijven die afhankelijk zijn van de binnenlandse bestedingen kunnen daarvan profiteren. Breder gedragen groei vertaalt zich daarom in groei voor de meeste sectoren (figuur 2).

Voor Nederland als geheel verwachten we in 2015 een groei van de toegevoegde waarde van 1¾% (figuur 2, horizontale as) en een werkgelegenheidsgroei van 1% (verticale as). De zestien sectoren in figuur 2 wijken daar in meer of mindere mate van af. De grootte van de bollen staat voor de omvang van de toegevoegde waarde. Een uitgebreide beschrijving van onze sectorprognoses vindt u in Rabobank Cijfers & Trends; Sectorprognoses 2015.

Figuur 2: Sectorprognoses 2015
Figuur 2: Sectorprognoses 2015Bron: Rabobank
Figuur 3: Gemiddelde productiviteitsgroei 1995-2013
Figuur 3: Gemiddelde productiviteitsgroei 1995-2013Bron: Rabobank

Groei van de toegevoegde waarde en groei van de werkgelegenheid gaan lang niet altijd hand in hand. In de meeste sectoren is de verwachte groei van de toegevoegde waarde hoger. Dat geldt ook voor alle sectoren samen, wat inhoudt dat de gemiddelde arbeidsproductiviteit in Nederland toeneemt. In grofweg de afgelopen twintig jaar bedroeg die toename gemiddeld 1% per jaar (figuur 3). De verschillen tussen sectoren zijn echter groot. Vooral in de kapitaalintensieve sectoren neemt de productiviteit fors toe. In de arbeidsintensieve sectoren is de stijging over het algemeen lager en in een aantal sectoren is deze nauwelijks veranderd of zelfs afgenomen.

Dit verschil tussen sectoren zien we ook terug in de sectorprognoses voor 2015. In de groothandel, de industrie, de transportsector, de financiële dienstverlening en de autosector verwachten wij een groei van de toegevoegde waarde, maar een nagenoeg gelijkblijvende of krimpende werkgelegenheid. Oftewel, de productiegroei kan in die sectoren worden bewerkstelligd met dezelfde hoeveelheid personeel. In de informatie & communicatie is de verwachte groei dusdanig hoog dat de werkgelegenheid waarschijnlijk wel toeneemt. In de bouw is de arbeidsproductiviteit sinds de crisis fors afgenomen. Daarom zal de groei van de productie de werkgelegenheidsgroei in 2015, maar waarschijnlijk ook de jaren daarna, ontstijgen. In de arbeidsintensieve sectoren leidt groei van de productie vrijwel direct tot extra werkgelegenheid. Deze productie kan namelijk niet door kapitaalgoederen worden verwezenlijkt en in deze sectoren worden doorgaans minder gemakkelijk efficiëntieslagen gemaakt.

Regionale prognoses 2015

De regionale prognoses zijn gebaseerd op de sectorprognoses uit figuur 2 en het belang van die sectoren in de regionale economie. Omdat vrijwel alle sectoren dit jaar naar verwachting groeien, voorzien we ook voor alle regio’s groei van de productie en de werkgelegenheid. Maar het groeitempo verschilt. Een groot belang van sectoren die naar verwachting harder groeien dan het landelijke gemiddelde heeft een positief effect op de prognose. Zo heeft het grote belang van de zakelijke dienstverlening en de informatie & communicatie in de totale toegevoegde waarde van Groot-Amsterdam een positief effect op onze prognose voor deze regio. Dat zijn namelijk sectoren waar we in 2015 veel van verwachten. Logischerwijs heeft een groot belang van krimpsectoren in de regionale toegevoegde waarde een negatief effect op de verwachtingen. In regio’s waar de zorg een relatief groot deel van de toegevoegde waarde voor zijn rekening neemt, zoals Noord-Drenthe, verwachten we een lagere productiegroei. Als we dit voor alle sectoren en voor alle regio’s doorrekenen, volgen daaruit de regionale prognoses zoals weergegeven in kaart 1.

Merk op dat we er dus vanuit gaan dat bedrijven in elke regio mee kunnen liften op de verwachte groei in hun sector. In de praktijk zullen bedrijven in bepaalde regio’s het beter doen dan hun concurrenten in dezelfde sector. De groei kan daardoor hoger uitpakken dan het landelijke gemiddelde voor de sector waardoor ook de regionale groei hoger uitkomt dan alleen op basis van de sectorstructuur kan worden verwacht. 

Kaart 1: Groeiprognose Bruto Regionaal Product
Kaart 1: Groeiprognose Bruto Regionaal ProductBron: Rabobank
Kaart 2: Groeiprognose werkgelegenheid
Kaart 2: Groeiprognose werkgelegenheid                  Bron: Rabobank

De kaart toont een duidelijk ruimtelijk patroon. De Randstad springt er uit, vooral de noordvleugel, waar de groothandel, informatie & communicatie en de zakelijke dienstverlening grote sectoren zijn. Binnen de Randstad zijn de verwachtingen alleen voor de kustregio’s Agglomeratie Haarlem, Leiden en Bollenstreek, Agglomeratie Den Haag en Delft en Westland minder gunstig. Buiten de Randstad vallen Zuidwest-Gelderland, met een groot belang van de groothandel, en het oosten van Brabant op. In beide Brabantse regio’s is de industrie sterk vertegenwoordigd, in Noordoost-Brabant speelt ook de relatief omvangrijke groothandel een rol. In Zeeuws-Vlaanderen, de Achterhoek en Zuid-Limburg neemt de industrie een groot deel van de toegevoegde waarde voor haar rekening, wat leidt tot een relatief hoge verwachte groei. In Zuidwest-Overijssel zorgt de informatie & communicatie voor een gunstige uitkomst. Over het algemeen, uitzonderingen dus daargelaten, kunnen we stellen dat in de regio’s met een relatief hoge groeiverwachting de stuwende sectoren (groothandel, informatie & communicatie, industrie, zakelijke diensten, transport) een relatief groot belang hebben in de regionale economie. In de regio’s met een lagere groeiverwachting is het belang van die sectoren veelal kleiner en is het belang van verzorgende sectoren (overheid, zorg, bouw, detailhandel, horeca) groter. Desalniettemin verwachten we voor 2015, zoals gezegd, groei in elke regio. 

Ook de werkgelegenheid groeit waarschijnlijk in elke regio (kaart 2). De noordvleugel van de Randstad steekt er ook wat dat betreft bovenuit, maar daarbuiten zijn de verschillen kleiner dan bij de toegevoegde waarde. In Groot-Amsterdam speelt vooral het grote belang van de zakelijke dienstverlening een rol. De hoge verwachting voor Het Gooi en Vechtstreek is minder gemakkelijk aan een sector toe te schrijven. In die regio is het belang van de industrie, de transportsector en de overheid -sectoren met een stagnerende of zelfs krimpende werkgelegenheid- relatief klein. Industrie en transport zijn juist relatief grote sectoren in Noord-Limburg, wat in mindere mate ook geldt voor Zuidwest-Drenthe.

Gevolgen voor werkloosheid

De hoogte van de werkloosheid is afhankelijk van de vraag naar arbeid (de werkgelegenheid) en het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking). Groei van de werkgelegenheid heeft een neerwaarts effect op de werkloosheid, maar betekent niet per se een daling van de werkloosheid. Als tegelijkertijd de beroepsbevolking toeneemt, wat een opwaarts effect heeft op de werkloosheid, kan de werkloosheid zelfs toenemen. Groei van de werkgelegenheid en de beroepsbevolking gaan vaak hand in hand, omdat mensen in tijden van werkgelegenheidsgroei worden aangemoedigd om deel te nemen aan het arbeidsproces. De daling van de werkloosheid (als gevolg van de werkgelegenheidsstijging) wordt dan geremd (als gevolg van de stijging van de beroepsbevolking). Deze relatie lijkt ook in 2015 op te gaan. De landelijke verwachte werkgelegenheidsgroei van 1% gaat gepaard met een verwachte stijging van 0,3% van de beroepsbevolking. Naast de werkgelegenheidsontwikkeling in de eigen regio is ook de groei of krimp van het aantal banen in de rest van het land van belang. Lang niet alle werknemers werken immers in de regio waarin zij wonen. Woon-werkverkeer speelt dus ook een rol. Zo is de hoogte van de werkloosheid in Flevoland, Het Gooi en Vechtstreek en de regio rondom Haarlem sterk afhankelijk van de werkgelegenheid in Amsterdam.

Al deze factoren beschouwend, verwachten wij een regionale werkloosheid zoals weergegeven in kaart 3. De landelijke werkloosheid is geraamd op 6¾%. De uitkomsten zijn een gevolg van onze groeiverwachtingen voor 2015, maar uiteraard ook van de werkloosheid in 2014. Zo hebben de (regio’s rondom de) grote steden, met name Rotterdam en behalve Utrecht, al jaren een hogere werkloosheid. Dat geldt ook voor Flevoland en grote delen van Noord-Nederland. De werkloosheid zal waarschijnlijk wel in alle regio’s dalen (kaart 4). De verwachting voor heel Nederland is een daling van 0,65%-punt. Vooral in het noordoosten zien we grote verschillen tussen buurregio’s, terwijl de verwachte werkgelegenheidsgroei in die regio’s weinig verschilt (kaart 2). De oorzaak ligt in de groei van de beroepsbevolking. In Overig Groningen (inclusief de stad Groningen) en Noord-Drenthe (inclusief Assen) neemt de beroepsbevolking waarschijnlijk sterker toe dan landelijk, waardoor de afname van de werkloosheid beperkt is. Dit effect zien we ook in Flevoland, Het Gooi en Vechtstreek, Agglomeratie Haarlem en Delft en Westland. Het omgekeerde speelt een rol in Oost-Groningen, Zuidoost- en Zuidwest-Drenthe, de Achterhoek, Zeeuws-Vlaanderen en Noord- en Midden-Limburg. In die regio’s daalt de beroepsbevolking naar verwachting, een ontwikkeling die we, als gevolg van vergrijzing, het vertrek van jongeren en/of bevolkingskrimp in het algemeen, al een aantal jaren zien. Ondanks een relatief kleine werkgelegenheidsstijging zorgt dat in die regio’s voor een forse daling van de werkloosheid. 

Kaart 3: Prognose werkloosheid 2015
Kaart 3: Prognose werkloosheid 2015Bron: Rabobank
Kaart 4: Afname werkloosheid 2015 (%-punt)
Kaart 4: Afname werkloosheid 2015 (%-punt)Bron: Rabobank

Wie is de winnaar?

Samenvattend kunnen we stellen dat de regio’s zeer wisselend scoren als we kijken naar de ontwikkeling van de toegevoegde waarde, de werkgelegenheid en de werkloosheid. Sterke groei van de productie gaat lang niet altijd gepaard met een hoge werkgelegenheidsgroei, een hoge werkgelegenheidsgroei leidt niet altijd tot een sterke daling van de werkloosheid en in regio’s met hoge groeicijfers in 2015 komen we vaak een hoge werkloosheid tegen.

Figuur 4: Wie is de winnaar?
Figuur 4: Wie is de winnaar?Bron: Rabobank

Figuur 4 illustreert dit. Daarin zijn de regio’s ingedeeld in vier kwadranten, waarbij de assen overeenkomen met de landelijke verwachte groeicijfers. Voor regio’s rechtsboven verwachten wij een relatief hoge groei van de toegevoegde waarde en een relatief hoge groei van de werkgelegenheid. Een gunstig kwadrant dus. Het tegenovergestelde geldt voor het kwadrant linksonder. De omvang van de bollen staat voor de hoogte van de werkloosheid, waarbij de blauwe bollen een relatief lage en de oranje bollen een relatief hoge werkloosheid kennen. Voor Groot-Amsterdam verwachten wij bijvoorbeeld een hoge groei van de productie en de werkgelegenheid, maar met 7,3% is de werkloosheid in 2015 waarschijnlijk hoger dan landelijk. Noord-Friesland en Zuidwest-Drenthe komen het slechtst uit de verf, met niet alleen een lage productie- en werkgelegenheidsgroei, maar ook een relatief hoge werkloosheid. In Zeeuws-Vlaanderen valt de werkgelegenheidsontwikkeling weliswaar tegen, maar de regio kent met 4% wel verreweg de laagste werkloosheid van Nederland. Bezien vanuit de conclusie uit onze algemene economische visie dat de economische groei in 2015 onvoldoende is om de werkloosheid tot acceptabele niveaus terug te brengen, zijn groei van de toegevoegde waarde en de hoogte van de werkloosheid de belangrijkste kengetallen. Zo beschouwd kunnen we Het Gooi en vechtstreek de verwachte winnaar van 2015 noemen.

Delen:
Auteur(s)

naar boven