RaboResearch - Economisch Onderzoek

Alternatieve financiering voor het MKB: een update

Themabericht

Delen:
  • Nieuwe financieringsvormen sterk gegroeid in 2014
  • Nieuwe toezichtsregels voor crowdfunding en kredietunies faciliteren verdere groei
  • Nederlandse Investeringinstelling vergroot rol van institutionele beleggers

Het Nederlandse Midden- en Kleinbedrijf (MKB) maakt van oudsher vooral gebruik van bancair krediet als financieringsbron. In de huidige economische laagconjunctuur kunnen bedrijven echter moeilijker aan de kredietvoorwaarden van banken voldoen. Daarom is de aandacht voor alternatieve financieringsvormen toegenomen. In april 2014 publiceerden wij een Special met een verkenning van de verschillende financieringsopties voor het MKB. Alternatieve vormen van financiering blijven vooralsnog nichemarkten, maar hebben wel veel groeipotentieel.

De overheid wil alternatieve financieringsvormen stimuleren. Aanpassingen in de toezichtsregels beogen onnodige barrières voor verdere groei van crowdfunding en kredietunies weg te nemen. Ook staat de overheid garant voor institutionele beleggers die via de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) willen investeren in het Nederlandse MKB. Dit themabericht geeft het actuele beeld van de positie van crowdfunding, kredietunies en de NLII in het Nederlandse MKB-financieringslandschap. We nemen daarin zowel de omvang van de financieringsvormen als hun specifieke vormgeving mee. In de appendix vatten we de verschillende alternatieve financieringsvormen samen.

Nieuwe financieringsvormen gegroeid

Nieuwe financieringsvormen, zoals crowdfunding, kredietunies en microfinanciering (Qredits), maakten in 2014 een sterke groei door. Ook de marktkapitalisatie van MKB-beurs NPEX is sterk toegenomen.[1]

De totale uitstaande bancaire kredietverlening aan het Nederlandse bedrijfsleven daalde in 2014 met 5%, van € 335 naar € 318 miljard, doordat de aflossingen hoger waren dan de nieuwe verstrekkingen. In het segment van kleine kredieten tot € 250.000 was de daling het geringst, met 2,6% (DNB). In dit segment bedraagt de totale bancaire kredietverlening circa € 15 miljard, waarvan € 10 miljard aan leningen en € 5 miljard in de vorm van rekening-courantkredieten. Overige traditionele financieringsvormen, zoals participaties, leasing en factoring, krompen eveneens licht in het meest recente jaar waarover data beschikbaar zijn (2013).

Bancair krediet en andere traditionele financieringsvormen zijn qua omvang nog steeds verreweg de belangrijkste vormen van bedrijfsfinanciering (figuur 1). De omvang van nieuwe financieringsvormen (figuur 2) beperkt zich tot enkele honderden miljoenen euro’s – een factor duizend kleiner dan de traditionele financieringsvormen. Ondanks de nog beperkte omvang kunnen nieuwe financieringsvormen voor sommige ondernemers interessant zijn.

Figuur 1: Omvang traditionele financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljarden euro’s)
Figuur 1 Omvang traditionele financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljarden euro’s)Bron: DNB, NVP, FAAN, Leaseurope.
Figuur 2: Omvang nieuwe financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljoenen euro’s)
Figuur 2 Omvang nieuwe financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljoenen euro’s)Bron: Qredits, Douw & Koren, NPEX, VKN, VSK

In het verleden hebben banken het MKB relatief goedkoop gefinancierd, met een lage rente en beperkte eisen voor de aanwezigheid van risicodragend kapitaal (SER, 2014). De lage rente maakte het tegelijkertijd lastig voor alternatieve aanbieders om de markt voor MKB-financiering te betreden of om in deze markt actief te blijven.

Sinds 2008 is de kredietvraag van bedrijven verminderd, aangezien er in een laagconjunctuur een kleinere investeringsbehoefte is. Daarnaast heeft de laagconjunctuur de financiële positie van veel bedrijven verzwakt en is het lastiger voor het MKB om aan de kredietvoorwaarden van banken te voldoen. In een omgeving met lagere economische groei en een sterkere volatiliteit (steeds sneller veranderend klantgedrag) vragen banken vaker om zekerheden en inbreng van risicodragend kapitaal. Hierdoor is de belangstelling voor alternatieve financieringsvormen toegenomen.

Voetnoot
[1] Dit is vooral te danken aan de notering van het aandeel Geneba Properties (voormalig Homburg Invest).

Crowdfunding in de lift

Bij crowdfunding investeert een (meestal grote) groep individuen (de ‘crowd’) relatief kleine bedragen. Nederland kent enkele tientallen operationele crowdfundingplatforms, waar projecten of bedrijven geld vragen aan het publiek. De crowdfundingplatforms kunnen sterk verschillen in werkwijze en doelgroep. Soms geeft het platform een indicatie van de kredietwaardigheid van de onderneming. Een aantal platforms specialiseert zich in een bepaalde niche, bijvoorbeeld sociale en duurzame ondernemingen. De investeringen hebben meestal, maar niet altijd, de vorm van vreemd vermogen. Bij een van de platforms, Symbid, worden de investeerders indirect mede-eigenaar. Banken werken soms samen met crowdfundingplatforms om te komen tot co-financieringsconstructies. Hierbij kan crowdfunding worden ingezet om een idee voor een nieuw product te toetsen en/of om een beginkapitaal te vergaren, waarna banken een reguliere financiering kunnen verstrekken en aanvullende financiering van leveranciers of leasemaatschappijen kan worden verkregen.

In 2014 is in Nederland voor € 51,1 miljoen aan ondernemingsfinanciering opgehaald via crowdfunding, zo blijkt uit cijfers van Douw&Koren, een adviesbureau gespecialiseerd in crowdfunding. Dit is een sterke stijging in vergelijking met 2012 en 2013, toen ondernemingen respectievelijk 4,1 en 27,8 miljoen euro ophaalden. In totaal is er dus € 83 miljoen opgehaald.

Vanuit het perspectief van de investeerder is deelname in crowdfunding relatief risicovol: het kredietrisico ligt namelijk volledig bij de investeerder. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat crowdfunding, mede vanwege het gebrek aan toezicht, relatief gevoelig is voor fraude door de geldvrager of het platform zelf (AFM, 2014). Veel, zo niet alles, hangt af van de goede trouw van de organisator van het platform. Voordelen voor investeerders kunnen een relatief hoge rentevergoeding, een opwaarts potentieel (bij eigen vermogen) of immateriële baten vanwege deelname in een goed doel zijn.

Het ministerie van Financiën stuurt aan op verdere professionalisering en betere regulering van de crowdfundingsector. Acht platforms hebben inmiddels een AFM-vergunning als financiële dienstverlener of beleggingsonderneming; daarnaast hebben meer dan twintig platforms een ontheffing gekregen om te mogen optreden als bemiddelaar van opvorderbaar geld (zie AFM-register). In een recente brief aan de Tweede Kamer doet minister Dijsselbloem concrete voorstellen, zoals het opheffen van het provisieverbod voor crowdfundingplatforms die geregistreerd staan als beleggingsonderneming. Daarentegen wil de minister strengere eisen stellen aan platforms die een ontheffing krijgen om op te treden als bemiddelaar van opvorderbaar geld. Hiermee wordt dus het verschil in zwaarte van het toezicht verkleind tussen platforms met een ontheffing en crowdfundingplatforms die als beleggingsonderneming zijn geregistreerd. Verdere professionalisering van de sector en adequaat toezicht kunnen het vertrouwen van investeerders vergroten en daarmee zorgen voor verdere groei van deze sector.

Kredietunies in toezichtkader opgenomen

Een kredietunie is een coöperatie van MKB-ondernemers die via een gemeenschappelijke kas geldmiddelen aan elkaar ter beschikking stellen. Deze werkwijze, met een gemeenschappelijke kas, lijkt qua opzet sterk op de bancaire kredietverlening, met het ondernemerscollectief in de rol van kredietbeoordelaar en relatiebeheerder. Net als een bank draagt de kredietunie solvabiliteits- en liquiditeitsrisico’s. Geldgevende leden kunnen daarnaast desgewenst fungeren als coach voor kredietnemende collega-ondernemers. Een kredietunie bestaat uit ondernemers in dezelfde branche en/of regio. Bij branchegebonden kredietunies is de kennis van de sector een groot voordeel; tegelijkertijd is het gebrek aan risicospreiding een probleem in conjunctuurgevoelige sectoren.

Zes kredietunies hebben in het afgelopen jaar al kredieten verstrekt. Het gaat hierbij in totaal om € 1,8 miljoen. Daarnaast zijn er circa 150 kredietunies in oprichting, waarvan de meesten zeer kleinschalig zijn. Volgens een schatting van Panteia uit 2014 zal het totale bedrag aan verleende kredieten op de korte termijn slechts enkele miljoenen bedragen. Op middellange termijn kan worden gedacht aan € 200-300 miljoen voor alle kredietunies gezamenlijk (Smit & Braaksma, 2014).

Een kredietunie lijkt in veel opzichten op een kleine bank. Wanneer sprake is van opvraagbare tegoeden vallen kredietunies dan ook volgens de Europese wetgeving onder het toezichtregime voor banken, tenzij er een nationale vrijstelling is verleend. Daarvoor is in Nederland een wijziging van de Wet Financieel Toezicht (Wft) nodig. Op 24 maart 2015 is in de Tweede Kamer een wijziging van de Wft aangenomen met het oogpunt op een regelgevend kader voor kredietunies (Wet Toezicht Kredietunies). Hierbij worden kredietunies met een totaal aan opvorderbare toevertrouwde middelen van minder dan € 10 miljoen vrijgesteld van de in de Wft geïntroduceerde vergunningplicht voor kredietunies. Hiermee vallen ze volledig buiten het toezichtregime. Voor kredietunies met een totaal aan opvorderbare middelen van tussen de € 10 miljoen en € 100 miljoen geldt een proportioneel toezichtregime, waarbij het toezicht wordt toegesneden op de beperkte complexiteit van het bedrijfsmodel van kredietunies. Proportioneel toezicht houdt in dat er bepaalde eisen aan het bestuur (‘governance’) van kredietunies worden gesteld en dat er eenvoudige (niet-risicogewogen) liquiditeits- en solvabiliteitseisen komen. Pas bij een totaal van boven de € 100 miljoen of meer dan 25.000 leden is een bankvergunning nodig en komt de kredietunie onder doorlopend prudentieel toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) te staan.

Naar verwachting zal de Eerste Kamer de wetswijziging nog voor het zomerreces aannemen. Om in werking te treden, is vervolgens nog toestemming nodig vanuit Brussel in het kader van Capital Requirements Directive IV (CRD-IV). DNB overweegt om voor die tijd een pilot mogelijk te maken waaronder kredietunies al eerder onder de nieuwe regels kunnen opereren.

Onder de nieuwe regels mogen kredietunies opvraagbare tegoeden aantrekken onder hun leden, bijvoorbeeld door het aantrekken van deposito’s of de uitgifte van obligaties met een vaste looptijd. Volgens koepelverenigingen Vereniging van Kredietunies in Nederland (VKN) en Vereniging Samenwerkende Kredietunies (VSK) willen kredietunies de zogeheten ‘looptijdtransformatie’ zoveel mogelijk beperken: de looptijd van deposito’s en obligaties zal zoveel mogelijk overeenstemmen met de looptijd van de verstrekte kredieten. Mocht er door een beperkt verschil in looptijden van middelen en kredieten toch een financieringsgat ontstaan, dan kan dit worden opgevuld met deposito’s met een looptijd van minimaal een jaar.

In de praktijk betekent dit dat de opvraagbaarheid van geïnvesteerde tegoeden beperkt is. Net als bij andere vormen van indirecte financiering liggen de kredietrisico’s in eerste instantie bij de kredietunie. De kredietunie zal dan ook voorzieningen moeten treffen en eigen vermogen moeten opbouwen als buffer voor verwachte en onverwachte kredietverliezen. Als de voorzieningen en het eigen vermogen ontoereikend zijn, komen kredietverliezen voor rekening van de geldverstrekkende deelnemers, tot het bedrag van hun toevertrouwde spaargeld, c.q. het gestorte kapitaal. De mate waarin kredietunies in staat zijn tot goed risicomanagement zal dan ook doorslaggevend zijn voor hun succes.

In afwachting van definitieve regelgeving mogen Nederlandse kredietunies nog geen ‘opvorderbare tegoeden’ van de leden aantrekken en beheren. Wel mogen zij financiering aantrekken door de uitgifte van perpetuele (eeuwigdurende) ledencertificaten (PLC’s) of perpetuele obligaties. Een investeerder kan deze certificaten alleen verkopen als een andere investeerder of de kredietunie zelf deze vrijwillig (terug-)koopt. Er wordt een voorziening getroffen voor het opvangen van eventuele verliezen. Een andere mogelijkheid is dat de kredietunie slechts optreedt als intermediair tussen geldvragers en geldverstrekkers, zoals bij crowdfunding. Dit model is goedkoper omdat geen voorzieningen worden aangehouden, maar ook risicovoller omdat investeerders individueel inschrijven op projecten en daarom ook individueel kredietrisico lopen. Er is geen sprake van de ‘common bond’ van de gemeenschappelijke kas. 

Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) van start

De Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) is een samenwerkingsverband tussen institutionele beleggers (verzekeraars en pensioenfondsen) met als doel de  investeringsmogelijkheden voor de lange termijn voor institutionele beleggers in de Nederlandse economie te vergroten. Nederlandse verzekeraars en pensioenfondsen hebben een beleggingsportefeuille van circa € 1.400 miljard, die zij grotendeels in het buitenland beleggen. Mogelijk kunnen zij een groter deel van dit vermogen in Nederland beleggen, mits er sprake is van investeringen met voldoende schaalgrootte en een adequate risico-rendementsverhouding die in het belang is van deze partijen.

De NLII probeert investeringsbelemmeringen weg te nemen bij financieringsvraagstukken die weliswaar rendabel zijn, maar die vanwege een beperkte omvang of onvoldoende transparante risico’s en rendementen als belegging minder geschikt zijn voor institutionele beleggers. Op 8 april 2015 kondigde de NLII twee concrete proposities aan, waarbij financiering door institutionele beleggers wordt gecombineerd met bancaire financiering. Zo wordt gebruikt gemaakt van het distributienetwerk en de kennis van banken op het gebied van kredietverlening.

Het Achtergestelde Leningen Fonds (ALF) is speciaal gericht op MKB-ondernemers. Het fonds wordt gefinancierd door institutionele beleggers en verstrekt achtergestelde leningen van minimaal € 150.000 en maximaal € 5 miljoen. Voor iedere euro achtergestelde lening verstrekt de distribuerende bank minimaal een gelijk bedrag aan gewoon bancair krediet (niet achtergesteld). Het totale financieringsbedrag bedraagt dus minimaal € 300.000.

Deze financieringsvorm is geschikt voor MKB-ondernemers met goede groei- en winstvooruitzichten die normaliter niet of beperkt in aanmerking komen voor bancair krediet doordat zij te weinig risicodragend vermogen hebben. De Nederlandse overheid staat garant voor 50% van de hoofdsom van de achtergestelde leningen die het ALF verstrekt.

Het Bedrijfsleningen Fonds (BLF) is een voortzetting van het vorig jaar door Euronext geïnitieerde NL Ondernemingsfonds (NLOF) en is gericht op middelgrote ondernemingen. Het BLF neemt voor minimaal € 5 miljoen en maximaal € 25 miljoen deel in een lening. Voor iedere door het fonds verstrekte euro verstrekt de bank voor tenminste een gelijk bedrag een lening met gelijke voorwaarden. Het totale financieringsbedrag bedraagt dus minimaal € 10 miljoen.

Deze financiering is met name geschikt voor gezonde bedrijven waarbij banken het volledige bedrag niet zelfstandig kunnen/willen financieren, bijvoorbeeld omdat zij al teveel financiering hebben uitstaan op de individuele onderneming of in de sector waarin de onderneming actief is. Door co-financiering wordt de totale financieringscapaciteit groter.

De NLII verwacht met beide fondsen een extra financieringscapaciteit van in totaal € 2 miljard te kunnen realiseren in de komende drie jaar. Institutionele beleggers die hun deelname reeds hebben toegezegd zijn Aegon, Pensioenfonds PGB, Pensioenfonds Metaal & Techniek en Nationale Nederlanden. ABN AMRO, ING en de Rabobank verstrekken de bancaire kredieten. Het NLII verwacht dat ondernemers al deze zomer via hun bank een beroep kunnen doen op de fondsen.

Vooruitzichten

Met een totaalbedrag van enkele honderden miljoenen euro’s blijven de nieuwe financieringsvormen vooralsnog klein in verhouding tot traditionele financieringsvormen zoals bancair krediet, leasing en factoring. Nieuwe financieringsvormen leveren in omvang nog altijd een zeer kleine bijdrage aan de totale financieringsbehoefte van het Nederlandse MKB.

Nieuwe financieringsvormen kunnen echter een kwalitatief belangrijke bijdrage leveren aan het risicodragend vermogen van ondernemingen. Ondernemingen opereren in een steeds risicovollere omgeving, met lagere economische groei en hogere volatiliteit. Er is daarom, in aanvulling op de bancaire kredietverlening, meer risicodragend vermogen nodig voor de stabiliteit van de onderneming op de lange termijn.

De in dit themabericht besproken nieuwe financieringsvormen richten zich op verschillende soorten investeerders: crowdfunding trekt vooral middelen aan van particulieren, kredietunies vooral van ondernemers en de NLII van institutionele beleggers. Het groeipotentieel van iedere financieringsvorm is daarmee direct gerelateerd aan het beschikbare vermogen waarover deze groepen beschikken en waarover zij bereid zijn om (krediet-)risico te lopen.De lage renteomgeving zal er wellicht voor zorgen dat investeerders die een hoger rendement willen behalen op zoek gaan naar risicovollere beleggingen. Daar staat tegenover dat investeerders tijd en energie moeten steken in het monitoren van hun beleggingen om hun risico’s te bewaken.

Bij crowdfunding ligt het kredietrisico geheel bij de investeerder. Het model van crowdfunding is erop gericht dat een grote groep particulieren een relatief klein bedrag inzet, waarmee het risico voor een individuele deelnemer beperkt is. Crowdfunding raakt steeds meer ingeburgerd en zal naar verwachting ook de komende jaren blijven groeien, doordat steeds meer mensen de platforms weten te vinden.

Het uitgangspunt van kredietunies is dat de geldgevende ondernemers veel relevante kennis hebben en de geldvragende onderneming intensief kunnen begeleiden. Dit zou de kans op kredietverliezen moeten beperken. Bij kredietunies met een gezamenlijke kas fungeert de kredietunie zelf als eerste buffer voor kredietverliezen. In het nieuwe toezichtkader zal het gemakkelijker worden voor kredietunies om binnen de doelgroep van ondernemers financiering aan te trekken, bijvoorbeeld door uitgifte van kredietunie-obligaties met een vaste looptijd.

De fondsen van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) maken gebruik van het distributienetwerk en de kredietkennis van banken voor het verstrekken van financiering. Wanneer de NLII een goed track record opbouwt, zullen mogelijk meer institutionele beleggers instappen en kan de financieringscapaciteit verder worden uitgebreid.

Voor ondernemers betekent deze ontwikkeling dat er meer verschillende vormen van financiering zijn. Er valt dus meer te kiezen en te combineren. De meest geschikte financieringsmix blijft uiteraard voor iedere ondernemer anders en afhankelijk van bedrijfsgrootte, bedrijfstak en ‘levensfase’.

Bronnen

AFM (2014), Crowdfunding – naar een duurzame sector. Onderzoek naar (toezicht op) de crowdfundingsector

Delta Lloyd, Delta Lloyd Mezzanine Fund

Douw & Koren (2015), Crowdfunding in Nederland 2014

FAAN, Ontwikkeling factoringmarkt 2011-2013, Factoring & Asset Based Financing Association Netherlands

Leaseurope (2014), Annual Survey 2013

McKinsey (2014), Het kleinbedrijf - Grote motor van Nederland

MKB Impulsfonds, Voor wie

NVP (2014), Ondernemend Vermogen – de Nederlandse private equity en venture capital markt in 2013, Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen, april 2014

NLII, Eerste fondsen NLII voorzien in behoefte ondernemingsfinanciering, persbericht 8 april 2015

Qredits, MKB-krediet

Samenwerkende kredietunies. Werkwijze

SER (2014), Verbreding en versterking financiering MKB, oktober 2014

Smit, C.K. en Braaksma, R. (2014), Bedrijfsfinanciering: zo kan het ook.Update 2014.

Treur, L. (2014), Financiering voor het MKB – opties in kaart

Vereniging van Kredietunies in Nederland, Het concept

World Council of Credit Unions, Governance Principles

Appendix: samenvatting alternatieve financieringsvormen

Tabel 1: Overzicht alternatieve financieringsvormen
Tabel 1: overzicht alternatieve financieringsvormenBron: Rabobank
Delen:

naar boven