RaboResearch - Economisch Onderzoek

Een traject van hervormingen voor het Nederlandse bankwezen

Themabericht

Delen:

Overzichtspagina studies Prinsjesdag 2014

De Nederlandse overheid heeft sinds 2008 structurele hervormingen doorgevoerd op tal van terreinen. Dit Themabericht gaat in op de belangrijkste hervormingen die de financiële stabiliteit van het bankwezen moeten verbeteren. In tegelijkertijd verschenen studies behandelen we ook de hervormingen op de woningmarkt, op de arbeidsmarkt en in de zorg.

Aanleiding voor de hervormingen

De financiële crisis toonde aan dat het bankwezen minder solide was dan voorheen gedacht. Ook in Nederland bleken diverse banken onvoldoende in staat om schokken op te vangen. Uiteindelijk zag de overheid zich vanaf het najaar van 2008 genoodzaakt forse bedragen uit te geven om banken te steunen of zelfs te redden. Sindsdien zijn er veel nieuwe maatregelen genomen om het bankwezen schokbestendiger te maken. En als het toch mis gaat, moet de rekening terechtkomen bij de aandeelhouders en verschaffers van vreemd vermogen in plaats van de belastingbetaler.

Veel van de hervormingen worden buiten Nederland voor Nederland bepaald. Deze zijn direct bindend of worden op basis van internationale of Europese richtlijnen in Nederlandse wetgeving verwerkt. We starten daarom onze beschrijving van het traject van hervormingen op station Basel, waar we dieper in zullen gaan op internationale regelgeving die samenhangt met Basel III. Vervolgens stoppen we in Brussel, waar we meer uitleg geven over de vorming van de Europese bankenunie en bail-in-richtlijnen. Op station Den Haag kijken we naar regelgeving met een nationaal karakter. Vervolgens werpen we een blik op de toekomst en bespreken we welke hervormingen nog niet zijn voltooid en hoe het bankwezen er mogelijk uit zal zien in 2020. De belangrijkste hervormingen zijn vervolgens samengevat in een tabel in bijlage 1

Station Basel

Op station Basel bespreken we de maatregelen die erop zijn gericht de balans van individuele banken te versterken. De regels die bepalen hoeveel eigen vermogen een bank aan moet houden, komen sinds 1988 uit de Baselse akkoorden. Nadat de kredietcrisis was uitgebroken, werd snel duidelijk dat er veel banken waren die weliswaar voldeden aan de geldende Baselse kapitaalregels, maar dat dit toch onvoldoende was. Banken hadden niet alle risico’s correct geïdentificeerd en innovaties van financiële producten waren te complex voor de toen geldende kapitaalregels van Basel II (Smolders, 2010; 2011).

Ook in Nederland waren banken met steeds minder eigen vermogen gefinancierd ten opzichte van hun balansomvang (figuur 1). Daarmee waren zij dus afhankelijker van vreemd vermogen en hadden zij relatief kleine buffers om onverwachte verliezen op te vangen. De gemiddelde looptijd van het aangetrokken vreemde vermogen werd steeds korter en daalde van 9,4 jaar in 2002 tot 5,7 jaar in 2007 (DNB, 2010). Dit vergrootte het herfinancieringsrisico. Tevens bleken sommige bezittingen, zoals gesecuritiseerde hypotheken, tijdens de crisis minder goed verhandelbaar (minder ‘liquide’) dan voorheen.

Figuur 1: Ratio eigen vermogen t.o.v. totale activa op de balans
Figuur 1: Ratio eigen vermogen t.o.v. totale activa op de balans Bron: DNB

De beschreven situatie leidde tot een verbetervoorstel: Basel III. In Basel III zijn de kapitaaleisen aangescherpt. De nieuwe kapitaaleisen worden gefaseerd ingevoerd. Ieder jaar gaat de minimale vereiste hoeveelheid kapitaal omhoog. Ook wordt de norm voor wat meetelt als kapitaal ieder jaar strenger. Bovendien zijn er nieuwe liquiditeitseisen geïntroduceerd (BCBS, 2010b). De aanbevelingen uit Basel III worden in Europa vormgegeven in de direct werkende CRR (verordening) en de CRD-IV (richtlijn) die in nationale wetgeving is geïmplementeerd.[1]. In bijlage 2 volgt een uitgebreider overzicht van de verschillen tussen Basel II en Basel III.

Kapitaaleisen

Het doel van de aangescherpte kapitaaleisen is het vergroten van de solvabiliteit van banken door strengere eisen te stellen aan de omvang en de kwaliteit van het eigen vermogen (kapitaal) dat banken moeten aanhouden in verhouding tot de risicogewogen activa zoals verstrekte kredieten. De risicoweging houdt in dat banken voor relatief risicovolle uitzettingen (zoals bedrijfsleningen) meer kapitaal moeten aanhouden dan voor relatief veilige uitzettingen (zoals staatsobligaties en woninghypotheken). Met betrekking tot de kapitaaleisen gaat het zogenoemde Core Tier-1 kapitaal [2] dat banken moeten aanhouden omhoog van 2% van de risicogewogen activa (Basel II) naar uiteindelijk 8-12,5% in 2019. Verder worden de minimale risicogewogen kapitaalbuffers gedeeltelijk anticyclisch: ze kunnen omlaag wanneer de kredietverlening onder druk staat tijdens een periode van laagconjunctuur of juist omhoog als er sprake is van excessieve kredietgroei. De nationale toezichthouder kan de hoogte van de anticyclische buffer aanpassen op basis van macro-economische indicatoren uit Basel III. Bijlage 2 bevat een gedetailleerd overzicht van de verschillende componenten van de gewogen kapitaalbuffer.

Naast deze aanscherping van de gewogen kapitaalratio’s wordt er onder het nieuwe regime ook een ongewogen kapitaalbuffer ingevoerd, de zogenoemde leverage ratio. Bij de leverage ratio wordt een minimale hoeveelheid kapitaal vereist voor de totale som van alle uitzettingen, inclusief verplichtingen buiten de balans (bijvoorbeeld ongebruikte kredietlijnen), ongeacht de risicoweging. De leverage ratio is een grofmazige ratio die geen onderscheid maakt tussen risico’s van de uitzettingen. Uitzettingen met een relatief laag risico en daarmee ook een laag rendement, zoals Nederlandse woninghypotheken, zijn daarom onaantrekkelijk en verhoging van de ongewogen ratio kan daarom een prikkel zijn om meer risicovolle posten aan te houden. Banken zullen de leverage ratio dan ook altijd in samenhang met risicogewogen kapitaaleisen moeten gebruiken. Basel III stelt een minimale leverage ratio voor van 3%. Individuele landen hebben vooralsnog de vrijheid om een hogere minimale leverage ratio in te voeren. In Nederland gaat het over een minimale ongewogen kapitaalbuffer van 4%. In 2018 wordt voor de banken in de Europese Unie een algemeen geldende norm vastgesteld.

Liquiditeitseisen

Om de afhankelijkheid van kort vreemd vermogen te reduceren, introduceert Basel III voor het eerst internationaal geharmoniseerde liquiditeitseisen. Deze bestaan uit de Liquidity Coverage Ratio (LCR) en de Net Stable Funding Ratio (NSFR). De LCR vereist dat banken voldoende zeer liquide activa (zoals kasgeld en goed verhandelbare obligaties) aanhouden om in een zwaar stressscenario de uitstroom van middelen gedurende dertig dagen op te vangen. De NSFR vereist dat banken hun uitzettingen, zoals verstrekte leningen, financieren met middelen die worden gezien als meer stabiel, zoals spaargeld en lang vreemd vermogen (Smolders, 2011). De LCR en NSFR worden respectievelijk vanaf 2015 en 2018 van kracht.

Tussenstand

Uit een studie van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat de balansen van de Nederlandse grootbanken op 31 december 2013 voldoen aan de huidige kapitaaleisen (figuur 2). Geen van de vier banken voldeed echter op 31 december 2013 al aan de toekomstige eisen (figuur 3). De blauwe (leverage ratio) en de oranje (Tier-1 ratio) stippellijnen geven in de figuren de kapitaaleisen aan. Aangezien het nog onduidelijk is wat de uiteindelijke hoogte wordt van de leverage ratio, geeft figuur 3 zowel een minimumeis van 3% als van 4% weer. De kapitaalratio’s van de individuele banken zijn in de figuren weergegeven met oranje en blauwe balken. Aangezien banken in de toekomst niet alle vormen van kapitaal mogen meetellen, zijn de ratio’s van eind 2013 gemeten volgens de toekomstige definities lager.[3]

Figuur 2: Tussenstand grootbanken
Figuur 2: Tussenstand grootbankenBron: CPB
Figuur 3: Op weg naar vereisten van 2019
Figuur 3: Op weg naar vereisten van 2019 Bron: CPB

Bij het verlaten van station Basel concluderen wij dat de Nederlandse banken er anno 2014, dankzij de hogere kapitaalbuffers, veel beter voor staan dan bij het uitbreken van de crisis. Onder Basel III is in 2019 de minimale Core Tier-1 ratio zelfs vier tot zes keer zo hoog als onder Basel II. Banken hebben nog tot 2019 de tijd om de kapitaalbuffers verder te versterken. Wel voelen banken vanuit financiële markten druk om sneller aan de eisen te voldoen, zoals blijkt uit de ambities die banken formuleren in hun jaarverslagen. Overhaaste versterking van kapitaalbuffers kan echter leiden tot neerwaartse druk op de kredietverlening (Boonstra en De Vries, 2014). Wij vervolgen nu onze reis via station Brussel.

Station Brussel

Uit Brussel komen diverse maatregelen die de wisselwerking tussen de bankensector en de overheidsfinanciën moeten verminderen en die ervoor zorgen dat autoriteiten slagvaardiger kunnen optreden wanneer een bank in de problemen komt. Binnen individuele landen bestaat er een sterke verwevenheid tussen de overheidsfinanciën en de bankensector van dat land. Wanneer een zwakke bank staatssteun ontvangt verzwakt dit de overheidsfinanciën. Andersom kan een verslechtering van de overheidsfinanciën in een land ook leiden tot zwakke bankbalansen als deze banken veel staatspapier van de desbetreffende overheid op hun balans hebben staan. Op deze manier kan er een vicieuze cirkel ontstaan tussen banken en overheden. Binnen de Europese Unie bestaat bovendien een sterke verwevenheid tussen de lidstaten. Zo zijn veel banken in meerdere Europese landen actief, zodat het bij problemen niet altijd duidelijk is wat de bevoegdheden van de verschillende nationale toezichthouders zijn. Ten slotte kunnen problemen met de overheidsfinanciën in een van de lidstaten leiden tot een afname van het vertrouwen in de gemeenschappelijke munt en in de overheidsfinanciën van andere lidstaten.

De hervormingen uit Brussel lopen over verschillende sporen: een deel van de hervormingen geldt voor banken in alle 28 EU-lidstaten, terwijl een ander deel van de hervormingen primair gericht is op de banken in de eurozone. De Europese bankenunie is primair gericht op de banken in de eurozone. Daarentegen zijn de BRRD-richtlijn en het zogenaamde ‘single rule book’, met daarin de al eerder genoemde CRR en CRD-IV, van toepassing op alle EU-lidstaten.

Toezicht door de ECB: AQR en SSM

De eerste pijler van de bankenunie is het uniforme toezicht via het Single Supervisory Mechanism (SSM). Met ingang van november 2014 vindt het toezicht op de 130 grootste banken in de eurozone niet meer op nationaal niveau plaats maar door de Europese Centrale Bank (ECB). Voorafgaand aan de start van het gezamenlijke Europese bankentoezicht voert de ECB een zogenoemd comprehensive assessment uit; dit is een brede toets die bestaat uit een ‘balansexamen’ (Asset Quality Review – AQR) en een stresstest. De voornaamste doelen van dit assessment zijn het vergroten van transparantie en het verkrijgen van inzicht in de eventueel noodzakelijke versterking van het kapitaal op de bankbalansen. Het is de bedoeling dat uiteindelijk alleen ‘gezonde’ banken toetreden tot het bankentoezicht door de ECB.

Herstel en afwikkeling: BRRD, SRB, SRM, SRF

In 2015 treden diverse maatregelen in werking met betrekking tot het herstel en de afwikkeling van banken die in de problemen komen. Deze maatregelen bestaan naast de tweede pijler van de bankenunie ook uit de invoering van de BRRD richtlijn. Bij deze maatregelen speelt de invoering van bail-in een belangrijke rol.

Bail-in houdt in dat de ongedekte en onverzekerde vorderingen van schuldeisers van banken[4] kunnen worden afgeschreven of omgezet in eigen vermogen wanneer een bank in de problemen komt (Smolders, 2012). Hierdoor zullen ook de verschaffers van vreemd vermogen een bijdrage leveren bij de redding of afwikkeling van een bank. Verder moeten banken een extra vermogensbuffer aanhouden[5]. Bail-in vergroot de absorptiecapaciteit van banken bij externe schokken, waardoor de kans kleiner wordt dat de overheid de bank te hulp moet schieten (Boonstra en De Vries, 2014).

De Europese Bank Recovery and Resolution Directive (BRRD) geldt voor alle EU-lidstaten en heeft als doel om herstel en resolutie in de 28 EU-lidstaten op een uniforme manier toe te passen. Deze richtlijn schrijft onder andere voor dat banken herstel- en afwikkelplannen (‘living wills’) moeten opstellen. In een herstelplan formuleren (systeem-)banken maatregelen die ze zelf nemen om hun weerbaarheid tijdens crisistijd te vergroten. Tijdens de herstelfase treedt het door de nationale toezichthouders goedgekeurde herstelplan in werking. Afwikkelplannen treden pas in werking wanneer een bank niet meer zelfstandig in staat is een dreigend faillissement af te wenden en dit een bedreiging vormt voor de financiële stabiliteit. Hierbij speelt bail-in een belangrijke rol. De afwikkeling en vroegtijdige interventie van niet-eurozone banken vindt plaats door de nationale autoriteiten; voor banken in de eurozone besluit een Europese resolutieautoriteit: de Single Resolution Board (SRB)[6] van de bankenunie.

De tweede pijler van de bankenunie betreft uniformiteit in het afwikkelen van een eurozone bank in de problemen. Dit loopt via het Single Resolution Mechanism (SRM) en een Europees resolutiefonds[7] (Single Resolution Fund - SRF) voor de kosten die ontstaan bij het afwikkelen van een bank wanneer bail-in deze niet volledig kan opvangen. De banken die deelnemen aan de bankenunie bouwen gezamenlijk het resolutiefonds in acht jaar op. In de afwikkelingsfase ligt de beslisbevoegdheid bij het SRB. De Nederlandsche Bank (DNB) zal namens Nederland als nationale resolutieautoriteit deel uitmaken van het SRB. Het SRB beslist ook over dochterondernemingen van een buitenlandse bank die zich tijdens een afwikkelingsfase in Nederland bevinden. Pas wanneer het resolutiefonds niet toereikend is, komt de overheid in beeld.

Depositogarantie

De derde pijler van de bankenunie is een uniform depositogarantiestelsel (DGS). Het Europees Parlement heeft in april van dit jaar een EU-richtlijn aangenomen over harmonisatie van nationale depositogarantiestelsels. Er zijn dus wel concrete afspraken over een geharmoniseerd stelsel, maar nog niet over een uniform fonds. Dit laatste is nog toekomstmuziek.

De vorming van een Europese bankenunie zorgt ervoor dat er slagvaardiger en grensoverschrijdend kan worden opgetreden wanneer een bank in de problemen komt (Verduijn, 2013). Een bankenunie is effectief wanneer zowel het toezicht als de resolutie en het resolutiefonds op hetzelfde institutionele niveau plaatsvinden (Beck, 2012). Zolang er geen Europese resolutieautoriteit is, en de beslisbevoegdheid over banken in de problemen nog op het niveau van een lidstaat plaatsvindt, kan een noodzakelijke resolutie worden uitgesteld.

Station Den Haag

De internationale richtlijnen worden in Den Haag verwerkt in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast is in Nederland wet- en regelgeving geïntroduceerd die aanvullend is of vooruit loopt op de internationale regelgeving. Deze regels gelden dus alleen voor Nederlandse banken. Zo zijn eerder de bevoegdheden van DNB en het ministerie van Financiën met de Interventiewet (2012) uitgebreid om sneller in te kunnen grijpen bij een dreigend faillissement van een bank. Deze wet zal worden aangepast op basis van de BRRD.

Met de verschuiving van het (‘microprudentiële’) toezicht op de grootste individuele banken naar de ECB[8] zal DNB zich steeds meer richten op het toezicht op de stabiliteit van het financiële systeem als geheel (‘macroprudentieel’ toezicht). Het instrumentarium waarover DNB beschikt omvat onder meer een anticyclische kapitaalbuffer uit Basel III. In Nederland was er ook voor de crisis al macroprudentieel toezicht door DNB, maar duidelijke protocollen en procedures ontbraken. Daarentegen werden in opkomende economieën al eerder macroprudentiële instrumenten ingezet om systeemrisico’s ten aanzien van bijvoorbeeld de woningmarkt en de kredietgroei te beteugelen (IMF, 2013a). De komende jaren wordt het macroprudentieel toezicht in Nederland verder uitgebouwd. In november 2012 is het Financieel Stabiliteitscomité (FSC) opgericht. Dit comité bestaat uit vertegenwoordigers van DNB, de Autoriteit Financiële Markten (AFM), het ministerie van Financiën en het Centraal Planbureau (CPB). Zij komt tweemaal per jaar bijeen om naast de signalering van potentiële stabiliteitsrisico’s ook beleidsmogelijkheden te bespreken die systeemrisico’s beperken. Een voorbeeld hiervan is een analyse van de risico’s in de hypotheekmarkt, die op de huidige agenda van het FSC staat. De kredietverlening, één van de kernfuncties van banken, is aan strengere regels gebonden. Zo is er bij de hypothecaire kredietverlening minder ruimte voor maatwerk, omdat de verstrekkingsvoorwaarden steeds verder zijn aangescherpt en gestandaardiseerd (zie ook ons Themabericht Structurele hervormingen op de Nederlandse woningmarkt).

Zoals besproken heeft het Nederlandse kabinet een ongewogen kapitaalnorm van 4% voorgesteld (Kabinetsvisie 2013). Maar die hogere ongewogen kapitaalratio is nog wel onderwerp van discussie. Een hogere ratio die alleen geldt voor Nederlandse banken ondermijnt het internationale gelijke speelveld (Boonstra en De Vries, 2014). Het gaat dan niet zozeer om de hoogte van de leverage ratio maar om de manier waarop banken naar het vereiste kapitaalniveau groeien zonder dat er negatieve economische effecten optreden (Boonstra en De Cleen, 2014). Zo geldt voor vrijwel alle Nederlandse banken dat herkapitalisatie door aandelenuitgifte op dit moment moeizaam is (DNB, 2014). Voor balansversterking zijn de opties die overblijven dan winstinhouding of verkorting van de balans, wat de ruimte voor kredietgroei beperkt.

Ten slotte verandert in 2015 de financiering van het nationale depositogarantiestelsel. In plaats van het achteraf (ex-post) verdelen van de kosten voor depositogarantie gaan banken vooraf (ex-ante) een premie betalen. Deze premie komt in een fonds terecht. Omdat deze premie risico-gedifferentieerd is, kan deze voor meer stabiliteit zorgen. Aan de andere kant zorgt een depositogarantiestelsel per definitie voor een verminderde risico-alertheid bij spaarders (Ioannidou en De Dreu, 2006). Mogelijk zal in de toekomst de hoogte van de garantie daarom weer worden afgebouwd.

Hoe verder

De komende jaren is er nog voldoende werk in uitvoering. Het toezicht wordt meer internationaal, de kapitaal- en liquiditeitseisen van Basel III worden gefaseerd ingevoerd, de bankenunie krijgt meer handen en voeten en het macroprudentieel toezicht zal verder vorm krijgen. Het transitiepad kan hobbelig zijn. In deze paragraaf beschrijven wij enkele belangrijke obstakels en valkuilen bij de implementatie van de hervormingen.

Route 2014-2019

De komende jaren zullen in het teken staan van de overheveling van toezichtstaken aan de ECB en het verder versterken van het kapitaal van banken. Wanneer banken slagen voor hun balansexamens, vallen zij per november 2014 onder het Europese toezicht vanuit Frankfurt. Mocht een bank in 2014 of 2015 in de problemen komen, dan is echter de nationale toezichthouder aan zet bij de afwikkeling van de bank. De Europese resolutie-autoriteit (SRB) is namelijk pas in 2016 actief. Ook moet het resolutiefonds (SRF) nog worden opgebouwd.

Nederlandse banken moeten de komende jaren hun kapitaalratio’s verbeteren om aan de uiteindelijke kapitaaleisen van 2019 te voldoen. De Nederlandse banken zijn op dit moment in voldoende mate gekapitaliseerd om te voldoen aan de kredietvraag (DNB, 2013CPB, 2014), maar een te snelle opbouw van kapitaalbuffers beperkt de ruimte voor kredietgroei wanneer de economische groei en de kredietvraag weer aantrekken (DNB, 2014). De eerder ingevoerde Nederlandse bankenbelasting bemoeilijkt juist de kapitaalopbouw. Mogelijk zullen enkele banken versneld extra kapitaal moeten aantrekken op basis van de uitkomsten van de balansexamens. Een urgente kapitaalbehoefte leidt tot onzekerheid bij investeerders en via hogere risicopremies tot hogere financieringskosten voor banken (Verduijn, 2014).  

Het macroprudentieel toezicht zal de komende jaren verder worden uitgebouwd. Tussen de micro- en macroprudentiële toezichtregimes kan een spanningsveld ontstaan. In een hoogconjunctuur zorgen snelle kredietgroei en lagere kredietverliezen voor een hogere winstgevendheid en hogere kapitaalratio’s van banken. In figuur 5 is te zien dat in de periode voor de crisis een stijging van het Bruto Binnenlands Product (BBP) samenging met een zeer sterke groei van de kredietverlening. Tegelijk kan te snelle kredietgroei systeemrisico’s in de hand werken. De seinen staan dus duidelijk op groen op het niveau van een individuele bank (microprudentieel), terwijl de seinen van de indicatoren voor het systeem als geheel (macroprudentiële indicatoren) wellicht op oranje of zelfs op rood staan. Een duidelijke verdeling van mandaten en een goede afstemming tussen micro- en macroprudentieel beleid is daarom cruciaal (IMF, 2013b). 

Figuur 4: Kredietgroei en conjunctuur
Figuur 4: Kredietgroei en conjunctuur Bron: DNB, Rabobank

Ten slotte kunnen macro-economische factoren de gewenste hervormingen in de weg staan. Zoals beschreven moeten banken hogere liquiditeitsbuffers aanhouden. Bij een langdurig lage rente en een negatieve rente op het aanhouden van tegoeden bij de ECB zullen banken ervoor kiezen hun liquiditeitsbuffers aan te houden in de vorm van staatsobligaties. Dit versterkt juist weer de verwevenheid tussen banken en overheden, terwijl een van de doelstellingen van de bankenunie is om deze te verminderen.

Het bankwezen in 2020: bestemming bereikt?

Beter gekapitaliseerde banken en beter toezicht zullen ontegenzeggelijk bijdragen aan een stabieler bankwezen in 2020. Ook de komst van een Europese bankenunie en de invoering van het bail-in-instrument zal hier een bijdrage aan leveren. Het is niet gezegd dat hiermee alle risico’s zijn uitgebannen; mogelijk verplaatsen risico’s zich naar financiële instellingen buiten het bankwezen.

In het kader van het macroprudentiële toezicht kan DNB de toekomstige kredietgroei afremmen door de anticyclische kapitaalbuffer te verhogen wanneer zij verwacht dat er excessieve kredietgroei zal ontstaan. Een juiste inschatting is hierbij cruciaal zodat de kredietverlening niet onnodig wordt gedrukt. Verder is het correct beoordelen en beprijzen van risico’s door de financiële sector van groot belang voor de reële economie. Waar banken vóór de crisis de risico’s konden onderschatten en -achteraf bezien- soms te gemakkelijk krediet hebben verleend, bestaat het risico dat zij in de toekomst te voorzichtig worden. De vraag naar meer risicovolle financieringen, bijvoorbeeld bij startende ondernemingen, zal dan mogelijk voor een deel neerslaan bij niet-bancaire partijen.[9] Risico’s zullen zich dan in toenemende mate verplaatsen naar financiële instellingen buiten het bankwezen, waarop minder streng toezicht is. Dit kan als neveneffect de financiële stabiliteit verminderen. Wanneer in bepaalde risicovolle financieringen niet meer kan worden voorzien, hetzij binnen hetzij buiten het bankwezen, kan dit de innovatie remmen en daarmee de toekomstige economische groei.

Voetnoten

[1] Richtlijnen (directives) zijn pas rechtsgeldig wanneer zij in nationale wetgeving zijn omgezet. Wanneer er sprake is van een verordening (regulation), zoals in het geval van de CRR en –zoals we bij het bespreken van de bankenunie zullen zien– de SSM en SRM, dan is deze rechtstreeks bindend in de lidstaten en wordt deze niet in nationale wetgeving geïmplementeerd.

[2] Deze vorm van kapitaal bevat alleen het geplaatste aandelenkapitaal (of certificaten, in het geval van de Rabobank) en ingehouden winsten en is onderdeel van de totale Tier-1 kapitaalbasis.

[3] De ratio op basis van de toekomstige definitie wordt ook wel de ‘fully loaded’ kapitaalratio genoemd.

[4] Gewone obligatiehouders en spaarders met een tegoed van meer dan 100.000 euro. Binnen de huidige depositogarantie regelgeving worden deposito’s tot 100.000 gedekt bij een faillissement.

[5] De vorm van deze buffer is in de BRRD richtlijn verder uitgewerkt via de Minimum Requirements for own funds and Eligible Liabilities (MREL).

[6] Naast een voorzitter en vier permanente leden zullen ook vertegenwoordigers van nationale resolutieautoriteiten, de ECB en de Europese Commissie (als toehoorder) deel uitmaken van het SRB.

[7] Dit resolutiefonds is niet hetzelfde als het noodfonds onder het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM). Het ESM is sinds 8 oktober 2012 operationeel. Dit permanente noodfonds is de opvolger van het tijdelijk noodfonds, de European Financial Stability Facility (EFSF), dat was opgericht om de acute problemen in de eurozone in 2010 te bestrijden.

[8] DNB behoudt het toezicht over de kleinere banken en heeft een uitvoerende rol bij toezicht op de grote banken. 

[9] Zoals private equity en crowdfunding. Voor een overzicht van niet-bancaire financieringsvormen, zie ook onze Special: Financiering voor het MKB – opties in kaart.

Bijlage 1: Overzicht hervormingen bankwezen

Bijlage 1: Overzicht hervormingen bankwezen
Bijlage 1: Overzicht hervormingen bankwezen

Bijlage 2: Basel I-II-III

Voor 2008 werd er voor het bereiken van financiële stabiliteit vooral rekening gehouden met kapitaalstandaarden uit Basel, waarbij de focus vanuit toezichthouders lag op de stabiliteit van individuele banken. In 1988 trad het Basel I raamwerk van minimum kapitaaleisen in werking, zodat banken beter in staat waren om onverwachte verliezen op te kunnen vangen (BCBS, 1999). De totale gewogen kapitaaleis van Basel I bedroeg 8% (waarvan 4% (Tier-1) kernkapitaal). Er was slechts beperkte aandacht voor verschillen in risicoweging ten aanzien van verschillende kredietnemers, zoals overheden, woninghypotheken van huishoudens of bedrijven. Hierdoor moesten banken eenzelfde kapitaalbuffer aanhouden voor onderling zeer sterk verschillende kredietnemers. Dit werd beschouwd als een grote tekortkoming, die met de invoering van Basel II in 2007 is verholpen. Basel II introduceerde meer gedifferentieerde risicowegingen voor kredietrisico’s en stelde hogere eisen aan de kwaliteit van het kapitaal. Ook werden in Basel II de kapitaaleisen mede afhankelijk van marktrisico’s en operationele risico’s. Ten slotte was er in dit tweede akkoord meer aandacht voor de rol van het toezicht en van marktdiscipline. Om de marktdiscipline te verbeteren, zijn er bijvoorbeeld meer eisen gesteld aan de informatieverstrekking vanuit banken (BCBS, 2004). De hoogte van de totale kapitaalbuffer bleef met de invoering van Basel II gelijk.

In Basel III, dat gefaseerd wordt ingevoerd, gaan de kapitaaleisen flink omhoog. Figuur 5 geeft een overzicht van de verandering van de gewogen kapitaaleisen.

Figuur 5: Van Basel I naar Basel III
Figuur 5: Van Basel I naar Basel III Bron: BIS, Rabobank

De minimale hoeveelheid Core Tier-1 kapitaal dat banken moeten aanhouden bedraagt 4,5% van de risicogewogen activa in 2014. In de komende jaren worden nog extra buffervereisten geïntroduceerd: een conservatiebuffer van 2,5% en een anticyclische kapitaalbuffer van maximaal 2,5%. De macroprudentiële autoriteiten kunnen het maximale niveau van de anticyclische buffer overigens nog wel verder verhogen. Ook moeten systeembanken (Systemically Important Financial Institutions, SIFI’s) een extra systeembuffer aanhouden van tussen de 1%-3%. Voor alle drie de aanvullende buffers geldt dat banken het vermogen in de vorm van Core Tier-1 kapitaal moeten aanhouden. De minimale hoeveelheid Core Tier-1 kapitaal bedraagt daarom tussen de 8% en 12,5% van de risicogewogen activa.

Naast Core Tier-1 kapitaal kunnen banken ook additioneel Tier-1 en Tier-2 kapitaal aanhouden. Additioneel Tier-1 kapitaal bestaat bijvoorbeeld uit preferente aandelen of hybride kapitaal dat kan worden omgezet in gewone aandelen. Achtergestelde leningen met een looptijd van meer dan 5 jaar behoren tot het Tier-2 kapitaal. Het grote verschil tussen Tier-1 en Tier-2 kapitaal is de kwaliteit en de beschikbaarheid van het kapitaal. Waar Tier-1 kapitaal geen contractuele (aflossings-)verplichtingen kent en dit vermogen permanent beschikbaar is, gelden bij Tier-2 kapitaal wel aflossingsverplichtingen. Hierdoor zijn er in tegenstelling tot Tier-2 kapitaal geen belemmeringen om verliezen op te vangen met Tier-1 kapitaal.

Met inbegrip van additioneel Tier-1 en Tier-2 kapitaal zien de kapitaaleisen van Basel III er als volgt uit:

<br>

Literatuur

Basel Committee on Banking Supervision (1999). A new capital adequacy framework. Basel: Bank for International Settlements.

Basel Committee on Banking Supervision (2004). International convergence of capital measurement and capital standards. Basel: Bank for International Settlements.

Basel Committee on Banking Supervision (2010). Basel III: A global regulatory framework for more resilient banks and banking systems. Basel: Bank for International Settlements.

Beck, T. (2012). Why the rush? Short-term crisis resolution and long-term bank stability, Banking Union for Europe: Risks and Challenges. CEPR, Londen.

Boonstra, W.W. De Cleen, B. (2014), Verhogen van eigen vermogen bij banken, Economisch Statistische Berichten, 7 februari 2014, pp. 74 - 75

Boonstra, W.W., De Vries, Y.B. (2014). Gaan betere regulering en beter toezicht bijdragen aan een stabieler bankwezen? Jaarboek Overheidsfinanciën, januari 2014.

CPB (2014). Risicorapportage financiële markten. Centraal Planbureau, Den Haag.

DNB (2010). Overzicht Financiële Stabiliteit. Najaar 2010, nr. 12. Amsterdam: De Nederlandsche Bank.

DNB (2013). Overzicht Financiële Stabiliteit. Najaar 2013, nr. 18. Amsterdam: De Nederlandsche Bank.

DNB (2014). Kredietverlening en bancair kapitaal. DNB Occasional Studies: vol. 12, nr. 3. Amsterdam: De Nederlandsche Bank.

EC (2014). EU Bank Recovery and Resolution Directive (BRRD): Frequently Asked Questions. 15 april 2014. Brussel: Europese Commissie.

IMF (2013a). Key aspects of macroprudential policy. IMF Paper. International Monetary Fund: Washington.

IMF (2013b). Macroprudential and microprudential policies: toward cohabitation. IMF Staff Discussion Note 13/5. International Monetary Fund: Washington.

Ioannidou, V., de Dreu, J. (2006). The impact of explicit deposit insurance on market discipline. DNB Working Paper 89, Amsterdam: De Nederlandsche Bank.

Kabinetsvisie Nederlandse Bankensector (2013). Den Haag: Ministerie van Financiën.

Smolders, N. (2010). Impact van de nieuwe kapitaalvoorstellen uit Bazel. Rabobank Themabericht, juni 2010.

Smolders, N. (2011). Basel III: stevig maar realistisch. Rabobank Themabericht, januari 2011.

Smolders, N. (2012). Bail-in alternatief voor bail-outs van banken. Rabobank Themabericht, september 2012.

Verduijn, M.P. (2013). Bankenunie: implicaties voor de Europese bankensector. Rabobank Special, 11 november 2013.

Verduijn, M.P. (2014). Vraagtekens bij impact van Asset Quality Review. Rabobank Themabericht, 14 mei 2014.

Overzichtspagina studies Prinsjesdag 2014.

Delen:
Auteur(s)

naar boven