RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Vooruitgang in de nieuwe economische realiteit

Special

Delen:

Naar de overzichtspagina van de Visie op 2015

De themabrochure ‘Vooruitgang in de nieuwe economische realiteit’ kunt u hier als pdf-bestand downloaden (3,6 Mb).

Voorwoord

Krachtige economische groei volgens de gangbare definitie zit er naar verwachting in het Westen de komende jaren niet in. Dit komt deels door vergrijzing, deels door de naweeën van de crisis. Dat wil niet zeggen dat dit een doemscenario is. De economische omgeving is ondanks deze lage economische groei dynamischer dan ooit. Want die lage groei rust meer dan ooit op innovatie. En het goede nieuws is dat er ontzettend veel gebeurt op het gebied van innovatie: denk daarbij aan de grote veranderingen die ICT ook de komende jaren nog met zich meebrengt voor bedrijfsmodellen, maar ook hoe u en ik met elkaar communiceren en hoe uw apparaten inmiddels onderling met elkaar communiceren.

Bij deze lage economische groei en deze dynamische innovatie wordt BBP-groei, economische groei zoals we deze nu meten, een steeds slechter kompas om op te varen.

Want enerzijds wordt een groot deel van de vooruitgang door innovatie niet gezien als economische groei. Sterker nog, in veel gevallen wordt het als krimp gedefinieerd. Denk daarbij aan wat ICT doet met ons bankbedrijf: steeds minder mensen, en met lagere kosten, bedienen wij een groot deel van onze klanten veel beter bijvoorbeeld via een bankieren-app. Dat is vooruitgang. Maar krimp in economische termen.

Daarnaast houdt het huidige concept van vooruitgang geen rekening met de houdbaarheid ervan: zowel in financieel, ecologisch als sociaal opzicht. Zo is schuldfinanciering op de korte termijn per definitie ‘goed’, in de zin dat zij ertoe leidt dat mensen en bedrijven meer kunnen consumeren en investeren waardoor de economie groeit. Maar dat deze groei letterlijk is gekocht en naderhand weer moet worden terugbetaald, zit niet in het BBP-begrip. Zo bezien is er momenteel geen sprake van houdbare groei.

Eenzelfde redenering kan worden gehouden voor de ecologische of sociale kant van groei. Zo kosten investeringen in onderwijs op korte termijn alleen de overheid geld, en leveren geen groei op. Terwijl de baten in termen van een hoger opgeleide bevolking en meer vooruitgang op langere termijn niet zo snel worden gezien. En het bekende voorbeeld van uitputting van natuurlijke hulpbronnen dat niet automatisch goed wordt beprijsd spreekt voor zich: ecologische duurzaamheid volgt niet zo maar uit de manier waarop de economie nu is ingericht. En ook pogingen ertoe, zoals de invoering van emissierechten, blijken uiteindelijk zeer moeizaam te realiseren.

Nu we weten dat economische groei volgens de huidige definitie gepaard gaat met behoorlijk wat schadelijke bijwerkingen, is het misschien tijd voor een ander recept. Een andere manier om welvaart te meten in plaats van te kijken naar de omvang van ons BBP. Want de grote vraag is of deze indicator nog wel de juiste is om onze welvaart mee uit te drukken.

Gelukkig kijken onze economen verder dan alleen maar naar de mutaties van het BBP. In deze uitgave die vergezeld gaat van onze macro-economische Visie op 2015 onderzoeken zij hoe economische groei momenteel eigenlijk precies wordt gemeten en hoe het anders (lees: rekening houden met duurzame effecten) kan. Want waarom houden we bij de meting van welvaart bijvoorbeeld geen rekening met schone lucht, vrije tijd, zorg voor onze kinderen en hulpbehoevenden in onze omgeving? Waarom houden we geen rekening met toekomstige generaties, of mensen elders op de wereld? En waarom wordt alles wat we nu gratis aan informatie op internet ter beschikking hebben niet meegerekend, maar de krimp van uitgevers of de muziekindustrie wel? Het grote aantal mankementen én het feit dat het niet houdbaar is op lange termijn verklaren het BBP-groeimodel in de ogen van onze economen min of meer failliet.

We hebben een ander model nodig. En niet alleen een ander model om onze welvaart mee te meten, maar ook een ander model om als samenleving na te streven. De wereld vraagt om een paradigmaverschuiving naar houdbare groei, waarin ecologische en sociale waarden net zo belangrijk worden als de traditioneel-economische.

Dit themaverhaal van onze economen besluit met een aantal mogelijke stappen die we kunnen zetten om een begin te maken met een dergelijk houdbare samenleving. Ik hoop dat u als ondernemer door deze uitgave wordt geïnspireerd en dat ook u bereid bent een bijdrage te leveren aan deze verduurzaming van onze welvaartsgroei. Ik wens u voor nu heel veel leesplezier en een gezond, gelukkig en succesvol 2015 voor u en uw naasten.

Wiebe Draijer
Voorzitter raad van bestuur
Rabobank

Inleiding

Na bijna zeven jaar van economische stagnatie in Nederland en de eurozone lijkt er langzaam maar zeker weer enig economisch licht aan de horizon te gloren. Nu de economie weer zeer voorzichtig aantrekt, is het de hoogste tijd om na te denken over hoe de toekomst er uit komt te zien. Want na de lange recessie is de wereld natuurlijk wel veranderd en ook de weg naar stabiele economische groei lijkt toch niet zo vanzelfsprekend te zijn als een aantal jaren geleden gedacht.

De Westerse economieën lijken op een lager structureel groeipad te zijn aanbeland. Anders dan velen denken hoeft dit geen somber perspectief te zijn. Er is veel innovatie en dat zal de komende jaren niet anders zijn. Daarbij zijn we in Nederland en in grote delen van de Westerse wereld gemiddeld inmiddels zo rijk dat alleen maar een hoger inkomen ons niet per se gelukkiger maakt. Vrije tijd, werk, schone lucht en sociale contacten zijn steeds belangrijker. Dus hebben we eigenlijk wel een hogere economische groei nodig? En meten we wel de goede dingen? Want veel vooruitgang zal minder zichtbaar zijn in de gebruikelijke economische groeistatistieken: veel innovatie leidt niet per definitie tot meetbare groei, maar wel tot vooruitgang. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de enorme toename van gratis informatie: geen BBP-groei –vaak zelfs krimp– maar wel een toename van de welvaart. Ook is innovatie vaak veel minder investeringsgedreven: dit betekent ook lagere BBP-groei bij hogere welvaart. Een deel van de somberte komt dan ook voort uit het aanhouden van een ouderwets en door de ontwikkelingen achterhaald begrip van vooruitgang.

Een andere manier van het kijken naar vooruitgang vereist dat wij ons economische model nog eens goed onder de loep nemen. Centraal staat daarbij economische vooruitgang die houdbaar is. Duurzaam zo u wilt. Maar dan niet alleen vanuit ecologisch perspectief, ook vanuit maatschappelijk en financieel perspectief. Dat is vooruitgang in de nieuwe economische realiteit.

Een niet zo zeker groeiperspectief

Het (relatief) goede nieuws is dat de eurozone niet meer in een acute crisisfase zit. Maar vooralsnog verloopt het economische herstel zeer traag. Dit roept ook de vraag op hoe dit de komende jaren verder zal gaan. Een zeer gematigde economische groei ligt daarbij voor de hand.

Iets betere verwachtingen, maar nog een lange weg te gaan

Onze economische Visie op 2015 laat zien dat het herstel van de wereldeconomie, en vooral dat van de economie in de eurozone, nog altijd niet overtuigt. Herstel is er, maar zeker niet uitbundig.

Figuur 1: Al sinds 2007 een overschatting van herstel van de wereldeconomie
Figuur 1: Al sinds 2007 een overschatting van herstel van de wereldeconomieBron: IMF

Eindeloze stagnatie en toch groei

De afgelopen jaren bleken de verwachtingen omtrent het herstel van de mondiale economie stelselmatig te rooskleurig (figuur 1). In het recent uitgegeven Ebook van Voxeu (Teulings en Baldwin, 2014) behandelen vooraanstaande economen, onder wie Larry Summers en Paul Krugman, uitgebreid een scenario van structureel lagere groei onder de noemer secular stagnation. Voor de duidelijkheid: stagnatie is daarbij eigenlijk een misleidende term. Een meer nauwkeurige term zou zijn: een economische groei die aanzienlijk lager is dan waar we voor 2008 aan gewend waren door problemen vanuit de vraag- en aanbodzijde van de economie, met als belangrijk symptoom een zeer lage (reële) rentevoet. Kortom, een nogal brede definitie, waaronder zeker niet een situatie van helemaal geen groei wordt verstaan.

De boodschap achter deze term is vooral dat een terugkeer naar het groeipad van voor 2008 absoluut niet vanzelfsprekend is.
Ten eerste is de potentiële groei in de eurozone lager dan bijvoorbeeld tien jaar geleden. Wij gaan voor de komende tien jaar uit van ongeveer 1% groei per jaar, waarbij de risico’s ons inziens vooral neerwaarts zijn. In Stegeman et al (2014) hebben we de factoren van groei voor de eurozone uitgebreid geanalyseerd.

Vergrijzing zorgt ervoor dat het potentiële arbeidsaanbod de komende jaren afneemt. Dit drukt de potentiële groei. In met name Duitsland en Italië daalt de potentiële beroepsbevolking. Dit is echter niet één-op-één te vertalen naar het arbeidsaanbod. Een verwachte stijging van de arbeidsparticipatie, onder ander door de verhoging van de pensioenleeftijd in veel landen, doet dit effect enigszins teniet. De groeibijdrage van werkgelegenheid is naar verwachting wel lager dan in het verleden. Meer groei kan wel worden gehaald door verdere hervormingen en Europese integratie, met name door meer arbeidsmobiliteit. De baten daarvan komen vooral terecht in Zuid-Europese landen.

De grote onbekende in deze optelsom is de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. De gemiddelde toename van de arbeidsproductiviteit in de periode 1950-2013 in de eurozone was 1,3%, voor de periode 2001-2013 was de groei van de arbeidsproductiviteit 0,9%. Wij gaan, net als de Europese Commissie (2013), uit van een toename van de arbeidsproductiviteit van iets boven de 1% per jaar (1,1%) die gelijk is aan die uit de meest recente periode (2005-2014).

De potentiële groei in de eurozone zal op basis van bovenstaande de komende tien jaar gemiddeld op net iets boven de 1% uitkomen (figuur 2). Opvallend daarbij is de trendbreuk ten opzichte van de periode voor 2008: een structureel lager groeiniveau, vooral door vergrijzing.

Figuur 2: Ontwikkeling potentiële groei eurozone
Figuur 2: Ontwikkeling potentiële groei eurozoneBron: NiGEM, Rabobank

Dit structureel lagere groeipad kan de komende jaren echter nog lager uitkomen. Dat komt vooral door de risico’s aan de vraagkant van de economie. Twee factoren spelen hierbij een voorname rol: schuldafbouw (zowel publiek als privaat) en hysterese-effecten.

We weten inmiddels dat schuldafbouw in de naweeën van een financiële crisis de groei langdurig kan drukken (Claessen en Kose, 2013). Op dit moment zijn veel eurozone-landen slechts in beperkte mate bezig met schuldafbouw, in tegenstelling tot de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Alleen in Duitsland zijn de private schulden in historisch perspectief relatief laag. Daar staan echter relatief slechte collectieve pensioenvoorzieningen tegenover. Alle andere hebben nog een lange weg te gaan naar een gezonder niveau van private schuld. Tegelijkertijd is ook de publieke schuldafbouw nog nauwelijks gevorderd, met Duitsland weer als uitzondering. Dit zorgt er samen met de Europese regels die vooral aanzetten tot verdere bezuinigingen voor dat de effecten van overheidsbeleid op de economische groei hoogstwaarschijnlijk niet positief zullen zijn.

Deze ontwikkeling verergert het tweede vraagprobleem: hysterese. Hysterese is op zichzelf een tijdelijk maar langdurig effect op de economische groei van ongebruikte beschikbare productiecapaciteit. Daarbij gaat het om een hoge werkloosheid, maar ook om een lage bezettings- en investeringsgraad. En hoewel lastig te kwantificeren, duidt de huidige situatie in de eurozone er op dat enige mate van langdurige schade aan het groeipotentieel kan optreden.

Een kwantificering van bovenstaande vraagfactoren is nog heikeler dan een kwantificering van de economische groei. Maar alles bij elkaar optellend zien we een beeld van lage groei, die wellicht in de buurt kan komen van echte stagnatie. Eindeloos zal deze niet zijn, wel langdurig. En daarbij hebben we positieve verwachtingen over de bijdrage van innovatie aan de groei. Een lage groei is daarmee dus een serieus scenario, maar niet per definitie een doemscenario.

Conclusie

De economische vooruitzichten voor de Westerse wereld zijn nog altijd onzeker. Daarbij zijn de uitdagingen aan de vraagkant groot en kan het oplossen ervan ook lange tijd duren. Tegelijkertijd begint de vergrijzing in landen als Duitsland de komende tien jaar steeds harder door te werken in de groeicijfers. Consequentie is dat de economische groei hoogstwaarschijnlijk laag blijft en meer dan ooit afhankelijk is van technologische vooruitgang.

Het vooruitgangsperspectief van innovatie

Een van de grote vraagtekens in de economische wetenschap is wat de toekomstige groeibijdrage zou kunnen zijn van innovatie[1]. Daarbij is de toekomstige economische ontwikkeling, vooral ook door vergrijzing, sterk afhankelijk van innovatie. Er is geen reden om heel pessimistisch te zijn over innovatie. Maar een nieuwe groeispurt ligt niet echt in de lijn der verwachtingen. Twee andere aspecten van innovatie zijn wellicht nog belangrijker: wat doet innovatie met een breder begrip van vooruitgang en hoe is die vooruitgang verdeeld?

De toekomst van innovatie en productiviteitsgroei

De bijdrage van innovatie aan groei is een van de meest bestudeerde onderwerpen in de economie. En gezien het vorige hoofdstuk belangrijker dan ooit. Voor BBP-groei zijn we immers meer dan ooit afhankelijk van innovatie die zorgt voor een stijging van de arbeidsproductiviteit.

Technologische vooruitgang vindt zijn oorsprong in product- en procesinnovaties die een hogere toegevoegde waarde genereren bij dezelfde inzet van productie­fac­toren. Het is echter lastig om in te schatten wat de precieze productiviteitseffecten van technologische ontwikkeling zijn. Bovendien is het haast ondoenlijk om op voorhand aan te geven welke technologieën kansrijk zijn en wanneer deze radicale innovatie ook daadwerkelijk tot productiviteitswinsten zal leiden. Hoewel er meer dan genoeg suggesties zijn voor een nieuwe doorbraaktechnologie[2],[3], duurt het vermoedelijk meer dan tien jaar voordat we hiervan de economische vruchten kunnen plukken. Voor productiviteitsgroei is de wereld het komende decennium in belangrijke mate aangewezen op de doorbraaktechnologie waar we nu nog middenin zitten: ICT. Vaak blijkt dat de verwachtingen in de eerste fase van een technologie te optimistisch zijn (Gordon, 2000), waarna een forse teleurstelling volgt.
De arbeidsproductiviteitsgroei vertoont in veel Westerse landen een dalende trend (figuur 3). Het betreft een daling vanaf een in historisch opzicht snelle stijging van de arbeidsproductiviteitsgroei per werkende.

Figuur 3: Structureel dalende arbeidsproductiviteitsgroei per uur, in %
Figuur 3: Structureel dalende arbeidsproductiviteitsgroei per uurBron: Total economy Database, conference Board 

Dit kan natuurlijk een tijdelijk fenomeen zijn. Maar het is wel een fenomeen dat al enkele decennia structureel gaande is als we afgaan op de zogenoemde total factor productivity (Gordon, 2014). Gordon (2012) wijt de structureel dalende arbeidsproductiviteitsgroei aan het feit dat we de belangrijkste productiviteitswinsten van de huidige generatie doorbraaktechnologieën hebben gehad. Voor de komende jaren lijkt een nieuwe doorbraaktechnologie niet snel een bijdrage aan de economische groei te kunnen leveren. De ervaring leert dat er geruime tijd (een aantal decennia) kan zitten tussen de uitvinding van een doorbraaktechnologie en de daaruit volgende economische groeiversnelling (Shackleton, 2013).

Heel wat economen en schrijvers verwachten veel van de toekomst van ICT. Onder andere Brynjolfsson en McAfee (2014) gaan uitgebreid in op de potentie van ICT. Ze benadrukken keer op keer dat de rekenkracht van computers ongeveer elke anderhalf à twee jaar verdubbelt, de zogenaamde Wet van Moore.[4] Deze exponentiële groei gaat een steeds groter effect hebben op de economie, zo is hun verwachting, ook als de rekenkracht in een minder snel tempo toeneemt. Want het gaat niet alleen om de doorbraaktechnologie zelf, een groot deel van de productiviteitswinst wordt geboekt door het toepassen van de technologie in de vorm van nieuwe processen en producten. Het duurt een tijd voordat dit leidt tot zichtbare resultaten.
Voorlopig blijft het ongewis wat de groeibijdrage zal zijn van ICT-innovaties.

De uitdagingen van technologische vooruitgang

Technologische vooruitgang leidt tot meer welvaart. Dat was altijd het idee. De route daarbij was steeds helder. Door een hogere kapitaalsintensiteit en een efficiëntere techniek nam de arbeidsproductiviteit toe. Die gestegen arbeidsproductiviteit leidde tot een hogere toegevoegde waarde, waarbij een deel van die toegevoegde waarde naar de werknemer ging en de rest als winstinkomen naar de eigenaar van de productiefactoren. Die stijging van de toegevoegde waarde registreerden statistici als een hogere economische groei en zie: innovatie leidt meetbaar tot een hogere welvaart voor iedereen.

Er is een aantal redenen om te twijfelen of dit nu nog wel helemaal zo werkt. Die twijfels zitten in een aantal schakels van de keten. Ten eerste lijkt het erop dat lang niet alle technologie, en dan vooral ICT, heeft geleid tot een hogere toegevoegde waarde die bij de producenten terecht is gekomen. Een deel van de vruchten van vooruitgang lijken min of meer ‘gratis’ bij consumenten terecht te komen. In statistische termen heb je dan geen groei, terwijl er wel sprake is van meer welvaart.

Ten tweede lijkt het erop dat werknemers minder profiteren van de stijging van de arbeidsproductiviteit dan werkgevers. Werkgelegenheid verdwijnt, terwijl de vraag is wat hier voor terugkomt. En onder hen die werken, is de verdeling van het inkomen steeds schever geworden. En als de vruchten van innovatie ongelijker worden verdeeld, is het de vraag of we dat dan per saldo nog wel een welvaartsstijging voor de samenleving kunnen noemen.

De onzichtbare vruchten van ICT
Het feit dat ICT meer oplevert dan in de BBP-cijfers is te zien, heeft vooral te maken met de definitie van het BBP. Deze is vooral gericht op het meten van goederen- en dienstenstromen die tegen betaling worden geleverd. In een samenleving waar een groot deel van de productie bestaat uit diensten is het echter al lastiger de ‘productie’ te kwantificeren, zeker daar waar ‘de producten’ niet tegen marktprijzen worden verhandeld, zoals bij overheidsdiensten (Coyle, 2014) of wanneer het onbetaalde diensten betreft.

Een van de grote baten van de ICT-revolutie van de afgelopen tien, twintig jaar is de explosie van gratis diensten op internet. Economisch gezien is met deze ontegenzeglijke vooruitgang wel iets raars aan de hand. Het zorgt juist voor een krimp van de economie in plaats van economische groei. Veel van deze producten, zoals muziek, zijn namelijk gratis of veel goedkoper dan hun analoge voorgangers. Dus terwijl de gemiddelde consument er in die vijftien jaar aanmerkelijk op vooruit is gegaan (veel meer muziek, laten we aannemen van dezelfde kwaliteit tegen lagere kosten), impliceert dit een daling van het BBP-volume. Een voorbeeld van innovatie, vooruitgang, die niet leidt tot economische groei.

Dit effect van een stijgende welvaart die niet zichtbaar is in het BBP hebben onderzoekers op verschillende manieren geprobeerd te kwantificeren. Zo gebruiken Brynjolfsson en Oh (2012) tijdsbesteding van consumenten om te achterhalen wat vrije informatie zou opleveren. Want het kost geen geld, maar wel tijd om de gratis diensten te consumeren. In de VS blijkt de tijd die consumenten vrijwillig (dus niet voor werk) op internet zitten tussen 2000 en 2011 te zijn verdubbeld. Dit betekent in ieder geval dat ze daar meer waarde aan toekenden dan aan andere manieren van tijdsbesteding. Door de waarde van deze tijd te bepalen, en die ook te vergelijken met andere manieren waarop deze tijd voorheen werd besteed, komen zij uit op een jaarlijks profijt per gebruiker van 2.600 dollar. Dit zou, vertaald naar BBP, 0,3% extra groei per jaar zijn. Ook voor Nederland lijkt zo’n ontwikkeling zichtbaar).

De problematischere verdeling van de vruchten
Uiteindelijk gaat het naast een toename van de welvaart ook om de verdeling ervan: als de vruchten van ICT alleen in de handen komen van een paar geluksvogels, is het lastig te spreken van een gemiddelde welvaartsstijging, ongeacht de toename van het BBP.

En is er inmiddels wel behoorlijk wat bewijs dat ICT iets anders doet met de arbeidsmarkt –een belangrijk verdelingsmechanisme van de welvaart– dan de voorgaande doorbraaktechnologieën. De computer kan steeds meer menselijke vaardigheden overnemen. En daar waar in de industriële revolutie menselijke fysieke kracht steeds minder opleverde, wordt nu steeds meer hersenkracht vervangen.

Voor een heel scala aan beroepen bestaat de kans dat ze verdwijnen (Frey en Osborne, 2013). Een tot de verbeelding sprekend idee, dat we vaker in de geschiedenis hebben gezien. Uitgedrukt en vertaald naar Nederlandse banen zouden dat er wel eens enkele miljoenen kunnen zijn (NRC, 2014). Dit is overigens geen doemscenario. Want behalve dat er een heleboel banen verdwijnen, zal er ook een heleboel werkgelegenheid voor terugkomen. In het verleden is dat altijd gebeurd. Werkte bijvoorbeeld in 1920 in ons land nog meer dan een kwart van de mensen in de landbouwsector, in 1960 was dat nog maar 11% en nu is dat net iets meer dan 2%. Voor de industrie geldt hetzelfde: begin jaren tachtig bood de industrie nog werk aan een derde van de werknemers, in 2013 was dit net iets meer dan 10%. En toch was de werkloosheid vlak voor het uitbreken van de financiële crisis historisch laag. In de periode 2001-2008 ontstonden in Nederland per jaar gemiddeld zo’n half miljoen banen, en gingen er iets minder verloren. Dit bij elkaar opgeteld is de baanreallocatie. Tussen 2001 en 2008 werd per saldo gemiddeld per jaar 13% van alle banen gerealloceerd, waarbij er tussen sectoren wel aanzienlijke verschillen bestonden in baandynamiek (figuur 4). Het beeld van twee miljoen banen die verdwijnen is dus al in een periode van vier jaar gerealiseerd. Grote vraag is vooral wat voor nieuwe banen er bij komen. 

Figuur 4: Baandynamiek is van alle tijden
Figuur 4: Baandynamiek is van alle tijdenBron: CBS  

Wel hebben de middelbaar en lager opgeleiden het al langere tijd lastiger op de arbeidsmarkt. En daar zit het grote verdelingsrisico.

Samenhangend met de dynamiek op de arbeidsmarkt blijft de beloning van veel werk achter door minder vraag naar arbeid. Nu valt die toegenomen loonongelijkheid in Nederland nog mee (figuur 5, zie ook Caminada et al, 2014; WRR, 2014), zeker als we deze vergelijken met die in de Verenigde Staten. Daar heeft een zeer groot deel van de werknemers de afgelopen dertig jaar niet of nauwelijks geprofiteerd van de toegenomen welvaart. In Nederland zien we wel een toegenomen ongelijkheid als we vooral naar de staarten van de inkomensontwikkeling kijken. Maar gemiddeld heeft ons land een van de meest gelijkmatige inkomensverdelingen ter wereld.

Figuur 5: Ontwikkeling inkomens- en vermogensongelijkheid in Nederland, in %
Figuur 5: Ontwikkeling inkomens- en vermogensongelijkheid in Nederland, in %Bron: Chartbook of Economic Inequality

Niet alleen zegt een toename van het BBP bij toenemende ongelijkheid minder over de feitelijke welvaartsontwikkeling. Meer recent is het inzicht gerezen dat ongelijkheid op zichzelf ook een rem kan zijn op de economische groei (Went, 2014; Ostry et al, 2014), afhankelijk van waar in de inkomensverdeling de ongelijkheid toeneemt (OECD, 2014).

Recenter onderzoek wijst uit dat een stijgende inkomensongelijkheid aan de onderkant van de inkomensverdeling vaak meer armoede betekent, en vaak ook minder investeren in onderwijs. Dat is slecht voor de economische groei. Toenemende ongelijkheid in de bovenste helft van de inkomensverdeling kan juist goed zijn voor de economische groei omdat het ondernemerschap en inspanning beloont. Maar te veel ongelijkheid, zeker aan de extreme bovenkant van het inkomensgebouw (de top 0,1%), dient economisch gezien geen enkel doel. Juist hier is de afgelopen jaren echter de grootste groei in ongelijkheid ontstaan.

Ostry et al (2014) tonen aan dat landen met minder inkomensongelijkheid langere perioden van groei kennen, waar dus ook een groter deel van de bevolking van profiteert. In deze landen is de gemiddelde geluksbeleving ook hoger.

Conclusie

Het is en blijft een grote vraag wat ICT, de belangrijkste doorbraaktechnologie van de komende jaren, ons aan vooruitgang biedt. Ook in welke mate dit tot BBP-groei leidt, is een grote vraag. Tal van ontwikkelingen zullen tot vooruitgang leiden, waarbij het ongewis is wat de gemiddelde burger van deze vooruitgang merkt. Als banen verdwijnen en de mediane gezinsinkomens dalen, ondanks dat het BBP stijgt, is BBP-groei dus geen goede indicator meer voor vooruitgang.

Van groei naar vooruitgang

Wij definiëren vooruitgang[5], welvaart, als een stijging van het BBP-volume. Dit is eigenlijk pas iets van de laatste zeventig jaar. En steeds meer komt het besef dat deze definitie steeds minder aansluit bij het ervaren gevoel van vooruitgang. Belangrijk is daarbij de overtuiging dat het economische systeem nu in ecologisch en sociaal opzicht niet houdbaar is. Het één heeft daarbij sterk met het ander te maken: wanneer wordt gemikt op een andere definitie van vooruitgang, is het wellicht ook mogelijk om het economische systeem houdbaarder te maken.

Een recent begrip

De menselijke natuur is ingesteld op ‘altijd meer’. Wellicht is dit vanuit de menselijke evolutie te verklaren als een soort overlevingsdrang. Maar het gaat verder. Zelfs na bevrediging van menselijke behoeften lijkt er geen rem op het menselijke streven naar ‘altijd meer’. Dit is geen nieuwe constatering. Ook in de Griekse mythologie en in de Bijbel namen mensen geen genoegen met wat ze hadden (Sedlacek, 2012).

Waar het streven naar ‘altijd meer’ precies vandaan komt, is niet geheel duidelijk. Zelfs al hebben wij voldoende van alles, en leven we in het paradijs, dan nog zal dat niet genoeg voor ons zijn, en zullen we voortdurend geneigd zijn om te consumeren wat we niet hoeven of mogen consumeren. In positieve zin zou dit geworteld kunnen zijn in nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid, leergierigheid, is immers in onze maatschappij ook een belangrijke aanjager van vooruitgang. In negatieve zin kan dit ook hebzucht zijn: alsmaar meer willen, om het meer willen, zonder verdere reden.

Streven naar vooruitgang zit dus in de menselijke aard, maar naar wát voor vooruitgang streven we precies? Tegenwoordig denken economen en beleidsmakers vooral aan economische groei, afgemeten aan het Bruto Binnenlands Product. Deze inmiddels verouderde indicator is echter nog relatief jong.

Het echte den­ken over vooruitgang bestaat pas sinds de Verlichting. Men ging ervan uit dat elke vol­gen­de generatie voortbouwt op de schouders van de vorige, waardoor er vooruitgang kan worden geboekt. Dit vooruitgangsgeloof viel samen met de secularisering, waarin afstand werd genomen van religieuze opvattingen als zou de wereld een eindig en onbeheersbaar geheel vormen. Het geloof in het verlossende vermogen van de rede trad daarbij op de voorgrond. De precieze datering van de Verlichting blijft lastig. Maar in de tweede helft van de zeventiende eeuw was er toch duidelijk sprake van veel ‘verlichte’ geesten, vooral in Europa, waardoor het idee van vooruitgang steeds meer grond onder de voeten kreeg. Daarbij ging het in eerste instantie niet om economische vooruitgang. Filosofen/economen zoals Adam Smith, Bernard Mandeville en Jeremy Bentham be­stu­deer­den vooral geluk, wat pas later met name in de economische wetenschap zou worden vertaald als ‘nut’.

Weer later, en zeker nadat empirie en macro-econometrische modellen in de eco­no­mi­sche wetenschap belangrijker waren geworden, werd dit nut gemonetariseerd (gevangen in geld) en vervangen door het begrip economische groei. Een belangrijke aanstichter hiervan was Simon Kuznets (1934) die de grondslag heeft gelegd voor het systeem van Nationale Rekeningen en het meten van economische vooruitgang als groei van het Bruto Binnenlands Product. Hij richtte zich daarbij, heel logisch in die tijd, op een maatstaf van vooruitgang die paste bij de toenmalige maatschappij die vooral goederen produceerde. In figuur 6 is te zien hoe recent dit begrip van economische groei eigenlijk is. Waar het in geschreven teksten lange tijd vooral ging over ‘geluk’ en ‘vooruitgang’ verscheen de term economische groei pas voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog. 

Figuur 6: Het gaat pas heel kort over (economische) groei
Figuur 6: Het gaat pas heel kort over (economische) groeiBron: NGRAMS google books 

Inmiddels lijkt ook de relevantie van deze vorm van vooruitgang achterhaald. Onze maatschappij is steeds minder geënt op het (alleen maar) produceren van goederen. Een steeds groter deel van de productie bestaat uit het voortbrengen van diensten, die overigens, zolang ze maar tegen geld worden verhandeld, in beginsel nog steeds binnen de definitie van het BBP passen. Er zijn echter tal van zogeheten externe effecten die niet door het BBP worden gedekt. Denk aan het gebruik van zuiver water en andere (schaarse) grondstoffen of de afname van de luchtkwaliteit. Door toenemende milieuproblemen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw groeide het besef dat de mens in de toekomst met milieu­rampen zou worden geconfronteerd. In 1972 kon­dig­de de Club van Rome aan dat de gren­­zen van de groei zoals wij die kennen aan het begin van de een­­en­twintigste eeuw zouden worden bereikt als de be­vol­kings­groei, de indus­tria­lisatie, de vervuiling, de voedselproductie en de uitputting van na­tuur­lijke hulp­­bron­nen in hetzelfde tempo zouden doorgaan (Meadows et al, 1972). Hoewel de rap­porten niet onomstreden zijn en de voorspellingen in veel opzichten (nog) niet zijn uit­ge­komen, hebben ze wel bijgedragen aan het besef dat de draagkracht van de aarde eindig is en ons huidige groeimodel op lange termijn niet houdbaar.

Van lineair naar… anders

Het is steeds lastiger om economische groei nog te zien als vooruitgang. Het BBP-begrip van vooruitgang wordt ook wel ‘lineair’ genoemd. Het enige wat hierbij telt, zijn de diensten of goederen die worden geproduceerd of geconsumeerd. Er wordt dus niet gekeken naar voorraden en afval. Dit take-make-and-dispose model is dus qua productie lineair: we kijken voor het meten van groei alleen van punt a (de inputs voor productie) naar punt b (de consumptie van het goed), en van punt b naar uiteindelijk punt c (het weggooien van afval als reststroom). 

Figuur 7: Eenvoudige economische kringloop
Figuur 7: Eenvoudige economische kringloopBron: Rabobank

Een schematische weergave van ons economische systeem kan verhelderen wat we wel en niet meten. Wat we wél meten qua BBP zijn de geregistreerde stromen van inkomen, bestedingen en productie.[6] Huishoudens en bedrijven stellen productiefactoren ter beschikking, bedrijven produceren goederen en diensten die huishoudens en bedrijven vervolgens weer consumeren. Het BBP wordt gemeten door deze drie stromen in de economische kringloop te registreren (figuur 7). 

Maar er mist wel het een en ander aan relevante activiteit. Een eerste belangrijke omissie is het feit dat geen rekening wordt gehouden met het gebruik van eindige voorraden, zoals natuurlijke hulpbronnen, individueel, sociaal en economisch kapitaal (figuur 8). Ook heeft vervuiling geen kostprijs en wordt zij dus niet in het BBP verwerkt. Bij investeringen in individueel kapitaal, zoals in onderwijs, registreren we primair de kosten, maar niet de opbrengsten in de vorm van een toevoeging aan een productiefactor (kennis) waar we in de toekomst profijt van hebben. Ook de rol van financieel kapitaal wordt niet meegenomen in de BBP-berekeningen. Dit heeft tot gevolg dat schuldgefinancierde groei per definitie (op korte termijn) wordt verwelkomd. De aard van de groei wordt daarbij ook niet meegewogen. Het maakt dus niet uit of de schuld is aangewend voor investeringen in infrastructuur of kennis (die het verdienende vermogen van de economie versterken), of bijvoorbeeld voor consumptieve uitgaven die geen enkel structureel positief effect hebben. Alleen al door dit soort elementen niet mee te nemen in de definitie van het begrip vooruitgang legt het model de kiem voor de ontsporing van de economie op lange termijn.

Figuur 8: Economische kringloop: afval en voorraden
Figuur 8: Economische kringloop: afval en voorradenBron: Rabobank

Door deze zaken buiten beschouwing te laten, houden we geen rekening met de welvaart van toekomstige generaties en ook niet met de effecten van onze groei op het milieu, het financiële vermogen, kennisopbouw of mensen elders op de wereld.

Een ander gebrek is dat niet alle activiteiten worden meegenomen die wel toegevoegde waarde hebben (figuur 9).
Informele diensten, zoals huishoudelijk werk, zorg voor kinderen, ouderen en zieken en vrijwilligerswerk, zijn voor het BBP letterlijk ‘waardeloos’, net als vrije tijd overigens. Ook zogeheten ‘zwarte inkomsten’ onttrekken zich aan registratie in het BBP. Dit geldt ook voor de productie van goederen en diensten die meer opleveren dan de gemonetariseerde waarde. Het voorbeeld van ICT is daarbij het meest sprekende. De productiekosten worden gemeten in het BBP, maar de toegevoegde waarde slaat deels neer in ‘gratis’ diensten. Gratis informatie levert welvaart op, maar kan tegelijkertijd het BBP verlagen wanneer de informatieverschaffers van weleer -(kranten-) uitgevers, boekwinkels et cetera- krimpen, wat wel in het BBP neerslaat. De figuur geeft dit weer door een verschuiving van de donkerblauwe naar de lichtgrijze pijl. Daarnaast heeft ook vrije tijd geen waarde, met als gevolg dat de ‘productie’ van mensen thuis geen waarde krijgt. Een voorbeeld hiervan is dat een toename van de formele kinderopvang economische groei impliceert, maar de waarde van zelf op kinderen passen er niet toe doet.

Een laatste omissie gaat om de verdeling van de beloning (figuur 10). Als de verdeling van de beloning heel scheef is, kan de economische kringloop minder goed werken (zie rode ster in figuur 10) en bovendien wordt het verschil tussen vooruitgang en BBP-groei groter.

Figuur 9: Niet-gemonetariseerde toegevoegde waarde
Figuur 9: Niet-gemonetariseerde toegevoegde waardeBron: Rabobank
Figuur 10: Verdeling van welvaart
Figuur 10: Verdeling van welvaartBron: Rabobank

Het eerste aspect past eigenlijk niet helemaal in dit eenvoudige model, want het grootste probleem met de kringloop bij een scheve verdeling is dat de verkregen beloning in steeds mindere mate wordt aangewend voor consumptie. In plaats van te consumeren zullen vermogenden het geld sparen, beleggen of investeren om in de toekomst verzekerd te zijn van een goed rendement. In ieder geval hoeven ze niet alles te consumeren. Bij een extreem scheve verdeling leidt het verdiende inkomen hierdoor niet tot effectieve vraag. Dit zorgt ervoor dat de kringloop vastloopt. In economentermen: hoe hoger het inkomen, hoe lager de marginale consumptiequote.

Het tweede argument speelt de laatste jaren nadrukkelijk een rol (OECD, 2014). In veel landen is zowel het mediane als het gemiddelde inkomen behoorlijk achtergebleven bij het BBP per hoofd van de bevolking. Hierdoor vormt welvaart afgemeten aan het BBP zelfs al een overschatting van de vooruitgang in materiële zin. Nog los van de andere aspecten die het niet meeneemt.

Genoeg redenen om niet meer aan BBP als indicator van vooruitgang te blijven hangen. Dat wil echter ook niet zeggen dat we zomaar zonder economische groei in de traditionele zin des woords kunnen. Drie factoren spelen hierbij een rol: ten eerste het menselijke verlangen naar steeds meer, ten tweede de financiering van basisvoorzieningen en ten derde de stabiliteit van het economische systeem (Stegeman 2014). Verlangen naar meer is onlosmakelijk verbonden met vooruitgang. Daarbij spelen ‘spullen’, consumptie van goederen, een belangrijke sociale en psychologische rol. Voor de financiering van basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs en overheidsdiensten is economische groei haast onontbeerlijk. Deze basisvoorzieningen ondersteunen vooruitgang in brede zin. De stijging van de uitgaven hangt deels samen met andere factoren zoals vergrijzing, maar kan alleen worden gefinancierd als ook de grondslag voor de (belasting-) inkomsten stijgt. Ten minste, als er geen aanvullende keuzen worden gemaakt. Het laatste argument is de stabiliteit van de het economische systeem. Een economie heeft groei nodig om mensen aan het werk te helpen of te houden, om in de financiering van bedrijven te voorzien, om de overheidsfinanciën in het gareel te houden en de infrastructuur te onderhouden. Ook draagt economische groei bij aan politieke stabiliteit. In een context van economische groei is het gemakkelijker om te herverdelen. De winst van de één is immers niet het verlies van de ander. In een nulgroeiomgeving is dat wel zo. Niet uitgaan van economische groei betekent dat dit wel anders moet worden ingericht.

Alternatieven voor het BBP als maatstaf van vooruitgang

In de zoektocht naar alternatieven voor het lineaire vooruitgangsbegrip kunnen we onderscheid maken tussen objectieve en subjectieve indicatoren.
Subjectief welzijn houdt zich vooral bezig met de ervaringen van individuen. Het is gebaseerd op de veronderstelling dat men de kwaliteit van het leven van een persoon kan meten door op een directe manier te vragen hoe een persoon denkt over zijn leven. Het nadeel van subjectieve indicatoren is dat zij wel wat zeggen over de (beleefde) welvaart, maar niets over een breder begrip van vooruitgang. Ook kan het voorkomen dat mensen tevreden zijn door een gebrek aan kennis over hun alternatieven. Een ander nadeel is dat je er beleidsmatig niet veel mee kunt.

Objectieve indicatoren voor het evalueren van de kwaliteit van leven zijn gebaseerd op economische, ecologische en sociale variabelen. Voorbeelden hiervan zijn indicatoren die proberen de tekortkomingen van de Nationale Rekeningen te corrigeren, zoals de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW; Daly en Cobb (1989); Cobb en Cobb (1994)), en indicatoren die zijn gebaseerd op verschillende onderliggende variabelen die belangrijke aspecten van het welzijn van mensen weergeven. Voorbeelden hiervan zijn de Human Development Index (HDI) en de Better Life Index (BLI) van de OECD. Een variant op deze samengestelde indicatoren zijn de zogenaamde dashboards. In tegenstelling tot samengestelde indicatoren worden de onderliggende reeksen hierin niet geaggregeerd tot een totaal, maar worden ze apart (per dimensie) gepresenteerd.

Duurzame ontwikkeling

Een concept dat breder is dan de hierboven genoemde objectieve indicatoren is dat van duurzame ontwikkeling. Er is sprake van duurzame ontwikkeling als er evenwicht bestaat tussen de economische, ecologische en sociale ontwikkeling. Een duurzame ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie (in de zin dat zij voldoende kwaliteit van leven oplevert), zonder dat daarmee de voorziening in de behoeften van toekomstige generaties en mensen elders op de wereld in gevaar wordt gebracht (Brundtland, 1987). Duurzame groei of houdbare vooruitgang kan worden omschreven als een situatie waarin het totaal van de economische activiteit, de kwaliteit van de leefomgeving en het sociale welzijn toenemen. Bij duurzame ontwikkeling gaat het dus niet louter om economische duur­zaam­heid en/of ecologische duurzaamheid, maar ook om sociale duurzaamheid. Tus­­sen deze drie elementen van een duurzame ontwikkeling be­staat een weder­ke­rige relatie. Natuurlijke hulpbronnen vormen bijvoorbeeld een input voor eco­nomische pro­duc­tie. Om goederen te kun­nen pro­­­du­ceren zijn (op dit moment nog vooral) fos­siele brandstof­fen nodig. Door de ontplooi­ing van econo­mi­sche activiteiten ontstaan tevens residuen, bijvoor­beeld in de vorm van afval of uit­stoot van broeikasgassen, die worden geabsor­beerd door de na­tuur. Ook tus­sen de eco­no­mische en sociale di­men­sie be­staan verbanden. Pro­duc­­tie leidt tot eco­no­mi­sche dien­sten die van invloed kunnen zijn op het sociale welzijn van men­­sen. Ten slotte is er interactie tussen de eco­logische en sociale dimensie. De mate van vervuiling be­ïn­vloedt bijvoorbeeld de gezond­heid van men­­sen op een nega­tieve ma­nier, terwijl re­cre­a­tie­mo­ge­­lijkheden op een po­sitieve manier bij­dra­gen.

Ondanks de breedte en subjectiviteit van het begrip ‘kwaliteit van leven’ zijn in het ver­leden diverse pogingen ondernomen om dit begrip aan de hand van ob­jec­tieve factoren in kaart te brengen. Hoewel de selectie van indicatoren is ge­ba­seerd op waar­de­oor­delen, identificeren Stiglitz et al (2009) op ba­sis van de econo­mi­sche literatuur negen kern­dimensies die van belang zijn voor het wel­zijn van de mensen die hier en nu leven. De­­ze negen kerndi­mensies omvatten de ma­­te­riële levens­standaard, eco­nomische on­­ze­ker­­heid, ge­zondheid, scho­ling, per­soon­­lijke acti­viteiten inclusief werk, poli­tie­ke stem en goed be­stuur, sociale ver­ban­den en relaties, mil­ieu en de leef­om­ge­ving en per­soonlijke on­zeker­heid. Deze kerndimensies zijn onderling afhankelijk van elkaar. Ze zijn niet al­leen direct van invloed op de kwaliteit van leven, maar soms ook indirect via an­de­re kerndimensies. Bovendien is het niet altijd dui­delijk hoe de cau­­­saliteit ver­loopt. Is de kerndimensie nu van invloed op de kwa­liteit van leven of beïnvloedt de kwaliteit van leven de kerndimensie?

Wij geloven dat een vooruitgangsbenadering langs deze lijnen de toekomst heeft. Een breed objectief welvaartsbegrip, dat zowel met welvaart nu en hier als met welvaart later en elders rekening houdt, doet meer recht aan de houdbaarheid van onze vooruitgang. Het mooist zou zijn als dit in één cijfer te vatten valt. Niet omdat dit per definitie methodologisch het best is, maar omdat het communicatief en daarom ook beleidsmatig goed uitkomt. Hiervoor moeten echter nog wel behoorlijk wat methodologische problemen worden overwonnen, evenals problemen met databeschikbaarheid. Maar wat ons betreft hoeft dat geen bezwaar te zijn om met een indicator voor houdbare vooruitgang te komen; ook de BBP-definitie kent na meer dan zeventig jaar nog tal van methodologische en dataproblemen.

Conclusie

Meer dan ooit is het nu tijd om na te denken over een ander begrip van vooruitgang dan het Bruto Binnenlands Product. Het goede nieuws is dat dit nu al op veel plekken gebeurt. Het minder goede nieuws is dat het nog niet is gelukt om de dominantie van het begrip economische groei te doorbreken. Wij geloven erin dat een verdere operationalisatie van het begrip duurzame ontwikkeling de toekomst heeft om uiteindelijk te komen tot een vooruitgang die houdbaar is en niet ten koste gaat van die van toekomstige generaties en mensen elders op de wereld. Houdbare vooruitgang is hier een goede term voor. Een nieuwe definitie van vooruitgang maakt het gemakkelijker om te bedenken dat BBP-krimp evengoed vooruitgang kan zijn. Maar zo lang alle voorgestelde veranderingen worden afgemeten aan wat zij doen met de economische groei, is er geen ruimte voor beleid dat gericht is op bredere vooruitgang.

Een ander vooruitgangsmodel

In ons huidige economische model is economische groei, gemeten aan de hand van het BBP, een doel op zichzelf. Dat dit zo is gegroeid, heeft ten dele te maken met het feit dat economische groei onterecht wordt gezien als de meest relevante maatstaf van vooruitgang. Daarnaast is het door de huidige inrichting van ons maatschappelijke systeem ook niet heel gemakkelijk om af te komen van deze groeiverslaving. Een samenleving die minder is gericht op economische groei vormt om een aantal redenen een wenselijke verandering. Enerzijds gaat dit over een andere definitie van vooruitgang, anderzijds om een houdbaar maatschappelijk stelsel. Met andere woorden: een houdbaar vooruitgangsmodel in plaats van een economisch groeimodel.

Alternatieve duurzame vooruitgangsmodellen

Het huidige economische systeem is in een aantal opzichten niet houdbaar. Drie aspecten spelen daarbij een grote rol:

  • Ecologische houdbaarheid: er is inmiddels genoeg bewijs voor dat ons huidige economische model in ecologisch opzicht niet houdbaar is. Uitputting van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afval, milieuvervuiling en klimaatverandering zijn belangrijke bijproducten van economische groei.
  • Sociale houdbaarheid: alleen maar streven naar economische groei biedt een beperkte definitie van sociale vooruitgang. Steeg bijvoorbeeld de levensverwachting lange tijd bij economische groei, in de VS is dit inmiddels voor een deel van de bevolking niet meer zo. Ook de sociale cohesie, vrije tijd en gelijkheid kunnen onder druk komen te staan door economische groei.
  • Financiële houdbaarheid: de afgelopen jaren hebben uitgewezen dat kredietgedreven groei ook risico’s met zich meebrengt voor een maatschappij. De maatschappelijke kosten van puur op economische groei gebaseerde kortetermijnbeslissingen kunnen leiden tot maatschappelijke kosten op langere termijn.

Een economisch model dat op langere termijn houdbaar is, moet dus niet alleen zijn gericht op de traditionele definitie van economische groei, maar moet bovenstaande drie aspecten nadrukkelijk meenemen. Ook gaat het, gegeven de definitie van duurzame ontwikkeling of vooruitgang, om een model dat nu, later én ten opzichte van mensen elders op de wereld houdbaar is.

Er is inmiddels een behoorlijke hoeveelheid literatuur verschenen met alternatieve modellen of ideeën voor economische vooruitgang (zie bijvoorbeeld Van den Berg en Kallis, 2012; Ellen McArthur Foundation, 2012). Daarbij gaat het om termen als een degrowth economy, steady state economyen circulaire economie. Er zijn vast nog wel meer variaties hierop te vinden, maar in deze uitgave trachten we eerst de belangrijkste gemeenschappelijke karakteristieken weer te geven.[7]

Ten eerste zijn dit soort modellen, of ideeën, vooral ingegeven door zorgen om de ecologische houdbaarheid van de samenleving. Daarmee passen ze dus vooral in de lijn van denken van, om het maar kort door de bocht te zeggen, Malthus en de Club van Rome. Economische groei is in deze gedachtenlijn per definitie niet meer houdbaar omdat zij de grenzen van wat de aarde aankan overschrijdt, zowel qua grondstoffen als qua milieuvervuiling (afval). En met een nog immer groeiende wereldbevolking houdt het een keer op, zo is de redenering.

Daarnaast hebben deze modellen met elkaar gemeen dat ze zich uitspreken voor gelijkwaardige, eerlijke en effectieve economische systemen evenals intergenerationele rechtvaardigheid. Daarmee komen de doelen van deze modellen dichter bij een duurzaam vooruitgangsbegrip. Wat in dit soort begrippen echter vaak ontbreekt, is het element van financiële houdbaarheid.

De degrowth-beweging is heel expliciet: we hebben juist minder groei nodig, in ieder geval in de Westerse wereld. Sterker nog, krimp van het BBP is de enige manier om het ecologische systeem enigszins gezond te houden. Het morele oordeel hierbij is dat we op dit moment per definitie te veel consumeren. Grenzen aan de belasting van het milieu zijn daarbij belangrijker dan materiële welvaart. En ook het economische model moet worden ingesteld op een efficiëntere benutting van natuurlijke hulpbronnen. Dat betekent dus ook consuminderen. En minder werken. Een vrij radicale visie, en precies het tegenovergestelde van het huidige ‘pro-growth’-paradigma. Voor ons in het rijke Westen is daar nog wel iets bij voor te stellen, maar het concept gaat nog wel voorbij aan de verdeling van onze huidige welvaart. De reden waarom degrowth in deze beweging prominent is, is dat efficiency en technologische vooruitgang niet kunnen verhinderen dat economische groei ten koste gaat van het milieu. Eigenlijk zeggen de aanhangers van deze beweging daarmee dat ze niet in ‘groene groei’ geloven. Volgens de OESO (2011) omvat groene groei de bevordering van economische groei met instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en de milieu­diensten die de omgeving van de mensheid biedt. Oftewel economische groei waarbij de grenzen van de draagkracht van de aarde worden gerespecteerd en er geen uitputting van grondstoffen plaatsvindt (CPB, 2011). Daarbij wordt gesproken van absolute en relatieve ontkoppeling. Er is sprake van absolute ontkoppeling als een stijging van de welvaart (gemeten als BBP-groei) ge­paard gaat met een lagere belasting van het milieu. Een relatieve ontkoppeling betekent dat de stij­ging van het BBP leidt tot een minder dan proportionele belasting van het milieu. Tot op dit moment is er absoluut geen sprake van absolute ontkoppeling en daarom pleit de degrowth-beweging voor krimp.

De steady state-beweging, ook wel A-growth genoemd, is niet zo heel erg geïnteresseerd in wat er met het BBP gebeurt (Daly, 2007). De aanhangers van deze beweging zijn als het ware agnostisch, onverschillig, met betrekking tot de effecten op de economische groei. Want het Bruto Binnenlands Product, onze maatstaf voor vooruitgang, meet van alles, maar slechts in zeer beperkte mate waar het echt om gaat - in ieder geval voor de Westerse wereld. Door óf met veel meer indicatoren te werken, óf ons helemaal niet meer druk te maken over economische groei, maar wel over inkomensontwikkeling, vermogensverdeling, werkloosheid, milieu et cetera kunnen we veel verstandiger beleid voeren. Doelstelling is een stabiele en beperkt fluctuerende economie voor wat betreft schommelingen in benutting van de productiecapaciteit en dus ook qua werkloosheid. Expliciet wordt daarbij bijvoorbeeld gesteld dat dit zal uitmonden in een constante bevolking, een constante productiecapaciteit en dus ook een ongeveer constante economie. De schaal wordt bepaald door wat in sociaal en ecologisch opzicht houdbaar is. Is het niet houdbaar, dan is wellicht eerst een periode van degrowth nodig.

Binnen het duurzaamheidsdenken is een trend te zien waarin bedrijven, universiteiten en de overheid nadrukkelijk op zoek zijn hoe natuurlijke hulpbronnen, materialen en grondstoffen hergebruikt kunnen worden op een manier die toegevoegde waarde oplevert voor de samenleving, zowel economisch, ecologisch als sociaal in termen van welvaart en welzijn. Er ontstaat een nieuw systeem op basis van circulariteit: een circulaire economie. Uitgangspunten daarbij zijn: afval bestaat niet; afval van het ene productieproces is grondstof voor aan ander proces, productdesign gebaseerde op demonteerbaarheid en hergebruik via meerdere cascade cycli, ketensamenwerking en nieuwe netwerken, van productbezit naar productgebruik waarbij de ‘dienst’ van het product centraal staat, en zo min mogelijke milieudruk. Interessante vraag hierbij is in welke mate het hergebruik van materialen en halffabricaten en biomassa (uiteindelijk via de biosfeer) een bijdrage levert aan BBP doordat door hergebruik waarde langer wordt behouden en -waar mogelijk- wordt toegevoegd (upcycling) hetgeen de welvaart ten goede komt (nieuwe diensten, nieuwe productcombinaties, minder milieudruk/ toxiciteit). De circulaire-groeibeweging wil het huidige lineaire systeem, waar onze industriële samenleving op is gebaseerd, omvormen tot een circulair systeem. In plaats van het lineaire systeem van ‘maken, gebruiken en weggooien’, wil men overgaan naar ‘maken, gebruiken en hergebruiken’. Daarmee is het begrip van een circulaire economiein eerste instantie vooral ecologisch van aard en wordt minder aandacht besteed aan de sociale en financiële kant van duurzame of houdbare vooruitgang. 

De principes achter de circulaire economie zijn niet nieuw: het concept van een economie waarbij de levenscyclus van producten wordt opgerekt om zo het beroep op natuurlijke hulpbronnen te verminderen is bijvoorbeeld in 1982 al door Stahel beschreven en daarna door Braungart en McDonough (2002). Circulaire economie is breder omdat het daarbij ook gaat om de herinrichting van de economie waarbij ook gekeken wordt naar nieuwe samenwerkingsverbanden, vaak ook sectoroverschrijdend, gericht op nieuwe product en dienstverleningsconcepten die goed voor de mens en natuur moeten zijn. Denk daarbij bijvoorbeeld aan biobased materialen die worden toegepast in de bouw of automotive en het principe ‘van bezit naar gebruik’, zoals leasen van wasmachines aan bewoners van sociale woningen via woningbouwcorporaties. De laatste jaren is vooral de Ellen McArthur Foundation (2012, 2014) druk bezig het concept van de circulaire economie op de kaart te zetten, vooral door het onderzoeken en beschrijven van verschillende businessmodellen gebaseerd op de ideeën van circulariteit.

Doel van de circulaire economie (Braungart en McDonough, 2002) is om het hergebruik van grondstoffen en producten zoveel mogelijk te stimuleren en de waardevernietiging zoveel mogelijk te beperken (figuur 11). Hoe meer we ons economische systeem als een kringloop weten te sluiten, hoe houdbaarder het wordt vanuit ecologisch perspectief. Deze gedachte staat ook haaks op ons huidige economische model, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die na verbruik worden vernietigd. Het uitgangspunt van het lineaire model is dat gebruikte producten geen economisch nut meer hebben en overblijfselen ervan probleem- en kosteloos kunnen worden afgewenteld op de natuur. Niet alleen na verbruik, maar ook tijdens de productie.

Figuur 11: De circulaire economie - een industrieel systeem
Figuur 11: De circulaire economie - een industrieel systeemBron: Ellen MacArthur Foundation 

De macro-economie van duurzame vooruitgang

Wat gebeurt er in de ‘nieuwe’ modellen nu exact ten opzichte van ons huidige groeimodel? Om hier een antwoord op te geven, presenteren we weer een eenvoudige economische kringloop, maar introduceren we daarbij de drie houdbaarheidsproblemen die we willen oplossen.

In figuur 12 staat dit weergegeven. De eenvoudige economische kringloop waarop het BBP wordt gemeten (de blauwe en oranje pijlen) is daarbij in eerste instantie aangevuld met de houdbaarheidsproblemen. De problemen zijn aangegeven met de rode sterren. Ten eerste de kapitaalvoorraden. Dit zijn voorraden van ecologisch, financieel én sociaal kapitaal. Deze gelden als input in de economische kringloop. De resultanten van de economische kringloop zijn aan de ene kant afvalstoffen en vervuiling, aan de andere kant toevoeging aan de voorraden zoals infrastructuur, kapitaalwinsten en individueel kapitaal. Zowel aan de inputkant als aan de outputkant wordt op dit moment nog niet gekeken of dat houdbaar is.

Ten tweede de financiële houdbaarheid. Op basis van kapitaal wordt met behulp van een hefboom krediet verstrekt aan bedrijven en huishoudens. Dit maakt het mogelijk consumptie en investeringen naar voren te halen in de tijd. Leveren deze investeringen voldoende rendement op, dan leidt dat niet tot een probleem. Is dat wel zo en is de terugbetalingscapaciteit mede hierdoor te laag, dan ontstaat er een probleem. Het systeem is dan niet financieel houdbaar. Een derde houdbaarheidsprobleem betreft de sociale dimensie. Die zit deels in de voorraden (in kapitaal bijvoorbeeld), maar ook in sterke mate in de verdeling van inkomen en vermogen, onder andere door de verdeling van werk.

De oplossingen van de duurzame modellen grijpen op verschillende punten aan. Als het gaat over de verduurzaming van het grondstoffengebruik en de productenkringloop is circulaire economie het meest expliciet. Allereerst kent zij een belangrijke rol toe aan recycling en andere productiemethoden. Willen we succesvol kunnen recyclen, dan zal de maakindustrie ook op een andere manier moeten produceren, zowel qua grondstoffengebruik als qua productie zelf (figuur 13). Het uit producten terugwinnen van grondstoffen, het efficiënter benutten van grondstoffen zodat er minder restafval en vervuiling ontstaat en het recyclen van producten zorgen voor een beperking van de uitputting van grondstoffen. Onder de voorwaarde dat dit niet leidt tot een extra vraag naar die grondstoffen (door efficiënter gebruik wordt de prijs waarschijnlijk lager) zal dit een bijdrage leveren aan ecologische houdbaarheid.

Een ander element van de circulaire economie is hergebruik, reparatie, langere levensduur van producten en efficiënter gebruik (figuur 14).

Figuur 12: Ecologische, financiële en sociale houdbaarheid
Figuur 12: Ecologische, financiële en sociale houdbaarheidBron: Rabobank
Figuur 13: Recycling
Figuur 13: RecyclingBron: Rabobank
Figuur 14: Recycling, verlenging levensduur en efficiënter gebruik
Figuur 14: Recycling, verlenging levensduur en efficiënter gebruik Bron: Rabobank
Figuur 15: Financiële en ecologische houdbaarheid
Figuur 15: Financiële en ecologische houdbaarheidBron: Rabobank 

Om te beoordelen wat dit doet met een breed welvaartsbegrip zijn aanvullende veronderstellingen nodig. In eerste instantie zal het langer en efficiënter gebruik van goederen leiden tot minder productie en minder (nieuwe) consumptie. Dus een circulaire economie is in eerste aanleg een krimpstrategie in de huidige benadering van economische groei. Een circulaire economie zorgt wel voor aanzienlijk minder uitputting van grondstoffen en een in ecologisch opzicht beter houdbaar maatschappelijk systeem.

Belangrijke vragen zijn daarbij wel wat er gebeurt met die grondstoffenvoorraad (waarvan vermoedelijk de prijs daalt) en met de besparingen bij consumenten en bedrijven. Als bijvoorbeeld consumenten met het uitgespaarde geld een vliegvakantie gaan maken dan is het de vraag of het de ecologische houdbaarheid per saldo verbetert. Deze tweede-ronde-effecten worden normaliter niet meegenomen en zijn ook niet of nauwelijks op macroniveau exact door te denken. De meeste empirische studies (TNO, 2013; Ellen MacArthur Foundation, 2013) kiezen daarom ook een bedrijfs- of sectoraanpak om te laten zien wat er gebeurt. Behalve dat er op macroniveau andere gedragsreacties kunnen komen, wordt in deze rapporten bijvoorbeeld geen aandacht besteed aan de effecten op de houdbaarheid elders. Als reparatie en hergebruik de levensduur van producten in ons land verlengen, kan dat er immers toe leiden dat elders in de wereld minder wordt geproduceerd. Dit heeft dan een negatief effect op de werkgelegenheid en dus de welvaart elders.

Een volgende stap is de introductie van financiële houdbaarheid (figuur 15). Dit grijpt aan op twee punten, en het effect is afhankelijk van het huidige niveau van houdbaarheid. Ten eerste zullen niet-houdbare schuldniveaus van met name bedrijven en huishoudens in veel Westerse landen (zie bijvoorbeeld Stegeman et al, 2014) omlaag moeten worden gebracht, om zo de ‘voorraden’ weer op peil te brengen. Dit leidt in eerste instantie tot degrowth. Ten tweede zal de hefboom in de financiële sector (ten opzichte van de huidige situatie) op termijn geleidelijk omlaag moeten. Dit zorgt met name in de overgangsfase voor een minder groot kredietaanbod en, in de aanpassingsperiode, voor lagere economische groei of zelfs krimp (ceteris paribus). Financiële houdbaarheid betekent dus vanaf het huidige niveau vooral een BBP-krimpstrategie.

Een laatste stap is om het model ook in sociaal opzicht houdbaar te maken (figuur 16). Dat kan door bijvoorbeeld de inkomens- en vermogensongelijkheid te verminderen, de werkloosheid te verlagen door de werkgelegenheid te stimuleren, de combinatie arbeid en privé te bevorderen en het gevoel van veiligheid en stabiliteit in de samenleving op een hoger niveau te brengen. De effecten daarvan op de traditionele economische groei zijn niet op voorhand in te schatten. Er is geen empirisch bewijs voor dat relatief egalitaire samenlevingen met goede sociale voorzieningen en een groot gevoel van veiligheid het qua economische groei slechter doen dan andere samenlevingen. Eerder het omgekeerde is het geval (OECD, 2014). 

Figuur 16: Een houdbaar economisch systeem
Figuur 16: Een houdbaar economisch systeemBron: Rabobank 

Een houdbaar vooruitgangsmodel

Om te komen tot een houdbaar vooruitgangsmodel voor het welzijn nu, later en elders moeten we met name op drie terreinen nadenken over hoe de houdbaarheid te verbeteren: ecologisch, sociaal en financieel. Door daarbij een meer integraal perspectief op vooruitgang te kiezen, wordt het ook duidelijker dat vooruitgang soms ten koste kan gaan van BBP-groei. Minder milieuschade of lagere private schulden zijn bijvoorbeeld goed voor de houdbaarheid van ons welzijn op lange termijn. Maar op korte termijn is dit slecht voor de economische groei. Een reden temeer om vooruitgang anders te definiëren.

Ander model, andere doelen

De maatschappelijke kringloop is behoorlijk wat ingewikkelder te doorgronden wanneer rekening moet worden gehouden met een begrip van houdbare vooruitgang. En dan is dit nog maar een beperkte weergave ervan, omdat de overheid, het buitenland en ook toekomstige generaties hier niet expliciet in staan. Maar zo’n verschuiving naar een breder perspectief van welzijn en houdbare vooruitgang vraagt nog wel wat aan mentaliteits- en beleidsveranderingen. Dit is een weg van de lange adem. Toch bestaat een aantal ‘no-regret’ opties voor de korte termijn.

De transitietijd

Transities kosten tijd. Veel tijd. Een grote maatschappelijke transitie, waarbij de beleidsdoelstelling moet verschuiven van de korte naar de lange termijn, van groei van de economie naar houdbare vooruitgang, kan decennia duren (Rotmans, 2012). Daarbij gaat het om een transitie in cultuur, structuur en werkwijze.

De structuurverandering om te komen tot duurzame vooruitgang is omvangrijk en ingrijpend. Van de oude, nog deels op een industriële samenleving geënte structuur, met grote, inflexibele organisaties en productieprocessen, zullen we over moeten schakelen naar meer flexibele instituties en organisaties. De structuur die is gericht op het produceren van zoveel mogelijk output met de efficiënte inzet van zo weinig mogelijk productiemiddelen zonder aandacht voor externe effecten moet worden gedraaid naar een maatschappij die is gericht op houdbare productie. Dit is nog steeds zo weinig en zo efficiënt mogelijk, waarbij winst maken nog steeds nodig is. Alleen gaat het dan om winst die voldoende is om de gewenste langetermijninvesteringen te kunnen doen voor de continuïteit van het bedrijf en om de stakeholders van het gewenste rendement te voorzien. En uiteraard moeten alle kosten worden meegenomen. Daarbij moet de financiering ook houdbaar zijn ingericht: een verhouding eigen vermogen/vreemd vermogen die past bij de langetermijndoelstelling van de onderneming.

De werkwijze van actoren in de economie moet daarbij ook veranderen. Voor huishoudens is een financiële huishouding bijvoorbeeld niet stabiel als zij geen rekening houdt met bijvoorbeeld de mogelijkheid van werkloosheid. Enige prudentie in handelen past binnen houdbare vooruitgang. Dat betekent niet dat er geen risico’s mogen worden genomen. Integendeel, zonder risico’s, zonder uitproberen of iets werkt of kan, is er geen innovatie en minder vooruitgang. Alleen moeten dergelijke risico’s niet collectief als maatschappij worden genomen.

Voor bedrijven geldt dit in sterke mate. Soms is het voor de lange termijn beter om een product of proces opnieuw uit te vinden, ondanks dat er nog winst op de oude versie wordt gemaakt. Als het perspectief duidelijk wordt dat het businessmodel binnen enkele jaren totaal niet meer rendabel is, is proactief handelen juist duurzame vooruitgang. En daarbij kan het ook vooruitgang betekenen als het bedrijf met minder mensen en met een lagere omzet doorgaat.

Cultuur is het lastigste. Want de menselijke natuur is erop gericht dat we vooruitgang nog steeds in nieuwe spullen, meer keuze en meer consumptie uitdrukken. Zomaar tegen mensen zeggen dat minder consumptie vooruitgang is, komt vreemd over. Herdefiniëring van vooruitgang zal dus niet gaan zonder beleidsmatige hulp en zonder prikkels te verleggen. Dit kan de transitietijd verkorten.

Handelingsperspectief

Hoewel een weg van de lange adem, is het nu wel hét moment om te beginnen met een paradigmaverschuiving naar houdbare vooruitgang. De financiële crisis heeft immers duidelijk gemaakt dat economische groei niet vanzelfsprekend is en heilig hoeft te zijn. BBP-groei is, zeker in het Westen, bovendien steeds minder relevant voor vooruitgang. De veranderingen die nu wel kunnen worden ingezet om te komen tot houdbare vooruitgang kunnen langs drie lijnen worden bedacht: waar knelt het het meest, wat is relatief gemakkelijk te veranderen (ligt in de macht van de actor) en wat ligt het dichtst bij het huidige groeiparadigma. Dit laatste klinkt wellicht wat contra-intuïtief omdat we er juist van weg willen, maar het is gemakkelijker om mensen te overtuigen als iets goed is voor duurzame vooruitgang én ook nog voor de economische groei.

Uitgaand van de drie genoemde gebieden van houdbaarheid kan het volgende, per definitie incomplete, lijstje worden opgesteld:

  • Investeren in innovatie maakt een transitie naar een meer houdbare samenleving per definitie gemakkelijker. Innovatie kan ervoor zorgen dat grondstoffengebruik en productieprocessen eerder efficiënt worden en dat producten op een effectievere manier worden ontworpen, samengesteld opdat zij toegevoegde waarde leveren aan de gebruikers en samenleving (minder milieudruk). Productdesign gericht op gemakkelijke demonteerbaarheid van onderdelen is de basis voor effectief hergebruik via verschillende terugwin en hergebruik cirkels, waardoor ook de veerkracht van bedrijven toeneemt. Innovatie kan in die zin een bijdrage leveren aan een degrowth naar houdbare vooruitgang zonder wezenlijk welvaartsverlies. Cruciaal is daarbij wel dat overheidsprikkels (subsidies, belastingen) daarbij helpen om innovatie te sturen in de richting van houdbaarheid.
  • Eenzelfde casus kan worden gemaakt voor scholing en kennisopbouw. Dit bevordert het toekomstige groeipotentieel, draagt bij aan innovatie en zal ook leiden tot een gemakkelijkere transitie. Tevens kan het bijdragen aan sociale houdbaarheid.
  • Financieringsbeslissingen moeten niet louter worden genomen vanuit het oogpunt van rendement op de korte termijn. Winst maken is en blijft belangrijk. Maar de houdbaarheid van het businessmodel vraagt vaak meer, vooral een langetermijnperspectief van de ondernemer.
  • In infrastructuur moet altijd worden geïnvesteerd vanuit het oogpunt van houdbare vooruitgang. Wanneer dit privaat niet optimaal is, maar maatschappelijk wel wenselijk, heeft de overheid hierin een rol te vervullen. Dit gebeurt nu niet vaak. Houdbare financiering kan betekenen dat er een aanzienlijk lager (privaat) rendement wordt behaald, maar dat tegelijkertijd wordt bijgedragen aan duurzame vooruitgang vanuit een langetermijnperspectief.
  • Veel ecologische problemen laten zich niet binnen de landsgrenzen aanpakken. Dit is echter geen reden om er niets aan te doen. Juist de rijkste landen in de wereld, die ook nog eens de grootste ecologische voetafdruk achterlaten, zouden het goede voorbeeld moeten geven. Deels door zelf hun verantwoordelijkheid te nemen, maar ook door opkomende economieën te helpen en de armste landen (financieel) te ondersteunen op weg naar een duurzame ontwikkeling.
  • Vanaf de huidige situatie is het aan te bevelen hoge schulden te ontmoedigen. Subsidies op lenen bieden nog steeds verkeerde prikkels. Hier ligt een duidelijke rol voor de overheid en banken
  • Prikkels om te consuminderen zullen nodig zijn. Dergelijke prikkels kunnen voortkomen uit belastingbeleid (vooral vervuilende consumptie meer belasten), maar ook uit Rijksvoorlichting, advertentiebeleid et cetera.
  • Systemen die bubbels tegengaan zijn evenzeer nodig. Denk daarbij aan macroprudentieel beleid om bubbels in de financiële sector en financiële waarden tegen te gaan.
  • De maatschappelijke rol van organisaties dient de ruimte te krijgen. Samenwerken, coöperatie en sociale participatie zijn ook een essentieel onderdeel van het succes van commerciële ondernemingen.
  • We moeten uitgaan van een bredere definitie van vooruitgang dan BBP-groei. Alleen een bredere doelstelling van vooruitgang kan leiden tot een verandering in beleid. De uitleg “het is wel goed voor het milieu, maar we zitten in een recessie” geeft nog steeds blijk van een verkeerde mindset.

Dit is het begin van een rijtje dat de komende jaren waarschijnlijk alleen maar langer zal worden. En uiteindelijk gaat het ook om de volgordelijkheid van wijzigingen. Een economie kan niet tegelijkertijd volledig duurzaam worden, blijven groeien en geen werklozen hebben. Voor een zorgvuldige transitie is tijd nodig. Maar het begin kan nu al worden gemaakt.

Voetnoten

[1] Zie voor een uitgebreidere versie: Stegeman, H. (2014a), Het vooruitgangsperspectief van innovatie, Rabobank Special, binnenkort te publiceren.

[2] Doorbraaktechnologieën zijn radicale innovaties die een dermate grote impact hebben op bestaande sociaaleconomische structuren dat ze het potentieel hebben gemeenschappen drastisch te veranderen. Ze brengen een kentering in de productiemethoden binnen de betrokken sec­tor­(en) teweeg, waarop vaak additionele verbeteringen en toepassingen volgen. Dit in tegenstelling tot incrementele innovaties (of verbeterinnovaties) die voortbouwen op bestaande technologische kennis, binnen een bestaand tech­nologisch paradigma.

[3] Radicale innovaties zijn zeldzaam. Sinds het begin van de industriële revolutie kunnen er vijf groepen doorbraaktechnologieën worden geïdentificeerd: de stoommachine, elektriciteit (inclusief elektrisch licht en elektrische motoren), de verbrandingsmotor, petroleum en petrochemische producten, plastic en genees­mid­delen en informatie- en communicatietechnologie.

[4] De Wet van Moore stelt eigenlijk dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door de technologische vooruitgang elke twee jaar verdubbelt. Dat is niet exact gelijk aan de rekenkracht. De voorspelling werd in 1965 gedaan door Gordon Moore, een van de oprichters van chipfabrikant Intel. De wet gold nog tot 2011, maar deskundigen houden er rekening mee dat deze vooruitgang binnenkort langzamer zal gaan verlopen. 

[5] Zie voor een uitgebreidere versie: Stegeman, H. (2014b), Van groei naar vooruitgang¸ Rabobank Special, binnenkort te publiceren.

[6] Ter vereenvoudiging laten we in deze analyse het buitenland, de overheid en de financiële sector buiten beschouwing. Hoewel deze alle drie een cruciale rol spelen in zowel de definitie als het bereiken van vooruitgang, doet dat aan het centrale punt hier (wat missen we bij vooruitgang gemeten als groei van het BBP) niets af.

[7] Termen als de experience economy, sufficiency economy, sharing economy vallen deels samen met de hierboven genoemde ‘modellen’. Vaak zijn het nog niet echt uitgewerkte concepten of raken ze maar een deel van de kern van houdbare vooruitgang.

Literatuur

Hoofdstuk 2

Claessen, S. en M. Kose (2013), Financial Crises: Explanations, Types, and Implications IMF WP/13/28, IMF: Washington.

European Commission, (2013). The Euro area growth prospects in the coming decade. Chapter 1 in: Quarterly Report on the Euro Area, Vol 12. No. 4 Brussels: EC.

Stegeman, H., M. Badir en M. Weernink (2014), Het groeiperspectief van de eurozone, Rabobank Special, Utrecht: Rabobank

Teulings, C. en R. Baldwin (2014), Secular stagnation: Facts, Causes and Cures, VoxEU.org eBook.

Boonstra, W., Groot, E. de, Legierse, T. (2014). Europa: toekomstige koploper of eeuwige achterblijver? Rabobank Visie op 2015, 26 november 2014. 

Hoofdstuk 3

Brynjolfsson, E. en J.H. Oh (2012), The Attention Economy: Measuring the Value of Free Digital Services on the Internet in NBER Conference on the Economics of Digitization, Stanford.

Brynjolfsson, E. en A. Mcafee (2014), The Second Machine Age: Work, Progress and Prosperity in a Time of Brilliant Technologies, New York: W.W. Norton & Company.

Caminada, K., J. Been, K. Goudswaard en M. de Graaf-Zijl (2014) De ontwikkeling van inkomensherverdeling in Nederland 1990-2012. Department of Economics Research Memorandum 2014.02, Leiden: Universiteit Leiden.

Coyle, D. (2014), GDP: A brief but affectionate history, Princeton: Princeton University Press

Frey, C. en M. Osborne (2013), The future of employment: how susceptible are jobs to computerization? , Oxford, University of Oxford.

Gordon, R. (2000). Does the “New Economy” Measure Up To Great Innovations Of The Past? NBER Working Paper No. 7833, Cambridge, MA: NBER.

Gordon, R. (2012), Is US economic growth over? Faltering innovation confronts the six headwinds, cepr Policy Insight 63, Londen: Centre for Economic Performance.

Gordon, R. (2014). The demise of US economic growth: restatement, rebuttal an reflections. NBER Working Paper No. 19895, Cambridge, MA: NBER.

NRCQ (2014), Robots kostenons 2 tot 3 miljoen banen, in: NRCQ, 1 oktober 2014.

OECD (2014), All on board: making inclusive growth happen, OECD: Parijs.

Ostry, J., A. Berg en C. Tsangarides (2014) ‘Redistribution, Inequality and Growth’, IMF Staff Discussion Note, sdn/14/02.

Shackleton (2013). Total factor productivity growth in historical perspective. Congressional Budget Office, Working Paper 2013-1

WRR (2014), Hoe ongelijk is Nederland, Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid. Den Haag: WRR.

Hoofdstuk 4

Brundtland, G. (1987), Our common future, Report of the World Commission on Environment and Development, UN: New York.

Daly,H. en J. Cobb (1989), For the Common Good, Beacon Press: Boston.

Kuznets, S. (1934) National Income, 1929–1932, NBER Bulletin 49, 7 juni 1934.

Meadows, D. D. Meadows, J. Randers and W. W. Behrens III, (1972), Limits to Growth, New York: New American Library.

OECD (2014), All on board: making inclusive growth happen, OECD: Parijs.

Sedlacek, T. (2012), De economie van goed en kwaad, Scriptum: Schiedam.

Stegeman, H. (2014), Kunnen we zonder economische groei¸ Rabobank Special, 19 november 2014.

Stiglitz, J., A. Sen en J. Fitoussi (2009), Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress, Parijs.

Hoofdstuk 5

Berg, J. van den en G. Kallis (2012), Growth, A-Growth or Degrowth to Stay within Planetary Boundaries?, Journal of Economic Issues, Vol. XLV I No. 4 december 2012 DOI 10.2753/JEI0021-3624460404

Braungart, M. en W. McDonough (2002), Cradle to Cradle: Remaking the Way we Make Things. New York: North Point Press.

Daly, H. (2007). Ecological economics and sustainable development: selected essays of Herman Daly, Cheltenham: Edward Elgar Publishing.

Ellen MacArthur Foundation (2012), Towards the Circular Economy: Economic and business rationale for an accelerated transition, EMF.

Ellen MacArthur Foundation (2013), Towards the Circular Economy: Opportunities for the consumer goods sector, EMF.

Ellen MacArthur Foundation (2014), Towards the Circular Economy: Accelerating the scale-up across global supply chains, EMF.

OECD (2011), Towards Green Growth, OECD: Parijs

OECD (2014), All on board: making inclusive growth happen, OECD: Parijs.

Stolwijk, H. (2011), Groene Groei: een wenkend perspectief? CPB Policy Brief 2011/12. CPB: Den Haag.

TNO (2013), Kansen voor de circulaire economie, TNO-rapport TNO 2013 R10864, TNO: Delft

Hoofdstuk 6

Rotmans, J. (2012), In het oog van de orkaan: Nederland in transitie, Aeneas: Boxtel

Colofon

Auteur
Hans Stegeman

Co-auteur
Ruth van de Belt

Projectmanagement
Carlijn Prins
Hans Stegeman

Eindredactie
Wim Boonstra
Enrico Versteegh

Infographics
Reinier Meijer

Productiecoördinatie
Christel Frentz

Fotografie
Scholsfotografie

Vormgeving en realisatie
Volta, Utrecht

Contactadres
Rabobank Nederland
Kennis en Economisch Onderzoek
Telefoon: 030 - 216 2666
E­mail: economie@rn.rabobank.nl
www.rabobank.com/economie
www.rabobank.com/visie

Disclaimer

Deze tekst is op 28 oktober 2014 afgesloten. Bij de totstandkoming is gebruik gemaakt van door ons betrouwbaar geachte bronnen. Deze gegevens zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. Rabobank Nederland aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor het geval, dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten. Gehele of gedeeltelijke overname is uitsluitend toegestaan met bronvermelding.

De informatie die Rabobank* in de Visie-­documentatie of op of via haar websites verstrekt, is geen aanbod, beleggingsadvies of enige andere vorm van financiële dienst. Deze door Rabobank verstrekte informatie is ontleend aan betrouwbaar geachte bronnen, maar voor de juistheid of volledigheid daarvan kan niet worden ingestaan. Het betreft algemene informatie die aan veranderingen onderhevig is.

Aan de verstrekte informatie kunnen geen rechten worden ontleend. Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Rabobank en alle andere aanbieders van informatie uit deze brochure en op hierin vermelde websites aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud hiervan of voor informatie die op of via de websites wordt verstrekt. Rabobank aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de inhoud van de brochure of van websites die zij niet zelf onderhoudt en waarnaar wordt verwezen of die verwijzen naar de websites van Rabobank.

De afnemer van de informatie is verantwoordelijk voor de keuze en elk gebruik van de informatie. De informatie mag uitsluitend door de afnemer zelf worden gebruikt. De afnemer mag de informatie niet overdragen, vermenigvuldigen, bewerken of verspreiden. De afnemer is verplicht aanwijzingen van de Rabobank omtrent het gebruik van de informatie op te volgen. Nederlands recht is van toepassing.

© November 2014 ­ *Coöperatieve Centrale Raiffeisen-­Boerenleenbank B.A., Nederland.

Naar de overzichtspagina van de Visie op 2015

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven