RaboResearch - Economisch Onderzoek

Hoge onzekerheid output gap schattingen gedurende de crisis

Themabericht

Delen:

Verschenen in ESB, 6 november 2014

De inschatting van de output gap is de afgelopen jaren veelvuldig bijgesteld. De steeds tegenvallende gerealiseerde economische cijfers hebben geleid tot neerwaartse aanpassingen in de potentiële groeiramingen gedurende de crisis. Een analyse van de onderliggende productiefactoren laat zien waarom deze schatting gevoelig is voor conjunctuurinvloeden. Voorzichtigheid bij het gebruik van de output gap lijkt dan ook geboden.

De output gap is een indicator van de conjunctuurstand van de economie. Een zeer positieve output gap betekent dat de productie boven het potentieel ligt en dat daarmee de inflationaire druk toeneemt. Een negatieve output gap duidt er op dat de vraag lager ligt dan wat de economie zou kunnen produceren. Deze overcapaciteit leidt tot lagere prijsstijgingen of zelfs prijsdalingen en een werkloosheid hoger dan het structurele niveau. Hiermee is de output gap een nuttig concept voor economen en beleidsmakers. Bijvoorbeeld de Europese commissie gebruikt het voor het cyclisch schonen van het begrotingstekort en het schuldsaldo. Een probleem van de output gap is echter dat het niet exact te meten is, maar slechts geschat kan worden. Verschillen tussen de schattingen van beleidsinstellingen zijn daarbij soms groot. Ook zijn deze inschattingen fors bijgesteld gedurende de huidige crisis. Omdat de output gap het verschil is tussen het werkelijke en potentiële BBP-volume levert de fors bijgestelde raming van de laatste variabele in de afgelopen jaren tot veel revisies in de output gap. Een actuele beleidsvraag is of de huidige economische zwakte ook heeft geleid tot een lagere potentiële groei, een vraag die een van de pijlers is onder de theorie van ‘secular stagnation’ (Teulings en Baldwin, 2014). Een nadere blik op neerwaartse bijstelling van het economisch potentieel van Spanje toont hoezeer dit is gevoed door conjuncturele ontwikkelingen. Dit illustreert waarom er niet mechanisch gebruik gemaakt moet worden van de output gap als ‘conjunctuurschonend’ instrument ter ondersteuning van fiscale en monetaire beleidskeuzes.

Spanje

Gedurende de huidige financiële crisis heeft de Europese Commissie de potentiële groeiramingen en daarmee de output gap schattingen met relatief grote cijfers bijgesteld; voor alle landen (zie Weernink, 2014) en in het bijzonder voor Spanje. Figuur 1 toont de veranderende inschatting voor de Spaanse potentiele groei in de voorjaarsraming van het jaar ervoor (t-1), in het jaar zelf (t), het jaar erop (t+1) en in de meest recente voorjaarsraming (2014). In jaren waarin de gerealiseerde economische groei tegenviel, is ook de schatting van de potentiële groei naar beneden toe bijgesteld. Ook Tereanu et al. (2014) kwamen tot dezelfde conclusie. Zij stelden vast dat een 1%-punt kortetermijnbijstelling van de BBP-groei resulteerde in 0,2%-punt tot 0,3%-punt aanpassing van de potentiële groei op de lange termijn.

Figuur 1: Potentiële groeischattingen voor Spanje
Figuur 1: Potentiële groeischattingen voor SpanjeBron: Europese Commissie voorjaarsramingen

Voor het schatten van de potentiële groei gebruikt de Europese Commissie de productiefunctiemethode (D’Auria et al., 2010). Dit is gebaseerd op een Cobb-Douglas productiefunctie, waarbij kapitaal, arbeid en de totale factorproductiviteit (TFP) samen de potentiële groei bepalen. Voor het bepalen van de trendmatige tijdreeks van de onderliggende componenten wordt gebruik gemaakt van statistische methoden, zoals het Hodrick-Prescott filter of de Kalman-filtertechniek. Voor een overzicht van de voor- en nadelen van de verschillende methodes, zie Cotis et al. (2005) en Gerlach (2011). Doordat de Europese Commissie de ramingen van het potentiële BBP uitsplitst in de bijdragen vanuit de productiefactoren, verstrekt het daarmee inzicht in waarom de potentiële groeicijfers –en daarmee de output gap– zo sterk zijn bijgesteld gedurende de crisisjaren. Een analyse van deze groeibijdragen laat zien waarom de schatting van het potentieel meebeweegt met de conjuncturele stand van de economie.

Arbeid

De bijdrage van arbeid aan de potentiële groei is afhankelijk van vier factoren: de groei van de potentiële beroepsbevolking, de trendmatige arbeidsparticipatiegraad, de structurele werkloosheid die geen loonstijging tot gevolg heeft (Non Accelerating Wage Rate of Unemployment, NAWRU) en het aantal gewerkte uren per werknemer. Hierbij is de inschatting van de eerste en de laatste factor gedurende de crisisjaren vrij constant gebleven. Voor de tweede factor geldt dat niet. Waar de Europese Commissie gedurende de eerste jaren van de crisis de participatiegraad nog vrij constant liet stijgen, is deze gedurende de jaren steeds meer naar beneden toe bijgesteld. Dit kan verklaard worden door de methode waarop de trendmatige arbeidsparticipatiegraad wordt geschat op basis van de gerealiseerde participatiegraad. Hiervoor wordt een Hodrick-Prescott filter gebruikt die veel last heeft van het eindpuntprobleem, waardoor de trend te veel naar beneden toe wordt bijgesteld tijdens een langdurige crisis (zie Cohen-Setton en Yatsynovich, 2012). De stagnerende participatiegraad heeft daarmee geen positieve impuls aan de potentiële BBP-groei kunnen geven. Ook in eerdere crisisperiodes hebben zware recessies een negatief effect gehad op de werkelijke, en daarmee ook de verwachte, arbeidsparticipatiegraad (hysterese-effecten op de arbeidsparticipatie; Duval et al., 2011). Waar deze hysterese in eerdere crises echter kon worden verklaard door vervroegde uittreding van oudere werknemers, lijkt nu de hoge werkloosheid een deel van de beroepsbevolking (vooral jongeren en laagopgeleiden) te ontmoedigen om nog een baan te zoeken (Bouis et al., 2012).

Een nog groter effect op de arbeidsbijdrage ligt in de veranderende inschatting van de structurele werkloosheidsratio die geen loonstijging tot gevolg heeft (de NAWRU; zie figuur 2). Door de jaren heen is deze fors naar boven toe bijgesteld. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een gedeelte van de arbeidskrachten die tijdens de crisis werkloos zijn geworden, langdurig werkloos zal blijven. In bepaalde sectoren, zoals de bouw, zal een deel van de werkgelegenheid permanent zijn verdwenen. Om deze arbeidskrachten weer van waarde te laten worden voor de productiecapaciteit van een economie zullen zij zich moeten omscholen, wat tijd kost. Door de verhoogde NAWRU heeft dit een negatief effect op de groeibijdrage van arbeid op de potentiële groei (het zogenaamde hysterese-effect op werkloosheid, zie bijvoorbeeld Guichard en Rusticelli,2010).

In 2014 is de NAWRU voor Spanje juist sterk naar beneden toe bijgesteld, met ongeveer 6%-punt in de voorspelperiode vanwege een nieuwe methodologie (Europese Commissie, 2014). Waar de EC voor 2014 gebruik maakte van een Phillipscurve met terugkijkende verwachtingen, gebruikt zij nu de curve met vooruitkijkende verwachtingen. Hierdoor wordt de NAWRU minder cyclisch bepaald. In landen met een hoge werkloosheid zoals Griekenland, Portugal en Spanje is daardoor de conjuncturele component groter geworden, wat resulteert in een grotere, negatieve output gap.

Het is echter de vraag of de NAWRU niet nog steeds te hoog ligt voor Spanje. Onder anderen Krugman (2013) stelde dat de lonen weer snel hadden moeten stijgen als het werkloosheidscijfer zo dicht bij de structurele werkloosheid lag. Dat dit niet gebeurde was volgens hem daarmee een teken dat de NAWRU was overschat en dat de output gap te rooskleurig werd ingeschat. Dat de NAWRU zelfs met de nieuwe methodologie met 57% is gestegen in de periode 2007-2014, lijkt aan te geven dat de kritiek van Krugman nog steeds relevant is.

Figuur 2: NAWRU (Spanje)
Figuur 2: NAWRU (Spanje)Bron: Europese Commissie
Figuur 3: TFP-groeibijdrage aan potentiële groei (Spanje)
Figuur 3: TFP-groeibijdrage aan potentiële groei (Spanje)Bron: Europese Commissie

 Kapitaal

Een veel lager dan eerder verwachte investeringsratio veroorzaakt de steeds kleiner wordende bijdrage vanuit kapitaal. Voor de langere termijn is echter de aanname van de Europese Commissie dat de investeringsratio weer teruggaat naar een middellangetermijngemiddelde. In een balansrecessie waarin zowel private partijen als de overheden bezig zijn met aflossen van schulden, is het echter niet realistisch te veronderstellen dat de investeringsgraad en daarmee de potentiele groei weer snel zal stijgen (zie bijvoorbeeld Koo, 2014).

Totale Factor Productiviteit (TFP-)groei

De totale factor productiviteit vat zowel de bezettingsgraad als de technologische staat van de productiefactoren kapitaal en arbeid samen. Voor het verleden wordt het de TFP-bijdrage gemeten als het verschil tussen de BBP-groei en de bijdragen vanuit kapitaal en arbeid (het Solow-residu). Omdat de TFP-groei geen tastbare productiefactor is die gemeten kan worden, moet het door middel van het Solow-residu geschat worden wat veelal resulteert in een volatiele tijdreeks. Deze wordt daarom door de Europese Commissie trendmatig gemaakt met statistische methoden. In 2010 is ze hierbij overgestapt van het HP-filter naar een Kalman-filter, waarbij informatie uit de capaciteitsbenutting gebruikt wordt (zie D’Auria et al., 2010). De reden hiervoor is dat de Europese Commissie onderschreef dat de TFP-groeischattingen instabiel zijn aan het einde van de steekproef periode. Aangezien het HP-filter geen rekening houdt met het onderliggende economische systeem en veel last heeft van het eindpuntprobleem, en de ‘werkelijke’ TFP-groei veelvuldig gereviseerd wordt, leidt het gebruiken van het HP-filter tot grote bijstellingen in de trendmatige TFP-groei. Of het Kalman-filter ook tot veel stabieler TFP-groeibijdrages heeft geleid is nog de vraag, de aanpassingen tussen de verschillende ramingsrondes zijn nog steeds groot (figuur 3). De trendmatige groei wordt daarna doorgetrokken naar de toekomst. Het is echter moeilijk vast te stellen of dit correct is. Zoals beschreven in Bouis et al. (2012) zijn er zowel argumenten te vinden voor het hoger uitvallen van de TFP-groei na een crisis als argumenten voor het lager uitvallen hiervan. Zo worden R&D-uitgaven tijdens een crisis vaak beperkt, maar neemt de efficiency binnen bedrijven juist toe. Ook laat de geschiedenis zien dat de ontwikkeling van de TFP-groei na een financiële crisis voornamelijk afhangt van economisch beleid. Daarnaast hangt de productiviteitsgroei ook af van de mate van technologische vooruitgang. Op dit gebied zijn de meningen sterk verdeeld, zie bijvoorbeeld Gordon (2014) voor een pessimistisch en Mokyr (2014) voor een optimistisch beeld. Maar in ieder geval kan worden gesteld dat met de huidige methodiek schattingen gevoelig zijn voor de recente ontwikkelingen van de conjuncturele stand van de economie.

Conclusie

De onzekerheid in de schattingen van de potentiële groei en de output gap waren de afgelopen jaren hoog. Gedeeltelijk komt dit door veranderende inzichten over in hoe verre tijdelijke negatieve factoren langdurig worden en daarmee de potentiële groei drukken, waardoor het direct raakt aan de huidige discussie over ‘secular stagnation’. Ook is het schatten van de potentiële groei een werkterrein dat nog volop in de ontwikkeling is. Zo wordt er nu onderzocht of de handelsbalans bruikbaar is voor het bepalen van de conjuncturele stand van de economie (zie Darvas en Simon, 2013) en hoe de kredietcyclus in de groeimodellen te verwerken is (zie Borio et al., 2013).

Voor economisch beleid betekent de schattingsonzekerheid dat er voorzichtigheid in acht moet worden genomen bij het gebruik van de output gap als instrument bij het zetten van monetair- of begrotingsbeleid. Na enkele jaren kan door een andere inschatting van het economisch potentieel het structurele saldo er heel anders uit komen te zien, ondanks dat het primair saldo ongewijzigd is gebleven. Voor economen is er daarom nog genoeg werk te doen om de potentiële groeischattingen stabieler en daarmee structureler van aard te maken.

Literatuur

Borio, C. et al. (2013) Rethinking potential output: embedding information about the financial cycle. BIS Working Papers, no. 404. Basel: BIS

Bouis, R. et al. (2012) Implications of output gap uncertainty in times of crisis. OECD Economics Department Working Papers, no. 977. Parijs: OESO

Cohen-Setton, J. en Y. Yatsynovich (2012), Blogs review: HP filters and business cycles, blog op Bruegel.org, 16 juli 2012

Cotis et al. (2005) Estimates of potential output: benefits and pitfalls from a policy perspective. In L. Reichlin (red): The euro area business cycle: stylized facts and measurement issues. Parijs: OESO

Darvas, Z. en A. Simon (2013) Sustainability as Determinant of Potential Output in Open Economies. Presentatie gegeven bij UN DESA Expert Group Meeting on the World Economy, 21-23 oktober 2013.

D’Auria F. et al. (2010) The production function methodology for calculating potential growth rates and output gaps. European Economy. Economic Papers 420. Brussel: EC

Duval, R. et al. (2011) Labour force participation hysteresis in industrial countries: evidence and causes. OECD Economics Department Working Papers, no. 875. Parijs: OESO.

Europese Commissie (2014) The revised methodology for calculating output gaps. Box 1.1. in Spring Forecast 2014, pp. 27-29, Brussel: EC

Gerlach, P. (2011) The global output gap: measurement issues and regional disparities, BIS Quarterly Review, June 2011, pp.29-37. Basel: BIS

Gordon, R.J. (2014) The turtle’s progress: secular stagnation meets the headwinds. In: Teulings, C. en Baldwin, R. (red.) Secular stagnation: facts, causes, and cures. London: Centre for Economic Policy Research, 47-60.

Guichard, S. en E. Rusticelli (2010) Assessing the impact of the financial crisis on structural unemployment in OECD countries, OECD Economics Department Working Papers, no. 767. Parijs: OESO.

Koo, R.C. (2014) Balance sheet recession is the reason for secular stagnation. In: Teulings, C. en Baldwin, R. (red.) Secular stagnation: facts, causes, and cures. London: Centre for Economic Policy Research, 131-164.

Krugman, P. R. (2013) The pain in Spain is not hard to explain (wonkish). Blog op www.nytimes.com, 22 september 2013.

Mokyr, J. (2014) Secular Stagnation? Not in your life. In: Teulings, C. en Baldwin, R. (red.) Secular stagnation: facts, causes, and cures. London: Centre for Economic Policy Research, 83-90.

Tereanu et al. (2014). Structural balance targeting and output gap uncertainty. IMF Working Paper, WP/14/107. Washington: IMF

Teulings, C. en Baldwin, R. (2014) Introduction. In: Teulings, C. en Baldwin, R. (red.) Secular stagnation: facts, causes, and cures. London: Centre for Economic Policy Research, 1-23.

Weernink, M. (2014) De zin en onzin van de ‘output gap’. Rabobank Special, 19 september 2014. Utrecht: Rabobank

Delen:
Auteur(s)

naar boven