RaboResearch - Economisch Onderzoek

De aantrekkingskracht van winkelsteden

Themabericht

Delen:

Winkels zijn doorgaans dicht bij hun klanten gevestigd. Deze klanten wonen zeer ongelijkmatig over het land verspreid en daarom is de ruimtelijke spreiding van winkels over het land ook ongelijkmatig. De ene gemeente telt veel meer inwoners en winkels dan de andere en vanwege dit verschil in winkelbestand varieert ook de omvang van de detailhandelsbestedingen per gemeente. Inwonertal en omvang van het winkelbestand zijn echter niet de enige factoren achter de positie van een gemeente als centrum van winkelvoorzieningen. 

Winkelbestedingen per gemeente

Omvang gemeente bepaalt omzet detailhandel

Winkels zijn de laatste schakel in de lange ketens van bedrijven die de goederen voortbrengen die we in ons dagelijks leven gebruiken. Winkels leveren deze goederen aan de consument. Door dit consumentgerichte karakter is de locatie van winkels ten opzichte van hun afnemers van groot belang. De consument moet immers niet alleen de aanschafprijs van het product of de dienst betalen, maar ook de afstand tussen zijn woning en de winkel overbruggen. Als deze moeite hem teveel wordt, ziet hij van de aanschaf af.

Er is daarom sprake van een sterke samenhang tussen de ruimtelijke spreiding van winkels, detailhandelsbestedingen en bevolking. Winkels zijn doorgaans in de nabijheid van hun klanten gevestigd. Het aantal winkels in een gemeente gaat hand in hand met de bevolkingsomvang en dat geldt ook voor de omzet van de detailhandel (figuur 1). De omvang van een gemeente vertoont daarentegen geen samenhang met de omzet per individuele winkel en haar vloerproductiviteit[1]. Uit een statistische analyse blijkt dan ook dat de omvang van een gemeente nauwelijks effect heeft op de bestedingen per winkel en de vloerproductiviteit. Winkels in grotere gemeenten zetten niet meer of minder om dan winkels in kleinere gemeenten, ook niet per m2.

Factoren achter omvang winkelbestedingen in gemeente

De grootste gemeenten in ons land zijn de belangrijkste winkelcentra. Ze gaan in de ranglijst van Nederlandse gemeenten niet alleen aan kop qua inwonertal, maar ook qua aantal winkels en qua omvang van de detailhandelsbestedingen. Deze rangorden komen echter niet volledig overeen (bijlage 1). Alleen de vier grootste gemeenten nemen telkens dezelfde positie in. Arnhem, Breda, Emmen, Haarlem, ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden en Maastricht hebben als winkelstad echter een veel hogere rang dan op basis van hun inwonertal. Almere, Delft, Zaanstad en Zoetermeer hebben als winkelstad juist een relatief lage rang. Deze variatie in rangorden duidt erop dat het inwonertal en het aantal winkels in een gemeente niet de enige factoren zijn die de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente bepalen. Ook de ruimtelijke structuur van het winkelbestand, de samenstelling van het winkelaanbod, de omvang van de afzetmarkt en het gedrag van de consument spelen een rol (figuur 2).

Figuur 1: Samenhang omvang winkelbestedingen in een gemeente 2011 (correlatiecoëfficiënten)
Figuur 1: Samenhang omvang winkelbestedingen in een gemeente 2011 (correlatiecoëfficiënten)Bron: ABF-Research; bewerking Rabobank
Figuur 2: Factoren die de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente bepalen 2011 (Log-log getransformeerd; R2=0,831)
Figuur 2: Factoren die de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente bepalen 2011 (Log-log getransformeerd; R2=0,831)Bron: ABF-Research; bewerking Rabobank

De bestedingen in de detailhandel in een gemeente zijn groter naarmate het winkelvloeroppervlak (wvo) per hectare stedelijk areaal -het aandeel van het winkelvloeroppervlak in het bebouwde areaal- er groter is. Als dit met een procent toeneemt, neemt de omvang van de winkelbestedingen met tien procent toe. Andere vormen van grondgebruik -voor (andere) voorzieningen, bedrijvigheid of wonen- gaan ten koste van het aandeel van het winkelvloeroppervlak in het bebouwde areaal en zijn daardoor ongunstig voor de positie van een gemeente als winkelcentrum. Dit houdt echter niet in dat een gemeente haar positie als winkelcentrum kan versterken door uitbreiding van het winkelvloeroppervlak mogelijk te maken alleen. Van versterking van de positie van een gemeente is alleen sprake als het winkelareaal elders afneemt. Als alle gemeenten uitbreiding zouden mogelijk maken, zou dat niet of nauwelijks tot verandering leiden van de verhouding in winkelvloeroppervlak tussen de gemeenten[2].

In de (grote) steden is het winkelvloeroppervlak per hectare bebouwd areaal doorgaans het grootste, maar gemeenten met een omvangrijke perifere detailhandel -Sliedrecht en Leiderdorp- voeren de ranglijst van Nederlandse gemeenten aan (figuur 3). Zeevang, Haarlemmerliede en Rozendaal -waar nauwelijks of geen winkels aanwezig zijn- zijn de hekkensluiters.

Figuur 3: Aandeel van het winkelvloeroppervlak in het bebouwde areaal per gemeente 2011
Figuur 3: Aandeel van het winkelvloeroppervlak in het bebouwde areaal per gemeente 2011Bron: ABF-Research

De invloed van de ruimtelijke structuur

Daarnaast leidt ook een hogere concentratiegraad van het winkelvloeroppervlak in een gemeente tot een grotere omvang van de detailhandelsbestedingen in die gemeente. Een procent grotere concentratie heeft bijna vijf procent meer detailhandelsbestedingen tot gevolg. Oftewel, versnippering van het winkelvloeroppervlak leidt tot minder detailbestedingen. De sterkste concentratie van winkelvloeroppervlak doet zich voor in Amsterdam, op afstand gevolgd door Rotterdam en Den Haag (bijlage 3).

Nu sprake is van een forse structurele leegstand van winkelvastgoed zou het effect van versnippering een belangrijke waarschuwing moeten zijn voor lokale overheden, eigenaren van winkelvastgoed en ondernemers[3]. Leegstand heeft (verdere) versnippering van het winkelareaal tot gevolg en doet daardoor de detailhandelsbestedingen in een gemeente afnemen. Het lokale detailhandelsbeleid zou zich dan ook actief moeten richten op concentratie van het resterende winkelbestand. Aangezien de meeste stedelijke gebieden in ons land de schaal van een individuele gemeente te boven gaan, zou niet alleen binnen, maar ook tussen gemeenten sprake moeten zijn van concentratie.

Tot slot is de omvang van de winkelbestedingen in een gemeente ook groter naarmate het bevolkingspotentieel van een gemeente -de potentiële afzetmarkt- groter is. Het bevolkingspotentieel wordt bepaald aan de hand van het aantal consumenten per gemeente dat is gewogen voor hun afstand tot de betreffende winkelgemeente. Een consument die op 10 kilometer afstand van een winkelgemeente woont, heeft voor die winkelgemeente een tienmaal zo groot gewicht als een consument op 100 kilometer afstand. Het zwaartepunt van de Nederlandse markt ligt in de (Zuidvleugel) van de Randstad (figuur 4). Noordoost-Nederland heeft de kleinste potentiële binnenlandse afzetmarkt.

Figuur 4: Omvang potentiële binnenlandse afzetmarkt per gemeente 2011
Figuur 4: Omvang potentiële binnenlandse afzetmarkt per gemeente 2011Bron: ABF-Research

Specialisatie en afvloeiing hollen winkelfunctie uit

Aan de andere kant gaat specialisatie van het winkelvloeroppervlak ten koste van de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente. De specialisatiegraad is hier bepaald op basis van de aandelen van de vijf branchegroepen in het winkelvloeroppervlak: dagelijks benodigde artikelen (levensmiddelen en artikelen voor persoonlijke verzorging), mode en luxeartikelen (warenhuizen, kleding, schoenen, sieraden en huishoudelijke artikelen), vrijetijdsartikelen (sportartikelen, boeken, games), artikelen die in of om huis worden gebruikt (meubelen, bruin- en witgoed, doe-het-zelf- en tuinartikelen, auto’s en fietsen) en overige artikelen (onder meer tweede handsartikelen). Een groot aandeel van één van deze branchegroepen in het winkelvloeroppervlak gaat gepaard met een laag aandeel van de andere branchegroepen. Het winkelvloeroppervlak is in zo’n geval niet gelijkmatig over de branchegroepen verdeeld.

Branchegroepen verschillen in de mate waarin zij zijn geconcentreerd in (grote) steden. Winkels in dagelijks benodigde artikelen zijn veel gelijkmatiger over het land gespreid dan winkels in vrije tijdsartikelen of mode en luxeartikelen. Als gevolg hiervan zijn kleine gemeenten doorgaans sterk gespecialiseerd. De ranglijst van gemeenten qua specialisatiegraad van de detailhandel wordt dan ook aangevoerd door Beemster en Zoeterwoude. De meeste grote gemeenten hebben een zeer lage specialisatiegraad (bijlage 3).

De winkelbestedingen in een gemeente zijn echter vooral kleiner naarmate de consumenten uit die gemeente een groter deel van hun inkopen elders doen. Deze koopkrachtafvloeiing is veruit de belangrijkste factor achter de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente. Een procent extra koopkrachtafvloeiing leidt tot ruim vijftien procent minder detailhandelsbestedingen. Vergroting van de binding van de lokale consument is daarom de beste manier om de bestedingen in de detailhandel in een gemeente te bevorderen. Gemiddeld geven consumenten in ons land bijna dertig procent van hun besteedbare inkomen in een andere dan hun woongemeente uit. Landelijke gemeenten rond grootstedelijke centra vertonen de sterkste koopkrachtafvloeiing. In de meeste grote en middelgrote gemeenten – en op een aantal Waddeneilanden – is de koopkrachtafvloeiing echter minder sterk dan gemiddeld (figuur 5).

Figuur 5: Koopkrachtafvloeiing per gemeente 2011
Figuur 5: Koopkrachtafvloeiing per gemeente 2011Bron: ABF-Research

Invloed verschilt per type gemeente

De invloed van deze factoren is niet in alle gemeenten gelijk. Ten opzichte van het effect dat deze factoren op de omvang van de detailhandelsbestedingen in de andere gemeenten hebben, geldt voor de vier grote gemeenten -Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht- een bonus van bijna vijf procent. Mogelijk danken de ‘Grote Vier’ deze bonus aan hun bevolkingsomvang. Voor de groep steden die vanwege de kwaliteit van hun winkelaanbod en hun sfeervolle binnenstad vaak in damesbladen worden getipt – Breda, Groningen, Haarlem, ’s-Hertogenbosch en Maastricht – bedraagt deze bonus bijna drie procent. Deze gemeenten behoren tot de steden die als winkelstad een (veel) hogere plaats in de rangorde van Nederlandse gemeenten innemen dan op basis van hun inwonertal. Het aantal monumenten per hectare is echter niet significant als factor voor de omvang van de consumentenbestedingen. Mogelijk is (een groot deel van) de bonus te danken aan de vermelding in de damesbladen.

Een sterke groei van de bevolking gedurende de afgelopen jaren levert een bonus van bijna twee procent op qua winkelbestedingen ten opzichte van de gemeenten die een minder sterke bevolkingsgroei vertoonden. Dat is opmerkelijk omdat de aanleg van voorzieningen in nieuwbouwwijken doorgaans achterblijft bij de woningbouw. Anderzijds zijn de winkelbestedingen in de Waddeneilanden juist zes procent kleiner dan verwacht mocht worden op grond van de ruimtelijke structuur en specialisatiegraad van hun winkelaanbod, het gedrag van de consumenten en de omvang van de potentiële afzetmarkt. Dat is het gevolg van de geringe bevolkingsomvang en de slechte bereikbaarheid van de eilanden.

Bestedingen per m2 winkelvloeroppervlak

Vloerproductiviteit afhankelijk van branchering

De factoren die de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente bepalen, zijn ook van invloed op de omvang van de detailhandelsbestedingen per m2 in individuele winkels – de vloerproductiviteit (figuur 6). Deze vloerproductiviteit geldt in de detailhandel als en belangrijke maatstaf voor het succes van een onderneming.

De afvloeiing van koopkracht gaat niet alleen ten koste van de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente, maar ook ten koste van de vloerproductiviteit van de individuele winkels in die gemeente. Niet alleen de detailhandel als geheel, maar ook de individuele detaillist heeft er daarom belang bij om juist de lokale consumenten aan zich te binden. Daarnaast heeft een groter aandeel van het winkelvloeroppervlak in het bebouwde areaal, ondanks de positieve invloed op de omvang van de detailhandelsbestedingen in een gemeente, eveneens een lagere vloerproductiviteit tot gevolg. Dit effect is het gevolg van de samenstelling van de detailhandel. In gemeenten met een groot winkelvloeroppervlak neemt de branchegroep met de laagste vloerproductiviteit -artikelen in of om het huis- een groot deel van dit oppervlak voor hun rekening (figuur 7). Specialisatie op deze branchegroep gaat dan ook ten koste van de vloerproductiviteit. Gemeenten met een groot aandeel van de branchegroep ‘in of om huis’ zijn dan ook de hekkensluiters qua vloerproductiviteit. In gemeenten met een groot aandeel van winkels voor dagelijkse artikelen is de vloerproductiviteit juist hoog. De vloerproductiviteit is daarom niet zozeer tussen als wel binnen een branchegroep van belang als kengetal voor ondernemers.

Tot slot is de vloerproductiviteit in toeristisch-recreatieve gemeenten[4] twee procent lager dan in de andere gemeenten. Mogelijk is dit het gevolg van het seizoenskarakter van de bestedingen in de detailhandel. De branchering lijkt hierbij geen rol te spelen. Het aandeel van gemeenten waar de branchegroep ‘in of om huis’ de grootste is, is in toeristisch-recreatieve gemeenten kleiner dan gemiddeld.

Figuur 6: Factoren die de vloerproductiviteit van een winkel bepalen 2011 (Log-log getransformeerd; R2=0,585)
Figuur 6: Factoren die de vloerproductiviteit van een winkel bepalen 2011 (Log-log getransformeerd; R2=0,585)Bron: ABF-Research; bewerking Rabobank
Figuur 7: Vloerproductiviteit per branchegroep 2011 (alle branchegroepen = 100%)
Figuur 7: Vloerproductiviteit per branchegroep 2011 (alle branchegroepen = 100%)Bron: ABF-Research; bewerking Rabobank

Vloerproductiviteit afhankelijk van locatie

De vloerproductiviteit van een winkel wordt niet alleen bepaald door de branche waarin zij actief is. De ruimtelijke structuur speelt ook een rol. De detailhandelsbestedingen per m2 winkelvloeroppervlak zijn groter naarmate er meer horeca-, cultuur- en ontspanningsvoorzieningen in de omgeving van de winkel zijn gevestigd. Niet de winkelfunctie alleen, maar mogelijkheid om het winkelen af te wisselen met horecabezoek en ontspanning bevordert dus de productiviteit van de winkels. Als het verhogen van de vloerproductiviteit het doel is van het lokale detailhandelsbeleid zou dit zich -behalve op de branchesamenstelling van het winkelbestand- dus moeten richten op het tot stand brengen van afwisseling tussen winkels en andere voorzieningen in de winkelstraten.

Conclusies

De spreiding van winkels en hun omzet hangen sterk samen met de bevolkingsspreiding. De omvang van de (winkel)bestedingen in een gemeente wordt dan ook vooral bepaald door het inwonertal van die gemeente.

De rangorde van gemeenten qua inwonertal komt echter niet overeen met de rangorde qua detailhandelsbestedingen. Het inwonertal is niet de enige factor achter de winkelfunctie van een gemeente. De koopkrachtafvloeiing uit een gemeente, de ruimtelijke structuur van het winkelbestand en de omvang van de potentiële afzetmarkt spelen ook een rol. Deze factoren zijn bovendien -samen met het aanbod van horeca-, cultuur- en ontspanningsvoorzieningen- ook van belang voor de vloerproductiviteit van individuele detailhandelsbedrijven.

Lokaal, en waar nodig regionaal, ruimtelijk detailhandelsbeleid dat zich richt op concentratie van winkels en op afwisseling in winkelstraten is daarom zowel voor de positie van een gemeente als winkelcentrum als voor de individuele ondernemer van groot belang. 

Bijlage 1: Rangorde 30 grootste gemeenten qua bevolkingsomvang, aantal winkels, bestedingen, concentratie en specialisatie 2011
Bijlage 1: Rangorde 30 grootste gemeenten qua bevolkingsomvang, aantal winkels, bestedingen, concentratie en specialisatie 2011Bron: ABF-Research, Rabobank

Voetnoten

[1] Onder vloerproductiviteit wordt hier verstaan: de omvang van de bestedingen per m2 winkelvloeroppervlak. In de detailhandel houdt de term doorgaans de omzet per m2 winkelvloeroppervlak in.

[2] Daarnaast is uitbreiding van het winkelareaal evenmin aannemelijk door de grote winkelleegstand.

[3] Het Hoofd Bedrijfschap Detailhandel voorzag in 2012 tot 2020 een afname van het winkelvloeroppervlak met twintig tot dertig procent.

[4] Onder toeristisch-recreatie gemeenten wordt hier verstaan gemeenten waar het aandeel van de werkgelegenheid in de horeca groter is dan gemiddeld in ons land.

Delen:
Auteur(s)

naar boven