RaboResearch - Economisch Onderzoek

Financiering voor het MKB: opties in kaart

Special

Delen:
Deze publicatie is verouderd, Bekijk de recentste uitgave.

Het Nederlandse Midden- en Kleinbedrijf (MKB) maakt van oudsher vooral gebruik van bancair krediet als financieringsbron. In de huidige economische laagconjunctuur kunnen bedrijven echter moeilijker aan de kredietvoorwaarden van banken voldoen. Daarom is de aandacht voor alternatieve financieringsvormen toegenomen.

U kunt deze publicatie hier als pdf-bestand downloaden.

Aandacht alternatieve financieringsvormen toegenomen

Het Nederlandse MKB maakt relatief weinig gebruik van traditionele alternatieven voor bancaire financiering, zoals leasing, factoring en participaties. Wel zijn recente initiatieven als crowdfunding en microkrediet de afgelopen jaren hard gegroeid, zij het vanaf een zeer laag niveau. Ook zijn er nieuwe financieringsvormen in ontwikkeling, zoals kredietunies en mogelijk een nationale investeringsinstelling. Tijd om de balans op te maken: welke financieringsvormen zijn nu al operationeel en welke omvang hebben zij bereikt? Zijn alternatieve financieringsvormen vooral een aanvulling op bancair krediet of kunnen zij bancair krediet op termijn vervangen?

Directe en indirecte financieringsvormen

Een onderneming kan financiering aantrekken in de vorm van eigen vermogen of vreemd vermogen[1].

Vreemd vermogen kan zij rechtstreeks van investeerders aantrekken, of indirect via een bank of vergelijkbare instelling. Tabel 1 geeft een indeling van verschillende financieringsvormen.

Tabel 1: Indeling financieringsvormen Tabel 1: Indeling financieringsvormen
Bron: Rabobank

Bij directe financiering trekt een onderneming zonder tussenkomst van een bank rechtstreeks financiering aan van een investeerder of investeerderscollectief. In tegenstelling tot een spaarder bij een bank loopt een investeerder rechtstreeks risico over het geïnvesteerde bedrag. De investeerder is bereid om een zeker risico te lopen mits het rendement hoog genoeg is. Soms spelen ideële motieven een rol.

Bij indirecte financiering neemt de bank het kredietrisico over. Banken hebben daarbij ook een transformatiefunctie, waarbij zij (direct opvraagbaar) spaargeld omzetten in langlopende kredieten (looptijdtransformatie). Daarbij neemt de bank het kredietrisico van de klant over en loopt zij zelf risico van wanbetaling door de geldlener. Bij indirecte investeringen loopt de verstrekker van vreemd vermogen aan de bank (zowel de houders van bankobligaties als de spaarders) dus alleen risico wanneer de intermediair (de bank) failliet gaat. Een spaarder bij een bank heeft daarbij nog een extra bescherming via het depositogarantiestelsel en loopt alleen risico als zijn spaarsaldo bij de bank hoger is dan € 100.000.

Banken nemen ook het liquiditeitsrisico van hun klanten over. De spaarders kunnen over hun spaargeld beschikken, terwijl de bank de geldnemers de beschikbaarheid van krediet over de gehele afgesproken looptijd garandeert. Vanwege de risico’s die banken uit hoofde van hun transformatiefunctie lopen (zoals solvabiliteitsrisico en liquiditeitsrisico) zijn zij gebonden aan nationale en internationale toezichteisen.

Bij directe financiering vindt er hooguit transformatie van omvang plaats, bijvoorbeeld wanneer geld van verschillende investeerders bijeen wordt gebracht om één onderneming te financieren. Er is zeer beperkt sprake van looptijdtransformatie; een investeerder die via een participatiemaatschappij investeert, kan alleen onder strikte voorwaarden een deel van het geïnvesteerde vermogen opvragen. Er is geen sprake van transformatie van risico: dat blijft altijd bij de investeerder.

In figuur 1 en 2 zijn de geld- en informatiestromen bij directe en bancaire financiering schematisch weergegeven.

Figuur 1: Directe financiering; geld- en informatiestromen
Figuur 1: Directe financiering; geld- en informatiestromenBron: Rabobank
Figuur 2: Indirecte financiering; geld- en informatiestromen
Figuur 2: Indirecte financiering; geld- en informatiestromenBron: Rabobank

Grote bedrijven maken veel gebruik van directe financiering, bijvoorbeeld door de uitgifte van al dan niet beursgenoteerde aandelen en obligaties. Uit cijfers van DNB blijkt dat beursgenoteerde niet-financiële ondernemingen sinds 1986 voor € 152 miljard aan aandelen hebben uitgegeven. Het volume van uitstaande obligaties bedraagt € 105 miljard (december 2013). In het MKB is de uitgifte van beursgenoteerde aandelen of obligaties minder gebruikelijk. Op de Alternext beurs en de Nederlandse Participatie-exchange (NPEX) hebben tot nu toe slechts twee Nederlandse MKB-bedrijven een obligatie-emissie gedaan.

Andere manieren voor het MKB om directe financiering aan te trekken zijn onderhandse leningen, participaties, achtergestelde leningen en crowdfunding. Participaties zijn qua omvang de belangrijkste vorm van directe financiering voor het MKB, terwijl crowdfunding het snelst groeit. 

Voetnoot

[1] Bij vreemd vermogen verstrekt de investeerder een lening of koopt deze een obligatie. Er is sprake van een vaste looptijd en een vooraf afgesproken rentevergoeding. Bij een investering in eigen vermogen wordt de investeerder mede-eigenaar (aandeelhouder) en heeft hij invloed op de bedrijfsvoering. Een investering in eigen vermogen is voor onbepaalde duur en de vergoeding is afhankelijk van het bedrijfsresultaat. Bij een faillissement staat een aandeelhouder achteraan in de rij van schuldeisers. Deze vorm van investeren kent dan ook het meeste risico.

Hoofdstuk 1: Directe financiering

Dit hoofdstuk beschrijft directe financiering in de vorm van participaties, crowdfunding en MKB-fondsen.

Participaties

Bij deze financieringsvorm worden investeerders mede-eigenaar. Het betreft daarom eigen vermogen. Wanneer wordt geïnvesteerd tijdens de startfase van een onderneming spreken we over durfkapitaal, ook wel ‘venture capital’ of ‘seed capital’ genoemd. In de volwassenheidfase spreken we over ‘private equity’, bijvoorbeeld ter financiering van expansie of een buy-out. Doordat het eigen vermogen van de onderneming door de inbreng van de investeerder groter wordt, is het vervolgens ook gemakkelijker om krediet bij een bank te verkrijgen. Overigens hebben banken zelf ook separate private equity divisies, bijvoorbeeld voor het co-financieren van een buy-out. Dit soort incidentele financieringen hebben een hoger risicoprofiel dan de bancaire kredietverlening. Het verliesrisico ligt geheel bij de investeerder en de belegging is verhoudingsgewijs illiquide. Wel kunnen dergelijke investeringen, wanneer de onderneming succesvol is, een hoog rendement opleveren. De investeringshorizon is met 3-5 jaar korter dan die van reguliere bancaire kredietverlening.

Particuliere investeerders zijn vermogende individuen of families. Vaak zijn het ondernemers of oud-ondernemers. Vermogende particulieren die op individuele basis in het eigen vermogen van een onderneming investeren, worden ook wel ‘informal investors’ of ‘business angels’ genoemd. Zeer vermogende families laten hun vermogen vaak beheren door zogenaamde ‘family offices’. Er zijn diverse platforms die investeerders in contact brengen met ondernemers (ook wel ‘matchmaking’ genoemd). Voorbeelden zijn investormatch.nl, kapitaalplaza.nl, investeringsplein.nl en moneymeetsideas.nl.

Ook is het mogelijk om te investeren via een participatiemaatschappij. Nederlandse participatiemaatschappijen hebben een totaal beheerd vermogen van ongeveer € 20 miljard. Dit bedrag is sinds 2006 vrijwel stabiel. Participatiemaatschappijen investeren vooral in MKB-bedrijven; in 2012 had 66% van de nieuwe investeringen een omvang van < € 1 miljoen, en 25% een omvang van € 1-5 miljoen. De belangrijkste investeerders in participatiemaatschappijen zijn vermogende particulieren en family offices, gevolgd door 'funds in funds', banken, pensioenfondsen en verzekeraars. Ook Regionale Investeringsmaatschappijen (ROM’s) spelen een belangrijke rol. Hoewel zij met € 31 miljoen een relatief klein bedrag investeerden, ging het om maar liefst 47% van het aantal venture capital investeringen in 2012 (NVP).

Crowdfunding

Bij crowdfunding investeert een (meestal) grote groep individuen (de ‘crowd’) relatief kleine bedragen. Nederland kent ongeveer een dozijn operationele crowdfundingplatforms, waar projecten of bedrijven geld vragen aan het publiek. Daarnaast zijn tientallen nieuwe platforms in oprichting. De crowdfundingplatforms kunnen sterk verschillen in werkwijze en doelgroep. Sommige platforms richten zich vooral op nieuwe investeerders, die nog geen binding hebben met de onderneming. Soms geeft het platform een indicatie van de kredietwaardigheid van de onderneming. Een aantal platforms specialiseren zich in een bepaalde niche, bijvoorbeeld sociale en duurzame ondernemingen. De investeringen zijn meestal, maar niet altijd, in de vorm van vreemd vermogen. Bij een van de platforms, Symbid, worden de investeerders indirect mede-eigenaar. Deze investeerders worden verenigd in een coöperatie die handelt als een enkele aandeelhouder in het bedrijf van de ondernemer. Naast het financiële rendement kan ook een niet-financiële vergoeding worden aanboden. Dit is het geval bij De Windcentrale, die groene elektriciteit levert aan de investeerders. Tenslotte zijn er ook platforms die gericht zijn op de administratieve en juridische afhandeling van financiering die is opgehaald bij partijen die al een binding hebben met de onderneming. Ook kredietunies – waarover later meer – maken soms op deze wijze gebruik van een crowdfundingplatform.

In 2013 is in Nederland voor 27,8 miljoen aan ondernemingsfinanciering opgehaald via crowdfunding, zo blijkt uit cijfers van adviesbureau Douw&Koren. Dit adviesbureau is gespecialiseerd in crowdfunding consultancy. Dit is een scherpe stijging in vergelijking met 2011 en 2012, toen ondernemingen respectievelijk 0,7 en 4,1 miljoen euro ophaalden. Douw&Koren verwacht dat de gemiddelde projectgrootte zal stijgen tot € 80.000 en dat de totale omvang van crowdfinance jaarlijks zal verdrievoudigen, tot € 85 miljoen in 2014 en € 255 miljoen in 2015. Deze inschatting is gebaseerd op cijfers die dit adviesbureau van de verschillende platforms heeft ontvangen. Banken werken soms samen met crowdfundingplatforms om te komen tot co-financieringsconstructies. Hierbij kan crowdfunding worden ingezet om een idee voor een nieuw product te toetsen en om een beginkapitaal te vergaren, waarna banken een reguliere financiering kunnen verstrekken en aanvullende financiering van leveranciers of leasemaatschappijen kan worden verkregen.

In vergelijking met financiering met tussenkomst van een bank is participatie in crowdfunding relatief risicovol. Net als bij andere vormen van directe financiering ligt het verliesrisico bij de investeerder en een deelname in een crowdfunding platform is veel minder liquide dan een spaarrekening. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat crowdfunding, mede wegens het gebrek aan toezicht, relatief fraudegevoelig is. Veel, zo niet alles, hangt af van de goede trouw van de organisator van het platform. Voordelen voor investeerders kunnen zijn een relatief hoge rentevergoeding, een opwaarts potentieel (bij eigen vermogen) of immateriële baten vanwege deelname in een goed doel.

MKB-fondsen

Voor MKB-ondernemers is het lastig om financiering van buitenlandse investeerders aan te trekken, gezien de eisen die deze stellen aan informatievoorziening en schaalgrootte. Het bundelen van leningen in een fonds zou daarom mogelijk een oplossing kunnen bieden.

Het gespecialiseerde Delta Lloyd Mezzanine Fund is in 2013 van start gegaan en heeft inmiddels drie leningen verstrekt. Dit fonds verstrekt achtergestelde leningen van € 5 miljoen tot € 15 miljoen. Bij een achtergestelde lening krijgt de investeerder (in dit geval het fonds) bij een faillissement zijn geld pas terug wanneer alle andere schuldeisers zijn betaald. Ook bij deze financieringsvorm geldt dat het vervolgens gemakkelijker wordt om een reguliere lening bij een bank te krijgen. Omdat de investeerder bij achtergestelde leningen een hoger risico loopt, zijn de rentetarieven ook hoog, maar voor de ondernemer is het voordeel (in vergelijking met participaties) dat hij geen zeggenschap uit handen hoeft te geven als hij de activiteiten van zijn bedrijf met een achtergestelde lening financiert. Voor zover bekend zijn er momenteel geen vergelijkbare fondsen actief. Wel verstrekken banken[1] in sommige gevallen zelf achtergestelde leningen.

Een ander nieuw initiatief is het SME Program van de organisatie NEOS Business Finance. In dit programma worden MKB-kredieten gebundeld en gesecuritiseerd en als gedekte obligatie (collateralized loan obligation, CLO) doorverkocht aan (veelal buitenlandse) beleggers. NEOS richt zich op MKB-leningen vanaf € 250.000 en hoopt nog in de eerste helft van dit jaar de eerste leningen te verstrekken.

Voetnoot

[1] Bijvoorbeeld Rabo Stimuleringskapitaal

Hoofdstuk 2: Asset-based finance

Bij asset-based finance gaat het om de financiering van kapitaalgoederen of vorderingen van een onderneming.

Leasing

Bij leasing is de leasemaatschappij eigenaar of pandhouder van een kapitaalgoed en de ondernemer betaalt een vergoeding voor het gebruik ervan. Leasing is onder meer geschikt voor bedrijven die een machine- of wagenpark hebben, maar dat niet zelf op de balans willen hebben staan. Ook leasing van kantoorinrichting is mogelijk. In Nederland is een groot aantal leasemaatschappijen actief en de grootbanken hebben hun eigen leasemaatschappijen. De totale uitstaande financiering in 2012 bedroeg € 8,2 miljard voor algemene lease (ook wel equipment lease genoemd) en € 16,8 miljard voor autolease (Leaseurope). De gemiddelde contractwaarde bedraagt circa € 85.000 voor equipment lease (NVL). Direct na de financiële crisis daalde de omvang van de nieuwe verstrekkingen, maar sinds 2010 zit deze financieringsvorm weer in de lift.

Factoring

Bij factoring neemt een factorbedrijf (een deel van) de debiteurenportefeuille van de ondernemer over. De ondernemer ontvangt direct de waarde van de openstaande vorderingen (minus een afslag, dat is zijn de inkomsten voor het factorbedrijf) en beschikt dus direct over liquiditeit. De omvang van de uitstaande financiering bedroeg € 3,2 miljard gedurende de eerste helft van 2013 (FAAN). Deze financieringsvorm is sinds 2009 sterk gegroeid. De grote gevestigde factorbedrijven zijn onderdeel van een bank en zijn gericht op ondernemingen met een omzet vanaf € 2 miljoen. Sinds 2012 zijn er nieuwe toetreders zoals Trefi en Alpha Commercial Finance die zich richten op kleinere bedrijven, met een omzet vanaf €100.000. Trefi heeft circa € 1 miljoen aan uitstaande financiering (medio 2013) en Alpha Commercial Finance verwacht een uitstaande financiering van € 25 miljoen aan het einde van 2013 (volgens schatting van onderzoeksbureau Panteia). Voordeel voor de onderneming is de directe liquiditeit en de afwezigheid van kredietrisico. Daar staat dus letterlijk een prijs tegenover.

Hoofdstuk 3: Kredietunies

Een kredietunie is een coöperatie van MKB-ondernemers die via een gemeenschappelijke kas geldmiddelen aan elkaar ter beschikking stellen. Deze werkwijze, met een gemeenschappelijke kas, lijkt qua opzet sterk op de bancaire kredietverlening, met het ondernemerscollectief in de rol van kredietbeoordelaar. Net als een bank draagt de kredietunie solvabiliteits- en liquiditeitsrisico’s. Kredietgevende leden kunnen daarnaast desgewenst fungeren als coach voor kredietnemende collega-ondernemers. Een kredietunie bestaat uit ondernemers in dezelfde branche en/of regio. Bij branchegebonden kredietunies is de kennis van de sector een groot voordeel; tegelijkertijd is het gebrek aan risicospreiding een probleem in conjunctuurgevoelige sectoren.

Momenteel zijn er tientallen kredietunies in oprichting. Een aantal kredietunies heeft al een eerste lening verstrekt; dit zijn Naoberkrediet in de Achterhoek, COP Veluwe en de kredietunie Bakkerijondernemers (NBOV). Volgens een schatting van Panteia uit 2013 kan op korte termijn het totale bedrag aan door kredietunies verleende kredieten “enkele miljoenen tot tientallen miljoenen” bedragen. In de komende maanden moet nog wel worden uitgewerkt aan welke bancaire toezichteisen (zoals solvabiliteits- en liquiditeitseisen) een kredietunie zou moeten voldoen. Een kredietunie met opvraagbare tegoeden lijkt in veel opzichten op een kleine bank, met liquiditeitsrisico en een relatief hoog kredietrisico. Wanneer sprake is van opvraagbare tegoeden vallen kredietunies dan ook volgens de Europese wetgeving onder het toezichtregime voor banken, tenzij er een nationale vrijstelling is verleend, zoals in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Polen het geval is. In deze landen bestaat al lange tijd specifieke regelgeving voor kredietunies. Op 28 februari 2014 heeft het CDA een concept-initiatiefwet gepubliceerd. In dit voorstel is een bankvergunning alleen nodig voor kredietunies met een balanstotaal groter dan € 100 miljoen of met meer dan 25.000 leden. Voor kredietunies met een balanstotaal kleiner dan € 10 miljoen zou een vrijstelling gelden. De concept initiatief wet spreekt verder over proportioneel toezicht voor kredietunies met een balanstotaal groter dan € 10 miljoen en kleiner dan € 100 miljoen. In tegenstelling tot banken doen kredietunies niet aan looptijdtransformatie. Dat wil zeggen dat kredietunies (bijvoorbeeld) alleen een bijvoorbeeld drie jarige lening uitzetten als zij ook driejaars spaargeld tot hun beschikking hebben. In de praktijk betekent dat een beperktere opvraagbaarheid van spaartegoeden. Net als bij andere vormen van indirecte financiering liggen de kredietrisico’s in eerste instantie bij de kredietunie. De kredietunie zal dan ook voorzieningen moeten treffen en eigen vermogen opbouwen als buffer voor verwachte en onverwachte kredietverliezen. Als de voorzieningen en het eigen vermogen ontoereikend zijn komen kredietverliezen voor rekening van de geldverstrekkende deelnemers. De mate waarin kredietunies in staat zijn tot goed risicomanagement zal dan ook doorslaggevend zijn voor hun succes.

Zolang definitieve regelgeving in Nederland ontbreekt, mogen Nederlandse kredietunies nog geen opvraagbare tegoeden van de leden aantrekken en beheren. Wel mogen zij financiering aantrekken door uitgifte van obligaties, perpetuele (eeuwigdurende) ledencertificaten (PLC’s) of via crowdfunding.

Hoofdstuk 4: Overheid en institutionele beleggers

De overheid heeft diverse regelingen in het leven geroepen om de financiering voor het MBK te stimuleren. Zo is er de borgstelling MKB-kredieten (BMKB) en de Garantie Ondernemings-financiering. De BMKB-regeling (Borgstellingskrediet MKB) is een regeling waarbij de staat borg staat voor de ondernemer voor dat deel van een bancaire lening waarover de geldnemer de bank geen zekerheden kan bieden. Die borgstelling kan de drempel voor de bank verlagen om een lening te verstrekken omdat het kredietrisico kleiner wordt. De Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) is een regeling gericht op (middel)grote ondernemingen waarbij het risico op de financiering tussen overheid en financier wordt gedeeld. De Europese regels over staatssteun aan het MKB in de vorm van garanties, kapitaalinjecties of fiscale instrumenten worden per 1 juli 2014 verruimd.

Ook bij een aantal recente en nieuwe initiatieven spelen de overheid en institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en verzekeraars, een essentiële rol. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de microfinancieringsorganisatie Qredits en bij een aantal nieuwe initiatieven.

Qredits

Qredits is opgericht in 2008 en verstrekt leningen tot € 150.000 aan kleine ondernemingen. Dergelijke kleine financieringen worden overigens ook door banken verstrekt. De propositie van Qredits onderscheidt zich van die van banken doordat de organisatie beschikt over een netwerk van vrijwilligers die als coach kunnen optreden voor een startende ondernemer. De organisatie Qredits wordt gefinancierd door leningen van banken en verzekeraars en leningen en subsidies van de overheid (het ministerie van Economische Zaken, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Fonds Werken aan Wonen). De actuele kredietportefeuille van Qredits omvat circa 3.500 zakelijke leningen met een totaal uitstaand kredietvolume van ruim € 43 miljoen (december 2013).

NL Ondernemingsfonds (NLOF)

In januari 2014 is de oprichting van het NL Ondernemingsfonds (NLOF) aangekondigd. Dit is een samenwerkingsverband tussen banken, institutionele beleggers en Euronext. In eerste instantie richt het NL Ondernemingsfonds zich op (participaties van ten minste € 5 miljoen in) leningen vanaf € 10 miljoen aan bedrijven met een omzet van meer dan € 25 miljoen. De beoordelingscriteria en verstrekkingsvoorwaarden zijn vergelijkbaar met die van een reguliere bancaire financiering. Als dit initiatief succesvol is, kijken de NLOF-partners naar mogelijkheden om ook financiering aan kleinere bedrijven te verstrekken.

Nederlandse Investeringsinstelling (NII)

De afgelopen maanden vond regelmatig overleg plaats tussen het ministerie van Economische Zaken en de pensioenfondsen en verzekeraars over investeringen in de Nederlandse economie. Daarbij wordt vooral gedacht aan investeringen in duurzame energie, woningen, kredietverlening aan het MKB en investeringen in de publieke sector. De Nederlandse pensioenfondsen hebben een beleggingsportefeuille van ruim € 1.000 miljard, die grotendeels in het buitenland wordt belegd. Mogelijk kan een groter deel van dit vermogen in Nederland worden belegd, mits er sprake is van investeringen met een voldoende schaalgrootte en een adequate risico-rendementsverhouding die in het belang zijn van deelnemers en verzekerden. Een nog op te richten Nederlandse Investeringsinstelling (NII) moet ervoor zorgen dat vraag en aanbod van (institutionele) financiering beter op elkaar aansluiten. Op het moment van schrijven is een kwartiermaker aangesteld die een inrichtings- en realisatieplan voor een NII moet opstellen.

Samenvatting alternatieve financieringsvormen

Tabel 2: Overzicht alternatieve financieringsvormen
Tabel 2: overzicht alternatieve financieringsvormenBron: Panteia, NVP, Delta Lloyd, NEOS, Douw&Koren, NVL, Leaseurope, FAAN, VKN, Qredits, NVB

Conclusie

Het Nederlandse bedrijfsleven maakt relatief veel gebruik van bancaire kredieten in vergelijking met andere vormen van financiering. De totale omvang van de traditionele financieringsvormen (figuur 3) bedraagt enkele honderden miljarden euro’s. De bancaire kredietverlening is verreweg de belangrijkste vorm, met een totaal uitstaand bedrag van circa € 350 miljard (DNB). Afhankelijk van welke definitie van MKB wordt gehanteerd schatten wij dat daarvan enkele tientallen miljarden tot meer dan € 100 mrd financiering van het MKB betreft. De omvang van nieuwe financieringsvormen (figuur 4) is nog beperkt tot enkele honderden miljoenen euro’s; een factor duizend kleiner.

Figuur 3: Omvang traditionele financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljarden euro’s)
Figuur 3: Omvang traditionele financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljarden euro’s)Bron: DNB, NVP, FAAN, Leaseurope. Aandelen zijn emissies sinds 1986
Figuur 4: Omvang nieuwe financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljoenen euro’s)
Figuur 4: Omvang nieuwe financieringsvormen (uitstaande bedragen in miljoenen euro’s)Bron: Qredits, Douw & Koren, NPEX

Ondanks de nog beperkte omvang kunnen nieuwe financieringsvormen voor sommige ondernemers interessant zijn. Vanuit macro-economisch perspectief zijn alternatieve financieringsvormen vooral interessant wanneer zij groeipotentieel hebben en een aanvulling kunnen vormen op bancaire kredietverlening. Substitutie van bancair krediet met andere financieringsvormen is vanuit bedrijfseconomisch perspectief wellicht interessant voor ondernemers, maar zal op macroniveau niet leiden tot een grotere beschikbaarheid van bedrijfsfinanciering.

Bij directe financieringsvormen zoals participaties, effecten en crowdfunding gaat het om risicodragende investeringen voor langere tijd. De mate waarin investeerders hiertoe bereid zijn bepaalt daarom de grenzen aan de groei van deze financieringsvormen. Nederlandse huishoudens zetten hun spaargeld juist bij voorkeur op een direct opvraagbare (internet) spaarrekening. Volgens cijfers van DNB bezitten Nederlandse huishoudens circa € 380 miljard aan banktegoeden en € 91 miljard aan effecten. Het is niet aannemelijk dat Nederlandse particulieren op grote schaal hun banktegoeden willen omzetten in beleggingen in bedrijven. Zij lopen dan immers veel grotere risico’s, zoals krediet- en liquiditeitsrisico, en moeten daarbij tijd en energie steken in het monitoren van hun individuele beleggingen om hun risico’s te bewaken. Directe financieringsvormen zijn voor het MKB daarom eerder een aanvulling op dan een substituut voor bancair krediet. Met name crowdfunding kan voor kleine startende ondernemingen een interessant financieringsmodel zijn, mits men een betrokken groep financiers kan vinden.

Voor grote beursgenoteerde ondernemingen is er wel mogelijkheid tot substitutie, omdat zij eenvoudiger toegang hebben tot de internationale kapitaalmarkt. Het is voor investeerders en beleggers gemakkelijker om grote bedrijven te monitoren, mede vanwege de beschikbare publieke informatie over het grotere bedrijfsleven, en ook is de verhandelbaarheid van effecten (aandelen en obligaties) van grote beursgenoteerde ondernemingen groter. Het is daarom een uitdaging om internationale partijen te bewegen om te investeren in kleinere ondernemingen. MKB-fondsen zijn gericht op het bundelen van MKB-kredieten en het aantrekken van (internationale) financiering met uitgifte van obligaties of andere effecten. In welke mate het zal lukken om op deze wijze de belangstelling van nieuwe groepen investeerders te wekken blijft vooralsnog de vraag.

Asset-based financieringsvormen, zoals leasing en factoring, zijn sterk gebonden aan het productie- en facturatieproces van een onderneming en daarmee niet voor alle ondernemingen geschikt. Wel kan het gebruik van factoring nog verder groeien, zeker nu enkele nieuwe aanbieders zich specifiek op het MKB richten. Omdat bij gebruik van factoring werkkapitaal wordt vrijgespeeld, kan dit een deel van de bancaire kredietverlening vervangen.

De ontwikkeling van kredietunies in Nederland valt en staat op de korte termijn met de inrichting van een passend toezichtkader. Vooralsnog zijn kredietunies gericht op het aantrekken van middelen uit de eigen kring van ondernemers. De conceptinitiatiefwet is daarom gericht op een lichter toezichtregime dan dat voor banken (voor kredietunies met een balanstotaal kleiner dan € 100 miljoen). Kleinschalige kredietunies zullen een navenant klein deel van de bancaire kredietverlening kunnen vervangen. Van een aanvulling kan sprake zijn wanneer zij zich richten op startende ondernemingen die nog niet in aanmerking komen voor bancaire financiering en/of ondernemingen die extra ondersteuning nodig hebben, zoals het geval is bij Qredits.

Op de lange termijn willen kredietunies mogelijk ook spaargeld aantrekken van een breder publiek. In dat geval is een bankvergunning een vereiste. Ook is het van groot belang of kredietunies onder een depositogarantiestelsel zullen vallen. Zonder garantiestelsel zijn de risico’s voor spaarders groter en is de animo dus evenredig lager. In Polen hebben kredietunies een eigen onderling depositogarantiestelsel, terwijl zij in het Verenigd Koninkrijk en Ierland onder het bancaire depositogarantiestelsel vallen. Indien er naast het toezicht ook een vorm van depositogarantie geregeld is, zullen kredietunies wellicht snel kunnen groeien en daarmee bijdragen aan een grotere diversiteit van het Nederlandse bankenlandschap. Dit zal leiden tot toenemende concurrentie op zowel de krediet- als de spaarmarkt, waarbij er een grotere mate van substitutie van de bancaire kredietverlening aan het MKB kan optreden. Daarbij moet worden aangetekend dat een combinatie van licht toezicht en deelname aan het bancaire depositogarantiestelsel zal worden gezien als oneerlijke concurrentie voor banken en een mogelijke bron van instabiliteit. Uiteindelijk zal de mate waarin kredietunies in staat zijn tot goed risicomanagement doorslaggevend zijn voor hun succes.

Ten slotte zijn er financieringsvormen die mede afhankelijk zijn van overheidsfinanciering of –garanties. Alleen indien er sprake is van een complementaire financieringsvorm lijkt een (beperkte) toename van risico’s voor de overheid verdedigbaar. Het is onwenselijk dat de risico’s van bestaande financieringen worden afgewenteld op de overheid. In de BMKB- en GO-regeling is dan ook expliciet gesteld dat deze niet mogen worden gebruikt ter vervanging van een bestaande faciliteit of om bestaande risico’s op de staat af te wentelen. Ook de microfinancieringsorganisatie Qredits lijkt aan dit criterium van complementariteit te voldoen. Deze organisatie richt zich namelijk uitsluitend op kleine en startende ondernemers die persoonlijke ondersteuning en coaching nodig hebben. 

Bronnen

Braaksma, R. & Smit, L (2013). Bedrijfsfinanciering: zó kan het ook! Nieuwe financieringsvormen voor het MKB, een update.

Commissie Hoek (2013). Verkenning MKB-financiering

Delta Lloyd. Delta Lloyd Mezzanine Fund

Douw & Koren (2013). Crowdfinance - crowdfunding voor startende ondernemingen en het MKB; status, knelpunten en kansen, advies aan het Ministerie van Economische Zaken.

FAAN. Factoring & Asset based financing Association Netherlands

Hijum, van E. & Mulder, A.H. (2014). Voorstel wet toezicht kredietunies

IADI. Overzicht depositogarantiestelsels

Leaseurope - European Federation of Leasing Company Associations

Ministerie Economische Zaken (2013). Brief aan de Tweede Kamer over oprichting Nederlandse Investeringsinstelling.

NEOS Business Finance. SME Program

NVB. NL Ondernemingsfonds

NVL. Nederlandse Vereniging van Leasemaatschappijen

NVP (2013). Ondernemend Vermogen.

Qredits. MKB-krediet

Samenwerkende kredietunies. Werkwijze

Vereniging van Kredietunies in Nederland. Het concept  

Delen:
Auteur(s)

naar boven