RaboResearch - Economisch Onderzoek

Europa moet participatiediscipline opleggen

Column

Delen:

Begin juni heeft de Europese Commissie haar oordeel gegeven over de eind april ingediende begrotingen van de EU-landen. Daar waar Nederland nu het strafbankje mag verlaten, blijven landen als Spanje en Frankrijk erop zitten. Zij krijgen een lange lijst aanbevelingen voor extra hervormen en bezuinigen, terwijl de werkloosheid in die landen hoog is. Hiermee is weer duidelijk dat de Europese instituties zijn zo ingericht dat mensen actief betrokken houden bij de maatschappij, via werk of scholing, geen prioriteit heeft. Het gaat over begrotings- en financiële stabiliteit, niet over mensen. Deze situatie is niet alleen slecht voor de toekomst van de Europese economie, maar ook voor het welzijn van veel Europeanen. Daarmee is het sociale probleem op dit moment wellicht het belangrijkste probleem van de eurozone, en bij de huidige lage groeicijfers wordt het alleen maar groter. We moeten de sociale agenda van Europa serieus nemen en uitbreiden, en daarbij breder kijken dan alleen het werkloosheidscijfer.

De grote gevolgen van werkloosheid

Een hoge werkloosheid heeft – naast verlies van koopkracht – twee belangrijke en langdurige effecten op de mate van participatie in de samenleving. Het eerste is psychologisch van aard. Uit veel onderzoek blijkt dat het ontbreken van een werkkring leidt tot gebrek aan sociale interactie, verlies van zelfrespect, apathie en isolering. Dat is niet alleen op individueel niveau problematisch, maar ook voor de samenleving als geheel, omdat het grotere ongelijkheid, politieke radicalisering en criminaliteit in de hand werkt. Hoe langer de periode van werkloosheid duurt, hoe groter de kans dat deze mensen maatschappelijk gezien aan de kant blijven staan, ook al omdat ze werkervaring mislopen en uiteindelijk niet meer interessant zijn voor werkgevers.

Het tweede effect treft het groeipotentieel van de economie en kan zeer langdurig zijn. Zeker bij de huidige dramatische werkloosheidspercentages in Zuid-Europa kan werkloosheid ertoe leiden dat een halve generatie uiteindelijk nauwelijks meer kans maakt op de arbeidsmarkt. In Spanje bedraagt de jeugdwerkloosheid op dit moment 50%. In de Verenigde Staten zien we dit ook op ongekende schaal: mensen die lang zonder werk zitten, houden op een gegeven moment op zichzelf als werkzoekend te beschouwen. Ze trekken zich geheel terug uit de arbeidsmarkt en tellen niet meer mee in het werkloosheidscijfer. Zo leidt langdurig hoge werkloosheid is, ironisch genoeg, tot neerwaartse druk op het werkloosheidscijfer, terwijl het arbeidspotentieel en daarmee het economische groeipotentieel ernstige schade lijdt. Dit is uiteraard niet de manier waarop je de werkloosheid het liefst ziet dalen.

Kortom: werkloosheid leidt tot grote problemen, maar is als cijfer geen goede graadmeter. Wat echt telt, is participatie.

Groei is niet genoeg

Momenteel wordt vooral ingezet op economische groei als middel om de sociale problemen te verminderen. Op zichzelf terecht. Hogere groei leidt inderdaad meestal tot meer banen en zo tot lagere werkloosheid. Maar die groei moet dan wel veel hoger zijn dan het schamele procentje waar we nu op rekenen, want door ICT en andere innovaties kan economische groei met steeds minder mensen worden gerealiseerd, zeker in hoogproductieve sectoren. Daarbij komt dat de langdurig werklozen van nu pas als laatste een baan krijgen als de economie aantrekt. Puur vanuit macro-economisch perspectief -ik wil het toch even noemen- is de meest zinnige oplossing een ruimere begrotingsnorm voor landen met een hoge structurele werkloosheid of een ruimer monetair beleid. Want wie uiteindelijk precies welke rekening betaalt, mag dan politiek een zeer beladen vraagstuk zijn, economisch en ook sociaal is het niet zo interessant.

Gebruik het beleidsmatige instrumentarium goed

Brussel installeerde recent een nieuw instrument dat genoeg handvatten biedt om het sociale gat te kunnen dichten, namelijk de macro-economische onevenwichtigheidsprocedure (de MIP). Deze procedure is bedoeld om, zoals de naam al zegt, macro-economische onevenwichtigheden, waaronder werkloosheid, tegen te gaan. De MIP stelt onder andere dat alle lidstaten de werkloosheid onder de 10% moeten houden, op straffe van het maken van een plan van aanpak. Voor alle landen dezelfde doelstelling hanteren is niet juist. In Spanje is 10% werklozen historisch gezien laag, terwijl deze in Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog niet boven de 10% is geweest. Daarbij is werkloosheid is nu juist een manke indicator van de participatie in de samenleving en als doelstelling dus nauwelijks relevant. Andere belangrijke zaken als arbeidsparticipatie, werkgelegenheidsontwikkeling en het aandeel van jongeren dat werkt of naar school gaat, maken weliswaar deel uit van de ‘ additionele indicatoren’ van de MIP, maar zijn gereduceerd tot een voetnoot. Met de huidige strenge focus op financiële stabiliteit en begrotingsconsolidatie is de reikwijdte van de MIP veel te beperkt gebleven. Daarbij zijn er nu ook geen sancties als de werkloosheid te hoog is.

Beide zaken moeten worden aangepakt: er moet een bredere participatie-indicator komen, waarbij ook wordt gekeken naar werkgelegenheid en sociale participatie van vooral jongeren, en échte sancties. Dit kan bij begrotingen, dus wellicht lukt het ook bij tastbare zaken waar de gemiddelde Europeaan wél van wakker ligt.

Aldus kan een meer afdwingbaar Europees arbeidsmarktbeleid worden neergezet. En als deze procedure dan net zo serieus wordt genomen als het beoordelen van de begrotingen van de EU-landen, zijn we al een stap op weg naar een socialer Europa.

Verschenen als opinieartikel in het Financieele Dagblad, 7 juni 2014

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven