RaboResearch - Economisch Onderzoek

Het water aan de lippen: ruim half miljoen Nederlandse huishoudens met een te laag inkomen

Economisch commentaar

Delen:

Het aantal huishoudens met een betaalrisico is sinds 2002 sterk toegenomen, vooral onder huurders. Dit blijkt uit een vandaag gepubliceerde studie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) die inzicht biedt in de betaalrisico’s van huishoudens. Dit past in het beeld van dalende besteedbare inkomens en een toename van de betalingsachterstanden op leningen.

Laag versus ontoereikend inkomen

Het PBL onderzocht betaalrisico’s door te bepalen of  de inkomsten van huishoudens toereikend zijn om hun netto huur of hypotheeklasten en de meest basale, noodzakelijke uitgaven voor het levensonderhoud te bekostigen [1]. Het aantal huishoudens met een ontoereikend inkomen is sinds 2002 fors gestegen, tot ruim 500.000 in 2012. Dit is volgens het PBL te wijten aan een daling van de besteedbare inkomens in combinatie met een stijging van woonlasten en overige noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Uit het PBL-onderzoek blijkt verder dat  het aandeel huishoudens met een ontoereikend inkomen vooral sterk is gestegen onder huurders (figuur 1). In 2012 hadden circa 384.000 huurders en circa 126.000 eigenaar-bewoners een ontoereikend inkomen. 

Figuur 1: Aandeel woningeigenaren en huurders met ontoereikend inkomen
Figuur 1: Aandeel woningeigenaren en huurders met ontoereikend inkomenBron: PBL

Het overgrote deel van de huishoudens met een  ontoereikend inkomen bestaat uit huishoudens met een laag inkomen. Voor een deel van hen zou dit inkomen toch toereikend kunnen zijn als zij hun woonlasten verminderen door bijvoorbeeld te verhuizen naar een goedkopere woning. In de praktijk is het echter niet altijd mogelijk om snel de eigen woning te verkopen of een goedkopere huurwoning te bemachtigen. Volgens het PBL zijn er ook steeds meer mensen met een ontoereikend inkomen die juist al zeer lage woonlasten hebben. Deze groep zou gebaat zijn bij een stijging van het inkomen.

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn de besteedbare inkomens in Nederland sinds 2010 gedaald, onder andere door een daling van de werkgelegenheid en een stijging van belastingen en premies. Het aantal huishoudens met een laag besteedbaar inkomen is sinds 2010 met 30% gestegen: van 514.000 in 2010 naar 664.000 in 2012, ofwel 8,9% van het totale aantal particuliere huishoudens in 2012 (figuur 2) [2]. Wij denken dat het aantal huishoudens met een laag inkomen in 2013 verder is toegenomen, aangezien de werkgelegenheid verder is afgenomen en de besteedbare inkomens nog verder zijn gedaald.

Figuur 2: Laag, langdurig laag en ontoereikend inkomen
Figuur 2: Laag, langdurig laag en ontoereikend inkomenBron: CBS, PBL

Soms is een laag besteedbaar inkomen van tijdelijke aard, bijvoorbeeld bij een korte periode van werkloosheid. Juist bij een langdurig laag inkomen stijgt het risico op betalingsachterstanden. De groep met een langdurig laag besteedbaar inkomen is sinds 2010 veel minder snel gegroeid en omvatte in 2012 circa 171.000 huishoudens. ‘Langdurig laag’ betekent tenminste vier jaar achtereen een laag inkomen. Degenen die kort na de crisis met een laag besteedbaar inkomen te kampen kregen, vielen in 2012 nog niet in de categorie ‘langdurig’. Maar als hun financiële situatie de komende jaren niet verbetert, kunnen zij alsnog terechtkomen in de categorie met een langdurig laag inkomen. Wij verwachten dat de werkgelegenheid vanaf 2015 weer stijgt. De kans op het vinden van een baan is wel lager naarmate iemand langer werkloos was. Zo kan het gebeuren dat het aantal huishoudens met een langdurig laag inkomen nog stijgt, ook wanneer het aantal met een laag inkomen weer daalt.  

Betaalrisico en betalingsachterstanden op huur of hypotheek

Een ontoereikend inkomen is een belangrijke risicofactor voor betalingsproblemen maar hoeft niet direct te leiden tot betalingsachterstanden op huur of hypotheeklasten. Als er nog een buffer is, zoals spaargeld, kan dat een tijdelijk ontoereikend inkomen compenseren. Ook blijkt dat huishoudens vaak eerst op andere posten bezuinigen, of andere rekeningen niet betalen, voordat zij hun huur of hypotheek niet betalen. Zo blijkt uit de meest recente Monitor Betalingsachterstanden van Panteia (2011) [3] dat het aantal huishoudens met een betalingsachterstand op de ziektekostenverzekering hoger is dan die met een betalingsachterstand op huur of hypotheeklasten (figuur 3).  In figuur 3 wordt een vergelijking gemaakt tussen huishoudens met een (te) laag inkomen en huishoudens met betalingsachterstanden.

Figuur 3: Inkomen en betalingsachterstanden
Figuur 3: Inkomen en betalingsachterstandenBron: CBS, PBL, Panteia

Zoals besproken zal bij een stijging van de werkgelegenheid het aantal huishoudens met een laag inkomen dalen. Wanneer het inkomen stijgt, zijn daarmee de betalingsproblemen echter nog niet opgelost. Na een inkomensterugval duurt het enige tijd voordat betalingsproblemen bij huur of hypotheek zichtbaar worden en bij een stijging van het inkomen kost het ook weer tijd om de bestaande achterstanden in te lopen. De betalingsachterstanden zullen daarom minder snel dalen.

Daarnaast zijn niet alle betalingsachterstanden te wijten aan een ontoereikend inkomen. In figuur 3 is te zien dat het aandeel huishoudens met minimaal één betalingsachterstand vaak hoger ligt dan het aandeel huishoudens met een (te) laag inkomen. Bij sommige huishoudens is er sprake van overconsumptie, bijvoorbeeld wanneer bij een inkomensterugval het inkomen nog wel toereikend is voor de woonlasten en overige noodzakelijke kosten van levensonderhoud, maar het consumptiepatroon niet snel genoeg wordt aangepast. 

Conclusie

Het onderzoek van PBL biedt extra inzicht in de betaalrisico’s van huishoudens. Dit is een waardevolle aanvulling op de reeds beschikbare gegevens over inkomens en betalingsachterstanden. De betaalrisico’s concentreren zich bij lage inkomens en huurders. Met een terugkeer van de werkgelegenheidsgroei vanaf 2015 verwachten wij dat het aantal huishoudens met een betaalrisico weer zal afnemen. De bestaande betalingsachterstanden zijn daarmee niet meteen opgelost.

Voetnoten

[1] PBL (2014): Betaalrisico’s in de huur- en koopsector 2002-2012

Het PBL-onderzoek gebruikt de WBO/WoON-onderzoeken uit 2002, 2006, 2009 en 2012 en omvat alleen huishoudens in een zelfstandige woning of wooneenheid. Ook huishoudens met een zeer laag of zelfs negatief huishoudinkomen worden buiten beschouwing gelaten in de analyse. Deze groep huishoudens is namelijk veelal ‘atypisch’ en bestaat grotendeels uit zelfstandigen met een eigen onderneming en studenten met studiefinanciering. De additionele kosten voor levensonderhoud zijn gebaseerd op minimale normbedragen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud); het daadwerkelijke consumptiepatroon wordt dus buiten beschouwing gelaten.

[2] CBS (2013): Laag en langdurig laag inkomen; particuliere huishoudens naar kenmerken (tabel Statline).

Het inkomensbegrip in deze statistiek is het besteedbaar inkomen (dus na belastingen, betaalde alimentatie en premies voor ziektekosten- en inkomensverzekeringen) verminderd met eventueel ontvangen huursubsidie, gecorrigeerd voor verschillen in huishoudenssamenstelling en voor de prijsontwikkeling. ‘Het CBS hanteert een lage-inkomensgrens van 9.249 euro in prijzen van het jaar 2000. Dit bedrag komt in koopkracht ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979, toen deze op zijn hoogst was’, aldus het CBS.

[3] Panteia (2008, 2009, 2010, 2011): Monitor betalingsachterstanden. Meting 2008, 2009, 2010 en 2011.

De Monitor betalingsachterstanden werd  jaarlijks gepubliceerd in de periode 2008-2011 in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De analyse is gebaseerd op een telefonische enquête.

Delen:
Auteur(s)

naar boven