RaboResearch - Economisch Onderzoek

Deflatie is tweede waarschuwing

Column

Delen:

Ik vermoed dat weinig Oranjefans tijdens het WK Voetbal een lagere bierprijs in het café vervelend zouden vinden. Tegelijkertijd is een algehele daling van het prijsniveau –beter bekend als deflatie- voor veel economen juist een bron van zorg. Ondanks mijn liefde voor voetbal kijken in de kroeg behoor ik toch vooral tot de laatste groep. Deflatie kent immers diverse nadelen en de gestaag dalende inflatie in de eurozone rechtvaardigt het om na te denken over de implicaties van een deflatie-scenario. Wij vatten de lage inflatie, en zelfs de milde deflatie in enkele Zuidelijke lidstaten, op als een waarschuwingssignaal: de binnenlandse vraag in de eurozone is zwak en via een te lage inflatie en een te hoge werkloosheid kan dit langdurig negatieve effecten hebben op onze economie.

Sinds de inflatiepiek van 3% eind 2011 is de gemiddelde inflatie in de eurozone geleidelijk gedaald tot 0,5% in mei. Een aanzienlijk deel van deze inflatiedaling kunnen we verklaren door tijdelijke factoren. Een goed voorbeeld is het wegvallen van de positieve bijdrage vanuit energie- en voedselprijzen, maar ook de appreciatie van de euro sinds medio 2012 en de afname van de positieve bijdrage vanuit verhoogde indirecte belastingen hebben een rol gespeeld. Deze factoren kunnen echter niet de gehele inflatiedaling verklaren; een deel kunnen we ook toeschrijven aan de zwakke bestedingsdruk in de eurozone.

Achter het eurozonegemiddelde gaan grote inflatieverschillen schuil. In de Zuidelijke lidstaten ligt de inflatie beduidend lager dan in de Noordelijke lidstaten. In principe zijn deze inflatieverschillen tussen Noord en Zuid wenselijk om het in de jaren voorafgaand aan de crisis opgebouwde verschil in prijsconcurrentiepositie te herstellen. Op termijn kleven er echter diverse nadelen aan een zeer lage inflatie of zelfs deflatie, zeker voor de Zuidelijke lidstaten. Ten eerste leidt deflatie in theorie tot uitstel van consumptieve bestedingen en tot een rem op investeringen vanwege een te hoge reële rente. Ten tweede tast deflatie de houdbaarheid aan van hoge nominale publieke en private schulden. Ten derde kan er sprake zijn van nominale loonstarheid: een situatie waarin loonkosten onvoldoende dalen in lijn met de afnemende inflatie. Op termijn kan dit leiden tot een stijging van de reële loonkosten.

De lage inflatie is niet het eerste waarschuwingssignaal. De enorme stijging van de werkloosheid maakte eerder al pijnlijk duidelijk dat diverse factoren de binnenlandse vraag remmen. Zowel de hoge werkloosheid als de lage inflatie kunnen langdurig negatieve effecten sorteren op onze langetermijngroei. Hoge werkloosheid kan langslepende effecten hebben in de vorm van het verlies van vaardigheden en motivatie van het inactieve deel van het arbeidsaanbod. Aanhoudend lage inflatie kan via bovengenoemde stijging van de reële loonkosten langdurig negatief doorwerken op de vraag naar arbeid. Beide signalen maken duidelijk dat een periode van zwakke binnenlandse vraag vooral niet te lang moet duren.

Maar aan wie zijn deze waarschuwingssignalen eigenlijk gericht? En nu bereiken we de crux van het probleem: de conventionele monetaire en budgettaire beleidsinstrumenten om de vraagzijde te stimuleren zijn zeer beperkt vanwege de hoge overheidsschulden en de zeer lage beleidsrente. Wij trekken de conclusie dat de eurozone, zowel economisch als politiek, slecht is voorbereid op een onverhoopt deflatiescenario. De hoop op een Zuid-Europese bestedingsimpuls kunnen we na de vroegtijdige uitschakeling van alle Zuid-Europese teams op het WK ook wel laten varen. Zowel qua binnenlandse vraag als voor wat betreft het winnen van de WK-titel zijn de ogen volledig gericht op Duitsland, Nederland en België.

Delen:
Auteur(s)
Michiel Verduijn
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven