RaboResearch - Economisch Onderzoek

Overhaast verhogen buffer banken is geen goed idee

Column

Delen:

Nederlandse grootbanken voldoen met verhoogd eigen vermogen nu al aan vereisten van nieuwe toezichtsregime Basel 3

Door Wim Boonstra en Bruno de Cleen

Verschenen in het Financieele Dagblad, 30 januari 2014

De afgelopen maanden woedt een stevige discussie over de noodzaak om het eigen vermogen van het bankwezen te verhogen. Daarbij wordt geheel ten onrechte een tegenstelling geponeerd tussen enerzijds ‘de bankiers’ en anderzijds de ‘de wetenschap’ en ‘de politiek’.

De banken hebben de afgelopen jaren gestaag gewerkt aan het verhogen van het eigen vermogen. Daardoor voldoen de Nederlandse grootbanken nu al aan de vereisten van het nieuwe toezichtsregime van Basel 3. Het eigen vermogen is aanzienlijk verhoogd en de bankbalans is ingekort door het afstoten van buitenlandse activiteiten en/of onderdelen die niet tot de kern van het bankbedrijf behoren. Daardoor zijn niet alleen de BIS-ratio’s (opgelegd door de Baselse Bank voor Internationale Betalingen BIS), maar is ook de leverage ratio (het eigen vermogen van de banken gedeeld door het bruto balanstotaal) aanzienlijk opgelopen. Niet alleen de omvang, maar ook de kwaliteit van het eigen vermogen is verbeterd. De liquiditeit van het bankwezen is vergroot en de looptijdtransformatie is ingeperkt.

De discussie tussen ‘wetenschap’ en ‘bankiers’ spitst zich toe op de leverage ratio. Deze heeft als voordeel dat hij simpel is, maar kent ook diverse nadelen. Het is een erg grofmazige ratio die op geen enkele manier rekening houdt met risico. Hij geeft geen goede prikkels aan bankiers om hun risico’s te beperken; het omgekeerde is waar. Hij dwingt banken ook om vermogen aan te houden tegenover volstrekt risicoloze activa, zoals de kasreserves bij de centrale bank. Een hoge leverage ratio is in beginsel goed, maar wel als aanvulling op de meer verfijnde, op risicogewogen activa gebaseerde BIS-ratio’s.

Voorstanders van een snelle verdere verhoging van het eigen vermogen van banken baseren zich op het inzicht van de economen en Nobelprijsdragers Modigliani en Miller. Dit komt er grofweg op neer dat het er voor de financieringskosten van een onderneming niets toe doet hoe deze is gefinancierd. Overigens is men zich ervan bewust dat dit voor banken niet volledig opgaat. Banken creëren toegevoegde waarde voor hun klanten aan beide zijden van de bankbalans. Een deel van het vreemde vermogen van de banken, zoals de betaal- en spaarrekeningen en deposito’s, voorziet immers in een liquiditeitsfunctie. In totaal betreft dit tientallen procenten van de bankbalans. Dat is een belangrijk verschil tussen een bank en een andersoortige onderneming.

Toch is de theorie van Modigliani en Miller ook voor banken bruikbaar, zo lang men de beperkingen ervan maar inziet. De belangrijkste is dat deze benadering uitgaat van min of meer perfecte markten met een oneindige liquiditeit. Daarmee is de problematiek van de overgangssituatie in feite weg gedefinieerd. Precies daar ligt het probleem waar de banken op wijzen.

Als Nederlandse banken hun eigen vermogen bijvoorbeeld zouden moeten verdubbelen zouden zij circa € 140 mrd moeten ophalen. Wanneer banken in een ongunstig economisch klimaat verplicht worden onder tijdsdruk een dergelijk bedrag aan kapitaal op te halen, is het ondenkbaar dat dit zonder oplopende kosten zou kunnen. Zelfs gecorrigeerd voor het navenant lagere aanbod van bankobligaties blijft het twijfelachtig of beleggers bereid zullen zijn om hun portefeuille van bancaire aandelen te verdubbelen.

De ECB heeft reeds in 2011 gewezen op deze risico’s en gepleit voor een geleidelijke ophoging van het eigen vermogen via winstinhouding.

Verder gaat de discussie tot dusver voorbij aan de institutionele kant van het bankwezen. Er zijn in Europa heel veel banken zonder aandeelhouders in de gebruikelijke zin des woords. Voor een coöperatie als bijvoorbeeld de Rabobank zijn de mogelijkheden beperkt om via uitgifte van aandelen of certificaten extra eigen vermogen aan te trekken. Het kan alleen grootschalig als de Rabobank zich zou omvormen tot een commerciële bank op aandelenbasis en dat is niet aan de orde.

Voor staatsbanken betekent het geforceerd verhogen van het eigen vermogen een aanslag van vele miljarden euro op de toch al fragiele overheidsfinanciën. Kortom, de discussie blijft hangen in een theoretische microbenadering en gaat voorbij aan de diversiteit in governancemodellen en de aanbodszijde van de kapitaalmarkt.

Op hoofdlijnen zijn er geen verschillen van inzicht over de richting die het bankwezen in moet slaan. De vragen die moeten worden besproken zijn hoe, hoe ver en hoe snel het eigen vermogen van banken moet worden verhoogd zonder de reële economie te schaden. Daartoe staan meerdere wegen open, alle advies is daarbij welkom. Maar een goed debat wordt ondermijnd door het creëren van schijntegenstellingen.

Bruno de Cleen en Wim Boonstra werken bij Rabobank Nederland als respectievelijk Hoofd Credit Portfolio Management en Chief Economist. Laatstgenoemde is tevens bijzonder hoogleraar Economische en Monetaire Politiek aan de VU. Een meer uitgebreide versie van dit artikel verschijnt eind volgende week in Economisch Statistische berichten.

Delen:
Auteur(s)
Wim Boonstra
RaboResearch Global Economics & Markets Rabobank KEO
030 21 66617
Overige auteurs
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven