RaboResearch - Economisch Onderzoek

Van groei naar vooruitgang

Special

Delen:

Co-auteur: Ruth van de Belt

Wij definiëren vooruitgang, welvaart, als een stijging van het BBP-volume. Dit is eigenlijk pas iets van de laatste zeventig jaar. En steeds meer komt het besef dat deze definitie niet aansluit bij het ervaren gevoel van vooruitgang. Belangrijk is daarbij de overtuiging dat het economische systeem nu in ecologisch en sociaal opzicht niet houdbaar is. Het één heeft daarbij sterk met het ander te maken: als wordt gemikt op een andere definitie van vooruitgang is het wellicht ook mogelijk om het economische systeem meer houdbaar te maken.

Een recent begrip

De menselijke natuur is ingesteld op ‘altijd meer’. Wellicht is dit vanuit de menselijke evolutie te verklaren als een soort overlevingsdrang. Maar het gaat verder. Zelf na bevrediging van alle behoeften lijkt er geen rem op het menselijke streven naar ‘altijd meer’. Dit is geen nieuwe constatering. Ook in de Griekse mythologie en in de bijbel namen mensen geen genoegen met wat ze hadden. Denk daarbij aan het verhaal van Adam en Eva waarin Eva niet van de verboden vrucht kon afblijven (Sedlacek, 2012). De hele geschiedenis zit vol met voorbeelden van onbeheerst verlangen.

Waar ons streven naar ‘altijd meer’ vandaan komt, is niet geheel duidelijk. Zelfs al hebben wij voldoende van alles, en leven we in het paradijs, dan nog zal dat niet voldoende voor ons zijn, en zullen we voortdurend geneigd zijn om te consumeren wat we niet hoeven of mogen consumeren en om dozen van Pandora te openen. In positieve zin zou het kunnen zijn geworteld in nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid, leergierigheid, is immers in onze maatschappij ook een belangrijke aanjager van vooruitgang. In negatieve zin kan dit ook hebzucht zijn: alsmaar meer willen, om het meer willen, zonder verdere reden. Volgens historicus David Norman betrad Adam Smith ‘het terrein van de economie van de menselijke hebzucht’. Niet alleen staat hebzucht in dat geval aan de wieg staat van de economische theorievorming, maar kent hebzucht ook een lange geschiedenis.

Streven naar vooruitgang zit dus in de menselijke aard, maar naar vooruitgang waarin? Tegenwoordig hebben we het over economische vooruitgang, maar dit is relatief modern denken. Vooruit­gang werd lange tijd in niet-economische termen gedefinieerd.

Het echte den­ken over vooruitgang bestaat pas sinds de Verlichting. Men ging er vanuit dat elke vol­gen­de generatie voortbouwt op de schouders van de vorige, waardoor de mensheid vooruitgang kon boeken. Dit vooruitgangsgeloof viel samen met de secularisering waarin mensen afstand namen van religieuze opvattingen als zou de wereld een eindig en onbeheersbaar geheel vormen. Het geloof in het verlossende vermogen van de rede trad daarbij op de voorgrond. De precieze datering van de Verlichting blijft lastig. Maar in de tweede helft van de zeventiende eeuw leefden er veel ‘verlichte’ geesten, vooral in Europa, waardoor het idee van vooruitgang steeds meer grond onder de voeten kreeg.

Daarbij ging het in eerste instantie niet om economische vooruitgang. Filosofen/economen zoals Adam Smith, Bernard Mandeville en Jeremy Bentham be­stu­deer­den vooral geluk, wat pas later met name in de economische wetenschap werd vertaald in ‘nut’.

Weer later, en zeker nadat empirie en macro-econometrische modellen in de eco­no­mi­sche wetenschap belangrijker waren geworden, werd dit nut gemonetariseerd (gevangen in geld) en vervangen door economische groei. Aanstichter hiervan was Simon Kuznets (1934) die de grondslag heeft gelegd voor het systeem van Nationale Rekeningen en het meten van economische vooruitgang als groei van het Bruto Binnenlands Product. Hij richtte zich daarbij, heel logisch voor die tijd, op een maatstaf van vooruitgang die paste bij een maatschappij die vooral goederen produceerde. In de figuur 1 is te zien hoe recent dit begrip van economische groei eigenlijk is. Waar het in geschreven teksten lange tijd vooral ging over ‘geluk’ en ‘vooruitgang’, verschijnt de term economische groei pas na de Tweede Wereldoorlog.

Figuur 1: Het gaat pas heel kort over (economische) groei
Figuur 1: Het gaat pas heel kort over (economische) groeiBron: NGRAMS google books

Inmiddels lijkt ook de relevantie van deze vorm van vooruitgang achterhaald. Onze maatschappij is steeds minder geënt op het (alleen) maar produceren van goederen. Een steeds groter deel van de productie bestaat uit het voortbrengen van diensten. Zo is het aandeel in de economie van de nijverheidssector tussen 1970 en 2012 in Nederland met 5%-punt afgenomen; van de bouw met 15%-punt. Als we kijken naar werkgelegenheid is de verschuiving nog groter: het aandeel van dienstensectoren in de totale werkgelegenheid is in dezelfde periode bijna verdubbeld. Dat betekent dat dingen maken een grotere stijging van de toegevoegde waarde per baan heeft laten zien dan dienstverlening. Voor een deel heeft dit te maken met hoe we dit meten: daar waar we bij het verkopen van producten de marktwaarde exact kunnen bepalen, is dat bij diensten vaak veel lastiger, zeker wanneer het gaat om overheids- of zorgdiensten.

Door toenemende milieuproblemen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw groeide het besef dat de mens in de toekomst met milieu­rampen zou worden geconfronteerd. In 1972 kon­dig­de de Club van Rome aan dat de gren­­zen van de groei aan het begin van de een­­en­twintigste eeuw zouden worden bereikt als de be­vol­kings­groei, de indus­tria­lisatie, de vervuiling, de voedselproductie en de uitputting van na­tuur­lijke hulp­­bron­nen in hetzelfde tempo zouden doorgaan (Meadows et al., 1972). Om aan dit doem­­­scenario te ontsnappen, moesten groei­trends worden omge­bo­gen. Hoewel de rap­porten niet onomstreden zijn en de voorspellingen in veel opzichten niet zijn uit­ge­komen, hebben ze wel bijgedragen aan het besef dat de draagkracht van de aarde eindig is en ons lineaire groeimodel op lange termijn niet houdbaar.

Van lineair naar… anders

De huidige overheersende definitie van vooruitgang, economische groei op basis van het Bruto Binnenlands Product, is een begrip waar veel nadelen aan kleven (Coyle, 2014). Het is steeds lastiger om economische groei nog te zien als vooruitgang. Het BBP-begrip van vooruitgang wordt ook wel ‘lineair’ genoemd. Immers, het enige wat telt voor de groei, zijn diensten of goederen die worden geproduceerd of geconsumeerd.

Een schematische weergave van ons economische systeem kan verhelderen wat we wel en niet meten. Wat we wél meten qua BBP zijn de stromen van inkomen, bestedingen en productie.[1] Huishoudens stellen productiefactoren ter beschikking, bedrijven produceren goederen en diensten die huishoudens vervolgens weer consumeren. BBP wordt gemeten door deze drie stromen in de economische kringloop te registreren (figuur 2).

Een eerste belangrijke omissie is het feit dat geen rekening wordt gehouden met voorraden, zoals natuurlijke hulpbronnen, menselijk, sociaal en economisch kapitaal (figuur 3). Ook houden we geen rekening met vervuiling. We registreren alleen de toegevoegde waarde van bijvoorbeeld bodemontginning, registreren de waarde van grondstoffen in verhandelde producten, maar letten niet op de negatieve waarde van afval en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Ook de waarde van andere voorraden, zoals menselijk en financieel kapitaal, nemen we niet mee. Bij investeringen in voorraden, zoals in onderwijs, registreren we primair de kosten, maar niet de opbrengsten in de vorm van een toevoeging aan een voorraad waar we in de toekomst profijt van hebben. Ook bij oorlogen registreren we ‘groei’ veroorzaakt door overheidsbestedingen aan wapentuig en de salarissen van de militairen, maar niet de vernietiging van mensenlevens, gebouwen en infrastructuur.

Ook de rol van financiële ‘voorraden’ nemen we niet mee in de BBP-berekeningen. Dit heeft tot gevolg dat schuldgefinancierde groei per definitie (op korte termijn) wordt verwelkomd. De aard van de groei (investeringen in infrastructuur of kennis versus bijvoorbeeld private consumptie) wegen we evenmin mee. Alleen al door dit soort elementen niet mee te nemen in de definitie van vooruitgang, legt het model de kiem voor ontsporing van de vooruitgang op langere termijn.

Door deze zaken buiten beschouwing te laten houden we, kortom, geen rekening met de welvaart van toekomstige generaties en ook niet met de effecten van onze groei op het milieu, het financiële vermogen, de kennisopbouw of mensen elders op de wereld.

Figuur 2: Eenvoudige economische kringloop
Figuur 2: Eenvoudige economische kringloopBron: Rabobank
Figuur 3: Economische kringloop: afval en voorraden
Figuur 3: Economische kringloop: afval en voorradenBron: Rabobank

Een ander gebrek is dat niet alle activiteiten worden meegenomen die wel degelijk toegevoegde waarde hebben (figuur 4).

Informele diensten, zoals zwartwerk, huishoudelijk werk, zorg voor kinderen, ouderen en zieken en vrijwilligerswerk, zijn voor het BBP letterlijk ‘waardeloos’. Dit geldt ook voor de productie van goederen en diensten die meer opleveren dan de gemonetariseerde waarde ervan. Het voorbeeld van ICT is daarbij het meest sprekend: gratis informatie levert welvaart op, maar kan het BBP zelfs verlagen, doordat de informatieverschaffers van weleer, uitgevers van kranten, boeken et cetera, krimpen. De figuur geeft dit weer door een verschuiving van de donkerblauwe naar de lichtgrijze pijl. Daarnaast heeft vrije tijd geen waarde, met als gevolg dat de ‘productie’ van mensen thuis geen waarde wordt gegeven. Een toename van de formele kinderopvang is bijvoorbeeld wel economische groei, maar de waarde van zelf op kinderen passen doet er niet toe.

Een laatste omissie gaat om de verdeling van de beloning (figuur 5). Als deze heel scheef is, kan ten eerste de economische kringloop minder goed werken en ten tweede wordt het verschil tussen vooruitgang en BBP-groei groter.

Figuur 4: Niet-gemonetariseerde toegevoegde waarde
Figuur 4: Niet-gemonetariseerde toegevoegde waardeBron: Rabobank
Figuur 5: Verdeling
Figuur x: VerdelingBron: Rabobank

Het eerste punt past eigenlijk niet helemaal in dit eenvoudige model, want het grootste probleem met de kringloop bij een scheve verdeling is dat de verkregen beloning in steeds mindere mate wordt aangewend voor consumptie. In plaats van te consumeren zullen vermogenden het geld sparen, beleggen of willen investeren om in de toekomst verzekerd te zijn van een goed rendement. In ieder geval hoeven ze niet alles te consumeren. Bij een extreem scheve verdeling zorgt dit ervoor dat het verdiende inkomen niet leidt tot effectieve vraag, en daardoor loopt de kringloop vast.

Het tweede argument laat zich goed illustreren in figuur 6 (OECD, 2014). In veel landen is zowel het mediane als het gemiddelde inkomen behoorlijk achtergebleven bij het BBP per hoofd van de bevolking. Hierdoor is welvaart afmeten aan het BBP zelfs al een overschatting van de vooruitgang in materiële zin, nog afgezien van de andere aspecten die het niet meeneemt.

Figuur 6: Inkomensgroei blijft in veel landen achter bij de stijging van het BBP per capita
Figuur 6: TitelBron: OESO

Genoeg redenen om niet meer aan BBP als maatstaf van vooruitgang te blijven hangen. Maar we kunnen ook niet zomaar van het begrip afstappen. Ten eerste vanwege het menselijk verlangen naar steeds meer, ten tweede is economische groei nodig om de basisvoorzieningen te kunnen financieren en ten derde is de stabiliteit van het economische systeem van belang (Stegeman 2014). Verlangen naar meer is onlosmakelijk verbonden met vooruitgang. Daarbij spelen ‘spullen’, consumptie, een belangrijke sociale en psychologische rol. Voor de financiering van basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs en overheidsdiensten is economische groei haast onontbeerlijk. Deze basisvoorzieningen ondersteunen vooruitgang in brede zin. De stijging van de uitgaven hangt deels samen met andere factoren zoals vergrijzing, maar kan alleen worden gefinancierd als ook de grondslag voor de (belasting-)inkomsten stijgt. Ten minste, als er geen aanvullende keuzen worden gemaakt. Het laatste argument is de stabiliteit van de het economische systeem. Een economie heeft groei nodig om mensen aan het werk te helpen of te houden, de financiering van bedrijven houdbaar te maken, de overheidsfinanciën in het gareel te houden en bij te dragen aan politieke stabiliteit. Niet uitgaan van economische groei betekent dat dit wel anders moet worden ingericht.

Alternatieven voor BBP

In de zoektocht naar alternatieven voor het lineaire vooruitgangsbegrip kunnen we onderscheid maken tussen objectieve en subjectieve indicatoren. Objectieve indicatoren voor het evalueren van de kwaliteit van leven zijn gebaseerd op economische, ecologische en sociale variabelen.

Subjectief welzijn houdt zich vooral bezig met de ervaringen van individuen. Het is gebaseerd op de veronderstelling dat men de kwaliteit van het leven van een persoon kan meten door op een directe manier te vragen hoe een persoon denkt over zijn leven. Subjectief welzijn heeft zowel een cognitieve als een affectieve kant. Bij de cognitieve kant gaat het om tevredenheid. Het geeft aan hoeveel iemand is verwijderd van zijn aspiratie en heeft daarmee betrekking op de lange termijn (Helliwell en Putnam, 2004). Het kan in kaart worden gebracht door respondenten te vragen hoe tevreden ze zijn met het leven dat ze op dit moment leiden. Bij de affectieve kant van welzijn spelen geluk en emoties een rol. De mate van geluk hangt af van de balans tussen positief en negatief affect en heeft vooral betrekking op de korte termijn (Helliwell en Putnam, 2004). Dit kan in kaart worden gebracht door aan respondenten te vragen in hoeverre ze zichzelf een gelukkig mens vinden. Het nadeel van subjectieve indicatoren is dat ze wel wat zeggen over de (beleefde) welvaart, maar niets over een breder begrip van vooruitgang. Een ander nadeel is dat je er beleidsmatig niet veel mee kunt. Je kunt er bijvoorbeeld geen voorspelling van maken of de effecten van beleid exact mee berekenen.

Het eerste type objectieve indicator is gebaseerd op de Nationale-Rekeningenmethodiek, waarbij de tekortkomingen van het BBP worden gerepareerd door het optellen en aftrekken van bepaalde geldbedragen voor zaken die niet of ten onrechte worden meegenomen. Aan het begin van de jaren zeventig introduceerden Nordhaus en Tobin (1972) bijvoorbeeld de Measure of Economic Welfare (MEW). Het uitgangspunt van deze maatstaf vormt de private consumptie. De consumptie van huishoudens wordt vervolgens verminderd met ongewenste kosten van urbanisatie en betreurenswaardige noodzakelijkheden (uitgaven aan bestrijding van criminaliteit et cetera) en vermeerderd met zaken als informele diensten en vrije tijd. Zoals Nordhaus en Tobin (1972) zelf al aangeven, is deze maatstaf “vrij primitief en experimenteel”. Toch zijn veel andere maatstaven hierop gebaseerd, zoals de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW; Daly en Cobb, 1989). De ISEW is gebaseerd op de MEW, maar kent twee belangrijke toevoegingen. Er wordt rekening gehouden met de onhoudbaarheid van productie en consumptie door te corrigeren voor de uitputting van natuurlijke hulpbronnen en voor de inkomensverdeling. De Genuine Progress Indicator (GPI) die werd bedacht door Cobb, Halstead en Rowe (1995), lijkt erg op de ISEW, maar wijkt iets af in de specifieke categorieën waarvoor wordt gecorrigeerd. In de landen waarvoor de ISEW is berekend, vertoont het BBP een stijgende trend, maar is de ISEW na enige tijd constant of neemt deze zelfs af. Het breekpunt verschilt per land, maar ligt ergens tussen eind jaren zestig en eind jaren tachtig. Belangrijke redenen voor de ontkoppeling zijn de substitutie van informele huishoudproductie door diensten die door de markt worden verschaft (bijvoorbeeld kinderopvang), toegenomen ongelijkheid, de uitputting van natuurlijke hulpbronnen en de opkomst van wereldwijde milieuproblemen (opwarming van de aarde, zure regen, verlies aan biodiversiteit).

De tweede benadering neemt de Nationale Rekeningen eveneens als uitgangspunt, maar focust vervolgens geheel op de (negatieve) gevolgen voor het milieu en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen. Belangrijke milieueffecten zijn lawaai, lucht- en watervervuiling, bodemerosie, uitputting van hulpbronnen, fragmentatie van grondstoffen, verlies van biodiversiteit, radioactiviteit en verschillende vormen van vergif die de gezondheid beïnvloeden. Het herberekenen van een BBP waarbij deze externaliteiten zijn geïnternaliseerd, is niet eenvoudig, aangezien het impliceert dat er sprake is van compleet verschillende prijzen in de economie. Er zijn dan ook weinig empirische exercities ondernomen om het groene inkomen of het houdbare inkomen te berekenen.

Een derde type is de samengestelde indicator die is gebaseerd op verschillende onderliggende indicatoren die belangrijke aspecten van het welzijn van mensen weergeven. Deze indicatoren genereren geen geldelijke waarde. De meest bekende indicator is de Human Development Index (HDI). Met behulp van deze indicator heeft de VN (1990) geprobeerd om de traditionele focus op BBP-groei te verleggen naar menselijke ontwikkeling, waarbij menselijke ontwikkeling is gedefinieerd als het proces van het vergroten van keuzevrijheid. Volgens de VN (1990) zijn de belangrijkste aspecten van menselijke ontwikkeling een fatsoenlijke levensstandaard en menselijk kapitaal in de vorm van een goede gezondheid en scholing. De HDI is dan ook opgebouwd uit de logtransformatie van het BBP per hoofd van de bevolking (in PPP), de levensverwachting bij geboorte, de alfabetiseringsgraad van volwassenen en de gecombineerde deelname aan het lager, middelbaar en hoger onderwijs (VN, 2014). Door het BBP als logtransformatie mee te nemen en het inkomen aan de bovenkant af te kappen, is er sprake van een afnemend marginaal nut van inkomen. Dit is al een verbetering ten opzichte van het BBP. De HDI heeft als nadeel dat er een grote mate van willekeur aan kleeft. Er worden arbitraire componenten geselecteerd en de aggregatiemethode is eveneens willekeurig. Een belangrijke voorwaarde voor de VN is dat de data voor zoveel mogelijk landen beschikbaar zijn. Dit zorgt ervoor dat bepaalde keuzen minder methodologisch maar vooral praktisch zijn. De waarden voor elke component worden genormaliseerd door gebruik te maken van een zelf gedefinieerde boven- en ondergrens en vervolgens wordt het rekenkundige gemiddelde berekend. Dit resulteert in een index die een waarde tussen de nul en de één aanneemt. Indien een land een hogere score heeft, dan impliceert dit dat het beter is gesteld met de menselijke ontwikkeling. Er is veel kritiek op deze indicator. De HDI meet slechts relatieve vooruitgang op een schaal met minimale indicatoren die ook nog eens asymptotisch zijn. Mensen kunnen niet meer dan 100% geletterd zijn en een verbetering van 50 naar 60% is gemakkelijker te realiseren dan een verbetering van 90 naar 100%. In de ranglijst scoort Nederland zeer hoog. Bij de laatste peiling scoorden alleen Noorwegen, Australië en Zwitserland hoger (VN, 2014). Voor het meten van vooruitgang in Westerse landen is deze indicator niet echt geschikt.

Een ander voorbeeld is de Better Life Index (BLI) van de OECD. Deze index vergelijkt het welzijn in 34 landen aan de hand van elf dimensies[2] (figuur 7). Indien aan elk van deze dimensies een gelijk gewicht wordt toegekend, staat Nederland op een twaalfde plaats van ‘gelukkigste’ ontwikkelde landen ter wereld. Denemarken voert op basis van de meest recente gegevens de lijst aan.

Figuur 7: Better Life Index bij gelijke gewichten
Figuur 7: Better Life Index bij gelijke gewichtenBron: OESO, Rabobank
Figuur 8: BLI en HDI ten opzichte van BBP per capita
Figuur 8: BLI en HDI ten opzichte van BBP per capitaBron: UNDP, OESO

Uit figuur 8 blijkt waarom de BLI beter geschikt is om vooruitgang te meten in Westerse landen. De spreiding is aanzienlijk groter dan voor de HDI, waardoor een beter inzicht wordt verkregen in verschillen in welzijn.

Een variant op deze samengestelde indicatoren vormen de zogenaamde dashboards. In tegenstelling tot samengestelde indicatoren worden de onderliggende reeksen niet geaggregeerd tot een totaal, maar worden ze apart (per dimensie) gepresenteerd. Voorbeelden zijn de Gross National Happiness Index (GNH; Centre for Bhutan Studies, 2013), de Sustainable Development Indicators (SDIs; EC, 2013) en de Monitor Duurzaam Nederland (CBS, CPB, SCP en PBL).

Duurzame ontwikkeling

Een concept dat breder is dan de hierboven genoemde objectieve indicatoren is dat van duurzame ontwikkeling. Er is sprake van duurzame ontwikkeling als in een land een evenwicht bestaat tussen de economische, ecologische en sociale ontwikkeling. Een duurzame ontwikkeling voorziet in de behoeften van de huidige generatie (in de zin dat zij voldoende kwaliteit van leven oplevert), zonder dat daarmee de behoeftenvoorziening van toekomstige generaties in gevaar worden gebracht (Brundtland, 1987). Van duurzame groei is sprake wanneer het totaal van economische activiteit, kwaliteit van de leefomgeving en sociaal welzijn toeneemt. Bij duurzame ontwikkeling gaat het dus niet louter om economische duur­zaam­heid en/of ecologische duurzaamheid, maar ook om sociale duurzaamheid. Tus­­sen deze drie elementen van een duurzame ontwikkeling be­staat een weder­ke­rige relatie. Natuurlijke hulpbronnen vormen bijvoorbeeld een input voor eco­nomische pro­duc­tie. Om goederen te kun­nen pro­­­du­ceren, zijn fos­siele brandstof­fen nodig. Door de ontplooi­ing van econo­mi­sche activiteiten ontstaan tevens residuen, bijvoor­beeld in de vorm van afval of uit­stoot van broeikasgassen, die worden geabsor­beerd door de na­tuur. Ook tus­sen de eco­no­mische en sociale di­men­sie be­staan verbanden. Pro­duc­­tie leidt tot eco­no­mi­sche dien­sten die van invloed kunnen zijn op het sociale welzijn van men­­sen. Voorbeelden van zulke diensten zijn werk en in­­komen die van invloed zijn op de ma­teriële le­ven­sstan­daard, persoon­lijke acti­vi­teiten en econo­mi­sche en per­soon­lijke ­ze­ker­heid. Daar­­naast kan het so­ciale welzijn de econo­mi­sche acti­vi­teit beïn­vloeden. Door scho­­ling stijgt bijvoor­beeld de kwaliteit van men­­­­selijk ka­pi­taal, waar­door de arbeidsproduc­ti­viteit en de econo­mi­sche ac­ti­viteit toe­nemen. Ten slotte is er spra­ke van interactie tussen de eco­logische en sociale dimensie. De mate van vervuiling be­ïn­vloedt bijvoorbeeld de gezond­heid van men­­sen op een nega­tieve ma­nier, terwijl re­cre­a­tie­mo­ge­­lijkheden op een po­sitieve manier bij­dra­gen.

Ondanks de breedte en subjectiviteit van het begrip ‘kwaliteit van leven’ zijn in het ver­leden diverse pogingen ondernomen om dit begrip aan de hand van ob­jec­tieve factoren in kaart te brengen. Hoewel de selectie van indicatoren is ge­ba­seerd op waar­de­oor­delen, identificeren Stiglitz et al. (2009), op ba­sis van de econo­mi­sche literatuur, negen kern­dimensies die van belang zijn voor het wel­zijn van de mensen die hier en nu leven.[3] Deze kerndimensies zijn onderling afhankelijk van elkaar. Ze zijn niet al­leen direct van invloed op de kwaliteit van leven, maar soms ook indirect via an­de­re kerndimensies. Bovendien is het niet altijd dui­delijk hoe de cau­­­saliteit ver­loopt. Is de kerndimensie nu van invloed op de kwa­liteit van leven of beïnvloedt de kwaliteit van leven de kerndimensie?

De kwa­liteit van leven later is afhankelijk van de beschik­baarheid van hulp­bronnen. De hoeveelheid hulpbronnen die een samenleving tot haar beschikking heeft, kan worden gemeten aan de hand van de totale kapi­taal­­­­­­voorraad. De totale kapitaalvoorraad bestaat uit de eco­nomische, men­se­­­lijke, na­tuur­lijke en sociaal-culturele kapitaal­voorraad­. Een toename van de totale kapitaalvoorraad leidt tot een verho­ging van het pro­ductie­po­tentieel en een toename van de consumptie­moge­lijk­he­den van toe­kom­stige ge­neraties. An­der­zijds vergt kapitaalgroei, af­ge­zien van kapitaalgroei door herwaarderingen, een initiële in­ve­stering die ten koste gaat van de consumptie van de huidige ge­ne­ratie.

Wij geloven dat deze benadering de toekomst heeft. Daarbij moeten nog wel behoorlijk wat methodologische problemen worden overwonnen en is databeschikbaarheid een voorwaarde voor succes. Maar wat ons betreft hoeft dit geen reden te zijn om met een indicator voor houdbare vooruitgang te komen: ook de BBP-definitie kent na meer dan zeventig jaar nog tal van methodologische en dataproblemen.

Conclusie

Meer dan ooit is het nu tijd om na te denken over een ander begrip van vooruitgang dan het Bruto Binnenlands Product. Het goede nieuws is dat dit nu al op veel plekken gebeurt. Het minder goede nieuws is dat het nog niet is gelukt om de dominantie van het begrip economische groei te doorbreken. Wij geloven erin dat een verdere operationalisatie van het begrip duurzame ontwikkeling de toekomst heeft. Houdbare vooruitgang is hier een goede term voor. Het gaat immers om vooruitgang die niet ten koste gaat van die van toekomstige generaties en mensen elders op de wereld. Een nieuwe definitie van vooruitgang maakt het gemakkelijker om in te zien dat BBP-krimp ook vooruitgang kan zijn. Maar zolang alle voorgestelde veranderingen worden afgemeten aan wat het doet met de economische groei, is er geen ruimte voor beleid dat is gericht op een bredere vooruitgang.

Voetnoten

[1] In deze analyse laten we het buitenland, de overheid en de financiële sector voor de eenvoud buiten beschouwing. Hoewel deze alle drie een cruciale rol spelen in zowel de definitie als het bereiken van vooruitgang, doet dat aan het centrale punt hier (wat missen we bij vooruitgang meten door te kijken naar BBP-groei) niets af.

[2] Deze dimensies zijn huisvesting, inkomen, banen, gemeenschap, scholing, milieu, kwaliteit van bestuur, gezondheid, tevredenheid met leven, veiligheid en de balans tussen werk en privé.

[3] De­­ze negen kerndi­mensies omvatten de ma­­te­riële levens­standaard, eco­nomische on­­ze­ker­­heid, ge­zondheid, scho­ling, per­soon­­lijke acti­viteiten inclusief werk, poli­tie­ke stem en goed be­stuur, sociale ver­ban­den en relaties, mil­ieu en de leef­om­ge­ving en per­soonlijke on­zeker­heid.

Literatuur

Brundtland, G. (1987), Our common future, Report of the World Commission on Environment and Development, UN: New York.

CBS, CPB, SCP en PBL (2014), Monitor Duurzaam Nederland 2014. Uitgeverij PBL/CBS: Den Haag

Cobb, C., T. Halstead en J. Rowe (1995), The genuine progress indicator: summary of data and methodology. San Francisco: Redefining Progress.

Coyle, D. (2014), GDP: A brief but affectionate history, Princeton: Princeton University Press

Daly, H. en J. Cobb (1989), For the Common Good, Beacon Press: Boston.

Europese Commissie (EC; 2013)¸ Progress on 'GDP and beyond' actions, Commission Staff Working Document, SWD(2013) 303

Helliwell, J.F. and R.D. Putnam (2004). The social context of well-being. In F.A. Huppert, B. Keverne and N. Baylis, (eds.). The Science of Wellbeing. Oxford: Oxford University Press, pp. 435-59.

Kinga, S., K. Galay, Phuntsho Rapten en A. Pain (2013), Gross National Happiness : A Set of Discussion Papers, Centre for Bhutan Studies.

Kuznets, S. (1934) National Income, 1929–1932, NBER Bulletin 49, 7 juni 1934.

Meadows, D. D. Meadows, J. Randers and W. W. Behrens III, (1972), Limits to Growth, New York: New American Library.

Nordhaus, W. en J. Tobin (1972), Is growth Obsolete, Economic Research: Retrospect and Prospect Vol 5: Economic Growth

OECD (2014), All on board: making inclusive growth happen, OECD: Parijs.

Sedlacek, T. (2012), De economie van goed en kwaad, Scriptum: Schiedam.

Stiglitz, J., A. Sen en J. Fitoussi (2009), Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress, Parijs.

Stegeman, H. (2014), Kunnen we zonder economische groei? Rabobank Special 19 november 2014.

VN (1990), Human Development Report 1990: Concept and Measurement of Human Development, UNDP: New York.

VN (2014), Human Development Report: Sustaining Human Progress: Reducing Vulnerabilities and Building Resilience, UNDP: New York. 

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666
Ruth van de Belt
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven