RaboResearch - Economisch Onderzoek

Regionale variatie in Europa

Special

Delen:

Na decennia van economische en politieke samenwerking in Europa zijn de economische verschillen tussen staten en regio’s nog altijd fors en lijkt de politieke onenigheid sterker dan ooit. Hoe ziet Europa er op dit moment uit en wat zou het gevolg zijn van het separatisme in een aantal staten voor de economische variatie tussen die staten?

Eén Europa?

Volgend jaar vieren we in (West)-Europa dat hier al zeventig jaar lang sprake is van vrede en welvaart. Een belangrijke pijler onder die vrede en welvaart is de economische en politieke samenwerking tussen de Europese staten. Zeven decennia van integratie hebben nationale politieke tegenstellingen en economische verschillen weliswaar doen afnemen, maar niet doen verdwijnen. Politieke en economische verschillen zijn er nog steeds en deze verlopen veelal langs aloude breuklijnen tussen ‘Noord’ en ‘Zuid’. Een aantal staten wil de economische crisis het hoofd bieden met bezuinigingen, andere willen de overheidsuitgaven juist doen toenemen. De Europese instellingen sturen aan op een ‘Verenigde Staten van Europa’, maar er zijn ook staten -het Verenigd Koninkrijk- die uittreding uit de unie overwegen.

‘Europa’ heeft echter niet alleen betrekking op het verkleinen van tegenstellingen tussen landen, maar zet zich ook in om “. . . de eenheid hunner volkshuishoudingen te versterken en de harmonische ontwikkeling daarvan te bevorderen door het verschil in niveau tussen de onderscheidene gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen” (EEG-verdrag 1957). Ook binnen de Europese staten zijn de verschillen echter nog altijd groot. In een aantal staten lijkt de Europese integratie bovendien niet tot nationale eenheid te hebben geleid, maar is sprake van separatisme. Een aantal regio’s grijpt ‘Europa’ aan om binnen de bescherming van een groter verband onafhankelijk te worden. Het is echter onduidelijk of afgesplitste staten hun lidmaatschap van de Europese Unie kunnen behouden dan wel opnieuw kunnen verwerven.

De Europese staten de maat genomen

Verschillen tussen Europese staten en regio’s komen naar voren in het reële Bruto Regionaal (BRP) en Binnenlands Product (BBP)[1] dat er per inwoner tot stand wordt gebracht[2]. Als de staten in de Europese Economische Ruimte (EER)[3] qua BBP per inwoner met elkaar worden vergeleken, blijkt zowel in 2000 als in 2011[4] sprake te zijn van grote onderlinge verschillen. In beide jaren was Luxemburg met afstand koploper qua welvaart en ook in de andere Noord- en West-Europese landen -waaronder Nederland- was het BBP per inwoner hoger dan gemiddeld in de EER. De Oost-Europese landen waren hekkensluiter en met uitzondering van Italië was ook in de Zuid-Europese landen het BBP per inwoner lager dan gemiddeld (figuur 1).

Figuur 1: Bruto Binnenlands Product per inwoner vergeleken met EU-gemiddelde
Figuur 1: Bruto Binnenlands Product per inwoner vergeleken met EU-gemiddeldeBron: Eurostat

Bij deze welvaartsverschillen spelen de economische structuur en de regionale ongelijkheid in de verschillende landen een grote rol (figuur 2). Hoe groter het aandeel van dienstverlenende activiteiten in de werkgelegenheid en hoe kleiner het aandeel van productieactiviteiten -landbouw, visserij, industrie, nutsbedrijven en bouwnijverheid- en de regionale ongelijkheid, des te hoger is het BBP per inwoner. Deze factoren verklaarden in beide jaren meer dan twee derde van de verschillen in welvaart tussen de Europese staten. Terecht zet Europa zich dan ook in op het versterken van de economische structuur en het terugdringen van regionale ongelijkheid.

De Oost-Europese staten zagen hun welvaart in vergelijking met het Europese gemiddelde toenemen. Hier was na de val van het communisme sprake van een inhaaleffect. In Zuid-Europa en in de meeste West-Europese staten daalde het BBP per inwoner juist ten opzichte van het Europese gemiddelde. Deze relatieve daling was het sterkst in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië. Oost- en West-Europa maakten dus een tegengestelde ontwikkeling door en als gevolg daarvan nam de variatie in BBP per inwoner tussen de Europese staten van 2000 tot 2011 flink af.

Figuur 2: Factoren achter het BBP per inwoner 2000 en 2011 in de EER (logaritmisch getransformeerd; R2 2000 67%, 2011 69%)
Figuur 2: Factoren achter het BBP per inwoner 2000 en 2011 in de EER (logaritmisch getransformeerd; R2 2000 67%, 2011 69%)Bron: Eurostat

Zowel in 2000 als in 2011 was het BBP per inwoner in de eurozone wat hoger dan in de Europese Unie en in de EER als geheel[5]. Het verschil tussen de eurozone en de andere Europese staten werd echter wel kleiner. Bovendien nam de heterogeniteit in de eurozone toe doordat in Luxemburg, Duitsland en de Oost-Europese staten in de muntunie sprake was van een stijging ten opzichte van het Europese gemiddelde en in de andere landen van daling. De eurozone is zich daardoor minder van de rest van de EER gaan onderscheiden.

Rijkgeschakeerd Europa

Niet alleen tussen staten, maar ook tussen regio’s in Europa is sprake van forse verschillen in BRP per inwoner. De indeling in regio’s die hier wordt gehanteerd, stoelt op de Europese indeling in 1.453 regio’s op NUTS3-niveau[6]. Omwille van een ‘eerlijke’ toekenning van de toegevoegde waarde aan de bevolking (zie box Methodologische perikelen) hebben we (groot-)stedelijke NUTS3-regio’s samengevoegd met de aangrenzende regio’s en gaan we in de analyse uit van ruim duizend regio’s. In ons land hebben we de vijftien NUTS3-regio’s in de provincies Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland samengenomen als Randstad.

Box: Methodologische perikelen
De arbeidsproductiviteit wordt normaliter berekend op basis van de toegevoegde waarde die het bedrijfsleven tot stand brengt en de werkgelegenheid die daarvoor nodig is. Informatie over de werkgelegenheid per regio in Europa is echter niet beschikbaar. Daarom publiceren Europese instellingen regionale verschillen in arbeidsproductiviteit doorgaans op basis van de toegevoegde waarde en de bevolkingsomvang per regio. De bevolkingsspreiding verschilt vooral in dichtbevolkte grootstedelijke gebieden echter sterk van de vestigingsplaats van het bedrijfsleven. De productie vindt voor een belangrijk deel plaats in stedelijke centra, terwijl de werkzame beroepsbevolking die deze productie tot stand brengt, veelal buiten deze centra woonachtig is.
Deze koppeling van de toegevoegde waarde en de omvang van de bevolking per regio leidt er toe dat de arbeidsproductiviteit in centrale steden wordt geflatteerd en die in de woongebieden eromheen juist te laag wordt voorgesteld. Door deze manier van meten gaat Centraal-Londen ten onrechte altijd aan kop in de hitlijsten van Europese regio’s. Deze regio telt ruim drie miljoen inwoners, maar vormt het brandpunt van een stedelijke regio met ruim veertien miljoen inwoners. Een groot deel van de arbeidskrachten die werkzaam zijn in Centraal-Londen, woont elders in dit stedelijke gebied. Het BRP van Centraal-Londen komt mede dankzij hun inspanningen tot stand, maar wordt alleen toegerekend aan de inwoners van Centraal-Londen. Daarom hebben we de grote steden samengevoegd met de omringende regio’s.
Een tweede statistisch vraagstuk vormt de wijze waarop de (zeer grote) toegevoegde waarde van delfstoffenwinning wordt toegerekend. In Nederland en het Verenigd Koninkrijk wordt de toegevoegde waarde van de olie- en gaswinning toegerekend aan de regio waar deze plaatsvindt -Overig-Groningen en Aberdeen-, maar in Noorwegen aan een ‘extraterritoriale’ eenheid. Daardoor beïnvloedt de delfstoffenwinning in Nederland en het VK wel de regionale variatie in BRP per inwoner, maar in Noorwegen niet. Hiervoor hebben we echter niet gecorrigeerd.

De interregionale variatie is minder sterk dan de ‘interstatelijke’[7]. Dat is het gevolg van de ongelijkmatige verdeling van regio’s met een hoog of met een laag BRP per inwoner over de staten. De meeste regio’s met een hoog BRP per inwoner liggen in Noord-Europa en in de brede zone die loopt van Londen via de Benelux-landen, Westelijk-Duitsland en het Alpengebied tot in Midden-Italië (figuur 3). Ten westen daarvan zijn Parijs, Noord-Spanje en West-Ierland ‘eilanden van welvaart’, ten oosten van deze zone is dat het geval voor een aantal hoofdstedelijke regio’s. Luxemburg gaat ook onder deze regio’s aan kop, gevolgd door een aantal Zuid-Duitse, Zwitserse en Oostenrijkse regio’s, Oslo, Parijs, Stockholm en Dublin. De hekkensluiters zijn voornamelijk Oost-Europese regio’s, maar ook in enkele Griekse, Portugese en Italiaanse regio’s is het BRP per inwoner zeer laag. Net als voor de Europese staten is voor Europese regio’s hun ligging dus van groot belang voor het BRP per inwoner. In Oost-Europa doen de meeste hoofdstedelijke regio’s -Boedapest, Boekarest, Bratislava, Ljubljana, Praag en Warschau- qua BRP per inwoner niet meer onder voor West-Europa. Daarnaast onderscheiden de regio’s die voor het communistische tijdperk al ontwikkeld waren -Silezië, Tsjechië, Slowakije en Slovenië- zich van de andere Oost-Europese regio’s[8].

Figuur 3: BRP per inwoner in Europese regio’s 2011
Figuur 3: BRP per inwoner in Europese regio’s 2011Bron: Eurostat
Figuur 4: Factoren achter het BRP per inwoner 2000 en 2011 in de EER (logaritmisch getransformeerd; R2 2000 57%, 2011 42%)
Figuur 4: Factoren achter het BRP per inwoner 2000 en 2011 in de EER (logaritmisch getransformeerd; R2 2000 57%, 2011 42%)Bron: OESO

Naast de ligging in Europa zijn de economische structuur en grootstedelijke agglomeratie factoren achter het BRP per inwoner (figuur 4). De toegevoegde waarde per arbeidsplaats is in de diensten doorgaans, maar niet altijd, hoger dan in productieactiviteiten[9]. Als het aandeel van de dienstverlening in de regionale economie tweemaal zo groot wordt, wordt het BRP per inwoner meer dan tweemaal zo groot. In grootstedelijke regio’s gevestigde bedrijven spinnen garen bij samenwerking én concurrentie met andere ondernemingen in de regio en de aanwezigheid van een grote, diverse afzet- en arbeidsmarkt. Een verdubbeling van de bevolkingsdichtheid doet het BRP per inwoner met 7% toenemen. Deze dichtheid is cruciaal. Een groot aantal inwoners alleen -in een uitgestrekte, landelijke regio- had in 2011 geen en in 2000 zelfs een negatief effect op het BRP per inwoner.

Regionale variatie per staat

De invloed van bevolkingsdichtheid verschilt overigens van staat tot staat. In de meeste Oost- en Noord-Europese staten, Frankrijk, Ierland en Zwitserland verklaart de variatie bevolkingsdichtheid meer dan de helft van de regionale verschillen in BRP per inwoner. Economische dynamiek heeft hier in grote mate een grootstedelijk gezicht. In Spanje, Italië, het VK, Duitsland en Nederland speelt bevolkingsdichtheid echter nauwelijks een rol. In ons land, waar in Europees perspectief de verschillen in bevolkingsdichtheid gering zijn, moet de Randstad het gas-rijke Overig Groningen en de industriële regio’s Zeeuws-Vlaanderen en Zuidoost-Brabant qua BRP per inwoner voor laten gaan. In de andere staten is sprake van dynamische steden, zoals Londen, München, Milaan en Barcelona, en van steden met een afkalvende economie, zoals Leeds, Leipzig, Napels en Valencia.

Figuur 5: Regionale variatie in BRP per inwoner in de staten van de EER 2000 en 2011
Figuur 5: Regionale variatie in BRP per inwoner in de staten van de EER 2000 en 2011Bron: Eurostat

Net als voor de Europese staten is ook voor de regio’s in Europa tussen 2000 en 2011 de variatie in BRP per inwoner afgenomen en is deze nivellering voornamelijk te danken aan Oost-Europa. In Oost-Europese regio’s nam het BRP per inwoner doorgaans veel sterker toe dan gemiddeld. Daarbij vertoonden de hoofdstedelijke regio’s de sterkste groei. Als gevolg daarvan namen de verschillen in BRP per inwoner in de meeste Oost-Europese staten toe. Door de groei van het BRP per inwoner in Overig-Groningen, Parijs, München en Stuttgart, werd ook in Nederland, Frankrijk en Duitsland de variatie in BRP per inwoner groter. In de meeste andere staten in de Eurozone en in Zwitserland trad juist afname van de regionale verschillen op (figuur 5).

Beter af alleen?

In verschillende Europese staten -België, Frankrijk, Italië, Spanje, het Verenigd Koninkrijk- zijn politieke stromingen actief die streven naar opsplitsing van de huidige staat. Daarbij spelen -naast culturele verschillen- vaak ook economische argumenten een rol. De af te splitsen regio zou beter af zijn zonder de ‘ballast’ van de andere landsdelen. Op grond van verschillen in BRP lijkt dit economische argument voor een aantal regio’s op te gaan. Vlaanderen, Zuid-Tirool, Veneto, Overig-Padanië (Noord-Italië), Baskenland en Catalonië zouden als zelfstandige staat een hogere positie innemen in de Europese rangorde dan de huidige staten België, Italië en Spanje (figuur 6). Andere regio’s waar de wens tot afsplitsing leeft -Andalusië, Bretagne, Corsica, Schotland en Wales- zouden juist een veel lagere positie innemen dan in het huidige staatsverband. De ‘achterblijvende’ delen van het huidige België en Italië zouden veel slechter af zijn dan nu het geval is, Engeland en Overig-Frankrijk juist beter. Opsplitsing van Duitsland zou de voormalige DDR onder het Europese gemiddelde doen belanden, maar de voormalige BRD een toppositie bezorgen.

Als niet alleen sprake zou zijn van opsplitsing, maar ook van samenvoeging van regio’s tot nieuwe staten, zou een Verenigd Oostenrijk met Zuid-Tirool een hogere positie innemen dan het huidige Oostenrijk. Ierland zou in een Verenigd Ierland -met Noord-Ierland- echter een lager BBP per inwoner kennen dan nu het geval is. Hetzelfde geldt voor Nederland als het met Vlaanderen een Groot-Nederland zou vormen. 

Figuur 6: BBP per inwoner in een aantal staten na opsplitsing 2011
Figuur 6: BBP per inwoner in een aantal staten na opsplitsing 2011Bron: Eurostat

Conclusies

De economische verschillen tussen de Europese staten en regio’s zijn weliswaar fors, maar in de afgelopen jaren wel afgenomen. Oost en West groeiden daardoor naar elkaar toe. Bij deze ‘interstatelijke’ verschillen en nivellering spelen regionale verschillen een belangrijke rol. In een aantal Oost-Europese hoofdsteden bevindt het BRP per inwoner zich inmiddels op ‘Westers’ niveau. Anderzijds tellen de Zuid-Europese landen -en Frankrijk en het VK- nog altijd een groot aantal regio’s met een (relatief) laag BRP per inwoner.

Regionale verschillen in een staat gaan ten koste van de nationale welvaart. In de staten in Noord- en West-Europa met een in ruimtelijk opzicht gelijkmatige welvaartsverdeling is het BBP per inwoner het hoogst. Deze staten bestaan -met andere woorden- voor een groot deel uit welvarende regio’s. De minder welvarende staten in Europa zouden zich dus niet alleen op de ontwikkeling van hun sterkste regio moeten richten, maar juist op de zwakkere regio’s. Naast de economische structuur is -behalve in Duitsland, Italië, Spanje, het VK en Nederland- een grootstedelijk karakter doorgaans een belangrijke factor achter het BRP per inwoner.

Voetnoten

[1] Het Bruto Binnenlands Product is de waarde van de goederen en diensten die in een staat worden geproduceerd, hetzij door ingezetenen van dat land, hetzij door ‘gastarbeiders’. Het Bruto Nationaal Product omvat ook de waarde die door ingezetenen van dat land in andere staten tot stand wordt gebracht.

[2] BBP en BRP maken het weliswaar gemakkelijk om landen en regio’s onderling te vergelijken, maar zijn tegelijkertijd maar een beperkte weergave voor het welzijn dat mensen ervaren. Zie hiervoor onze publicatie ‘Van welvaart naar welzijn’.

[3] De Europese Economische Ruimte bestaat uit de staten van de Europese Unie en IJsland, Noorwegen en Zwitserland. Vanwege de sterke onderlinge verwevenheid van de EER-landen, wordt hier de EER en niet de EU als uitgangspunt genomen. Bovendien is IJsland kandidaat-lidstaat van de EU. Noorwegen heeft het EU-lidmaatschap in 1973 afgewezen, Zwitserland heeft het tot nog toe niet geambieerd.

[4] 2011 was ten tijde van de analyse het meest recente jaar waarover de Eurostat-databank gegevens bevatte.

[5] Samen met regionale variatie en economische structuur verklaart deelname aan de eurozone rond 80% van de verschillen in BBP per inwoner tussen de Europese staten. 

[6] NUTS staat voor ‘Nomenclature des Unités Territoriales Statistiques’, de administratieve indeling van de Europese Unie. Het NUTS3-niveau betreft kleine regio’s voor specifieke analyse en beleidsprogramma’s van de Unie. In Nederland zijn dat de veertig Corop-regio’s. Zeer kleine landen -Cyprus, IJsland, Liechtenstein, Luxemburg en Malta- bestaan uit slechts een of twee NUTS3-regio’s.

[7] Het BBP van de staten in de EER -de deviatievariatie- week in 2011 gemiddeld 41% af van het gemiddelde BBP in de EER. De gemiddelde afwijking van het gemiddelde BRP bedroeg 34%.

[8] Het BRP van deze regio’s valt echter niet alleen toe aan de in die regio’s werkzame personen. Een groot deel vloeit af naar de (buitenlandse) eigenaren van de ondernemingen en de nationale overheden. Als gevolg daarvan bevindt het inkomen per werkzame persoon zich in deze Oost-Europese regio’s vaak (nog) niet op West-Europees niveau.

[9] De variatie in beide typen activiteiten is groot. Naast de zakelijke en financiële dienstverlening vertonen de delfstoffenwinning en de industrie een hoge toegevoegde waarde. Net als de landbouw en de bouwnijverheid kennen de horeca en de zorg een lage toegevoegde waarde.

Delen:
Auteur(s)

naar boven