RaboResearch - Economisch Onderzoek

Regionale prognoses 2015

Special

Delen:

De Nederlandse economie is sinds eind 2008 op z’n zachtst gezegd tumultueus. Na de recessie van 2009 herstelde zij ten dele in 2010 en 2011, gevolgd door een nieuwe recessie die ruim twee jaar aanhield. In het derde kwartaal van 2013 kwam een einde aan deze lange recessie en sindsdien groeit onze economie mondjesmaat. Vooral de uitvoer van goederen en diensten en de investeringen droegen deze groei eind 2013 en begin 2014. Als gevolg van de herstellende arbeids- en woningmarkt en het fors verbeterde consumentenvertrouwen draagt sinds het tweede kwartaal van 2014 ook de huishoudconsumptie bij aan de economische groei, zij het in zeer beperkte mate. Per saldo verwachten wij dat de economie in 2014 met ¾% is gegroeid. Voor 2015 voorzien we een groei van 1½%. De export draagt dan wederom in hoge mate bij aan de Nederlandse groei. Door een aanhoudend herstel van de arbeidsmarkt en een verwachte stijging van het aantal verkopen en van de prijzen van woningen draagt voor het eerst sinds jaren ook de private consumptie in 2015 bij aan de groei.

Door talloze verschillen loopt de economische ontwikkeling van regio’s binnen Nederland sterk uiteen. Zo was in het recessiejaar 2009 in de meeste regio’s sprake van krimp, maar zagen zes regio’s de economie toch groeien. Vanwege de grote regionale verschillen binnen Nederland presenteren we in deze special onze verwachtingen voor de economische ontwikkeling in de veertig Nederlandse COROP-regio’s.  

Macro-economische context

Voor een visie op de Nederlandse economie ontkom je niet aan een uitgebreide blik op de wereld om ons heen. Een derde van onze economische activiteit kunnen we immers toeschrijven aan de uitvoer van goederen en diensten. Maar ook door de uitbreiding van het economische en monetaire beleid in Europa zijn wij steeds meer verweven met de economieën van de landen om ons heen. Daarom schetsen wij in de Visie op 2015 onze economische verwachtingen voor de wereld als geheel en de eurozone, alvorens in te zoomen op Nederland. De mondiale economie zal in 2015 naar verwachting met 3¾% groeien, een lichte versnelling ten opzichte van 2013 en 2014. Belangrijk daarbij is dat deze groeiversnelling vooral plaatsvindt in de VS, het VK en de eurozone. Dat zijn de drie grootste klanten van Nederlandse producten en diensten, dus groei in die landen is gunstig voor de Nederlandse export. Daarnaast ondersteunt de dalende waarde van de euro de export naar de VS en het VK, aangezien Europese producten voor deze landen goedkoper worden.

Het economische herstel in de eurozone loopt behoorlijk achter bij de rest van de wereld. Ook voor 2015 verwachten we met 1¼% een relatief lage groei. Die groei is bij lange na niet hoog genoeg om de verwachte werkloosheid van maar liefst 11¼% tot acceptabele hoogte te brengen. Bovendien kent Europa een aantal zeer grote onevenwichtigheden. Zo duikt de werkloosheid in Duitsland in 2015 waarschijnlijk onder de 5%, terwijl in Spanje volgend jaar ruim 22% van de beroepsbevolking geen werk heeft. De omvang en impact van de hervormingsmaatregelen verschillen sterk, waarbij vooral Italië en Frankrijk ver achterlopen op de rest. Voor hogere economische groei is stimulering vanuit de overheidsbestedingen noodzakelijk, maar in dat opzicht laten de landen die daartoe de mogelijkheden hebben het afweten, zoals Duitsland en in mindere mate Nederland. Al met al zijn we gematigd positief over de beperkte groei in de eurozone, maar langdurige en hogere groei is nodig om de hoge werkloosheid te verlagen.

Dit geldt in zekere zin ook voor Nederland. Ja, er zal sprake zijn van groei, maar hoewel wij met 1½% een verdubbeling van de groei verwachten ten opzichte van 2014 (tabel 1), is dat nog steeds onvoldoende om de opgelopen schade van de afgelopen jaren in te lopen. Zoals gezegd zal het Nederlandse bedrijfsleven volgend jaar profiteren van groei in het buitenland en de dalende euro ten opzichte van de dollar en het pond. Hierdoor groeit de uitvoer en daardoor nemen ook de bedrijfsinvesteringen toe (tabel 1). Ook de woninginvesteringen door huishoudens stijgen volgend jaar. Het aantal woningtransacties groeit sinds halverwege 2013 en is inmiddels terug op het niveau van eind 2008. Onze verwachting is dat deze stijging in 2015 doorzet en dat ook de prijzen volgend jaar toenemen. Op de arbeidsmarkt voorzien we eveneens een aanhoudend herstel. De werkgelegenheid groeit naar verwachting met 0,8%, waardoor de werkloosheid afneemt van 6¾% in 2014 naar 6¼% in 2015 [1] (tabel 1) en het gemiddelde besteedbare inkomen van huishoudens toeneemt. Wij verwachten echter geen uitbundige groei van de consumptieve bestedingen. De werkloosheid is nog steeds erg hoog en veel huishoudens zijn sinds de Grote Recessie voorzichtiger geworden met hun uitgaven. Zij hebben de neiging om de stijging van het beschikbare inkomen te gebruiken voor (deels door de overheid gedwongen/gestimuleerde) aflossing van schulden of opbouw van vermogen. Voor een sterkere groei van de consumptie zal de werkloosheid verder moeten afnemen en/of de overheid stimulerende maatregelen moeten treffen om de inkomensgroei van huishoudens te verhogen.

Groei in vrijwel alle sectoren

Hoewel wij vanwege de beperkte economische groei en de nog steeds hoge werkloosheid niet alleen maar positief zijn over de economische vooruitzichten, zijn we wel te spreken over het feit dat de groei volgend jaar breder wordt gedragen dan in 2014. Dat houdt in dat wij verwachten dat niet alleen het exporterende, maar ook het op de binnenlandse markt gerichte bedrijfsleven zal bijdragen aan de groei. Daardoor verwachten wij groei in vrijwel alle sectoren (figuur 1). De verwachte groei van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid  in Nederland als geheel bedraagt 1,5 respectievelijk 0,8%. De zestien onderscheiden sectoren in de figuur wijken daar in meer of mindere mate van af. De omvang van de bol staat voor de toegevoegde waarde in de sector. Hoewel de verschillen groot zijn, is de groei in de meeste sectoren positief, zowel qua toegevoegde waarde als qua werkgelegenheid. Een uitgebreide beschrijving van onze sectorprognoses vindt u in Rabobank Cijfers & Trends; Sectorprognoses 2015.

Tabel 1: Kerngegevens Nederland
Tabel 1: Kerngegevens NederlandBron: Rabobank
Figuur 1: Sectorprognoses 2015
Figuur 1: Sectorprognoses 2015Bron: Rabobank

Groei van de toegevoegde waarde gaat niet altijd gepaard met werkgelegenheidsgroei. In de afgelopen jaren is de productie in veel sectoren harder gedaald dan de werkgelegenheid. Het gevolg is een lagere arbeidsproductiviteit en een hogere output gap. In die situatie is de potentiële productie (bij een gegeven productiecapaciteit) dusdanig veel hoger dan de werkelijke productie dat bedrijven hun productie kunnen opschroeven zonder extra personeel aan te nemen. Economische groei leidt dan niet (direct) tot meer banen. Bovendien leiden technologische ontwikkelingen tot een alsmaar toenemende arbeidsproductiviteit, waardoor meer kan worden geproduceerd met dezelfde hoeveelheid personeel. Onze verwachting voor een aantal, voornamelijk kapitaalintensieve, sectoren illustreert dit. In die sectoren, zoals de groothandel en de industrie, kan de groei van de toegevoegde waarde worden opgevangen door het huidige personeel. In andere sectoren, zoals de detailhandel, de horeca en de bouw, is het lastiger om de productiviteit te verhogen zonder extra personeel en zal de stijging van de toegevoegde waarde dus gepaard gaan met een groei van de werkgelegenheid.

Regionale verschillen in sectorstructuur

Op de korte termijn bepaalt de sectorstructuur van het bedrijfsleven een groot deel van de regionale economische ontwikkelingen. Een uiteenlopende ontwikkeling van de verschillende bestedingscomponenten van het Bruto Binnenlands Product (BBP) op macro-economische schaal zorgt voor verschillen in de groei of krimp van de sectorale productie en werkgelegenheid. Door verschillen in sectorstructuur per regio zorgt dit weer voor een uiteenlopende regionale economische ontwikkeling. Voor we de prognoses voor 2015 beschrijven, schetsen we daarom eerst een beeld van de regionale verschillen in sectorstructuur.

Nederlandse sectorstructuur

Ongeveer 80% van de Nederlandse werkgelegenheid komt voor rekening van dienstverlenende sectoren (figuur 2). De fysieke productie (landbouw, industrie en bouwnijverheid) maakte in 2013 slechts ongeveer 20% van de werkgelegenheid uit. Door verschillen in arbeidsproductiviteit zijn er grote verschillen in het belang van de sectoren in de werkgelegenheid en in de productie. Industrie, groothandel en de verhuur en verkoop van onroerend goed zijn sectoren met een hoge arbeidsproductiviteit, waardoor het aandeel in de werkgelegenheid veel kleiner is dan het aandeel in de totale productie (figuur 2). Detailhandel, zorg en zakelijke dienstverlening zijn juist arbeidsintensieve sectoren, waardoor het aandeel in de totale werkgelegenheid van die sectoren hoger is dan het aandeel in de productie.

De sectorstructuur verschilt sterk tussen de Nederlandse regio’s. Figuur 3 geeft voor iedere regio per sector het verschil weer tussen het regionale aandeel in de werkgelegenheid en het nationale aandeel. Van links naar rechts bewegen we dus van de meest ‘normale’ regio, Veluwe, naar de meest ‘abnormale’ regio, Groot-Amsterdam. Los van de mate waarin de regionale werkgelegenheidsverdeling op die van Nederland als geheel lijkt, zijn er regio’s waarin één of twee dan wel juist meer sectoren bepalend zijn voor de afwijking van de sectorstructuur. In Noord-Overijssel zijn acht sectoren oververtegenwoordigd en acht sectoren ondervertegenwoordigd. In Zuidoost-Brabant en Arnhem/Nijmegen is die verhouding schever en is bovendien één enkele sector sterk oververtegenwoordigd. Dat is de industrie in Zuidoost-Brabant en de zorg in Arnhem/Nijmegen.

Figuur 2: Sectorstructuur Nederland, 2013
Figuur 2: Sectorstructuur Nederland, 2013Bron: Rabobank, LISA
Figuur 3: Afwijking van Nederlandse werkgele-genheidsstructuur, 2013
Figuur 3: Afwijking van Nederlandse werkgele-genheidsstructuur, 2013Bron: LISA

Regionale prognoses 2015

In het hoofdstuk Macro-economische context las u een beknopte versie van onze visie op de Nederlandse economie en onze verwachtingen voor 2015: een groei van het Bruto Binnenlands Product van 1,5%. Waar de beperkte groei in 2014 voor het overgrote deel uit het buitenland moest komen, verwachten wij voor komend jaar een breder gedragen economische groei. Daarmee bedoelen we niet alleen breed gedragen door de verschillende sectoren, maar ook door de verschillende regio’s. Kaart 1 illustreert dit. De blauwe regio’s in de kaart kunnen een hogere groei verwachten dan landelijk, de oranje regio’s zitten volgens onze prognose onder het landelijke gemiddelde. Maar zoals gezegd voorzien we groei in alle regio’s. Er zijn echter wel noemenswaardige verschillen, variërend van 1,0% in Zuidwest-Friesland tot 2,3% in Het Gooi en Vechtstreek.

Hoge of lage groeiverwachtingen hangen samen met onze sectorprognoses (figuur 1) en het belang van die sectoren in het totale Bruto Regionaal Product. Ter illustratie: in Het Gooi en Vechtstreek bedraagt het belang van de groothandel in de totale regionale productie maar liefst 27% en juist voor die sector hebben wij hoge verwachtingen. In Zuidoost-Drenthe is het belang van delfstoffen en nutsvoorzieningen relatief zeer groot, eveneens een sector met een perspectief op sterke groei in 2015. Dat biedt ook groeikansen voor het westelijke deel van Groningen. De groei in de regio’s rondom Utrecht, Amsterdam en Rotterdam is naar verwachting net bovengemiddeld. In de regio’s met een relatief lage groeiverwachting zijn de groeisectoren minder sterk vertegenwoordigd, zoals de groothandel in Zeeuws-Vlaanderen en Friesland, of is de overheid sterk oververtegenwoordigd, zoals in Noord-Friesland, de kop van Noord-Holland, de Veluwe en natuurlijk de regio rondom Den Haag.

Kaart 1: Groeiprognose Bruto Regionaal Product
Kaart 1: Groeiprognose Bruto Regionaal Product Bron: Rabobank
Kaart 2: Groeiprognose werkgelegenheid
Kaart 2: Groeiprognose werkgelegenheidBron: Rabobank

Ook voor wat betreft de werkgelegenheid voorzien wij groei in alle regio’s. In Nederland als geheel stijgt het aantal banen naar onze verwachting met 0,8%, in de regio’s variërend van 0,3% in Zeeuws-Vlaanderen tot 1,1% in Noord-Drenthe. In de regio’s met de laagste verwachte werkgelegenheidsgroei, Zeeuws-Vlaanderen, Noord- en Midden-Limburg, Twente, Zuidwest-Drenthe en oost-Groningen, is de industrie een grote sector qua werkgelegenheid. Hoewel we voor die sector in 2015 een groei van de toegevoegde waarde verwachten, zal de werkgelegenheidsgroei nog achterblijven. De groei van de toegevoegde waarde kan nog worden opgevangen met het huidige personeel. Het grote belang van de industrie in die regio’s gaat ten koste van het belang van de zakelijke dienstverlening, een sector waarin wij juist een relatief sterke groei van het aantal banen verwachten. De vier sterkste groeiregio’s zijn Noord-Drenthe, Agglomeratie Haarlem, Het Gooi en Vechtstreek en Delft en Westland. In die regio’s zien we veel minder sectoren die eruit springen en de hoge groei verklaren. Over het algemeen zijn de groeisectoren daar net iets sterker vertegenwoordigd dan landelijk. 

Gevolgen voor werkloosheid

De groei van de werkgelegenheid heeft een neerwaarts effect op de werkloosheid. De ontwikkeling van de werkloosheid is echter niet alleen afhankelijk van de werkgelegenheidsgroei. Werkloosheid is een gevolg van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, dus ook de ontwikkeling van het arbeidsaanbod, de beroepsbevolking, speelt een rol. Bovendien werkt lang niet iedereen in de regio waarin hij of zij woont, waardoor werkgelegenheidsontwikkelingen in de ene regio van invloed zijn op de werkloosheid in andere regio’s. Als de werkgelegenheid in Groot-Amsterdam toeneemt, zullen vooral de inwoners van die regio daarvan profiteren, maar in mindere mate ook die van omliggende gebieden. Door rekening te houden met pendelgegevens is berekend wat de gevolgen zijn van de verwachte werkgelegenheidsontwikkelingen in alle regio’s voor de omvang van de werkzame beroepsbevolking in alle regio’s. Daarmee is de prognose voor de werkzame beroepsbevolking bekend. Welke gevolgen dit heeft voor de werkloosheid is zoals gezegd ook afhankelijk van de ontwikkeling van de totale beroepsbevolking (het arbeidsaanbod). Een stijging van dat aanbod heeft een opwaarts effect op de werkloosheid en andersom. Zo kan het voorkomen dat een stijging van de werkzame beroepsbevolking gepaard gaat met een hogere werkloosheid als de stijging van de beroepsbevolking nog groter is.

Kaart 3 toont de verwachte ontwikkeling van de beroepsbevolking in 2015. Landelijk blijft de beroepsbevolking nagenoeg gelijk, maar ook hiervoor gelden grote regionale verschillen. Vooral in de perifere regio’s verwachten wij een krimp van de beroepsbevolking, als gevolg van demografische ontwikkelingen. De stijging van de pensioenleeftijd weegt daar niet op tegen het vertrek van jongeren. Vooral in het midden en het westen van het land zal de beroepsbevolking toenemen, zij het in beperkte mate.

Kaart 3: Groeiprognose beroepsbevolking
Kaart 3: Groeiprognose beroepsbevolking Bron: Rabobank

Als we de groei van de werkgelegenheid en de beroepsbevolking samen bekijken (figuur 4), blijkt een zeer sterke relatie tussen beide. Waar de werkgelegenheid sterk groeit, is ook de verwachte groei van de beroepsbevolking sterker. Dat heeft deels te maken met het karakter van de regio’s. Zeeuws-Vlaanderen is bijvoorbeeld een krimpregio, wat inhoudt dat niet alleen de bevolking, maar ook de werkgelegenheid afneemt. Werknemers volgen het werk, maar het omgekeerde geldt ook. De tweede oorzaak is dat werknemers worden aangemoedigd om deel te nemen aan het arbeidsproces als de werkgelegenheid toeneemt en zij daardoor kansen zien op de arbeidsmarkt. Als de werkgelegenheid daalt en werknemers verliezen hun baan, kunnen zij worden ontmoedigd en uit de beroepsbevolking stappen.

Figuur 4: Werkgelegenheid en beroepsbevolking
Figuur 4: Werkgelegenheid en beroepsbevolkingBron: Rabobank

Waar de werkgelegenheid relatief hard groei, neemt dus ook de beroepsbevolking harder toe. Dat betekent dat de groei van de beroepsbevolking het effect van de werkgelegenheidsgroei op de werkloosheid remt. Kaart 4 toont de werkloosheidsgroei in procentpunten. Zo verwachten wij de sterkste daling van de werkloosheid in Zeeuws-Vlaanderen, terwijl daar naar verwachting de laagste werkgelegenheidsgroei zal plaatsvinden. De daling van de beroepsbevolking is daar echter waarschijnlijk zeer groot, waardoor de werkloosheid sterk afneemt. In Flevoland, Overig Groningen, Delft en Westland, Agglomeratie Haarlem en Het Gooi en Vechtstreek geldt het omgekeerde. De relatief sterke werkgelegenheidsgroei gaat daar gepaard met een forse groei van de beroepsbevolking, waardoor de werkloosheid maar beperkt afneemt. Wel verwachten we voor alle regio’s een daling van de werkloosheid.

Onze prognose voor de Nederlandse werkloosheid in 2015 is 7,6% [2]. Deze is met 5,0% het laagst in Zeeuws-Vlaanderen, wat zoals gezegd een gevolg is van de krimpende beroepsbevolking, en met 9,8% het hoogst in Groot-Rijnmond. Ook Agglomeratie Den haag en Groot-Amsterdam komen met 9,1 en 8,2% slecht uit de verf. De grootstedelijke regio’s hebben door hun hoge dichtheid van voorzieningen en werkgelegenheid een grote aantrekkingskracht op vooral jongvolwassenen, met een relatief sterke groei van de beroepsbevolking en een opwaarts effect op de werkloosheid als gevolg. Dat geldt in nog sterkere mate voor Flevoland, de regio met sinds haar bestaan verreweg de sterkste bevolkingsgroei. De hoge werkloosheid in het noorden is vooral het gevolg van de dalende werkgelegenheid in de afgelopen jaren.

Kaart 4: Prognose werkloosheidsgroei
Kaart 4: Prognose werkloosheidsgroei Bron: Rabobank
Kaart 5: Prognose werkloosheid
Kaart 5: Prognose werkloosheidBron: Rabobank

Wie is de winnaar?

Samenvattend kunnen we stellen dat de regio’s zeer wisselend scoren als we kijken naar de ontwikkeling van de toegevoegde waarde, de werkgelegenheid, de beroepsbevolking en de werkloosheid. Sterke groei van de productie gaat lang niet altijd gepaard met een hoge werkgelegenheidsgroei, een hoge werkgelegenheidsgroei leidt niet altijd tot een sterke daling van de werkloosheid en in regio’s met hoge groeicijfers en een daling van de werkloosheid komen we toch vaak nog een hoge werkloosheid tegen. Figuur 5 illustreert dit. Daarin zijn de regio’s ingedeeld in vier kwadranten, waarbij de assen overeenkomen met de landelijke groeicijfers. Voor regio’s rechts onderin verwachten wij een relatief hoge groei van de toegevoegde waarde en een relatief sterke daling van de werkloosheid. Een gunstig kwadrant dus. Het tegenovergestelde geldt voor het kwadrant linksboven. Zo beschouwd lijkt Zuidoost-Drenthe de winnaar, gevolgd door Delfzijl en omgeving en Zuidwest-Gelderland, en zijn de regio’s in het kwadrant linksboven de verliezers. De omvang van de bollen staat echter voor de werkloosheid. In Zuidoost-Drenthe en Delfzijl en omgeving bedraagt de werkloosheid in 2015 naar verwachting 8,1 en 9,2%. De beweging van die regio’s is dus positief, maar ze moeten dan ook van ver komen. Bovendien is de gunstige ontwikkeling van de werkloosheid in Zuidoost-Drenthe ten dele te danken aan de afname van de beroepsbevolking. In Agglomeratie Haarlem en op de Veluwe, waar we voor volgend jaar een relatief lage groei van de toegevoegde waarde en een beperkte daling van de werkloosheid verwachten, is de voorspelde werkloosheid met 6,9 en 5,9% veel lager. De laagste werkloosheid vinden we in Zeeuws-Vlaanderen, maar hoewel de daling van die werkloosheid positief is, is de dynamiek in die regio ver te zoeken. In Het Gooi- en Vechtstreek neemt de werkloosheid niet erg hard af, maar dat komt doordat de bevolkingsdynamiek daar juist zorgt voor een stijging van het arbeidsaanbod. Daardoor is de toename van de werkgelegenheid in die regio minder sterk terug te zien in de ontwikkeling van de werkloosheid.

Het is dus maar net waar je de meeste waarde aan hecht. Om nog één keer terug te komen op onze Visie op 2015: ons beeld voor volgend jaar is dat de Nederlandse economie harder groeit dan in 2014, maar die groei is onvoldoende om de opgelopen schade teniet te doen. De werkloosheid is gedaald, maar nog steeds hoog. Langdurige en het liefst hogere groei is nodig om de werkloosheid weer op een acceptabel peil te krijgen. Zo beschouwd zijn economische groei (de groei van de toegevoegde waarde) en het niveau van de werkloosheid belangrijke graadmeters (figuur 6). Op basis van die twee indicatoren zijn de regio’s rechts boven in figuur 6 volgend jaar het beste af en kunnen we Het Gooi en Vechtstreek de verwachte winnaar van 2015 noemen. 

Figuur 5: Wie is de winnaar?
Figuur 5: Wie is de winnaar?Bron: Rabobank
Figuur 6: Toegevoegde waarde en werkloosheid
Figuur 6: Stand en groei werkloosheidBron: Rabobank

Voetnoten

[1] De werkloosheidscijfers in tabel 1 zijn gebaseerd op de internationale definitie. Het belangrijkste verschil met de nationale definitie is dat iemand tot de beroepsbevolking behoort als hij of zij aangeeft minimaal één uur per week beschikbaar te zijn voor werk terwijl de nationale definitie een drempelwaarde van twaalf uur hanteert. Het nadeel van de nationale definitie is dat internationale vergelijkingen niet mogelijk zijn. Het nadeel van de internationale definitie is dat deze niet beschikbaar is op lage geografische niveaus (gemeenten). Ons prognosemodel hanteert daarom de nationale definitie. Volgens die definitie daalt de werkloosheid naar verwachting van 8,3% in 2014 naar 7,6% in 2015.

[2] Nederlandse definitie.

Delen:
Auteur(s)

naar boven