RaboResearch - Economisch Onderzoek

Zorg in de regio's

Special

Delen:

Gezondheid wordt door veel mensen beschouwd als zeer belangrijk in hun leven. Daarom is de gezondheidszorg een buitengewoon belangrijke sector voor het welzijn van mensen.
De gezondheidszorg is met een omvang van 12 procent van het BBP tevens een belangrijke sector in de Nederlandse economie. Tot de gezondheidszorg behoren de deelsectoren verpleging en verzorging, thuiszorg, gehandicaptenzorg (care) en ziekenhuizen, (para)medische vrije beroepen en geestelijke gezondheidszorg (cure). Ruim 1,3 miljoen mensen verdienen hun brood in de zorgsector (goed voor 16 procent van de totale werkgelegenheid) en nog eens 2,5 miljoen mensen zijn vrijwilliger [1].

U kunt deze publicatie hier als pdf-bestand downloaden.  

De omvang van de gezondheidszorg zal blijven toenemen, vooral vanwege de stijgende vraag door demografische ontwikkelingen (bevolkingsgroei en vergrijzing), verbetering van de medische technologie (toenemende levensverwachting) en een toename van het inkomen (groter belang van kwaliteit van leven). De stijgende zorgvraag leidt tot een onhoudbare bekostiging, zowel op lokaal, regionaal als nationaal niveau. Dat betekent dat keuzes moeten worden gemaakt om de zorg in de toekomst betaalbaar te houden. Daarbij gaat het vooral om de vraag welke zorg nog collectief gefinancierd kan worden en hoe de toegang tot zorg voor iedereen goed geregeld kan blijven. Burgers krijgen bijvoorbeeld met hogere financiële zorglasten te maken. Ook zullen zij een grotere rol moeten vervullen in het verlenen van zorg aan hulpbehoevenden in hun naaste omgeving. Vanwege de groei van de sector richten steeds meer ondernemers zich op de zorg als afzetmarkt. Nederland telt inmiddels circa 100.000 vestigingen [2] in de zorgsector.

Deze Special biedt inzicht in de huidige- en toekomstige zorgvraag, de zorguitgaven, het zorgaanbod en de stand van zaken op de arbeidsmarkt in veertig regio’s [3]. Door een confrontatie met de (toekomstige) zorgvraag en het huidige zorgaanbod in de regio, ontstaat een beeld van de regionale situatie en in welke mate deze afwijkt van andere regio’s in Nederland. De gepresenteerde informatie biedt een goed vertrekpunt voor het ontwikkelen van een toekomstvisie, een zorgaanbodplan of om de samenwerking met zorgpartners vorm te geven.

Voetnoten:

[1] Rabobank – Branche Informatie Gezondheidszorg. www.rabobank.nl/gezondheidszorg

[2] Locatie van een onderneming, instelling of zelfstandige beroepsbeoefenaar (dat wil zeggen elke fabriek, werkplaats, kantoor, winkel of andere bedrijfsruimte, dan wel elk complex daarvan) waarin of van waaruit een economische activiteit of zelfstandig (vrij) beroep wordt uitgeoefend door minimaal 1 werkzaam persoon. Bron: LISA Vestigingenregister.

[3] Voor de regio-indeling hanteren wij de COROP-regio’s. Elk COROP-gebied bestaat uit een kern met omliggend verzorgingsgebied en valt binnen de provinciale grenzen. Zie kaart 1 voor een overzicht van de regio’s.

Hoofdstuk 1: Economisch belang van de zorgsector

De zorg is een van de grootste en snelst groeiende sectoren van Nederland. Regionaal zijn er aanzienlijke verschillen in de grootte van de zorgsector.

Belang zorg in regionale economie

De economische structuur van een regio verandert door de jaren niet of nauwelijks. Dit betekent dat sectoren die momenteel in een bepaalde regio relatief belangrijk zijn hoogstwaarschijnlijk ook in de toekomst het gezicht van de regio bepalen. Zo kennen we in Nederland typische agrarische regio’s (vooral in het noorden van het land), industrie regio’s zoals IJmond, Zuid-Limburg, Delfzijl en omgeving en Zeeuws-Vlaanderen en regio’s waar de zakelijke dienstverlening de hoofdrol speelt (voornamelijk de Randstad). Deze structuur komt voornamelijk voort uit factoren als ligging (Rotterdam en Amsterdam hebben nu eenmaal een haven) en historie en is nauwelijks een uitkomst van economisch beleid. De zorg is in veel regio’s een belangrijke motor van de economie. Regionaal gezien zien we grote verschillen in de bijdrage van de gezondheidszorg aan de bruto toegevoegde waarde, investeringen en werkgelegenheid in de veertig regio’s [4]

Kaart 1: Veertig Nederlandse regio’s

Kaart 1: Veertig Nederlandse regio’s

Bron: CBS

Noord-Drenthe, Agglomeratie Leiden en Bollenstreek en Arnhem/Nijmegen kunnen we typeren als typische ‘zorgregio’s’ (figuur 1.1). In Noord-Drenthe is de zorgsector verantwoordelijk voor bijna 20 procent van de totale bruto toegevoegde waarde in de regio. In Agglomeratie Leiden en Bollenstreek en Arnhem/Nijmegen geldt dit voor 15 procent. In IJmond, Groot-Amsterdam en Delfzijl en omgeving is deze bijdrage met circa 6 procent het laagst. In termen van investeringen zien we dat de zorgsector in de regio’s Zaanstreek, Zuidoost-Zuid-Holland en Noord-Drenthe met ieder 7 procent het meeste investeert. In Delft en Westland, Flevoland en Delfzijl en omgeving het minste.

Figuur 1.1: Aandeel zorgsector in de totale bruto toegevoegde waarde van de regio, 2011
Figuur 1.1: Aandeel zorgsector in de totale bruto toegevoegde waarde van de regio, 2011Bron: Rabobank
Figuur 1.2: Aandeel zorgsector in de totale investeringen van de regio, 2011
Figuur 1.2: Aandeel zorgsector in de totale investeringen van de regio, 2011Bron: Rabobank

Werkgelegenheid

De zorg is anno 2013 na de handelssector (groot- en detailhandel) de grootste werkgelegenheidssector van Nederland: op een totale beroepsbevolking van bijna 7,9 miljoen mensen zijn inmiddels al ruim 1,3 miljoen mensen werkzaam in de zorg. Binnen de zorgsector is de gezondheidszorg (onder andere ziekenhuizen) de grootste branche met 43 procent van de werkgelegenheid, gevolgd door de verpleging, verzorging en begeleiding met overnachting (onder andere verpleeg- en verzorgingshuizen) (32 procent). In de maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting (onder andere thuiszorg) zijn een kwart van de mensen in de zorg werkzaam. De zorg biedt werkgelegenheid voor personen met verschillende opleidingsniveaus. De Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) en de ziekenhuizen bieden relatief veel werkgelegenheid op hoog niveau (hbo-plus), de verpleging en verzorging op de lagere niveaus. De gehandicaptenzorg neemt een tussenpositie in (UWV, 2013).

Circa 16 procent van de werknemers werkt in de zorgsector. Noord-Drenthe (24 procent), agglomeratie Leiden en Bollenstreek (23 procent) en Arnhem/Nijmegen (21,7 procent) zijn de regio’s met relatief gezien de meeste werkgelegenheid in de zorg. Dus zowel in termen van bruto toegevoegde waarde als in termen van werkgelegenheid speelt de zorgsector in deze drie regio’s een grote rol in de regionale economie. Delft en Westland (12,7 procent), Groot-Amsterdam (12,2 procent) en Zuidwest-Gelderland (11,6 procent) bieden relatief de minste werkgelegenheid in de zorg. In absolute aantallen zijn het juist de grootstedelijke regio’s Utrecht, Groot-Rijnmond en Groot-Amsterdam die de meeste werkgelegenheid bieden met respectievelijk 106.000, 103.000 en 102.000 banen.

Kaart 2: Aandeel banen in de zorgsector, 2012

Kaart 2: Aandeel banen in de zorgsector, 2012

Bron: CBS

In de periode (2000-2012) is in alle regio’s in Nederland (met uitzondering van agglomeratie Haarlem) de werkgelegenheid in de zorg sterker gegroeid dan de totale werkgelegenheid. Sinds 2000 is de werkgelegenheid in de zorg met 12 procent toegenomen. Relatief gezien groeide de werkgelegenheid in de zorg in dit tijdsbestek in Flevoland (104 procent) en Zuidoost-Drenthe (72 procent) het hardst. De enorme bevolkingsgroei die Flevoland het afgelopen decennium heeft doorgemaakt als gevolg van de expansie van de woningbouw, ligt hieraan ten grondslag. In regio IJmond groeide de werkgelegenheid in de zorg met 6 procent het minst. In agglomeratie Haarlem was er zelfs sprake van krimp van de werkgelegenheid (3 procent). Het aantal banen in de zorg in Nederland is in 2012 ten opzichte van 2011 met 1,1 procent toegenomen. De vergrijzing is hier onder andere de oorzaak van. Dit staat haaks op de totale werkgelegenheid in Nederland die in 2012 ten opzichte van het jaar ervoor juist met 0,7 procent is afgenomen. In 2011 steeg de werkgelegenheid in de zorg nog met 1,7 procent ten opzichte van 2010. Nog steeds laat zorg en welzijn als enige sector banengroei zien, maar wel op een lager pitje dan voorheen.

Ook het aantal vestigingen is de afgelopen jaren sterk gestegen, van circa 46.000 in 2000 tot bijna 106.000 in 2012. Binnen de zorgsector is het aantal vestigingen sinds 2000 het meest gestegen in de maatschappelijke dienstverlening (160 procent). In absolute zin heeft de gezondheidszorg met ruim 65.000 de meeste vestigingen, gevolgd door de maatschappelijke dienstverlening met ruim 33.000. Er zijn ruim 7.100 vestigingen die gespecialiseerd zijn in de verpleging, verzorging en begeleiding met overnachting.

Alle drie de zorgbranches worden gekenmerkt door kleinschaligheid, de meeste vestigingen zijn namelijk te typeren als Zelfstandigen Zonder Personeel. Groot-Amsterdam (bijna 4.300), Utrecht (ruim 4.100) en Arnhem/Nijmegen (bijna 2.900) zijn de regio’s met de meeste ZZP’ers in de gezondheidszorg. Het grootbedrijf (vestigingen met meer dan 100 werknemers) is voornamelijk in de Randstad geconcentreerd (Utrecht, Groot-Amsterdam en Groot-Rijnmond) vanwege de grote afzetmarkt. Deze regio’s huisvesten ook grote academische ziekenhuizen. In Utrecht en Groot-Rijnmond liggen de meeste grote instellingen met als specialisatie verpleging, verzorging en begeleiding met overnachting.

Voetnoot

[4] Kaart 1 toont de veertig Nederlandse regio’s die we hierbij onderscheiden.

Hoofdstuk 2: Zorgvraag

Het aantal inwoners is van belang voor de zorgvraag in een regio. Ook de leeftijdssamenstelling, de sociaal-economische status en de herkomst van de bevolking bepalen de mate van zorgvraag [5].

In Nederland zal de bevolking naar verwachting tot 2025 nog met 4 procent groeien. Regionaal gezien is echter sprake van grote verschillen. In grootstedelijke regio’s als Groot-Amsterdam, Utrecht en agglomeratie ’s-Gravenhage groeit de bevolking in deze periode naar verwachting met 10 procent. Er zijn ook regio’s waarbij er sprake is van bevolkingskrimp, onder andere in Oost-Groningen (-5 procent), Delfzijl en omgeving (-9 procent), Zeeuws-Vlaanderen (-4 procent) en Zuid-Limburg (-5 procent).

Leefstijl en gezondheid op Nederlands niveau

Leefstijl heeft invloed op de gezondheid van mensen, zowel positief als negatief, en dus op de zorgvraag. Onvoldoende beweging en een ongezond voedingspatroon zijn belangrijke risicofactoren voor een aantal chronische ziekten, waaronder sommige vormen van kanker, hart- en vaatziekten en diabetes mellitus type 2. De overheid en gelieerde gezondheidsinstanties proberen de risicofactoren die ten grondslag liggen aan deze negatieve effecten op de gezondheid dan ook middels voorlichting over leefstijl te beperken. Met als doel om daardoor de toename van de zorgvraag te beperken.

In de gezamenlijke gezondheidsmonitor (2013) van CBS, RIVM en GGD geeft ruim driekwart van de Nederlanders aan de gezondheid als goed of zeer goed te ervaren. Bijna 23 procent van de bevolking (vanaf 19 jaar) rookt, ruim 10 procent kan worden geclassificeerd als een zware drinker [6] en bijna de helft van de bevolking heeft overgewicht [7]. Circa 65 procent van de personen voldoet aan de norm ‘gezond bewegen’ [8] en een kwart aan de ‘fitnorm’[9].

(Regionale) Gezondheidsverschillen naar sociaal-economische status en bevolkingssamenstelling

In de regio’s in Friesland, Het Gooi en Vechtstreek, Oost-Zuid-Holland en Noord-Overijssel ervaart meer dan 80 procent van de bevolking zijn of haar gezondheid als (zeer) goed. De bevolking in Zuid-Limburg is het minst positief over hun gezondheid, hoewel in deze regio nog steeds ruim 70 procent van de volwassenen zijn of haar gezondheid (zeer) goed vindt (CBS et al, 2013).

Als we kijken naar gestandaardiseerde sterftecijfers, chronische aandoeningen, psychische aandoeningen en mensen met (extreem) overgewicht, komen Oost-Groningen en Zuid-Limburg het slechtst uit de bus. Dit heeft voor een deel te maken met de gemiddelde leeftijd van de bevolking, waardoor het aantal chronische aandoeningen relatief hoger ligt dan in andere regio’s. In het zuiden van Limburg speelt de (vroegere) industriële vervuiling de bewoners parten. Veel voormalige werknemers uit de mijnbouw kampen met gezondheidsproblemen (Rutten, 2012). Tevens heeft de regio veel last van industriële (lucht-)vervuiling vanuit het gebied zelf, maar ook vanuit de grensgebieden. De belangrijkste oorzaken voor Oost-Groningen lijken te liggen in de samenhang tussen een vergrijsde bevolking en de sociaal-economische achterstand (Zorg Innovatie Forum, 2009).

Sociaal-economische status
Opleidingsniveau, beroep en inkomen zijn indicatoren die de sociaaleconomische status van mensen bepalen. De sociaaleconomische status en de gezondheidstoestand van mensen vertonen een sterke samenhang. Zo hebben mensen met een lage sociaaleconomische status meer ziekten en beperkingen, een kortere levensverwachting en maken over het algemeen meer gebruik van zorg. Bij mensen met een lage opleiding (lager onderwijs, lbo of mavo) is het percentage rokers duidelijk groter dan bij mensen met een hoge opleiding (hbo of universiteit). Bij alcoholgebruik is dit juist andersom. Van de mensen met een lage opleiding geeft 66 procent aan alcohol te drinken en van de hoogopgeleiden 90 procent. Daarentegen komt zwaar alcoholgebruik meer voor bij mensen met een lage opleiding dan bij mensen met een hoge opleiding. Verder eten volwassenen met een hoog opleidingsniveau gemiddeld meer groente en fruit dan mensen met een lage opleiding. Het gaat dan om een klein, maar significant verschil (CBS, 2012c).

Over het algemeen hebben inwoners van regio’s aan de randen van het land gemiddeld een lagere sociaal-economische status. Ook een groot deel van de niet-westerse allochtonen, voornamelijk woonachtig in zeer sterk stedelijke gemeenten, een lagere sociaal-economische status. Daarnaast ligt in zeer sterk stedelijke gemeenten het aandeel inwoners dat afhankelijk is van een bijstandsuitkering in 2012 (8 procent) een stuk hoger dan in de landelijke gemeenten (2 procent). Een hogere sociaaleconomische status betekent meer toegang tot betere woon- en werkomstandigheden en gezondheidsinformatie en -gedrag. Ook hier is een regionale onderverdeling in te maken. Regio’s die een universiteitsstad huisvesten hebben een relatief hoog opleidingsniveau, alsmede regio’s die bevolking met een hoog inkomen huisvesten (Het Gooi en Vechtstreek) en veel expats (regio Den Haag).

Roken
In de meest verstedelijkte gebieden in de Randstad (regio’s rondom Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en Utrecht) en de landelijke regio’s in het noorden (Groningen, Friesland en Drenthe), oosten (Twente) en zuiden (Zuid-Limburg) van het land wordt het meest gerookt. Ongeveer één op de vier volwassenen in deze regio’s rookt, terwijl dat in de regio’s met de minste rokers één op de vijf is (Noord-Limburg, Zuid-Holland-Zuid, Veluwe en Achterhoek) (Nationale Atlas Volksgezondheid, 2013).

Alcohol
Het drankgebruik kent een ander regionaal patroon. In Flevoland en de zogenoemde Bible Belt regio’s (deze lijn loopt diagonaal over het land van Zeeland over midden-Nederland richting Noord-Overijssel) is het aandeel zware drinkers het laagst. Ondanks het relatief grote aandeel niet-westerse allochtonen in regio Amsterdam en Utrecht, wordt er toch zwaar gedronken. Een oververtegenwoordiging van studenten zou hiervoor een verklaring kunnen zijn (Nationale Atlas Volksgezondheid, 2013).

Overgewicht
De regio's Utrecht en Amsterdam kennen de laagste percentages volwassenen met overgewicht (respectievelijk ruim 38 en 40 procent). Het percentage volwassenen met overgewicht is het hoogst in de regio’s Zuid-Holland Zuid, Twente, Drenthe en Zuid-Limburg. In deze regio’s kampt ruim de helft met overgewicht. Dat wil zeggen dat deze personen een BMI van 25 of hoger hebben. Onder mensen met maximaal vmbo-niveau is ruim 60 procent te zwaar, terwijl van de universitair-geschoolden 33 procent overgewicht heeft. Overgewicht houdt ook verband met leeftijd: onder 19- tot 40-jarigen is een derde te zwaar, terwijl dit in oudere leeftijdsgroepen bij de helft tot ruim zestig procent het geval is (Nationale Atlas Volksgezondheid, 2013).

Leeftijdssamenstelling

Naast de sociaal-economische status is ook de leeftijdssamenstelling van belang. Inzicht in de leeftijdsopbouw van de lokale en regionale bevolking geeft dus zicht op de te verwachten zorgvraag. Over het algemeen hebben jongeren een beperktere zorgvraag dan ouderen. Landelijk is circa 30 procent van de bevolking jonger dan 25 jaar en meer dan de helft van de bevolking tussen de 25 en 65 jaar oud. Regionaal gezien is Flevoland de jongste regio van Nederland; maar liefst 35 procent van de bevolking is nog geen 25 jaar oud. Vooral de Randstad heeft een relatief jonge bevolking, alsook de universiteitsregio’s Arnhem/Nijmegen en Overig Groningen. Daarentegen zijn er ook regio’s in Nederland die te maken hebben met een oudere samenstelling van hun bevolking, zoals Noordoost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg. Ongeveer 20 procent van hun bevolking is 65 jaar of ouder, tegenover 16 procent in Nederland als geheel.

De leeftijdssamenstelling van een regio heeft bijvoorbeeld invloed op het aantal huisartscontacten. In Nederland komen jaarlijks ruim zeven op de tien mensen wel eens bij de huisarts en bijna acht op de tien mensen bezoeken minstens eenmaal per jaar de tandarts. Hierbij zijn grote verschillen waar te nemen tussen mannen en vrouwen, etniciteit en leeftijd. Van de 75-plussers ziet ruim 80 procent minstens eenmaal per jaar de huisarts. Ook kinderen onder de 4 jaar komen relatief veel bij de dokter. Jongeren van 4 tot 16 jaar hebben het minst vaak contact met de huisarts (CBS, 2012a).

Kaart 3: Grijze druk (65+ t.o.v. 15-64 jaar), 2012

Kaart 3: Grijze druk (65+ t.o.v. 15-64 jaar), 2012

Bron: CBS

Niet-westerse allochtonen

Niet alleen de leeftijdssamenstelling van de bevolking, maar ook de herkomst houdt verband met de zorgvraag. Iedere cultuur gaat anders om met gezondheid en het raadplegen van artsen. Zo hebben autochtonen gemiddeld minder contacten met de huisarts per jaar dan niet-westerse allochtonen. Marokkanen en Turken zijn hierbinnen de groep die het meest de huisarts bezoeken. De westerse allochtonen zitten op het niveau van de autochtonen [10]Regionaal gezien is de allochtone en autochtone bevolking onevenredig verdeeld. Grootstedelijke regio’s rondom Den Haag, Amsterdam en Rotterdam huisvesten de meeste allochtonen. Meer dan 30 procent van hun bevolking is allochtoon.

De regio’s in Friesland en Drenthe huisvesten de minste allochtonen (nog geen 10 procent van de totale bevolking). In de komende decennia zal de Nederlandse allochtone bevolking naar verwachting groeien van 3,5 miljoen in 2013 naar ruim 4,3 miljoen in 2030. Het aandeel allochtonen in de totale Nederlandse bevolking neemt daarmee naar verwachting toe van 21 naar 25 procent. Landelijk gezien krijgen vooral de grote steden te maken met de specifieke zorgbehoeften van deze consumenten.

Kaart 4: Aandeel niet-westerse allochtonen, 2012

 Kaart 4: Aandeel niet-westerse allochtonen, 2012

Bron: CBS

Geboorte versus sterfte

De bevolkingssamenstelling is ook van invloed op het aantal geboorten en sterften in een regio. Het aantal sterfgevallen bepaalt de zorgvraag niet, maar de periode voorafgaand aan sterfte vergt vaak wel de nodige zorg. Als gevolg van de vergrijzing van de naoorlogse geboortegolf (babyboom) zal het aantal sterfgevallen in de komende decennia flink toenemen. De stijging zal het sterkst zijn in de periode 2020-2040. De levensverwachting van niet-westerse allochtonen ligt gemiddeld lager dan die van autochtonen. Verschillen in levensverwachting worden deels veroorzaakt doordat allochtonen over het algemeen een lagere sociaaleconomische status hebben (Nationaal Kompas Volksgezondheid, 2013). In Nederland zien we regionale verschillen in het sterftecijfer. De gestandaardiseerde [11] sterftecijfers zijn het hoogste in de Groningse regio’s, Zuidoost-Drenthe, Arnhem/Nijmegen en Zuid-Limburg. Terwijl het sterftecijfer vooral wordt bepaald door natuurlijke (veroudering), sociaal-economische omstandigheden en door technologische ontwikkelingen in de medische wetenschap, wordt het geboortecijfer vooral bepaald door maatschappelijke factoren. Hierin speelt emancipatie en het gebruik van anticonceptie van de vrouw in de jaren zeventig van de vorige eeuw een centrale rol (Oevering, 2010). Werden er in 1972 nog ruim 214.000 baby’s per jaar geboren, veertig jaar later is dit aantal gedaald tot 180.000 per jaar. Als gevolg van anticonceptie en carrièreplanning krijgen vrouwen op steeds latere leeftijd hun eerste kind. Het aantal geboorten per 1.000 inwoners ligt het hoogste in Flevoland (13,7), Groot-Amsterdam (13,2) en agglomeratie ’s-Gravenhage (12,8). In Midden-Limburg (9,0), Zeeuws-Vlaanderen (8,2) en Zuid-Limburg (8,0) is het aantal geboorten het laagste. Dit patroon komt overeen met de leeftijdssamenstelling van de regio en het percentage vrouwen in de vruchtbare leeftijd (kaart 5).

Kaart 5: Geboorten per 1.000 inwoners, 2010
Kaart 5: Geboorten per 1.000 inwoners, 2010Bron: CBS
Kaart 6: Percentage vrouwen in de leeftijd 25-34 jaar, 2012
Kaart 6: Percentage vrouwen in de leeftijd 25-34 jaar, 2012Bron: CBS

Toekomstige zorgvraag

Naast de huidige leeftijdssamenstelling is inzicht in de toekomstige leeftijdssamenstelling van belang voor de te verwachten zorgvraag. De levensverwachting van Nederlanders is de afgelopen dertig jaar gestegen. Werden we in 1980 gemiddeld nog 76 jaar oud, anno 2011 is dat opgelopen tot 81 jaar. Vrouwen leven ruim 3,5 jaar langer dan mannen (vrouwen 83 jaar en mannen 79 jaar) (OECD, 2013). Mannen en vrouwen leven niet alleen langer, maar brengen ook meer jaren in als goed ervaren gezondheid door na hun 65ste (circa 11 jaar). Ze worden daarentegen wel langer geconfronteerd met chronische ziekten. Circa 13 procent van de Nederlanders heeft drie of meer langdurige aandoeningen. Bij de 75 plussers ligt dit aandeel op 38 procent. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om gewrichtsslijtage, suikerziekte, migraine of hartaandoeningen (Bruggink, 2012b).

Kaart 7 geeft het toekomstige aandeel 75 plussers ten opzichte van de totale bevolking weer. In alle regio’s in Nederland neemt hun aandeel behoorlijk toe. De regio’s Utrecht, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Flevoland, Noord-Overijssel en Overig Groningen huisvesten in 2025 nog relatief ‘jong volk’. Daarentegen zal in de regio’s Delfzijl en omgeving, Oost Groningen, Midden- en Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen ruim 13 procent van de bevolking uit 75 plussers bestaan.

Kaart 7: Prognose bevolking 75+ in 2025

Kaart 7: Prognose bevolking 75+ in 2025

Bron: ABF Research, Primos prognose

Naast ziekte en beperkingen bij de zorgvrager bepaalt ook de extramuralisering in de zorg de vraag, waarbij zorgvragers zo veel mogelijk worden gestimuleerd om thuis te blijven wonen (door onder andere aanscherping van de indicatiestelling) [12]. Ook technologische ontwikkelingen maken het steeds meer mogelijk om langer zelfstandig te blijven wonen. Daarnaast is sprake van een verdergaande vermindering van het aantal dagen van opname in een ziekenhuis. Bovendien kan de eerdergenoemde aanscherping van de indicatiestelling leiden tot een grotere vraag naar mantelzorg (Peeters en Al, 2006).

Samenhang (arbeids)participatie en gezondheid

De te verwachten zorgvraag hangt ook samen met de mate van participatie van de bevolking in de samenleving. Deelname aan maatschappelijke activiteiten kan een positief effect hebben op de gezondheid. Sociale participatie van ouderen kan bijvoorbeeld positief bijdragen aan onder meer het cognitief functioneren en de positieve beleving van de gezondheid. Bekend is dat niet-deelname een negatief effect kan hebben, wat leidt tot meer voortijdige sterfte. Tussen participatie en gezondheid bestaat namelijk een wederkerig verband. Gezondheid kan de participatie beïnvloeden en andersom. Mensen met gezondheidsproblemen participeren minder vaak dan mensen zonder gezondheidsproblemen. Dat geldt voor arbeid, maar ook voor vrijwilligerswerk en mantelzorg (Nationaal Kompas Volksgezondheid, 2013).

Conclusie

In de perifere delen van Nederland zal de zorgvraag als gevolg van de vergrijzing toenemen, in de Randstad juist als gevolg van een toename van de bevolking. Daarnaast hebben specifiek de grote steden te maken met een toename van de allochtone bevolking, wat enerzijds een stijging van de zorgvraag inhoudt en anderzijds extra begeleiding en voorlichting aan deze groep betekent.

Voetnoten:

[5] Ook de toegenomen medisch-technische mogelijkheden beïnvloeden de vraag, maar dit kunnen wij niet regionaal in kaart brengen.

[6] Percentage personen in de bevolking dat minstens 1 keer per week 6 of meer (voor mannen) of 4 of meer (voor vrouwen) glazen alcohol op één dag drinkt.

[7] Een maat voor onder- of overgewicht is de Body Mass Index (BMI). Het is het quotiënt van het gewicht in kilogrammen en het kwadraat van de lengte in meters [kg/m2]. Het is een algemeen aanvaarde maat voor het bepalen van onder- en overgewicht. BMI >= 25,0 kg/m2 = overgewicht.

[8] Deze norm verschilt per leeftijd. Bijvoorbeeld: Personen vanaf 18 jaar dienen minimaal een half uur matig intensieve activiteit te verrichten op tenminste vijf dagen van de week.

[9] Om aan de Fitnorm te voldoen moet een persoon tenminste drie keer per week gedurende minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit verrichten.

[10] De resultaten zijn gestandaardiseerd naar leeftijd weergegeven. Hierdoor wordt rekening gehouden met het verschil in bevolkingsopbouw voor leeftijd en geslacht tussen de verschillende herkomstgroepen. Vanwege het geringe aantal allochtonen van 60 jaar en ouder is hier alleen een gestandaardiseerd totaal gegeven voor personen tot de leeftijd van 60 jaar. 1 op de 25 niet-westerse allochtonen is namelijk 65 jaar of ouder, onder autochtonen is dit 1 op de 6 (CBS, 2011/2012).

[11] Sterftecijfer waarbij de invloed van de bevolking naar leeftijd en geslacht tussen de verschillende regio's is uitgeschakeld.

[12] Hoeveel zorg kan een persoon krijgen en in welke vorm. Het gaat hierbij om zorg die valt onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Hoofdstuk 3: Uitgaven in de zorg

De toenemende collectieve zorgvraag als gevolg van bevolkingsgroei, vergrijzing, verbeterde medische technologie en hoger besteedbaar inkomen leidt tot een toename van de zorgkosten.

In Nederland heeft iedereen recht op dezelfde zorg. Deze zijn in het basispakket van de Zorgverzekeringswet (curatieve zorg) en in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (langdurige zorg) vastgelegd. Daarnaast regelt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dat mensen met een beperking ondersteuning kunnen krijgen. Het kan gaan om ouderen, gehandicapten of mensen met psychische problemen. De gemeenten voeren de Wmo uit.

In Nederland geldt een hoge mate van zorgsolidariteit. Dit betekent dat elke burger in beginsel dezelfde hoeveelheid en kwaliteit van zorg aangeboden kan worden bij dezelfde behoefte aan zorg, ongeacht de hoogte van het inkomen. Naar internationale maatstaven zijn de kwaliteit en toegankelijkheid van onze zorg dan ook hoog (CPB, 2013).

Door de inrichting van ons zorgstelsel staat de overheid momenteel voor een grote opgave om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën voor de langere termijn te garanderen. De uitgaven aan de zorg en sociale zekerheid zijn de grootste kostenposten voor de rijksoverheid. Het afgelopen decennium was de groei van de zorguitgaven substantieel hoger dan de economische groei, waardoor het aandeel van de zorguitgaven in het bruto binnenlands product (BBP) sterk is gestegen (Miljoenennota 2014, 2013). Eén van de discussiepunten met betrekking tot de overheidsfinanciën is de uitgaven van de overheid aan de zorg voor toekomstige generaties betaalbaar te houden. In het Zorgakkoord van juli 2013 hebben overheid, verzekeraars en zorgaanbieders afspraken gemaakt over maximale groeipercentages voor medisch specialisten, huisartsen en de geestelijke gezondheidszorg. Hiermee tracht men de uitgaven in de curatieve zorg te beperken (een besparing van ruim één miljard euro). Bij langdurige zorg streven deze partijen ernaar dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen en wordt verwacht dat naasten van de zorgbehoevende meer ondersteuning kunnen bieden. 

Figuur 3.1: Financieringsbronnen zorg, 2012

Figuur 3.1: Financieringsbronnen zorg, 2012

Bron: CBS

De totale zorguitgaven in Nederland bedragen circa 12 procent van het bruto binnenlands product (BBP), hoger dan het OECD-gemiddelde van 9,3 procent. Dit geldt ook per hoofd van de bevolking ($5099 versus $3322, figuur 3.2). De kosten van de zorg zijn de afgelopen jaren sterk gestegen (figuren 3.4 en 3.5). Dit heeft enerzijds te maken met de vergrijzing, anderzijds met een verruiming van het zorgaanbod en verbeterde en duurdere medische technologie (CPB, 2013). Tussen 2000 en 2009 stegen de zorguitgaven in Nederland met gemiddeld 6 procent per jaar, een snellere stijging dan het OECD gemiddelde van 4,7 procent. In 2010 is deze stijging wel afgevlakt tot 2,5 procent. In de curatieve zorg (onder andere ziekenhuiszorg) was tussen 2000-2010 het groeipercentage van de uitgaven in ons land het hoogste van heel West-Europa en wereldwijd heeft alleen Australië een hogere groei gekend (Miljoenennota 2014, 2013).

In internationaal perspectief heeft Nederland ook een relatief groot aandeel publieke gezondheidsuitgaven. Er is dus sprake van een grote afhankelijkheid van collectieve financiering, terwijl in het buitenland private middelen een grotere bijdrage leveren (figuur 3.3). Slechts een kwart van de uitgaven aan zorg loopt via de portemonnee van huishoudens. Dat zijn de premies die huishoudens zelf aan zorgverzekeraars betalen en eigen uitgaven aan zorg. De rest wordt opgebracht uit heffingen via het salaris en belastingen.

Figuur 3.2: Gezondheidszorguitgaven, 2011
Figuur 3.2: Gezondheidszorguitgaven, 2011	Bron: OECD, 2013
Figuur 3.3: Publieke gezondheidsuitgaven, 2011
Figuur 3.3: Publieke gezondheidsuitgaven, 2011Bron: OECD, 2013

Ziekenhuiszorg vormt voor alle leeftijdsgroepen de grootste kostenpost. Figuur 3.6 toont aan dat er een zeer scheve verdeling is in de gezondheidszorgkosten doordat deze kosten zich pas aan het eind van het leven voordoen. De kosten voor ouderenzorg zijn zeer scheef verdeeld; de helft van de bevolking maakt nauwelijks kosten, terwijl een groep van 20 procent van de mensen 80 procent van de kosten van ouderenzorg voor hun rekening neemt (CPB, 2013). Ter illustratie: per persoon zijn de zorgkosten het hoogst bij mensen tussen 80 en 85 jaar oud; ongeveer € 5.400 per persoon per jaar. Dat is ruim 2,5 keer meer dan voor alle leeftijdsklassen gemiddeld (€ 2.098 per persoon). Aan de groep 1 tot 5 jarigen wordt per persoon slechts € 897 uitgegeven. Opvallend is dat voor de groep 25-30 jaar de kosten voor de geestelijke gezondheidszorg bijna een kwart van het totaal bedragen. In de oudere leeftijdsgroepen liggen deze kosten lager (CBS, 2013). Als gevolg van de vergrijzing zullen de gezondheidszorgkosten in de toekomst nog meer toenemen. Als de toekomstige ouderen minder zorg gebruiken dan de huidige ouderen, dan kan het meevallen. Maar bij een toename van het zorggebruik van ouderen wordt het effect van de vergrijzing op de zorgkosten juist versterkt. 

Ook leven we steeds langer in goede gezondheid. Dit komt door verbeteringen in onze leefomstandigheden, gezondheidsinterventies en medische zorg. Zonder verhoging van de pensioenleeftijd is langer leven voor de overheid een kostenpost: mensen maken immers langer gebruik van de pensioenregelingen (AOW en aanvullende pensioenen). Belangrijk is daarom dat bij een hogere levensverwachting ook de pensioenleeftijd stijgt (wat ook gaat gebeuren) (CPB, 2013).

Een vergrijzende bevolking die ook nog eens langer leeft leidt dus tot een onhoudbare bekostiging. Dat betekent dat het bestaande business model in de gezondheidszorg niet duurzaam is. In de praktijk worden nieuwe bedrijfsmodellen ontwikkeld om de sterk groeiende zorgvraag in te kunnen vullen. Zo geven taakdelegatie bij huisartsen en meerstoelenconcepten bij tandartsen meer mogelijkheden voor het behandelen van patiënten. De zorgondernemer bepaalt steeds meer zijn eigen business model door nieuwe diensten, prijzen of samenwerkingsmodellen. Uitdagingen hierbij zijn innovatie en het ontwikkelen van nieuwe zorgconcepten met toegevoegde waarde voor de consument [13].

Dit is in elke regio van belang, aangezien de landelijke overheid steeds meer zorgtaken (ouderenzorg, gehandicaptenzorg en jeugdzorg) naar gemeenten overhevelen. Dit betekent een aanslag op de begroting waardoor veel gemeenten zullen moeten bezuinigen. Er zullen dus steeds meer creatieve oplossingen in de markt of in samenwerking met de markt moeten worden gezocht om het financieringsgat te dichten. Voor de burger is momenteel nog onduidelijk wat decentralisatie voor de eigen portemonnee betekent. Maar het mag duidelijk zijn dat de eigen bijdrage aan zorg zal toenemen.

Figuur 3.4: Uitgaven gezondheidszorg
Figuur 3.4: Uitgaven gezondheidszorg	               Bron: CBS
Figuur 3.5: Uitgaven welzijnszorg
Figuur 3.5: Uitgaven welzijnszorgBron: CBS  

Figuur 3.6: Gemiddelde zorgkosten volgens de ZVW

Figuur 3.6: Gemiddelde zorgkosten volgens de ZVWF

Bron: CBS

Regionale verschillen in zorgkosten

De zorgkosten uit de basisverzekering zijn niet in alle regio’s gelijk, omdat de zorgkosten sterk samenhangen met leeftijd en geslacht van de bevolking. Wanneer hiervoor wordt gecorrigeerd, blijkt dat de kosten het hoogst zijn in de Limburgse regio’s. De kosten liggen daar 12 procent hoger dan in Friesland, de regio met relatief gezien de laagste kosten. De zorgkosten in de vier grote steden (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht) zijn duidelijk hoger dan de gemiddelde kosten per provincie (CBS, 2013).

De gemiddelde zorgkosten blijken lager naarmate het inkomen hoger is. Ook blijkt dat niet-westerse allochtonen gemiddeld hogere zorgkosten hebben dan autochtonen. Met name in de lagere inkomensgroepen zijn de verschillen tussen afkomst groot, waarbij mensen van Surinaamse en Antilliaanse herkomst de hoogste zorgkosten hebben. Deze kosten zitten vooral in de geestelijke gezondheidszorg en het ziekenhuis (CBS, 2013). Surinamers en Antillianen wonen vooral in de gemeenten Almere, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Tilburg.

De verschillen tussen de etnische groepen worden kleiner naarmate het inkomen hoger is. Voor Surinamers en Antillianen geldt dat verschillen tussen de laagste en hoogste inkomensgroepen groot zijn, terwijl de zorgkosten van bijvoorbeeld mensen van Turkse en Marokkaanse komaf minder variëren tussen hoge en lage inkomens. In de laagste twee inkomensgroepen is het zelfs zo dat de zorgkosten van autochtonen hoger is dan die van mensen van Turkse of Marokkaanse komaf (CBS, 2013).

Conclusie

De toenemende collectieve zorgvraag als gevolg van bevolkingsgroei, vergrijzing, verbeterde medische technologie en hoger besteedbaar inkomen leidt tot een onhoudbare situatie in het huishoudboekje van zowel particulieren als de overheid. Dit is een regio-overstijgend probleem en speelt zich zowel af op het niveau van de gemeenten als op het niveau van het Rijk. Wel zijn er regionaal gezien verschillen in de zorgkosten. Regio’s in Limburg en regio’s met een bovengemiddeld aantal niet-westerse allochtonen en 65 plussers moeten rekening houden met extra zorgkosten.

Voetnoot:

[13] Zie ook het boek Diagnose Zorginnovatie van M. van Schaik en P. Idenburg (2013).

Hoofdstuk 4: Zorgaanbod

De stijgende zorgvraag en de stijgende zorguitgaven hebben consequenties voor het zorgaanbod.

In Nederland is het zorgaanbod de afgelopen decennia behoorlijk toegenomen. We hebben het dan over huisartsen, tandartsen, verpleegkundigen, medisch specialisten, sociaal geneeskundigen en apothekers. In absolute zin was de toename het grootst voor medisch specialisten, gevolgd door tandartsen. Deze toename in het zorgaanbod komt door innovaties, veranderende vraag van patiënten en financiële prikkels.

Binnen het zorgaanbod zien we veranderingen in de aard van de zorg en verschuivingen tussen de verschillende aanbieders. Bij de begeleiding van zwangerschap en bevalling zien we steeds meer taken overvloeien van huisartsen naar verloskundigen. Daarnaast heeft de ontwikkeling naar meer specialistische zorg gezorgd voor een behoorlijke toename van het aantal medisch specialisten. Bovendien heeft de afname van het aantal ziekenhuisbedden te maken met de focus op extramuralisering, wat een kortere ligduur en toename van dagbehandelingen en poliklinische behandelingen betekent (Nationaal Kompas Volksgezondheid, 2013). In 2008 lag een patiënt nog gemiddeld 5,7 dagen in het ziekenhuis, in 2012 is dit gedaald tot 4,8 dagen. Het aantal behandelingen waarbij de patiënt nog dezelfde dag naar huis kan, is in 2012 met 2 procent gestegen naar 54 procent ten opzichte van 2011 (Vereniging van Nederlandse Ziekenhuizen, 2013).

Ondanks de eerdergenoemde sterke toename van het zorgaanbod, telt Nederland relatief gezien weinig medisch specialisten en huisartsen per 1000 inwoners. In veel andere Europese landen zijn er veel meer medici per hoofd van de bevolking [14]Dit gegeven hoeft geen invloed te hebben op de wijze hoe mensen de kwaliteit van de zorg ervaren. Van alle Europeanen zijn Nederlanders juist het meest te spreken over de gezondheidszorg in eigen land, zo blijkt uit onderzoek van de Euro Health Consumer Index. De spreiding over het land van medici komt sterk overeen met de bevolkingsspreiding. Oftewel, ten opzichte van de bevolkingsomvang is het aantal huisartsen in praktisch het gehele land gelijk (kaart 8). De care (eerstelijnszorg) zal hierbij vooral bevolkingsvolgend zijn, terwijl dit in mindere mate voor de cure geldt.

Kaart 8: Aantal huisartsen per 1.000 inwoners, 2012

Kaart 8: Aantal huisartsen per 1.000 inwoners, 2012

Bron: Cegedim/ABF Research

Inwoners die intensieve zorg nodig hebben, hebben baat bij instellingen waar zij kunnen verblijven, het liefste in een omgeving waar ze dichtbij hun naasten kunnen wonen. In Nederland zijn er 16,4 bedden per 1.000 inwoners in VVZS-vestigingen (verpleeghuizen, verzorgingshuizen, ziekenhuizen en serviceflats) beschikbaar. Regionaal gezien zien we hier grote verschillen. Zuidwest-Gelderland (9,7) en Flevoland (7,4) hebben de minste bedden, Delfzijl en omgeving (23,5) en Noord-Drenthe (22,7) de meeste. Dit zijn ook regio’s waar het aandeel 75 plussers het komende decennium behoorlijk toeneemt.

Kaart 9: Bedden in VVZS-vestigingen per 1.000 inwoners, 2012

Kaart 9: Bedden in VVZS-vestigingen per 1.000 inwoners, 2012

Bron: Redactie Adresboek

Het aantal bewoners van verpleeghuizen is sinds de jaren tachtig gestegen, evenals het aantal cliënten van thuiszorg. Het aantal bewoners van verzorgingshuizen is in deze periode afgenomen. Landelijk is een ontwikkeling gaande van een toenemend aantal verpleeghuizen en een afnemend aantal verzorgingshuizen [15]. Verpleeghuizen fuseren dan ook met één of meer verzorgingshuizen. Intramurale instellingen [16] leveren steeds meer zorg waarvoor opname niet nodig is. Met de huidige maatschappelijke ontwikkelingen en digitalisering van de zorg, neemt de vraag naar zorg zonder verblijf sneller toe dan de vraag naar zorg met verblijf.

Het zorgaanbod wordt op een laag geografisch niveau onderscheiden naar dagelijkse behoefte en gespecialiseerde zorg en vergt een ruim verzorgingsgebied. Daarom biedt niet iedere gemeente elk type zorgvoorziening voor ouderen. Met name verpleeghuizen, serviceflats en ziekenhuizen behoeven een groot verzorgingsgebied. Gebrek aan afwezigheid van een van deze (ouderen)instellingen hoeft niet te betekenen dat er een tekort is in een bepaalde gemeente. Een nabijgelegen grotere gemeente vervult vaak een verzorgingsfunctie voor de omliggende regio om in de behoefte aan ouderenzorg te voorzien. Zo hebben bijna 200 van de 415 gemeenten geen verpleeghuis. Vooral in de landelijke gemeenten ontbreekt een verpleeghuis. Het aantal verzorgingshuizen is wel breder geografisch verspreid. Slechts 61 van de 415 gemeenten hebben geen verzorgingshuis. 

Box 1: Zorgcoöperatie
In de kleinere gemeenten en dorpen dreigen ouderen tussen wal en schip te vallen wanneer er geen aanbod van zorg in de directe omgeving is. Het belang van meer maatwerk en zorgaanbod in de buurt komt steeds vaker naar voren in de discussie over het in stand houden van voorzieningen voor ouderen. Dit is van belang om de leefbaarheid in de kleinere gemeenten en dorpen in stand te houden. Zorgcoöperaties vullen hierbij steeds vaker het gat die marktpartijen niet meer kunnen invullen. De zorgcoöperatie organiseert aanvullende voorzieningen voor ouderen, chronisch zieken en mensen met een beperking. Burgerinitiatief ligt vaak ten grondslag aan het opzetten van een zorgcoöperatie. De leden zijn hierbij verantwoordelijk voor de organisatie van de coöperatie en hebben het voor het zeggen. Vrijwilligers zijn daarom een onmisbaar element om de zorgcoöperatie tot een succes te maken.

Kaart 10: Aantal bedden in verpleeghuizen per 10.000 inwoners, 75+jaar, 2012

Kaart 10: Aantal bedden in verpleeghuizen per 10.000 inwoners, 75+jaar, 2012

Bron: ABF Research

In Nederland zijn er 182 vestigingen van ziekenhuizen. Hiervan liggen er 49 (circa 27 procent) in de drie grootstedelijke regio’s Amsterdam, Utrecht en Rotterdam. Hun directe verzorgingsgebied omvat daarmee ruim 3,9 miljoen mensen. Steeds meer ziekenhuizen openen een buitenpolikliniek om hun verzorgingsgebied te vergroten. Concurrentie met andere ziekenhuizen en het overhevelen van de zorg naar de eerste lijn spelen hierbij een grote rol. Het aanbod van ziekenhuiszorg wordt ook steeds gedifferentieerder. Gefuseerde ziekenhuizen kiezen vaak voor concentratie van specifieke functies op één locatie. Dat betekent dat sommige vestigingen meer en uitgebreidere functies krijgen en andere juist minder (Kiers, 2010).

Kaart 11: Aantal ziekenhuizen per regio, 2012

Kaart 11: Aantal ziekenhuizen per regio, 2012

Bron: Redactie Adresboek

Afstand tot zorg

De bereikbaarheid van het zorgaanbod verschilt regionaal behoorlijk. Ten opzichte van het aantal inwoners is het aanbod van gespecialiseerde medische zorg in het landelijk gebied veel kleiner dan in de steden. Vooral in het noorden en oosten van ons land is sprake van een forse afstand tot ziekenhuizen. In Zuidwest-Friesland is de afstand tot zorg- en welzijnsvoorzieningen het grootst (15,7 kilometer) en in agglomeratie ’s-Gravenhage het kleinst (4,0 kilometer). Gemiddeld legt men in Nederland 8,6 kilometer af voor het bereiken van een zorgvoorziening.

Conclusie

De stijgende zorgvraag en de stijgende zorguitgaven hebben consequenties voor het zorgaanbod. Met een toename van de bevolking (met name in de Randstad) mogen we tevens een toename van het zorgaanbod verwachten. In de landelijke gebieden wordt het een uitdaging om het zorgaanbod zo dicht mogelijk bij de consument te houden. Zeker gezien het feit dat hier een oudere, minder mobiele bevolking woont.

Voetnoten:

[14] Zo blijkt uit cijfers van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (Het Parool, november 2012).

[15] Het verschil tussen verzorgingshuizen en verpleeghuizen zit in de zorgzwaarte. Een persoon kan in een verzorgingshuis gaan wonen als hij/zij door ouderdom, ziekte of een handicap niet meer zelfstandig kan leven. Voor intensieve zorg of zware medische behandelingen kan men in een verpleeghuis terecht (bron: Rijksoverheid).

[16] Intramurale zorg (zorg binnen de muren) is gezondheidszorg die gedurende een onafgebroken verblijf van meer dan 24 uur geboden wordt in een zorginstelling, zoals een ziekenhuis, verpleeghuis, verzorgingshuis of een instelling voor verstandelijk gehandicapten. De geboden zorg kan bestaan uit begeleiding, verzorging en/of behandeling (Bron: Wikipedia).

Hoofdstuk 5: Arbeidsmarkt

Een toename van de zorgvraag en het zorgaanbod, betekent ook een toename van de werkgelegenheid. Echter, het aandeel van het economisch actieve deel van de bevolking zal verminderen waardoor ook het arbeidspotentieel kleiner wordt.

Tekorten in de zorg

De arbeidsmarkt kenmerkt zich momenteel door een toename van de beroepsbevolking en een afname van de werkgelegenheid. Door overheidsbezuinigingen en het voorlopig uitblijven van economische groei neemt de werkgelegenheid dit en volgend jaar verder af. Hierdoor neemt de werkloosheid naar verwachting verder toe van 6¾ procent in 2013 en 7½ procent in 2014 (Smid, 2013). Als gevolg van bezuinigingen kunnen steeds minder mensen in de zorg aan de slag. Tegelijkertijd wordt ook het personeel in de zorg ouder en vloeit af. Zo is bijvoorbeeld ruim 40 procent van de huisartsen en tandartsen ouder dan 55 jaar.

Het aandeel van de potentiële beroepsbevolking [17] in de totale bevolking neemt het komende decennium af van 67 procent naar 62 procent. Tegenover een krimpende potentiële beroepsbevolking staat een toenemend aantal 65 plussers. In 2010 waren er 23 65 plussers per 100 personen van de potentiële beroepsbevolking. In 2025 zal dit aantal zijn gestegen en zal de grijze druk zijn toegenomen tot 35 65 plussers per 100 personen van de potentiële beroepsbevolking. Er zullen dus minder ‘handen aan het bed’ beschikbaar zijn om de toenemende zorgvraag op te kunnen vangen.

In algemene zin lijkt de werkgelegenheid in de zorg op de lagere niveaus af te nemen en op de hogere niveaus (vanaf mbo-3) toe te nemen. Op de langere termijn – na 2015 – zullen de tekorten groeien door de toenemende zorgvraag, al verschilt dit verschilt sterk per regio. In de Randstad, Groningen en Limburg is het bijvoorbeeld lastiger aan personeel te komen dan in andere regio’s. Ook zijn er grote verschillen tussen branches binnen de regio’s. Zo hebben veel regio’s (bij ongewijzigd beleid) naar verwachting overschotten aan helpenden op niveau 2, maar zullen Twente, de Stedendriehoek (regio rondom Apeldoorn, Deventer en Zutphen), Achterhoek en Het Gooi en Vechtstreek waarschijnlijk tekorten hebben. Daarnaast kunnen veel regio’s tekorten verwachten in verpleeg- en verzorgingshuizen en in de thuiszorg, met uitzondering van Flevoland. Hierdoor zullen per regio in verschillende segmenten mogelijkheden liggen (UWV, 2013). Er is stille hoop dat technologie een deel van het zorgtakenpakket kan overnemen. Deze techniek zal echter ook weer beheerd en aangestuurd moeten worden door personeel in staffuncties. We hebben in de toekomst dus niet alleen meer, maar ook andere handen nodig. Naasten van de zorgbehoevende, ICT, zorg op afstand en vrijwilligers worden steeds belangrijker. Er zal efficiënter moeten worden gewerkt en nieuwe (technologische) ontwikkelingen in de zorg vergen andere eisen van het personeel. Dit vergt extra aandacht en inpassing in de huidige zorgopleidingen.

Box 2: Arbeidsmarktbeleid
De zorgsector is zich al jaren bewust van de groeiende tekorten. Zorginstellingen werken per regio samen aan de instroom en het behoud van personeel en aan het opleiden van mensen voor de zorg. Den Haag heeft voor de periode 2012-2015 € 30 miljoen beschikbaar gesteld.

Om het personeelstekort in de zorg tegen te gaan, stellen diverse partijen onderstaande punten in hun beleid centraal:
- het bevorderen van de instroom van zorgpersoneel via het onderwijs en via zij-instroom;
- behoud en doorstroom van personeel via het arbeidsvoorwaarden- en arbeidsomstandighedenbeleid;
- verhogen van de inzetbaarheid via urenuitbreiding en terugbrengen van ziekteverzuim;
- arbeidsbesparende innovaties, door inzet van ICT, maar ook door het terugdringen van administratieve lasten en taakverschuiving (bijvoorbeeld van arts naar verpleegkundige).
(Bron: UWV, 2013)

Arbeidsparticipatie

De krapte op de (zorg)arbeidsmarkt kan worden voorkomen door toename van de arbeidsparticipatie. In de afgelopen jaren is het aantal personen dat werkt of op zoek is naar werk –de beroepsbevolking– ten opzichte van het aantal mensen dat, gezien hun leeftijd, zou kunnen werken gestegen. Deze toename van de arbeidsparticipatie deed zich in vrijwel alle leeftijdscategorieën voor. Als gevolg van regionale verschillen in de bevolkingsopbouw verschilt het aandeel van de potentiële beroepsbevolking in de totale bevolking van regio tot regio. Stedelijke regio’s kennen dankzij de grotere instroom van jongvolwassenen doorgaans een forse potentiële beroepsbevolking. De potentiële beroepsbevolking is in de perifere regio’s in kleinere mate actief op de arbeidsmarkt. Degenen die wel werken, doen dat bovendien relatief vaak in deeltijd. De zorg is traditioneel een sector met een groot aandeel vrouwelijke werknemers (ruim 80 procent). Deze trend is niet alleen bij verpleegkundigen aanwezig, maar ook bij huisartsen, tandartsen en verschillende medische specialismen. Ook de werkgelegenheidsgroei in de zorg wordt vooral door vrouwen ingevuld.

Kaart 12: Arbeidsparticipatie, 2011

Kaart 12: Arbeidsparticipatie, 2011

Bron: ABF Research

Voetnoot:

[17] Personen in de leeftijd van 15-64 jaar die in principe zouden kunnen werken.

Conclusie

De arbeidsmarkt voor de zorg is het meest aandacht behoevend in de perifeer gelegen regio’s. Hier is de afname van de potentiële beroepsbevolking groter dan gemiddeld en de zorgvraag als gevolg van de vergrijzing hoger.

Conclusie

Voor de toekomst verwachten wij dat de zorg in elke regio in belang zal toenemen. In de perifere delen van Nederland zal de zorgvraag als gevolg van de vergrijzing toenemen (met name in de care groeit de vraag naar zorg de komende jaren), in de Randstad juist als gevolg van een toename van de bevolking. De grote steden zullen zich moeten voorbereiden op een toenemende zorgvraag van niet-westerse allochtonen en personen met een lagere sociaal-economische status. Voor de perifere regio’s en de grote steden loont investeren in het opleidingsniveau en de (arbeids)participatie van de bevolking niet alleen in economische zin, maar ook voor wat betreft het welzijn van de bevolking. Daarnaast blijft voorlichting over een gezonde leefstijl van belang om de zorgvraag binnen de perken te houden. Bovendien blijft het lastig te voorspellen in welke mate bovenstaande ontwikkelingen leiden tot een behoorlijke toename van het huisartscontact. We zouden ook mogen verwachten dat in de toekomst de meeste huisartsen het minder druk krijgen met persoonlijke contacten, onder andere door de beschikbaarheid van kennis op internet en het toenemende gebruik van online zorg en communicatie.

De toenemende collectieve zorgvraag als gevolg van bevolkingsgroei, vergrijzing, verbeterde medische technologie en hoger besteedbaar inkomen leidt tot een onhoudbare situatie in het huishoudboekje van de overheid. Dit is een regio-overstijgend probleem en speelt zich zowel af op het niveau van de gemeenten als op het niveau van het Rijk. Wel zijn er regionaal gezien verschillen in de zorgkosten. Regio’s in Limburg en regio’s met een bovengemiddeld aantal niet-westerse allochtonen en 65 plussers moeten rekening houden met extra zorgkosten.

De stijgende zorgvraag en de stijgende zorguitgaven hebben consequenties voor het zorgaanbod. Met een toename van de bevolking (met name in de Randstad) mogen we tevens een toename van het zorgaanbod verwachten. In de landelijke gebieden wordt het een uitdaging om het zorgaanbod zo dicht mogelijk bij de consument te houden. Zeker gezien het feit dat hier een oudere, minder mobiele bevolking woont.

Een toename van de zorgvraag en het zorgaanbod, betekent ook een toename van de werkgelegenheid. De meest vergrijsde regio’s in ons land zijn ook de regio’s met een relatief grote zorgsector (in termen van werkgelegenheid). Echter, het aandeel van het economisch actieve deel van de bevolking zal verminderen waardoor ook het arbeidspotentieel kleiner wordt. De arbeidsmarkt voor de zorg is het meest aandacht behoevend in de perifeer gelegen regio’s. Hier is de afname van de potentiële beroepsbevolking groter dan gemiddeld en de zorgvraag als gevolg van de vergrijzing hoger. 

Bronnenlijst

Bruggink, J. (2012b). 65-jarigen leven langer zonder beperkingen, maar meer met chronische ziekten. Webmagazine, donderdag 6 september 2012. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Hupkens, C. en H. Swinkels (2012a). Ongeveer drie kwart bezoekt jaarlijks huisarts en tandarts. Webmagazine, dinsdag 2 juli 2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2012c). Gezondheidsmonitor. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2013). Gezondheid en zorg in cijfers 2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CPB (2013). Gezondheid loont. Tussen keuze en solidariteit. Den Haag: Centraal Planbureau.

Het Parool, november 2012.

Ministerie van Financiën (2013). Miljoenennota 2014.

NIVEL. J.M. Peeters en F. AL (2006). Verpleging en verzorging: Waaruit bestaan de zorgvraag en het zorgaanbod? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl> Nationaal Kompas Volksgezondheid\Zorg\Verpleging en verzorging, 26 juni 2006.

Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (2013). Zorg Loont. Samenvatting brancherapport algemene ziekenhuizen 2013. Utrecht.

Oevering, F. (2010) Demografische krimp. De nieuwe realiteit in perspectief. Rabobank: Utrecht.

Rabobank – Branche Informatie Gezondheidszorg.

Rutten, W. (2012). Parkstad en de naweeën van het mijnbouwverleden. De volksgezondheid in sociaal-historisch perspectief.

Smid, T. (2013). Conjunctuurbeeld augustus. Utrecht: Rabobank.

Stichting Farmaceutische Kengetallen (2012). Data en feiten 2012. Het jaar 2011 in cijfers.

UWV (2013). De zorg. Sectorbeschrijving. 31 januari 2013.

Kiers, B (2010). De poort naar het ziekenhuis. Amsterdam: Zorgvisie, 2010; 40(3).

Zorg Innovatie Forum (2009). Masterplan Zorg voor de Toekomst Noord- en Oost-Groningen.

Online bronnen:

Rijksoverheid: www.rijksoverheid.nl

Wikipedia: www.wikipedia.nl

Nationale Atlas Volksgezondheid: www.zorgatlas.nl

Nationaal Kompas Volksgezondheid (2013): www.nationaalkompas.nl/

Delen:
Auteur(s)
Cynthia Briesen
Rabobank KEO

naar boven