RaboResearch - Economisch Onderzoek

This article is also available in English

Het nieuwe pensioencontract: finish nog niet in zicht

Themabericht

Delen:

Het kabinet werkt momenteel aan een nieuw regelgevend kader voor pensioenfondsen. De huidige regels, opgenomen in het financiële toetsingskader (FTK), worden herzien vanwege de komst van een nieuw pensioencontract in 2015. Staatssecretaris Klijnsma heeft deze zomer het voorontwerp van het herziene FTK ter consultatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin zijn cruciale elementen van het nieuwe toezichtskader uitgewerkt. De consultatieversie van het FTK biedt ruimte aan zowel het bestaande pensioencontract als het nieuwe contract. Na sluiting van de consultatie heeft de staatssecretaris echter kenbaar gemaakt meer te zien in een mengvorm van beide contracten. Op dit moment is het echter niet duidelijk hoe deze mengvorm er precies uit komt te zien. Een wetsvoorstel wordt begin 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd. Het nieuwe contract zoals besproken in de consultatieversie sluit naar onze mening beter aan bij de behoefte van pensioendeelnemers. In dit artikel zetten we de verschillen tussen beide contracten uiteen.

Het bestaande pensioencontract

De meeste Nederlandse pensioenfondsen hanteren een ‘uitkeringsovereenkomst’ als pensioencontract. Werknemers leggen maandelijks verplicht een bepaald percentage van het pensioengevend loon in als premie en bouwen in ruil hiervoor een nominale pensioenaanspraak (dus een aanspraak in euro’s) op. De hoogte van het pensioen is gerelateerd aan het gemiddelde over de loopbaan verdiende loon. In beginsel gaat het hier om een ‘harde’ nominale toezegging, hoewel veel fondsen kunnen overgaan tot het nominaal verlagen (‘afstempelen’) van pensioenen in uitzonderlijke situaties. Daarnaast hebben fondsen de ambitie om pensioenen te laten meegroeien met het niveau van lonen of prijzen (indexatie). Aan pensioenfondsen worden zodanige vermogenseisen gesteld dat ze met een zekerheidsmaat van 97,5% over een horizon van een jaar aan hun nominale verplichtingen kunnen voldoen. Om hieraan te voldoen, hebben pensioenfondsen een dekkingsgraad[1] van circa 130% nodig.

De zekerheid waarmee pensioenen kunnen worden uitgekeerd, is behoorlijk op de tocht komen te staan. Door de daling in dekkingsgraden rond de dotcomcrisis van 2001 en de financiële crisis van 2008 konden veel fondsen niet meer aan de gestelde zekerheidsmaat voldoen. Indexatie van pensioenen ontbrak veelal in de afgelopen jaren, waardoor het te verwachten pensioen niet meer zo koopkrachtvast is als veel deelnemers aanvankelijk dachten (Cie Goudswaard, 2010). Bovendien schept de manier waarop over het te verwachten pensioen wordt gecommuniceerd verwarring. Het Uniform Pensioenverzicht (UPO) communiceert de aanspraak in euro’s, maar dit zegt vrijwel niets over de te verwachten koopkracht bij pensionering. Zonder indexatie wordt het opgebouwde nominale pensioen immers in loop der tijd door de inflatie uitgehold.

Als pensioenfondsen de eerder genoemde zekerheidsmaat willen naleven, zullen ze bij lage dekkingsgraden risico’s in hun beleggingsportefeuille moeten terugnemen en een groter deel van het renterisico moeten afdekken. Tijdens en na de financiële crisis van 2008 is gebleken dat pensioenfondsen dit veelal niet hebben gedaan. Integendeel, veel fondsen willen graag meer risico’s nemen om zodoende van hun lage dekkingsgraad te kunnen herstellen (Boeijen et al, 2010). Risico nemen is bovendien nodig om voldoende rendement te genereren om pensioenaanspraken te kunnen indexeren.

Voetnoot

[1] De dekkingsgraad is de verhouding tussen de bezittingen en de huidige waarde van de verplichtingen van een pensioenfonds.

Het nieuwe pensioencontract

In het pensioenakkoord van 2010 hebben de sociale partners de wens uitgesproken om, naast het huidige nominale contract, een nieuw pensioencontract in te voeren (Piljic en Smid, 2012). Pensioenfondsen mogen vervolgens kiezen met welk contract ze willen werken. Het nieuwe contract wordt ook wel aangeduid als een ‘reële ambitieovereenkomst’. De term ‘reëel’ slaat hier op het opnemen van indexatie in de pensioenaanspraak, zodat expliciet wordt gestreefd naar een koopkrachtvast pensioen. Hierin verschilt het reële contract van het huidige ‘nominale’ contract. Bij het nominale contract is er slechts een ambitie tot indexeren. Deze verschillen werken ook door in de bepaling van de dekkingsgraad. Omdat bij het reële contract al rekening wordt gehouden met indexatie, wordt de dekkingsgraad in reële termen uitgedrukt. Bij het nominale contract is de nominale dekkingsgraad leidend, omdat immers alleen de nominale aanspraken worden gegarandeerd.

De pensioenaanspraken hangen in het reële contract directer samen met ontwikkelingen op financiële markten en de stijging van de levensverwachting. Schokken mogen over een langere periode worden uitgesmeerd (minimaal drie en maximaal tien jaar) dan in het huidige contract (drie jaar). Het gevolg is dat er bij het reële contract weliswaar vaker wordt gekort, maar dat de omvang van die kortingen beperkt blijft. In het nominale contract werkt het precies de andere kant op (Figuur 1).[2]

Figuur 1: Nominaal versus reëel
Figuur 1: Nominaal versus reëelBron: SZW (2012)


Doordat bij het reële contract mee- of tegenvallers direct en volledig in de boekhouding worden verwerkt, keert de dekkingsgraad na een schok automatisch weer terug naar 100%. Dus als zich bijvoorbeeld een negatieve schok voordoet, worden zowel de neerwaartse aanpassing van de pensioenaanspraken in het huidige jaar als van alle overige jaren binnen de herstelperiode in de boekhouding verwerkt. Als zich een positieve schok voordoet, treedt eenzelfde mechanisme in werking, maar dan vindt een opwaartse aanpassing plaats. In het bestaande pensioencontract zijn de nominale aanspraken in beginsel gegarandeerd en zal een pensioenfonds een eventuele negatieve schok zoveel mogelijk willen opvangen door geen indexatie meer in te kopen. In het geval van een maximale indexatiekorting, dat wil zeggen 0% indexatie in plaats van 100% indexatie, worden de verplichtingen nog slechts met de omvang van de prijs- of loonstijging beperkt (dus met hooguit 3 à 4% per jaar) (Bovenberg en Van Ewijk, 2011). In de meeste gevallen kan een dekkingsgraad dan binnen een paar jaar wel weer terugkeren naar 100%, maar het verschil met het reële contract is wel dat de toekomstige kortingen niet vooraf naar de deelnemers worden gecommuniceerd.

De discontovoet is de rentevoet waarmee de toekomstige verplichtingen van pensioenfondsen worden omgerekend naar de waarde van vandaag. Deze is ook anders vormgegeven in het reële contract (Box 1). Omdat in het reële contract indexatie onderdeel is van de aanspraak, en de gehele aanspraak risicovol is (er worden geen garanties gegeven zoals bij het nominale contract), wordt bij de waardering van verplichtingen rekening gehouden met zowel de toekomstige inflatie als met risico’s op financiële markten. Zodoende maken de inflatieverwachting en de risicopremie in het reële contract onderdeel uit van de discontovoet. Ze worden meegenomen in de vaststelling van de dekkingsgraad en werken via deze weg door in de hoogte van de pensioenaanspraken. Dit in tegenstelling tot het nominale contract, waarin de risico-opslag alleen een rol speelt in de berekeningen die pensioenfondsen maken met betrekking tot het verwachte rendement op hun belegd vermogen.[3]

Voetnoten

[2] Een andere reden waarom individuele kortingen lager uitvallen is dat voor elke nieuwe schok een nieuwe hersteltermijn wordt geopend. Dit in tegenstelling tot het nominale contract, waar nieuwe schokken binnen de lopende hersteltermijn worden opgevangen.

[3] De parameters voor de loon- en prijsontwikkeling zijn alleen van belang voor een beperkt aantal contracten met een onvoorwaardelijke indexatietoezegging.

Box 1: Bepaling van de discontovoet

De discontovoet die pensioenfondsen gebruiken om hun verplichtingen te waarderen, is gebaseerd op de risicovrije rentevoet. In de praktijk wordt hiervoor de interbancaire swaprente gebruikt. Vanwege verstoringen op de rentemarkt heeft de regelgever ervoor gekozen om de discontovoet bij lange looptijden kunstmatig te verhogen door een Ultimate Forward Rate (UFR) (Smid, 2012).

De discontovoet voor nominale en reële contracten wordt als volgt bepaald:

•             Nominaal: risicovrije rente (uitgebreid met UFR)

•             Reëel: risicovrije rente (uitgebreid met UFR) - indexatieafslag + risico-opslag

In het reële contract worden dus twee componenten aan de discontocurve toegevoegd: een indexatieafslag en een risico-opslag. De afslag voor indexatie vindt plaats omdat indexatie aan lonen of prijzen onderdeel uitmaakt van de pensioenaanspraak. De risico-opslag is er omdat ontwikkelingen op de financiële markten directer doorwerken in de aanspraken. In het herziene FTK is gekozen voor een uniforme indexatieafslag. De risico-opslag is gelijk voor fondsen met een gelijksoortig deelnemersbestand en staat los van het risicoprofiel in de beleggingsmix van het pensioenfonds.

Voor zowel de UFR als de risicopremie geldt dat ‘groene’ fondsen, dat wil zeggen fondsen met relatief lang lopende verplichtingen, profiteren van een hogere discontovoet dan ‘grijze’ fondsen. Dit sluit aan bij de gedachte dat pensioenen die op korte termijn worden uitgekeerd een hogere mate van ‘zekerheid’ zouden moeten kennen dan pensioenen die op lange termijn worden uitgekeerd. Figuur 2 vergelijkt de bestaande nominale rentetermijnstructuur (rts) met de reële risicogewogen discontocurve die geldt voor fondsen die het nieuwe (reële) contract invoeren (onder de huidige door DNB gehanteerde parameters). De reële risicogewogen discontocurve ligt beduidend lager dan de huidige rts. Dit komt door de lage korte nominale rente en de beperkte risico-opslag bij korte looptijden. Dit zou betekenen dat fondsen die het reële contract invoeren te maken krijgen met een terugvallende dekkingsgraad, waardoor veel fondsen meteen moeten korten.

Figuur 2: Nominale en reële risicogewogen rentetermijnstructuur 
Figuur 2: Nominale en reële risicogewogen rentetermijnstructuur
Bron: DNB

Biedt het reële contract de juiste oplossingen?

Pensioenfondsen die het reële contract invoeren hoeven geen risico’s meer terug te nemen bij lage dekkingsgraden. De nominale garantie wordt immers losgelaten. Dit spoort beter met de wens van de fondsen en deelnemers zelf, aangezien fondsen na de financiële crisis nauwelijks meer risico’s zijn gaan afdekken. Het loslaten van de nominale garantie komt de herstelcapaciteit ten goede en het expliciet maken van risico’s is eerlijker naar de deelnemer toe. Pensioen is de afgelopen jaren immers bepaald geen goudgerande garantie gebleken. Ook de communicatie over de hoogte van het te verwachten pensioen wordt in het reële contract betekenisvoller. Pensioenfondsen hoeven niet langer aan deelnemers uit te leggen dat nominale zekerheid nog geen reële zekerheid betekent. Er wordt in het reële contract immers al rekening gehouden met toekomstige inflatie.

Toch neemt het reële contract niet alle problemen weg. Een veelgehoorde kritiek op de institutionele vormgeving van het Nederlandse pensioenstelsel is dat de eigendomsrechten van deelnemers in pensioenfondsen niet duidelijk zijn gedefinieerd (Bovenberg en Mehlkopf, 2011; Teulings en De Vries, 2003). Pensioenfondsen vangen risico’s op in de anonieme buffer, in plaats van schokken direct met individuele deelnemers af te rekenen. Doordat niet duidelijk is wie eigenaar is van een dekkingsoverschot, of wie er hoort op te draaien voor een tekort, kunnen er verdelingsconflicten ontstaan. Dit speelt bij zowel het nominale als het reële contract. Een van de meest nadrukkelijke risico’s is dat het vergrijzende deelnemersbestand van pensioenfondsen de sociale partners gijzelen om het verdelingsconflict in hun voordeel te beslechten of dat de regelgever zijn oor teveel naar deze groep laat hangen. Nu al probeert de regelgever het pensioenleed van de huidige gepensioneerden met een aantal maatregelen zoveel mogelijk te beperken. Zo hoeven pensioenfondsen vooruitlopend op de invoering van het nieuwe pensioencontract in het ‘overgangsjaar’ 2014 niet meer te korten als zich nieuwe schokken voordoen. Hier komt met de bepaling van de discontovoet van het reële contract nog een risico bij, namelijk dat de inflatieverwachting en de risicopremie die onderdeel uitmaken van de discontovoet te optimistisch worden vastgesteld.

Conclusie

Het nieuwe pensioencontract neemt een paar cruciale tekortkomingen van het huidige contract weg, zoals de beperkte herstelcapaciteit van pensioenfondsen bij lage dekkingsgraden en de communicatie over pensioenopbouw in nominale bedragen, zonder dat met indexatie rekening wordt gehouden. Grondigere hervormingen van het pensioenstelsel zijn echter nodig, zoals het transparant maken van eigendomsrechten. Het directer toedelen van risico’s aan individuele deelnemers, of duidelijk afgebakende groepen van deelnemers, kan hierbij helpen. Daarbij is het belangrijk om een transparante set van regels te hebben die voorschrijven hoe pensioenfondsen met dekkingsoverschotten en tekorten omgaan. Die regels hoeven niet voor alle pensioenfondsen hetzelfde te zijn, als de deelnemers maar vooraf weten waar ze aan toe zijn en er voldoende draagvlak is. Voor de politiek is er een rol weggelegd om haar eigen handen zoveel mogelijk ‘aan het stuur te binden’ en te voorkomen dat toekomstige kabinetten in de verleiding komen om de regels in het voordeel van bepaalde generaties aan te passen.

Literatuur

Boeijen, D., N. Kortleve en J. Tamerus (2010), Van toezegging naar ambitie, Netspar Nea Paper 35, juni 2010

Bovenberg, A.L. en C. van Ewijk (2011), Naar een nieuw pensioencontract, Netspar Design Paper 01, juli 2011

Bovenberg, A.L. en R. Mehlkopf (2011), Hoe snel moeten pensioenfondsen herstellen? Een aantal overwegingen, TPEdigitaal 2011, jaargang 5(2), pp. 69-82

Bovenberg, A.L., T. Nijman en B. Werker (2012), Voorwaardelijke Pensioenaanspraken, Netspar Occasional Papers, 2 april 2012

Commissie Goudswaard (2010), Een sterke tweede pijler: naar een toekomstbestendig stelsel van aanvullende pensioenen, Commissie Toekomstbestendigheid Aanvullende Pensioenregelingen

Piljic, D. en T.H. Smid (2011), Pensioenakkoord voor de toekomst?, Rabobank Themabericht 2011/14, juli 2011

Smid, T.H. (2012), Een realistische rekenrente, Rabobank Themabericht 2012/17, september 2012

SZW (2012), Hoofdlijnennota herziening financieel toetsingskader pensioenen, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Teulings, C.N. en C.G. de Vries (2003), Generational Accounting, Solidarity and Pension Losses, IZA Discussion Paper No. 961, december 2003

Delen:
Auteur(s)

naar boven