RaboResearch - Economisch Onderzoek

Stagnatie zakelijke kredietverlening

Economisch commentaar

Delen:

Ondernemers in Nederland zijn voor hun financiering sterk afhankelijk van banken. De vraag naar kredietverlening zal ook de komende tijd niet snel toenemen, gegeven de magere econo­mische vooruitzichten. In hoeverre aanbodsrestricties een rol spelen, blijft daarmee de vraag.

Figuur 1: Zakelijke kredietverlening in Nederland

Figuur 1: Zakelijke kredietverlening in Nederland

Bron: DNB (door DNB gecorrigeerd voor securitisatie)

Ook na het uitbreken van de financiële crisis in 2008 bleef de zakelijke kredietverlening in Nederland stijgen (figuur 1), terwijl deze in andere Europese landen al snel kromp (figuur 2). Wel is het groeitempo van de kredietverlening sinds de crisis sterk afge­nomen, na een periode van zeer sterke kredietgroei in de jaren 2006-2008. Volgens een enquête onder banken houdt dit lagere groei­tempo verband met een afname in de krediet­vraag. Deze afname komt vooral door een lagere financierings­behoefte voor vaste investeringen, voorraden en werkkapitaal (figuur 3). Dit past ook in het beeld van de economische activiteit in Nederland. Vooral de binnenlandse vraag is sterk gedaald. De economische omgeving zorgt ook voor toege­nomen kredietrisico’s, zoals ook blijkt uit recente cijfers van het CBS over de sterke stijging van bedrijfsfaillissementen. Dit gestegen risico leidt tot aanscherping van de krediet­voor­waarden, zoals hogere eisen aan het onderpand.

Figuur 2: Kredietgroei op jaarbasis
Figuur 2: Kredietgroei op jaarbasis Bron: DNB, saldo van % respondenten dat een toename in kredietvraag signaleert en % dat een afname ziet.
Figuur 3: Kredietvraag in Nederland
Figuur 3: Kredietvraag in NederlandBron: DNB, saldo van % respondenten dat een toename in kredietvraag signaleert en % dat een afname ziet.

Sinds medio 2012 is de zakelijke kredietverlening nauwelijks nog toegenomen. Op jaarbasis is er welis­waar nog sprake van een lichte toename (figuur 2), maar op kwartaalbasis is dit nog nauwelijks het geval. Is het mogelijk dat deze recente stagnatie het gevolg is van balansproblemen van banken?

In de nasleep van de financiële crisis worden op nationaal en internationaal niveau diverse maatregelen genomen ter verbetering van de financiële stabiliteit. Zo moeten banken wereldwijd voldoen aan nieuwe liquiditeitseisen en strengere kapitaaleisen, vastgelegd in het Bazel III-akkoord. De liquiditeitseisen moeten de afhankelijkheid van kort vreemd vermogen reduceren. Banken moeten daarom verhoudings­gewijs meer gebruik maken van stabiele financieringsbronnen zoals spaargelden en lang vreemd vermogen. Het doel van de kapitaaleisen is de solvabiliteit van de banken te vergroten door eisen te stellen aan de omvang en de kwaliteit van het eigen vermogen dat zij moeten aanhouden in verhouding tot de risico-gewogen activa zoals verstrekte kredieten. In de risicoweging tellen bedrijfskredieten als risicovoller dan woninghypotheken. Het eigen vermogen vormt een buffer tegen onverwachte verliezen. Een bank die het eigen vermogen onvoldoende kan verhogen, bijvoorbeeld door aandelenuitgifte of winstreservering, moet dus de activa verminderen.

Het IMF schreef in 2012 [1] dat Europese banken hun activa de komende jaren met € 2.000 mil­jard zullen terugbrengen en waarschuwt voor een ‘Europese credit crunch’. De waarschuwing van het IMF is algemeen van aard en lijkt niet van toepassing op de drie Nederlandse groot­banken, die al ruimschoots aan de kapitaaleisen voldoen. De gewogen kapitaalratio’s (core tier-1 ratio) van ING en ABN AMRO waren eind 2012 respectievelijk 11,9 en 12,1%, en van de Rabo­bank 13,2%, alle ruimschoots boven de Europese minimaal vereiste 9%. Ook de ongewogen kapitaalratio (eigen vermogen ten opzichte van de totale activa) van ten minste 3% wordt door de Nederlandse banken gehaald (figuur 4). Het lijkt dan ook niet aannemelijk dat de huidige stagnatie van kredietverlening vooral te wijten zou zijn aan aanbodsrestricties veroorzaakt door balansproblemen van banken.

Figuur 4: Eigen vermogen als % totale activa Nederlandse banken

Figuur 4: Eigen vermogen als % totale activa Nederlandse banken

Bron: DNB

Daarnaast kan er sprake zijn van een prijseffect (hogere rente) doordat de financieringsmix van banken verandert onder invloed van de nieuwe eisen. Dit prijseffect ontstaat door een verschuiving naar meer eigen vermogen, lang vreemd vermogen en spaargeld in plaats van financiering met kort vreemd vermo­gen, dat goedkoper is. Dat is goed voor de stabiliteit van banken maar wel kostenverhogend voor kredietnemers. De kapitaaleisen kunnen bovendien een rem vormen op toekomstige kredietgroei. Als de kredietvraag zeer snel toeneemt zonder toename van het eigen vermogen van banken, dan bepalen de kapitaalratio’s hoeveel kredietgroei een bank kan faciliteren. Of de kredietvraag daadwerkelijk zó snel zal aantrekken is nog maar de vraag en lijkt bij de huidige economische vooruitzichten niet aannemelijk.

Voetnoten

[1] ^ IMF (2012) Global Financial Stability Report, April 2012

Delen:
Auteur(s)

naar boven