RaboResearch - Economisch Onderzoek

Kleiner sturen met grotere gemeenten

Special

Delen:

Het kabinet wil onder het motto “kleiner sturen” de omvang van de overheid in Nederland terugdringen. Gemeenten moeten terug in aantal en groter qua om­vang. Deze opschaling biedt de kans de bestuurlijke indeling van ons land aan te passen aan de maatschappelijke realiteit.

Kleiner sturen en opschalen

Het kabinet Rutte II streeft ernaar overheidsorganen qua taken duidelijker van elkaar te onderscheiden. “Een krachtige en dienstverlenende overheid vraagt een duidelijke afbakening van taken en verantwoordelijkheden tussen en binnen bestuurslagen”, zo stelt het regeerakkoord. Provincies krijgen een eigen beleids­gebied – een “materieel gesloten provinciale huishouding” – met betrekking tot ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, natuur en regionaal economisch beleid. Gemeenten krijgen “beleidsvrijheid” op het gebied van arbeidsmarkt, zorg en welzijn. Met het overhevelen van taken naar gemeenten verwacht het rijk dat de betrokkenheid van burgers te vergroten, maatwerk in de uitvoering van het be­leid mogelijk te maken, verkokering van beleid tegen te gaan en daardoor effi­cien­cywinst te behalen (Bruggen Slaan, 2012).

De decentralisatie van bevoegdheden vergt dat lokale en regionale overheden op een “passende schaal” zijn georganiseerd. Met andere woorden: provincies en gemeenten moeten groter worden om hun – in omvang toenemende – taken­pakket naar behoren te kunnen uitvoeren. De regering streeft voor de lange termijn voor opschaling van de twaalf provincies tot vijf landsdelen, waarmee de Waterschappen zullen worden samengevoegd. Op korte termijn al zouden de provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland moeten samengaan, waarbij de Noordoostpolder waarschijnlijk buiten dit nieuwe “Noordvleugel-landsdeel” zal blijven. Gemeenten zouden op den duur minstens 100.000 inwoners moeten tellen, maar de WGR+-samenwerkingsverbanden zullen worden opgeheven. Het rijk zal deze bestuurlijke herindeling echter niet opleggen, maar “ontwikkelingen in de gewenste richting” aanmoedigen door de decentralisatie en de bijbehoren­de financiering “in principe” richten op 100.000+-gemeenten. Aan de provincies wordt gevraagd om “met gemeenten initiatieven gericht op vergroting van de gemeentelijke schaal te bespreken” (Bruggen Slaan, 2012).

Complexiteit en schaal openbaar bestuur

Deze kabinetsvoorstellen passen in een lange traditie van bestuurlijke hervor­min­gen. Zij vloeien concreet voort uit de Brede Heroverweging uit 2010 en de voorstellen van de Commissie Geelhoed uit 2002, waarin wordt geconcludeerd dat het Nederlandse openbaar bestuur zeer complex is geworden en dat het “beter en goedkoper kan” (Ministerie van Financiën, 2010; IPO, 2002). Deze complexiteit is in de eerste plaats het gevolg van het ingewikkelder worden van de samenleving in de afgelopen decennia en van de toename van het ambitieniveau en de bemoeienis van de overheid met de samen­leving. Als gevolg van de beleidsautonomie –“materieel open huishouding” – en “mede­bewind” van provincies en gemeenten, decen­tralisatie en verzelfstandiging van rijks­dienst­en, betrokkenheid van maatschappelijke par­tijen bij het bestuur – “poldermodel” – en de doorwerking van internationale verdragen groeide het openbaar bestuur in ons land uit tot een “bijna niet te ontwarren kluwen van instanties, bevoegdheden, taken en verantwoor­dings­relaties” (Minis­te­rie van Financiën, 2010).

Figuur 1: WGR+-samenwerkingsverbanden 2012

Figuur 1: WGR+-samenwerkingsverbanden 2012

Bron: CBS

De tweede oorzaak voor de complexiteit van het bestuur is het verschil tussen de schaal waarop maatschappelijke processen zich voordoen en de schaal waar­op het openbaar bestuur is georganiseerd. De ruimtelijke variatie in ons land en het subsidiariteitsbeginsel – de noodzakelijkheid en wenselijkheid van het op een zo laag mogelijk bestuurlijk niveau uitvoeren van overheidstaken – maken regionaal en lokaal bestuur en gedeconcentreerde rijksdiensten nood­zakelijk. De ene plaats vergt immers iets anders van de overheid dan de andere en niet elk beleidsonderdeel leent zich ervoor vanuit Den Haag te worden gere­geld (IPO, 2002). Aan de andere kant spelen maatschappelijke en economische processen zich af op een ruimtelijke schaal die de individuele gemeente te boven gaat. Daarom is al decennia lang sprake van opschaling van het lokale bestuur door gemeentelijke herindeling. Daarnaast werd getracht het bestuur door de vor­ming van een aanvullende bestuurslaag in de grootste stedelijke gebieden op de schaal van maatschappelijke processen te laten aansluiten. Pogingen om te komen tot 44 gewesten, 24 mini-provincies of zeven stadsprovincies mislukten, maar in het begin van deze eeuw kwam in een zevental stedelijke gebieden in ons land wel WGR+-samenwerkingsverbanden tot stand (figuur 1). De Wet Gemeen­schappelijke Regelingen verplicht in een aantal gebieden gemeenten tot samen­­werking. Deze “stadsregio’s” voeren op het gebied van ruimtelijke orde­ning, wonen, economische ontwikkeling en verkeer en vervoer taken uit die af­kom­stig zijn van de rijksoverheid en van de provincie. Ook kunnen de deelne­men­de gemeenten zelf taken naar de stadsregio overhevelen (IPO, 2002).

Als gevolg van gemeentelijke herindeling nam het aantal gemeenten sinds 1900 met meer dan zestig procent af en dit leidde er – samen met de sterke bevol­kings­groei – toe dat het gemiddeld aantal inwoners per gemeente bijna tien­maal zo groot werd (figuur 2). Opschaling kent echter niet alleen voordelen. Voorstellen voor gemeentelijke herindeling stuiten vaak op grote weerstand bij de betrokken burgers en overheden en worden om die reden soms niet doorgevoerd (Minis­te­rie van Financiën, 2010). Dat was bijvoorbeeld het geval bij het beoogde samengaan van de lan­de­lijke gemeenten Woudenberg, Rens­wou­de en Scherpenzeel in 2010 en bij de be­oog­de vorming van de grootstedelijke ge­meente Eind­hoven door het samengaan van Son en Breu­gel, Nuenen, Waalre, Oirschot, Best, Geldrop, Mierlo en delen van Eersel met Eind­hoven in 2002. Bovendien worden ge­meen­ten – ge­me­ten aan de hand van het aantal ambte­naren en de uitgaven per inwoner – eerder minder dan meer efficiënt naarmate zij groter worden. Hierbij kan echter een rol spelen dat grotere gemeenten vaak ook inwo­ners van andere gemeenten bedienen (Allers, 2010).

Figuur 2: Aantal gemeenten en gemiddeld aantal inwoners per gemeente 1900-2012

Figuur 2: Aantal gemeenten en gemiddeld aantal inwoners per gemeente 1900-2012

Bron: CBS

Anders dan de gemeentelijke herindeling kwam de vorming van bovenlokaal be­stuur nauwelijks van de grond. Het regionaal bestuur wordt niet direct gekozen door de burger en mist daardoor democratische legitimatie. Daarnaast leidt dit “midden bestuur” tot extra “bestuurlijke drukte” en is zij doorgaans niet geliefd bij de betrokken gemeenten en provincies. Gemeenten kiezen veelal voor hun eigen belang en niet voor het regionale belang. De stadsregio heeft daardoor nauwelijks “doorzettingsmacht”. Provincies moeten een groot deel van hun ge­bied aan het WGR-bestuur afstaan. Zo nemen de stadsregio’s Amsterdam, Utrecht en Twente meer dan de helft van de bevolking in de betreffende pro­vin­cie voor hun rekening, de regio’s rond Rotterdam, Den Haag, Eindhoven rond een derde deel en Parkstad Limburg bijna een kwart. IPO en VNG juichen de opheffing van de stadsregio’s dan ook toe (VNG, 2012). Toch heeft de Commis­sie Geelhoed voorkeur voor “vernieuwende vormen van bestuur, zoals ad hoc-arrangementen tussen gemeen­ten” boven opschaling op basis van ruimtelijke samenhang tussen gemeenten. Deze samenhang kan immers per aspect verschillen. Bovendien zouden deze nieuwe, opgeschaalde gemeenten – naarmate de tijd verstrijkt – door de voortgaande maatschappelijke dynamiek steeds meer los komen te staan van de samenhang waarop zij oorspronkelijk waren gebaseerd (IPO, 2002). 

Lokale en bovenlokale oriëntatie

Weerstand tegen gemeentelijke herindeling en regionaal bestuur laten onverlet dat het dagelijks leven van een groot deel van de burgers zich niet alleen in hun woongemeente afspeelt, maar ook daarbuiten. Weliswaar brengt de Nederlander gemiddeld meer dan zeventig procent van zijn dag door in de eigen woning of in de nabije omgeving daarvan, maar daarbij gaat het vooral om activiteiten die onlosmakelijk met de persoon – slapen, persoonlijke verzorging en ontspanning – of met zijn persoonlijke levenssfeer – zorg voor huisgenoten en huishoudelijk werk – zijn verbonden (figuur 3). De activiteiten die gedurende de rest van de dag worden ontplooid – het verrichten van betaald werk, het onderhouden van sociale contacten, het genieten van ontspanning in de vorm van culturele activiteit of sport, reizen en boodschappen doen – vinden per definitie of in zeer grote mate buitenshuis plaats.

Ook voor deze “openbare” activiteiten is de woongemeente van groot belang. Daar­naast spelen zij zich echter voor een belangrijk deel buiten de woonge­meen­te af. In onze “netwerksamenleving" is iedere dag weer sprake van om­vang­rijke stromen van personen, goederen, diensten en informatie waarvoor – de huidige – gemeentegrenzen nauwelijks een rol spelen (figuur 4). Meer dan de helft van de werkzame beroepsbevolking werkt buiten de woongemeente, meer dan veertig procent van de bestedingen aan mode, luxe- en vrijetijds­artikelen vindt plaats in winkels buiten de woongemeente en theater-, bioscoop- en museum­bezoekers doen een derde van hun bestedingen in een andere dan hun woongemeente. Zelfs voor dagelijkse artikelen maakt de koopkracht­afvloeiing nog een kwart van de totale bestedingen uit. Daar komt nog bij dat de woon­plaats geen vast gegeven is. Jaarlijks verandert een op de tien Nederlan­ders van adres en bij bijna veertig procent van de verhuizingen wordt een gemeentegrens overschreden.

Figuur 3: Tijdbesteding personen 20-72 jaar in Nederland 2010
Figuur 3: Tijdbesteding personen 20-72 jaar in Nederland 2010Bron: SCP
Figuur 4: Aandeel binnengemeentelijke activitei-ten in totaal aantal activiteiten in Nederland 2000-12
Figuur 4: Aandeel binnengemeentelijke activitei-ten in totaal aantal activiteiten in Nederland 2000-12Bron: ABF-Research, Rabobank

Grote steden en hun ommeland

In deze stromen van mensen, goederen, diensten en informatie nemen gemeen­ten met een groot inwonertal, een omvangrijke werkgelegenheid en een fors voorzieningenaanbod doorgaans een centrale positie in. Zij vormen op het ge­bied van wonen werken, voorzieningen en recreëren de spil van een “functional urban region”, die niet alleen de grote gemeente zelf beslaat, maar ook een (groot) aantal omliggende gemeenten. De inwoners van dit ommeland zijn voor werkgelegenheid, voorzieningen en woonruimte – net als de inwoners van die grote gemeenten zelf – voor een belangrijk deel op die grote gemeente gericht. Daardoor is de lokale binding in grotere gemeenten sterker dan in kleinere (figuur 5).

De intensiteit van de oriëntatie die gemeenten op elkaar hebben, is doorgaans groter naarmate gemeenten groter zijn en naarmate de afstand tussen gemeen­ten kleiner is. Grote kernen trekken – door de omvang en variatie van het voor­zieningenaanbod – sterker dan kleine en de aantrekkingskracht van een kern is in zijn nabijheid groter dan op afstand (figuur 6).

Figuur 5: Aandeel binnengemeentelijke activitei-ten per grootteklasse gemeenten 2000-12 (NL= 100%)
Figuur 5: Aandeel binnengemeentelijke activitei-ten per grootteklasse gemeenten 2000-12 (NL= 100%)Bron: ABF-Research, Rabobank
Figuur 6. Beta-coëfficiënten invloed afstand en om¬vang gemeenten op omvang woon-werkverkeer 2005
Figuur 6. Beta-coëfficiënten invloed afstand en om¬vang gemeenten op omvang woon-werkverkeer 2005Bron: Rouwet

Inkomende of uitgaande bestedingen, verhuizingen of pendelaars zijn in een kleine gemeente bovendien van veel grotere invloed dan in een grotere gemeente. Met andere woorden, de relatie tussen grote en kleine gemeenten is asymmetrisch. Daarnaast heeft de oriëntatie vanuit of naar een gemeente een diffuus karakter. Verhuizingen, woon-werkverkeer en het gebruik van voorzieningen vanuit of naar een gemeen­te zijn gericht op en afkomstig uit verschillende andere gemeenten. Een ge­meen­te maakt daardoor deel uit van het ommeland van verschillende kernen. Deze kernen concurreren als het ware met elkaar om klanten, bezoekers, pen­de­laars en verhuizers uit andere gemeenten. Door gemeenten toe te kennen aan de kern waarvan zij de sterkste invloed ondervinden, kunnen toch eenduidige regio’s worden afgebakend.

Verder verschillen activiteiten – als tegenhanger van de mate waarin zij binnen­gemeentelijk plaatsvinden – in de mate waarin gemeenten op elkaar zijn ge­oriën­teerd. Op de arbeidsmarkt is de samenhang tussen gemeenten veel sterker dan op de woningmarkt en op het gebied van recreatie en op deze gebieden is de samenhang weer groter dan voor cultuurbezoek en voor dagelijkse bood­schap­pen (figuur 3). Desondanks hangen de functional urban regions voor ver­hui­zingen, woon-werkverkeer en het gebruik van voorzieningen sterk samen. Of te wel, een groot deel van de gemeenten is op de woning­markt, de arbeidsmarkt en qua voorzieningen op dezelfde kern gericht. Tot slot vertonen ge­meenten – naast deze functionele samenhang – in veel gevallen ook een sterke ruimtelijke sa­menhang doordat hun bebouwde areaal aaneen is gegroeid. Dergelijke ge­meen­ten vormen gezamenlijk één, grootstedelijke agglomeratie.

Figuur 7: Aandeel stedelijk grondgebruik per postcodegebied 2010

Figuur 7: Aandeel stedelijk grondgebruik per postcodegebied 2010

Bron: ABF-Research, Rabobank

Zowel deze ruimtelijke als de functionele sa­men­hang tussen gemeenten is in de afgelopen decennia toegenomen. Het bebouwde areaal in ons land is als gevolg van de bevolkingsgroei en de toename van de welvaart in de afgelopen eeuw tienmaal zo groot geworden en in het westen en midden van het land is een vrijwel aaneengesloten stedelijk gebied ontstaan (figuur 7). Terwijl rond 1950 – bij meer dan duizend gemeenten – slechts vijf procent van de werkzame beroeps­bevolking in ons land in een andere dan de woongemeente werkzaam was, is dat nu – bij ruim vierhonderd gemeenten – voor meer dan de helft van de werkzame beroepsbevolking het geval. Sinds de jaren negentig nam de oriëntatie van de werkzame beroepsbevolking op werk in een andere dan de woongemeente toe van 48 procent tot 51 procent. Op de woningmarkt nam de “externe” oriëntatie met vijf procentpunten toe.

Naar gemeenten van passende schaal

De samenhang van gemeenten in de stromen van mensen, goederen, diensten en informatie kan dienen als uitgangspunt voor gemeentelijke opschaling. Nieu­we gemeenten met een “passende schaal” kunnen worden gevormd op ba­sis van de – grote – gemeenten die functione­ren als kern en de – kleinere – gemeenten die daarop zijn ge­oriënteerd. Daarbij bepaalt het aandeel dat een kern in het totaal aan stro­men in ons land moet hebben het aantal nieu­we gemeen­ten, hun gemiddelde omvang en de mate waar­in woon-werkverkeer, verhuizingen en bestedingen bin­nen die nieuwe gemeente plaatsvinden. Naar­mate een huidige gemeente groter moet zijn om als kern te worden aange­merkt, is het aantal gemeenten nieuwe stijl dat ontstaat kleiner, maar is hun homogeniteit – het deel van deze stromen dat zich binnen de nieuwe gemeente afspeelt – gemiddeld groter.

De homogeniteit neemt niet recht evenredig toe met de afname van het aantal nieuwe gemeenten. De toename is het sterkst als gemeenten die niet of nauwe­lijks een centrumfunctie voor andere gemeenten hebben, worden samengevoegd met de kernen waarop zij zelf zijn georiënteerd. Relatieve pieken in de toename van de gemiddelde homogeniteit treden op als kernen minstens 0,2 procent of 0,45 procent van de nationale werkgelegenheid moeten tellen. In het eerste geval is sprake van 105 gemeenten, met gemiddeld 156.000 inwoners. Gemid­deld 65 procent van het woon-werkverkeer in ons land blijft binnen deze ge­meen­ten. In het tweede geval ontstaan 41 gemeenten met gemiddeld 396.000 inwoners en een homogeniteit van 72 procent (figuur 8).

Figuur 8: Aantal, gemiddelde omvang en ontwikkeling homogeniteit nieuwe gemeenten

Figuur 8: Aantal, gemiddelde omvang en ontwikkeling homogeniteit nieuwe gemeenten

Bron: ABF-Research, Rabobank 

Ondanks de verschillen in de mate waarin pendel-, verhuis-, bezoekers- en koopstromen binnen een gemeente plaatsvinden of juist tot stromen tussen gemeenten leiden, komt de oriëntatie van gemeenten voor deze stromen sterk overeen. Driekwart van de huidige 418 gemeenten is voor woon-werkverkeer, verhuizingen en consumentenbestedingen op dezelfde kern georiënteerd en het overige kwart kent voor twee van deze stromen dezelfde oriëntatie. Voor het organiseren van overheden op een “passende schaal” lijkt het woon-werkverkeer echter een beter criterium dan consumentenbestedingen en verhuizingen. In de dagbesteding van de Nederlander is het woon-werkverkeer immers de activiteit die het minst aan de gemeente is gebonden. Het maatschappelijk en econo­misch belang van werk is bovendien groot: werk neemt meer dan een derde deel van de tijd in beslag die de Nederlander besteedt aan activiteiten buiten de persoonlijke levenssfeer, 45 procent van de totale bevolking en ruim twee derde deel van de potentiële beroepsbevolking is aan het werk, tachtig procent van de van de bevolking verkrijgt zijn inkomen uit – door hemzelf of door een van zijn huisgenoten verrichte – arbeid en arbeidskosten maken 57 procent uit van de in ons land tot stand gebrachte toegevoegde waarde.

Een grillige gemeentekaart

Als op basis van het pendelpatroon uit de huidige gemeente-indeling gemeenten nieuwe stijl worden gecreëerd, ontstaan bij het 0,2%-criterium 105 gemeenten (figuur 9) en bij het 0,45%-criterium 41 (figuur 10). Niet elke gemeente heeft echter de door de regering gewenste “passende schaal” van tenminste honderd duizend inwoners. Bij het 0,2%-criterium tellen volgens de huidige stand van de bevolking vijftig gemeenten minder dan honderd duizend inwoners, bij het 0,45%-criterium zijn dat er slechts twee – Nieuwegein en Westland. Verder hebben niet alle gemeenten nieuwe stijl een “afgerond” oppervlak – zoals Amsterdam – en komen er enclaves voor van gemeenten die – zoals De Marne – een geringe “externe” oriëntatie kennen of die – zoals Nieuwegein en Veld­hoven – weliswaar een forse werkgelegenheidskern zijn, maar die door de nabij­heid van een nog grotere kern niet of nauwelijks aantrekkingskracht hebben. Bovendien leidt deze indeling op basis van functionele samenhang er niet in alle gevallen toe dat aaneen gegroeid stedelijk areaal tot een gemeente nieuwe stijl gaat behoren, zelfs niet onder het strenge 0,45%-criterium. Vooral in de Rand­stad – met zijn concentratie van gemeenten met een omvangrijke werkgelegen­heid – en in Twente is ook na opschaling het stedelijk gebied nog steeds “verkaveld” over verschillende gemeenten. In de rest van het land wordt het aaneengesloten stedelijke gebied bij het 0,45%-criterium echter niet door gemeentegrenzen doorsneden.

Als de functionele samenhang bij het 0,2%-criterium wordt gecombineerd met de eis dat een gemeente minstens honderd duizend inwoners moet tellen, neemt het aantal gemeenten nieuwe stijl af tot 55. Gemiddeld tellen deze gemeenten driehonderd duizend inwoners. In vergelijking met het zwaardere 0,45%-criterium ontstaat rond een zestiental kleinere kernen – zoals Alphen aan den Rijn, Goes, Roermond en Tiel – nu ook een gemeente nieuwe stijl.

Figuur 9: Gemeenten nieuwe stijl op basis van het 0,2%-criterium
Figuur 9: Gemeenten nieuwe stijl op basis van het 0,2%-criteriumBron: ABF-Research, Rabobank
Figuur 10: Gemeenten nieuwe stijl op basis van het 0,45%-criterium
Figuur 10: Gemeenten nieuwe stijl op basis van het 0,45%-criteriumBron: ABF-Research, Rabobank

Aan de andere kant verdwijnen Nieuwegein en Westland van de gemeentekaart (figuur 11). Ook nu is echter nog sprake van enclaves en van versnippering van het aaneengesloten stedelijke gebied in de Randstad en in Twente. 

Zowel met als zonder toepassing van de eis dat een gemeente nieuwe stijl ten­minste honderd duizend inwoners moet tellen, past de indeling in gemeenten in belangrijke mate in de door de regering voorgestelde indeling in vijf provincies nieuwe stijl – “landsdelen” (figuur 12). Bij het 0,2%-criterium ligt bijna drie pro­cent van de huidige gemeenten in een ander landsdeel dan de kern van de gemeente nieuwe stijl, bij de toepassing van de “100.000+-eis” is dat vijf procent en bij het 0,45%-criterium bijna acht procent. De belangrijkste fricties tussen de voorgestelde indeling in landsdelen en deze gemeente-indelingen doen zich voor in Rivierenland en ten zuiden van Nijmegen. Rivierenland behoort weliswaar tot het landsdeel Oost, maar een groot gedeelte van het gebied is op Utrecht en ’s-Hertogenbosch georiënteerd. De noordelijke Peel en een deel van de oostelijke Maasoever in Noord-Limburg behoren tot landsdeel Zuid, maar zijn georiënteerd op Nijmegen. Daarnaast is een deel van het Groene Hart – lands­deel Zuid-Holland – op Haarlemmermeer georiënteerd, een deel van het Rand­merengebied – landsdeel Oost – op Amersfoort en een deel van Drenthe – landsdeel Noord – op Zwolle. Dit duidt erop dat niet alleen de Noordoostpolder, maar ook andere gemeenten in ons land van landsdeel zouden kunnen wisselen.

Figuur 11: Gemeenten nieuwe stijl op basis van het 0,20%- en het 100.00+-criterium
Figuur 11: Gemeenten nieuwe stijl op basis van het 0,20%- en het 100.00+-criteriumBron: ABF-Research, Rabobank
Figuur 12: Indeling van Nederland in vijf landsdelen
Figuur 12: Indeling van Nederland in vijf landsdelenBron: Bruggen Slaan 

Conclusies

Het dagelijks leven van de Nederlander speelt zich weliswaar voor een belangrijk deel binnen zijn – huidige – woongemeente af, maar daarnaast is sprake van een omvangrijk “gemeentegrensoverschrijdend verkeer” op de arbeidsmarkt, op de woningmarkt, voor recreatieve doeleinden en voor de aanschaf van goederen en diensten. Deze “functional urban regions” hangen voor de verschillende activiteiten sterk samen en hebben een behoorlijk stabiel karakter. De overheid zou ze daarom als uitgangspunt kunnen kiezen bij haar streven naar “gemeen­ten op passende schaal”. Gemeentelijk beleid kan namelijk het beste worden vormgegeven op het ruimtelijke niveau waarop het dagelijks leven van burgers zich afspeelt. Als de huidige gemeenten aan de hand van het ruimtelijk patroon van het woon-werkverkeer, verhuizingen of bestedingen zouden worden samen­gevoegd, zouden de nieuwe, opgeschaalde gemeenten aansluiten bij de ruimte­lijke schaal van maatschappelijke processen. De door de regering voorgestelde landsdelen zouden echter niet in alle gevallen passen op die nieuwe, opgeschaal­de gemeenten. De landsdelen kunnen dan ook niet zonder meer uit de huidige provincies kunnen worden samengesteld. Niet alleen de Noordoostpolder zou van landsdeel moeten wisselen, maar ook een deel van het Groene Hart, Rivie­renland en het landelijk gebied ten zuiden van Nijmegen. 

Literatuur

ABF-Research. Vastgoedmonitor, www.abf-research.nl, 2012.

Allers (2010). Allers, M.A., Gemeentelijke schaalvergro­ting levert geen geld op, ESB 95 (4586) 28 mei, 341-342.

IPO (2002). Op schaal gewogen. Regionaal bestuur in Neder­land in de 21e eeuw, Interprovinciaal Overleg, maart 2002.

Ministerie van Financiën (2010). Rapport Brede Heroverwegingen, 18. Openbaar Bestuur, april 2010.

Bruggen Slaan (2012). Bruggen Slaan. Regeerakkoord VVD PvdA 2012, www.kabinetsformatie2012.nl, 2012.

Rouwet (2008). Rouwet, E.H.J., The spatial structure of commu­ting trips. A case study of the Netherlands, Erasmus Universiteit Rotterdam, juni 2008.

SCP (2006). SCP, De tijd als Spiegel, SCP, Den Haag, 2006.

SER (2013). www.ser.nl, Sociaal Economische Raad, 2013.

Colofon

Deze Special is een uitgave van het Directoraat Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Het Directoraat aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwar­taal­bericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers. Deze studies zijn tevens te vinden op onze website: economie.rabobank.com.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666.

U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Auteur: Frits Oevering, senior-onderzoeker Nationaal Macro-Economisch Onderzoek

Eindredactie: Hans Stegeman, hoofd Nationaal Onderzoek, Kennis en Economisch Onderzoek

Redactie: Enrico Versteegh

Productiecoördinatie: Christel Frentz

Graphics: Reinier Meijer

© 2013 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)

naar boven