RaboResearch - Economisch Onderzoek

Dekkingsgraden nemen toe

Economisch commentaar

Delen:

De gemiddelde dekkingsgraad – de verhouding tussen de beschikbare middelen en de verplichtingen – van Nederlandse pensioenfondsen kwam in het laatste kwartaal van 2012 uit op 102%, een lichte verbetering van 1%-punt ten opzichte van het derde kwartaal (Figuur 1). De stijging van de dekkingsgraad is vooral te danken aan positieve rendementen op aandelen. De MSCI-world index (een gewogen index van aandelen in ontwikkelde landen) nam in het vierde kwartaal toe met 2,1%. De interbancaire swaprente, die pensioenfondsen gebruiken om hun verplichtingen te waarderen, nam wat af voor korte looptijden en steeg licht voor lange looptijden, zodat het netto effect op de dekkingsgraad beperkt was.

In het derde kwartaal van 2012 namen de dekkingsgraden een stuk sterker toe als gevolg van het besluit van DNB om de rekenrente te verhogen. Sinds 2007 is deze gebaseerd op de interbancaire swaprente. Onder de nieuwe regels beweegt de rekenrente bij zeer lange looptijden naar een vaste rentevoet toe, de Ultimate Forward Rate (UFR) (Figuur 2). Vanaf een looptijd van 20 jaar (het ‘laatste liquide punt’) bestaat de rekenrente uit een weging van de marktrente en de UFR. Vanaf een looptijd van 60 jaar is de rekenrente gelijk aan de UFR, zo’n 3,4%. Door de UFR komt de financiële positie van pensioenfondsen een stuk beter uit de verf; de rekenrente wordt immers kunstmatig verhoogd. Bovendien staat er sinds de introductie van de UFR minder neerwaartse druk op het lange eind van de rentecurve. De vraag vanuit pensioenfondsen naar instrumenten om renterisico af te dekken (e.g. renteswaps) is afgenomen, zodat ook de marktrente voor lange looptijden weer wat omhoog komt. Ook dit effect draagt bij aan een hogere dekkingsgraad.

Ondanks de recente verbetering in dekkingsgraden zijn veel pensioenfondsen genoodzaakt om per 1 april 2013 een korting door te voeren, wat betekent dat de nominale waarde van de pensioenuitkeringen en –opbouw wordt verlaagd. Dit is nodig omdat de dekkingsgraad van veel pensioenfondsen sinds het uitbreken van de crisis onvoldoende is hersteld. In totaal hebben 68 van de 415 fondsen aangegeven gebruik te zullen maken van de kortingsmaatregel [1]. Deze kortingen raken in totaal 2 miljoen actieve deelnemers, 1,1 miljoen gepensioneerden en 2,5 miljoen zogenoemde slapers (personen die van werkgever zijn gewisseld en niet aan waardeoverdracht hebben gedaan).

Figuur 1: Dekkingsgraad neemt iets toe
Figuur 1: Dekkingsgraad neemt iets toeBron: DNB
Figuur 2: UFR trekt lange eind rentecurve om-hoog
Figuur 2: UFR trekt lange eind rentecurve om-hoogBron: DNB

Het merendeel van de pensioenfondsen hoeft dit jaar geen korting door te voeren en sommige fondsen kunnen de deelnemers zelfs (gedeeltelijk) compenseren voor het toegenomen prijsniveau. De gemiddelde korting (gewogen naar omvang van de verplichtingen) bedraag 1,9%. Geen van de 68 getroffen fondsen hoeft per 1 april meer dan 7% te korten; 19 fondsen maken gebruik van de mogelijkheid om de korting te maximeren op 7%. Voorwaarde voor deze maximering is dat pensioenfondsen in de toekomst pas mogen indexeren wanneer de dekkingsgraad hoger is dan 110%, terwijl voorheen de grens werd gesteld bij 105% [2]. Het restant van de door te voeren korting mag worden doorgeschoven naar april 2014, wederom tot een maximum van 7%, en indien nodig, naar 2015.

Het korten van pensioenen komt bovenop het verlies aan indexatie waar veel deelnemers van pensioenfondsen de afgelopen jaren mee te maken kregen. Slechts een beperkt aantal fondsen kon volledig indexeren. In de periode begin 2008-eind 2012 bleef de indexatie van pensioenen (opgebouwde rechten en uitkeringen) gemiddeld circa 6,3% achter op de stijging van het prijspeil [3]. Een meerderheid van de fondsen (340 van de in totaal 381 fondsen) heeft sinds 2008 (gedeeltelijke) indexatie toegepast (Tabel 1). Tegelijkertijd zijn er ook fondsen geweest die kortingen hebben doorgevoerd. Sommige fondsen hebben sinds 2008 zowel geïndexeerd als gekort.

Pensioenfondsen hebben vooral in 2008 nog relatief veel indexatie verleend (Figuur 3). De reden is dat ze de beslissing om te indexeren konden baseren op hun financiële situatie in het laatste kwartaal van 2007. Toen stond de pensioensector er nog relatief goed voor. Ook in het begin van 2010, na opleving van de beurzen in het jaar ervoor, kozen sommige fondsen er weer voor om te pensioenen te indexeren. Dit herstel bleek echter tijdelijk. De dekkingsgraad zakte in de loop van 2010, mede als gevolg van de verleende indexatie, opnieuw weg onder het minimaal vereiste niveau van 105%. Dit ‘zig-zag’ beleid met betrekking tot indexatie komt vooral doordat pensioenfondsen al vanaf een dekkingsgraad van 105% kunnen overgaan tot indexeren. Een mogelijkheid om dit te voorkomen is om de minimale dekkingsgraad voor indexatie wat te verhogen, zodat fondsen minder snel terugvallen in een situatie waarin korten noodzakelijk is.

Tabel 1: Indexatiebeleid bij pensioenfondsen
Tabel 1: Indexatiebeleid bij pensioenfondsenBron: DNB
Figuur 3: Meeste indexatie verleend in 2008
Figuur 3: Meeste indexatie verleend in 2008Bron: DNB

Voetnoten

[1] ^ Kortingen pensioenfondsen: 68 pensioenfondsen rapporteren aan DNB een korting per 1 april 2013, Nieuwsbericht, De Nederlandsche Bank, 19 februari 2013.

[2] ^ Septemberpakket pensioenen, Brief aan de Tweede Kamer, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 24 september 2012.

[3] ^ Vijf jaar pensioensector: kortingen en indexatie in perspectief, DNB Bulletin, De Nederlandsche Bank, 7 maart 2013.

Delen:
Auteur(s)

naar boven