RaboResearch - Economisch Onderzoek

Verliesbegoocheling

Column

Delen:

Waarom zijn Nederlanders zo somber? Het consumentenvertrouwen is hier lager dan bijvoorbeeld in Duitsland, België en Frankrijk. En oké, de economie heeft het de afgelopen kwartalen iets minder goed gedaan, maar de werkloosheid is nog steeds relatief laag. En de Nederlandse huishoudens hebben in vergelijking met die landen een hoger netto vermogen. Het huishoudvermogen bestaat daarbij voor een deel uit pensioenvermogen, wat in deze andere landen nauwelijks aanwezig is.

Hoewel we nog steeds rijk zijn, lijken we dus pessimistischer dan onze mede-Europeanen. Dat heeft een reden. Veel mensen zijn teleurgesteld over hun eigen financiële positie. Alleen is het de vraag of het wel terecht is. Veel mensen zijn vooral teleurgesteld in het feit dat enkele financiële zekerheden minder waard blijken te zijn dan gedacht. Terwijl het goed beschouwd nooit echte zekerheden zijn geweest. Wij lijden aan verliesbegoocheling.

Nederlandse huishoudens hebben dus wel degelijk een goede reden om somberder te zijn dan die in andere landen. Wellicht is het objectief bezien niet zo’n heel goede reden, maar hij is er wel.

Ga maar na. In 2008 hadden huishoudens nog een (bruto) woningvermogen van meer dan 1.000 miljard euro. Nu is daar meer dan 15% vanaf, ofwel 150 miljard. Het vermogen van pensioenfondsen is de afgelopen jaren wel gestegen, maar de aanspraken en de uiteindelijke uitkering zijn de afgelo­pen jaren flink gekort. Zo is het perspectief van 70% waardevast eindloon bij pensionering op 65-jarige leeftijd voor de meesten al geruime tijd veranderd in een middelloon, niet waardevast en op een leeftijd die in ieder geval een stuk boven de 65 ligt. Ook voor huidige gepensioneerden blijkt de waardevastheid van hun pensioen toch niet zo zeker. Wat eens een zekerheid leek, namelijk een riante oude dag, blijkt nu ineens een stuk minder vanzelfsprekend. Ook het dalende huizenvermogen heeft geleid tot een daling in de netto vermogenspositie van Nederlandse huishoudens.

Stijgend huizenvermogen maakt huishoudens vrolijk. En dat uit zich in een hogere consumptie. En een ononderbroken stijging van de woningwaarde sinds begin jaren tachtig deed velen vergeten dat huizenprijzen ook kunnen dalen. En uit de gedragseconomie weten we dat verlies op korte termijn meer pijn doet dan vermogenswinst aan geluk oplevert. Volgens verschillende studies is het nega­tieve effect van verlies ongeveer tweemaal zo groot als het positieve effect van winst. Dat kan een groot deel van het huidige pessimisme van huishoudens verklaren. De euforie was groot bij de stij­gen­de huizenprijzen de afgelopen decennia, maar de kater is groter, zeker als een deel al is verjubeld.

Er is daarbij wel iets raars aan de hand met dat verlies aan netto woningvermogen. Voor 2001 kon­den huishoudens de overwaarde op hun woning gemakkelijk fiscaal ondersteund verzilveren voor consumptieve bestedingen. Dat is nu alleen nog mogelijk als de woning wordt verkocht. En gezien de weinig liquide markt (nog geen half procent van de woningvoorraad is daadwerkelijk helemaal van de eigenaar) is dat lang niet altijd mogelijk. En dat terwijl veel huishoudens zich lange tijd hebben rijk gerekend met die papieren winst, die zich alleen materialiseerde in de OZB-aanslag.

Dus de vermogenswinst is lager dan dat huishoudens eerder dachten. Vooral voor diegenen die na ongeveer 2003 een huis hebben gekocht, kan dat leiden tot problemen. Huishoudens die al voor de gouden jaren –vanaf midden jaren negentig tot 2001– een huis hadden, hebben over het algemeen echter nog steeds overwaarde. En het bijzondere is dat deze groep nog meer teleurgesteld is dan anderen. Maar dat valt in belangrijke mate weer samen met die andere vermogensteleurstelling: die met betrekking tot pensioenen.

Kijkend naar de harde cijfers valt er in ons land niet zoveel te klagen. Nederlandse huishoudens zijn gemiddeld nog steeds zeer vermogend, zowel in internationaal als in historisch perspectief. Daarbij hebben ouderen, zeker diegenen met een eigen huis, het relatief goed. Toch zijn het vooral de oude­ren die heel erg teleurgesteld zijn. En niet omdat ze het slecht hebben, maar omdat ze minder heb­ben dan waar ze eerder op hadden gerekend. En daar word je pessimistisch van. Verliesbegoocheling. En dan rest niets anders dan daaraan te wennen. Want hoe je het ook bekijkt, jongere generaties hebben gemiddeld genomen minder vermogen. Maar wel één voordeel: zij weten dat ze langer moeten doorwerken en rekenen zich ook niet rijk met stijgende huizenprijzen. 

Delen:
Auteur(s)
Hans Stegeman
RaboResearch Nederland Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven