RaboResearch - Economisch Onderzoek

Regionale prognoses 2014

Special

Delen:

De Nederlandse economie is sinds eind 2008 op z’n zachtst gezegd tumultueus. Na de vrijwel ongekende recessie van 2009 herstelde zij ten dele in 2010 en 2011, gevolgd door een nieuwe recessie die ruim twee jaar aanhield. In het derde kwartaal van 2013 kwam een einde aan deze recessie, maar de Nederlandse economie is nog lang niet van haar vooral binnenlandse problemen af.

U kunt de volledige tekst van deze studie hier als pdf-bestand downloaden.

De economieën van onze belangrijkste handelspartners vertonen een sterker herstel, waardoor onze export in 2014 naar verwachting harder toeneemt dan in de afgelopen jaren. Het op de export georiënteerde bedrijfsleven zal hiervan profiteren. De binnenlandse markt is echter nog steeds uiterst zwak. Onder meer door de oplopende werkloosheid, lastenverzwaringen, de fors gedaalde huizenprijzen en de gekorte pensioenen daalt de koopkracht en het vermogen van huishoudens en zien we de particuliere consumptie afnemen. Vooral de sectoren die voor hun afzet afhankelijk zijn van de binnenlandse bestedingen zullen dit blijven voelen in 2014, zoals de bouw, de detailhandel en de horeca. Per saldo verwachten wij voor 2014 een nagenoeg stagnerende economie. Recente ontwikkelingen wijzen erop dat onze voorspelling voor groei van het BBP-volume in 2014 wellicht iets aan de lage kant is. Maar dit verandert niets aan onze analyse van de Nederlandse economie in 2014. In deze studie baseren we ons dus op de verwachtingen zoals we die bij onze Visie op 2014 gepresenteerd hebben. Enige opwaartse bijstellingen van deze macro-economische verwachtingen zullen naar verwachting geen significante verschillen veroorzaken in de nu gepresenteerde regionale prognoses. 

Door talloze verschillen loopt de economische ontwikkeling van regio’s binnen Nederland sterk uiteen. Zo was in het recessiejaar 2009 in de meeste regio’s sprake van krimp, maar zagen zes regio’s de economie toch groeien. Vanwege de grote regionale verschillen binnen Nederland presenteren we in deze special onze verwachtingen voor de economische ontwikkeling in de veertig Nederlandse COROP-regio’s.

Macro-economische context

Visie op 2014

De regionale vooruitzichten voor 2014 zijn gebaseerd op de macro-economische verwachtingen en de vooruitzichten voor de sectoren die in de Rabobank Visie op 2014 en Rabobank Cijfers & Trends Sectorprognoses 2014 uiteen worden gezet. Belangrijk is daarbij het grote verschil in de ontwikkeling van de buitenlandse en de binnenlandse vraag in 2014.

Door sterkere economische groei bij onze belangrijke handelspartners voorzien wij voor 2014 een aanzienlijke toename van de groei van het exportvolume van goederen en diensten (tabel 1). De export van goederen zal bovendien naar verwachting voor een groter deel uit de verkoop van in Nederland geproduceerde goederen bestaan dan de afgelopen jaren. In de afgelopen twee jaar was de groei van het goederenuitvoervolume nog uitsluitend gedreven door de wederuitvoer. Vooral de industrie, de groothandel en het transport zullen baat hebben bij de hogere uitvoergroei (tabel 2). In deze sectoren verwachten wij ook als eerste een lichte groei van het investe­ringsvolume. Die hogere investeringen zijn op hun beurt weer vooral positief voor de maakindustrie. Ook een aantal branches van de zakelijke dienstverlening is relatief sterk op de export gericht. ICT, accountancy, consultancy, en reclame en markt­onderzoek zetten bijna de helft van hun productie direct of indirect af in het buitenland. Ook deze deelsectoren kunnen dus profiteren van het verbeterende buitenlandbeeld.

Het volume van de binnenlandse bestedingen daalt naar verwachting volgend jaar echter opnieuw, vooral door een daling van de particuliere consumptie (tabel 1). Ook de afname van de woninginvesteringen zet volgend jaar naar verwachting door, zij het in een veel minder hoog tempo dan in de afgelopen twee jaar. De lagere binnenlandse bestedingen zorgen voor verdere bestedingsuitval in op de consument gerichte sectoren zoals de detailhandel en de horeca. De bouwnijverheid blijft tegenwind ondervinden van de eerdere problemen op de woningmarkt (tabel 2).

Tabel 1: Macro-economisch beeld 2014
Tabel 1: Macro-economisch beeld 2014Bron: CBS, Rabobank
Tabel 2: Sectorprognoses 2014
Tabel 2: Sectorprognoses 2014Bron: CBS, EIM, Rabobank

Productie en werkgelegenheid

In de sectorprognoses 2014 wordt gekeken naar de verwachte ontwikkeling van het productievolume. Ontwikkelingen in de productie vormen de basis voor de groei of krimp van de werkgelegenheid. Of de werkgelegenheid met de productie meestijgt, hangt af van de verwachte ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. Bij een stijging van de arbeidsproductiviteit kan een toename van het productievolume worden gerealiseerd zonder een stijging van de werkgelegenheid of zelfs met een daling ervan. Onze verwachting voor de industrie in figuur 1 illustreert dit. In andere sectoren is het lastiger om de productiviteit te verhogen en zal de daling van het aantal banen juist minder sterk zijn dan de daling van de productie. Onze verwachting voor de detailhandel non-food in figuur 1 illustreert dit. In die sector blijkt het lastiger te zijn om het personeelsbestand volledig mee te laten bewegen met de productie.

Figuur 1: Verschil tussen productie en banen
Figuur 1: Verschil tussen productie en banen

Bron: EIM, Rabobank

Regionale verschillen in sectorstructuur

Regionale economische ontwikkelingen worden op de korte termijn voor een groot deel bepaald door de sectorstructuur van het bedrijfsleven. Een uiteenlopende ontwikkeling van de verschillende bestedingscomponenten van het Bruto Binnenlands Product (BBP) op macro-economische schaal zorgt voor verschillen in de groei of krimp van de sectorale productie en werkgelegenheid. Door verschillen in sectorstructuur per regio zorgt dit weer voor een uiteenlopende regionale economische ontwikkeling. In appendix A lichten wij het economische model dat ten grondslag ligt aan onze regioprognoses nader toe. Voor we de prognoses voor 2014 beschrijven, schetsen we eerst een beeld van de regionale verschillen in sectorstructuur.

Nederlandse sectorstructuur

De Nederlandse werkgelegenheid is voor ongeveer 80% in de dienstverlenende sectoren te vinden (figuur 2). De fysieke productie (landbouw, industrie en bouwnijverheid) maakte in 2012 slechts ongeveer 20% van de werkgelegenheid uit. Door verschillen in arbeidsproductiviteit zijn er grote verschillen in het belang van de sectoren in de werkgelegenheid en in de productie. Industrie, groothandel en de verhuur en verkoop van onroerend goed zijn sectoren met een hoge arbeidsproductiviteit, waardoor het aandeel in de werkgelegenheid veel kleiner is dan het aandeel in de totale productie (figuur 3). Detailhandel, zorg en zakelijke dienstverlening zijn juist arbeidsintensieve sectoren, waardoor het aandeel in de totale werkgelegenheid van die sectoren hoger is dan het aandeel in de productie.

Figuur 2: Sectorstructuur werkgelegenheid
Figuur 2: Sectorstructuur werkgelegenheidBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank
Figuur 3: Werkgelegenheid en productie
Figuur 3: Werkgelegenheid en productieBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Regionale sectorstructuur

De sectorstructuur verschilt sterk tussen de Nederlandse regio’s. Figuur 4 geeft voor iedere regio per sector het verschil weer tussen het regionale aandeel in de werkgelegenheid en het nationale aandeel. Van links naar rechts bewegen we dus van de meest ‘normale’ regio, Veluwe, naar de meest ‘abnormale’ regio, Groot-Amsterdam. Kaart 1 geeft de mate van afwijking geografisch weer. Los van de mate waarin de regionale werkgelegenheidsverdeling op die van Nederland als geheel lijkt, zijn er regio’s waarin één of twee dan wel juist meer sectoren bepalend zijn voor de afwijking van de sectorstructuur. In Flevoland, de regio die na de Veluwe de kleinste verschillen ten opzichte van Nederland kent, zijn vier sectoren oververtegenwoordigd en vier sectoren ondervertegenwoordigd. De mate van over- en ondervertegenwoordiging per sector is bovendien redelijk gelijk. In Arnhem/Nijmegen zijn echter slechts twee sectoren oververtegenwoordigd, de zorg en de overheid. De overige sectoren kennen allemaal een kleiner aandeel in de werkgelegenheid dan Nederland als geheel. In drie regio’s is de commerciële dienstverlening zeer dominant, Groot-Amsterdam, Gooi- en Vechtstreek en Utrecht. In alle drie die regio’s is de industrie bovendien zeer klein in vergelijking met het Nederlandse gemiddelde.

Figuur 4: Afwijking van Nederlandse structuur
Figuur 4: Afwijking van Nederlandse structuurBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank
Kaart 1: Afwijking van de Nederlandse sectorstructuur
Kaart 1: Afwijking van de Nederlandse sectorstructuurBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Verschillen in sectorstructuur worden vooral gedreven door de commerciële dienstverlening en de industrie (kaart 2 en 3). Voor die sectoren is het gemiddelde verschil met het landelijke belang en ook de maximale afwijking het grootst. Bovendien is het aandeel van de commerciële diensten relatief klein in de meeste regio’s die een relatief groot aandeel in de industrie hebben en andersom. Noordoost-Nederland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg hebben relatief veel industrie en weinig commerciële dienstverlening. In de Randstad vinden we juist relatief veel commerciële dienstverlening en weinig industrie. Deze sectoren bedienen voor een groot deel buitenlandse vraag en/of zijn voor de binnenlandse afzet niet erg afhankelijk van regionale vraag. Daardoor is concentratie in een aantal regio’s mogelijk.

Kaart 2: Afwijking aandeel commerciële diensten van Nederlands gemiddelde
Kaart 2: Afwijking aandeel commerciële diensten van Nederlands gemiddeldeBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank
Kaart 3: Afwijking aandeel industrie van Nederlands gemiddelde
Kaart 3: Afwijking aandeel industrie van Nederlands gemiddeldeBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Verschillen tussen stedelijke en plattelandsregio’s en de mate waarin regio’s grote zorgcentra of overheidsdiensten hebben, maken dat ook zorg, overheid en landbouw relatief sterk bijdragen aan regionale verschillen in de sectorstructuur. Ook de verschillen in  groothandel en logistiek. Oververtegenwoordiging van deze laatste twee sectoren zien we in een corridor van de Rotterdamse en Amsterdamse mainports door Noord-Brabant en Noord-Limburg naar België en Duitsland (kaart 4). De ruimtelijke verdeling van sectorconcentraties kan voor een belangrijk deel vanuit de historische ontwikkelingen van de Nederlandse economie worden begrepen. In het Economic Report Een historie van regionale economische variatie bekijken we deze ontwikkelingen.

Kaart 4: Afwijking aandeel groothandel en transport van Nederlands gemiddelde

Kaart 4: Afwijking aandeel groothandel en transport van Nederlands gemiddelde

Bron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Detailhandel, horeca en overige diensten (waaronder bijvoorbeeld sport en recreatie en persoonlijke verzorging) zijn juist in alle regio’s ongeveer even groot (kaart 5 en 6). Ook het aandeel van de werkgelegenheid in de bouwnijverheid ligt in de meeste regio’s redelijk in de buurt van het landelijke gemiddelde. Deze sectoren zijn vooral gericht op vraag vanuit de omgeving. Het is daarom niet verwonderlijk dat deze sectoren overal een ongeveer even groot gedeelte in de banen uitmaken als het Nederlandse gemiddelde. In appendix B geven we ook voor de niet weergegeven sectoren een kaart met afwijking van het Nederlandse gemiddelde.

Kaart 5: Afwijking aandeel detailhandel van Nederlands gemiddelde
Kaart 5: Afwijking aandeel detailhandel van Nederlands gemiddelde
Bron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank
Kaart 6: Afwijking aandeel horeca van Nederlands gemiddelde
Kaart 6: Afwijking aandeel horeca van Nederlands gemiddeldeBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Overigens zijn de verschillen tussen gemeenten voor deze op de regionale vraag gerichte sectoren een stuk groter dan de verschillen tussen de door ons bekeken regio’s. Binnen een regio zijn er gemeenten die een duidelijke verzorgingsfunctie hebben in detailhandel en horeca voor het omliggende gebied. Daar zijn de aandelen voor die sectoren hoger dan in de omliggende gemeenten. Ook wordt pas op gemeenteniveau het grote belang van de horeca duidelijk voor de Waddeneilanden, een aantal kustgemeenten en een aantal plaatsen in Limburg (kaart 7).

Kaart 7: Afwijking aandeel horeca van Nederlands gemiddelde voor gemeenten

Kaart 7: Afwijking aandeel horeca van Nederlands gemiddelde voor gemeenten

Bron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Regionale prognoses 2014

In het hoofdstuk Macro-economische context las u dat onze visie op de Nederlandse economie en onze verwachtingen voor 2014 een andere uitwerking hebben op de verschillende sectoren. Eenvoudig gezegd hebben de op export gerichte sectoren, zoals (delen van) de industrie, de logistiek en de groothandel meer kans op groei dan sectoren die op de binnenlandse markt zijn gericht, zoals de detailhandel en de horeca. Dat betekent dat regio’s met een oververtegenwoordiging van groeisectoren en/of een ondervertegenwoordiging van krimpsectoren in 2014 naar verwachting een sterkere groei (of kleinere krimp) zullen laten zien dan andere regio’s. Aangezien de economische structuur van regio’s behoorlijk uiteenloopt, zoals beschreven in het hoofdstuk Regionale verschillen, verschillen dus ook de verwachtingen van regio tot regio.

Bruto Regionaal Product

Voor Nederland als geheel verwachten wij in 2014 per saldo een stagnerende economie, oftewel geen groei en geen krimp van het  BBP-volume. Door verschillen in de economische structuur van regio’s verwachten we op die schaal wel degelijk groei- en krimpgebieden, al zijn de verschillen in de meeste gevallen beperkt (kaart 8).

De sterkste krimp van het Bruto Regionaal Product (BRP) verwachten we in de regio rondom Den Haag, waar de sterk negatieve prognose voor de volumeontwikkeling bij de overheid een grote rol speelt. In die regio heeft de overheid een aandeel van maar liefst 29 procent van de totale productie. In de overige krimpregio’s is het kleine belang van de industrie en/of de groothandel de voornaamste oorzaak van de krimp. In die sectoren verwachten wij namelijk de sterkste productiegroei, waar deze regio’s minder van kunnen profiteren.

De sterkste groei verwachten we in de regio’s met een groot belang van de industrie: IJmond, Zaanstreek, Groot-Rijnmond en Zeeuws-Vlaanderen. In IJmond en Zeeuws-Vlaanderen is de industrie goed voor de helft van de totale productie. In Het Gooi en Vechtstreek zorgt het grote belang van de groothandel voor een positieve verwachting, wat in mindere mate ook geldt voor Groot-Rijnmond.

Kaart 8: Prognose groei BRP 2014

Kaart 8: Prognose groei BRP 2014

Bron: EIM, Rabobank

Box 1: Verwar het BRP niet met inkomen
Het Bruto Regionaal Product geeft een goede weergave van de economische activiteit maar geeft een minder goed beeld van het gemiddelde huishoudinkomen. Ook op landelijk niveau is dit overigens het geval (figuur 5). Het gemiddelde gestandaardiseerde huishoudinkomen was in 2012 65% van het BBP per inwoner. In de provincies varieert dit percentage van 40% in Groningen tot 89% in Flevoland. Het verschil tussen productie en huishoudinkomen wordt op nationale schaal vooral veroorzaakt doordat de door huishoudens en bedrijven aan de overheid betaalde belastingen en premies hoger zijn dan de ontvangen uitkeringen en subsidies. Daardoor is het beschikbaar huishoudinkomen lager dan het inkomen dat huishoudens ontvangen uit loon en vermogen. Verschillen in belastingafdrachten en de ontvangst van uitkeringen tussen regio’s maken dat dit effect niet overal even groot is. In regio’s met een relatief lage werkloosheid en hoge lonen zijn de belastingbetalingen ten opzichte van de ontvangen uitkeringen hoog en in regio’s met een hoge werkloosheid en lage lonen is het omgekeerde het geval. Daardoor worden regionale verschillen in het beschikbare inkomen van huishoudens kleiner gemaakt.

Op regionaal niveau speelt bovendien nog een ander effect een belangrijke rol. Nederland kent typische woon- en werkregio’s, waardoor veel pendel tussen gebieden plaatsvindt. De productie van die werknemers wordt geregistreerd in de regio waar ze werkzaam zijn terwijl hun looninkomen wordt geregistreerd in de regio waar ze wonen. Hetzelfde geldt overigens voor het winstinkomen dat wordt gegenereerd in regio’s maar toekomt aan eigenaren in andere regio’s. Flevoland en Groningen zijn provincies waar deze effecten belangrijk zijn. In Flevoland is de productie ten opzichte van de bevolking relatief laag. Veel mensen werken echter buiten de regio en ontvangen dus wel degelijk looninkomen. Daardoor is het BRP relatief laag maar is het huishoudinkomen ongeveer gelijk aan het Nederlandse gemiddelde. Groningen kent door de gasproductie die daar is gelokaliseerd juist het hoogste BRP per inwoner van Nederland. Maar omdat die productie relatief kapitaalintensief is, wordt daar weinig looninkomen mee gegenereerd. Het winstinkomen komt bovendien niet aan de inwoners van de provincie toe, maar aan energiebedrijven en de centrale overheid. Daardoor is het gemiddelde huishoudinkomen van Groningen ondanks het hoge BRP per inwoner toch het laagste van het land.

Door bovenstaande effecten is het zaak om bij regionale vergelijkingen van de economische situatie of vooruitzichten altijd goed op te letten wat de gegevens wel en niet vertellen. Veel bedrijvigheid is geen garantie voor een hoog huishoudinkomen en een hoog huishoudinkomen kan prima voorkomen in regio’s met relatief weinig economische activiteit.

Figuur 5: BRP per inwoner en huishoudinkomen, 2011
Figuur 5: BRP per inwoner en huishoudinkomen, 2011

Bron: CBS

Werkgelegenheid

Net als de prognose voor het Bruto Regionaal Product is de prognose voor de werkgelegenheidsontwikkeling afhankelijk van onze sectorale prognoses en de sectorstructuur in de regio’s. Zoals beschreven in het hoofdstuk Macro-economische context zijn de prognoses voor wat betreft werkgelegenheid en productie voor sommige sectoren zeer verschillend. Zo voorzien wij voor de industrie een groei van de productie van 1,3% en een krimp van 1,2% van de werkgelegenheid. In regio’s met een groot belang van de industrie heeft die sector dus een relatief sterk negatief effect op de totale werkgelegenheidsontwikkeling.

De landelijke krimp van de werkgelegenheid in 2014 komt volgens onze verwachting uit op 0,5%. Wij verwachten ook een krimp van het aantal banen in alle veertig regio’s, al voorzien we wel verschillen (kaart 9). De sterkste krimp vindt naar verwachting plaats aan de randen van Nederland, met name in Zeeuws-Vlaanderen, Oost-Groningen en de Achterhoek, waar de industrie een relatief groot deel van de werkgelegenheid voor haar rekening neemt. In de regio rondom Haarlem is de werkgelegenheidskrimp naar verwachting klein en in Het Gooi en Vechtstreek blijft het aantal banen naar verwachting zelfs ongeveer gelijk. In beide regio’s is het belang van de voornaamste krimpsector, de industrie, erg klein.

Kaart 9: Prognose groei werkgelegenheid 2014

Kaart 9: Prognose groei werkgelegenheid 2014
Bron: EIM, Rabobank

Werkloosheid

Nederland kent typische woonregio’s waar de omvang van de beroepsbevolking groter is dan de werkgelegenheid. Sprekende voorbeelden zijn Flevoland, Oost-Zuid-Holland (Groene Hart), Leiden en Bollenstreek en de regio rondom Haarlem. Werknemers uit die regio’s zijn dus voor een relatief groot deel aangewezen op werkgelegenheid in andere regio’s. Andersom worden veel banen in de typische werkregio’s (waar de werkgelegenheid groter is dan de beroepsbevolking, zoals Groot-Amsterdam, Zuidoost-Brabant en Utrecht) ingenomen door werknemers uit andere regio’s. Maar los van dit verschil tussen woon- en werkregio’s reizen in heel Nederland veel mensen dagelijks over grote afstanden naar hun werk. Figuur 6 toont de veertig regio’s, met op de verticale as de werkgelegenheidsfunctie (de werkgelegenheid per honderd leden van de beroepsbevolking) en op de horizontale as het aandeel van de beroepsbevolking dat in de eigen (woon-)regio werkt. De omvang van de bollen staat voor de totale werkgelegenheid. De werkgelegenheidsfunctie van Nederland als geheel bedraagt 103 (dus per honderd leden van de beroepsbevolking zijn 103 banen [1] beschikbaar) en gemiddeld werkt 72% van de werknemers in de regio waarin hij of zij woont (de blauwe bol in de figuur). Het klinkt logisch dat naarmate de werkgelegenheidsfunctie groter is, ook meer werknemers in de eigen regio werken. Er is immers meer werk beschikbaar. Dit klopt in grote lijnen ook, getuige de trendlijn in de figuur. Links onderin vinden we de woonregio’s, met een lage werkgelegenheidsfunctie en een laag aandeel van de beroepsbevolking dat in de eigen regio werkt (en dus veel forensen die in een andere regio werken). Rechts bovenin staan de werkregio’s, met een hoge werkgelegenheidsfunctie en minder pendel van de eigen bevolking maar meer inkomende forensen. Er zijn echter ook uitzonderingen. Twente, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg hebben geen bijzonder hoge werkgelegenheidsfunctie, maar toch is het aandeel dat in de eigen regio werkt in die gebieden het grootst. Dat heeft alles te maken met de ligging van de regio’s, namelijk aan de rand van het land, waardoor in de (Nederlandse) omgeving minder werk beschikbaar is. Het omgekeerde geldt voor de regio’s Delft en Westland en de Veluwe. Ondanks een hoge werkgelegenheidsfunctie werkt een relatief groot deel van de beroepsbevolking buiten de woonregio, simpelweg omdat ook veel werk beschikbaar is in de omliggende gebieden.

Figuur 6: Werkgelegenheidsfunctie en forensisme

Figuur 6: Werkgelegenheidsfunctie en forensisme
Bron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank, CBS

Vanwege bovenstaande leidt werkgelegenheidsgroei (of -krimp) in een regio niet tot dezelfde groei (of krimp) van de werkzame beroepsbevolking. Werknemers die in regio X wonen, zijn afhankelijk van de werkgelegenheidsontwikkeling in regio Y. Op gemeenteniveau is dit effect nog veel groter dan op het COROP-niveau van figuur 7, zoals wordt geïllustreerd door kaart 10. De kaart toont voor alle gemeenten het aandeel van de beroepsbevolking dat werkzaam is in Amsterdam. Van de Amsterdamse beroepsbevolking werkt 74% in de eigen gemeente, maar ook inwoners in omliggende gemeenten zijn voor hun baan sterk afhankelijk van Amsterdam. Diemen en Landsmeer springen eruit (beide meer dan 60%), maar zelfs voor gemeenten in Groningen is Amsterdam voor meer dan 1% van de beroepsbevolking de werkstad.

Kaart 10: Afhankelijkheid van Amsterdamse werkgelegenheid

Kaart 10: Afhankelijkheid van Amsterdamse werkgelegenheid
Bron: CBS, bewerking Rabobank

Door rekening te houden met pendelgegevens uit 2011 en er vanuit te gaan dat deze forensenstromen gelijk blijven, is berekend wat de gevolgen zijn van de verwachte werkgelegenheidsontwikkelingen in alle regio’s voor de omvang van de werkzame beroepsbevolking in alle regio’s. Daarmee is de prognose voor de werkzame beroepsbevolking bekend. Welke gevolgen dit heeft voor de werkloosheid, is tevens afhankelijk van de ontwikkeling van de totale beroepsbevolking (het arbeidsaanbod). Een stijging van dat aanbod heeft een opwaarts effect op de werkloosheid en vice versa. Zo kan het voorkomen dat een stijging van de werkzame beroepsbevolking gepaard gaat met een hogere werkloosheid als de stijging van de beroepsbevolking nog groter is. Het is dus belangrijk om te beseffen dat de ontwikkeling van de werkloosheid afhankelijk is van de ontwikkeling van de arbeidsvraag (de werkgelegenheid) en het arbeidsaanbod (de beroepsbevolking).

De ontwikkeling van de beroepsbevolking is afhankelijk van twee factoren: de ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking (bevolking in de leeftijd van 15 tot 65 jaar) en de arbeidsparticipatie (het deel van de potentiële beroepsbevolking dat zich beschikbaar stelt op de arbeidsmarkt). De arbeidsparticipatie is op haar beurt afhankelijk van een aantal factoren. Zo heeft de groei of krimp van de werkgelegenheid invloed op het aantal mensen dat zich voor werk beschikbaar stelt (het ontmoedigings- of aanmoedigingseffect), spelen culturele factoren een rol (zoals de groei van de participatie van vrouwen) en zijn beleidsbeslissingen van belang (afschaffen VUT-regelingen en verhogen pensioenleeftijd). De ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking is puur afhankelijk van demografie (verhuizingen, sterfte en het bereiken van de 15-jarige of pensioengerechtigde leeftijd). In Nederland als geheel neemt de potentiële beroepsbevolking naar verwachting met 0,3% af in 2014. Kaart 11 toont de regionale verschillen. Vooral in de perifere regio’s Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe, de Achterhoek, Zeeuws-Vlaanderen en Midden-Limburg verwachten we een daling. Dit zijn relatief vergrijsde gebieden waar de uitstroom van gepensioneerden groter is dan de instroom van jongeren. Bovendien verlaten veel jongvolwassenen de regio voor werk of studie.

Kaart 11: Prognose ontwikkeling potentiële beroepsbevolking

Kaart 11: Prognose ontwikkeling potentiële beroepsbevolking
Bron: PBL, bewerking Rabobank

Rekening houdend met bovengenoemde factoren (de ontwikkeling van de werkgelegenheid, de potentiële beroepsbevolking en de arbeidsparticipatie) zien we het aantal werklozen in Nederland in 2014 naar verwachting met 10% toenemen. Daardoor stijgt de werkloosheid van 8,4% van de beroepsbevolking in 2013 naar 9,2% in 2014. Kaart 12 toont de prognose voor de werkloosheid in de regio’s. In negatieve zin springen Groot-Rijnmond, Agglomeratie Den Haag, Flevoland (elk ongeveer 11%) en heel Noord-Nederland eruit. In een deel van die regio’s was de werkloosheid in 2013 echter al hoog. Daarom toont kaart 13 de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage in procentpunten. Hieruit blijkt onder meer dat de stijging van de werkloosheid in de periferie meevalt, zeker gezien de relatief sterke daling van de werkgelegenheid. Andersom is de groei van de werkloosheid groot in Delft en Westland, Het Gooi en Vechtstreek en Flevoland, terwijl de daling van de werkgelegenheid daar juist meevalt. De verklaring voor dit verschil is dat de ontwikkeling van het arbeidsaanbod een doorslaggevende rol speelt. In Zeeuws-Vlaanderen daalt de werkgelegenheid naar verwachting met 1,1%, maar door de nog sterkere daling van de potentiële beroepsbevolking valt de toename van de werkloosheid mee. In de regio rondom Haarlem en Het Gooi en Vechtstreek neemt de werkgelegenheid nauwelijks af, maar de forse stijging van de beroepsbevolking zorgt daar voor een sterke toename van de werkloosheid.

Kaart 12: Prognose werkloosheid 2014
Kaart 12: Prognose werkloosheid 2014Bron: EIM, Rabobank
Kaart 13: Prognose ontwikkeling werkloosheid
Kaart 13: Prognose ontwikkeling werkloosheidBron: EIM, Rabobank

Bovenstaande maakt duidelijk dat de (ontwikkeling van de) werkloosheid meer oorzaken kan hebben. Niet alleen de vraag naar arbeid, maar ook het aanbod van arbeid is van belang, waarbij de ontwikkeling van de potentiële beroepsbevolking een grote rol speelt. Sinds 1950 is de potentiële beroepsbevolking altijd gegroeid, tot 2012. Door de vergrijzing zal die groep Nederlanders ook de komende jaren in omvang afnemen. Dat houdt in dat de arbeidsparticipatie moet stijgen om de beroepsbevolking op peil te houden. Op termijn zal dit waarschijnlijk niet lukken en dus zal de beroepsbevolking gaan dalen. Gezien de nu nog hoge werkloosheid leidt dat op korte termijn niet tot problemen. Maar wanneer de werkgelegenheid aantrekt, leidt dit op lange(re) termijn tot krapte op de arbeidsmarkt. Op regionaal niveau zien we al langer gebieden waar de beroepsbevolking daalt als gevolg van vergrijzing en het vertrek van jongvolwassenen. Dat heeft een drukkend effect op de werkloosheid, maar is in economische termen beslist geen goed nieuws. Een krimpende beroepsbevolking leidt vaak tot het vertrek van bedrijven, waardoor een regionale economie in een neerwaartse spiraal terechtkomt. De ontwikkeling van de werkloosheid moet daarom altijd worden genuanceerd, waarbij men zich zou moeten afvragen: is onze werkgelegenheid gestegen of krimpt onze beroepsbevolking?

Voetnoot

[1] Fulltime en parttime banen opgeteld.

Sectorstructuur niet allesbepalend

Onze voorspellingen voor de ontwikkeling van de productie en de werkgelegenheid zijn vooral gebaseerd op landelijke sectorprognoses en de regionale sectorstructuur. Daarbij gaan we er vanuit dat de verschillende sectoren zich op regionaal niveau gelijk ontwikkelen. In de praktijk zal dat niet zo gebeuren. Een veelheid aan kenmerken van regio’s zorgt voor verschillen in groei of krimp van sectoren. Het vestigingsklimaat, met belangrijke elementen als de kwaliteit van het arbeidsaanbod, de infrastructuur, de koopkracht van de bevolking, de grondprijzen en het economische beleid, maar ook bedrijfsinterne factoren, zoals de kwaliteit van het ondernemerschap en de mate van exportgerichtheid, zijn van belang. Deze factoren laten zich lastig in een model verwerken. Wel is het mogelijk om de omvang van het belang van regionale en bedrijfsinterne kenmerken als geheel te bepalen door naar het verleden te kijken. Op basis van de sectorstructuur en de groei van sectoren in het verleden kan worden bepaald in hoeverre een regio een ‘verwachte ontwikkeling’ van de werkgelegenheid heeft doorgemaakt. De verwachte ontwikkeling is de ontwikkeling die ervan uitgaat dat de groei in de sectoren in de regio’s gelijk is aan de landelijke groei en dat de sectorstructuur in de regio’s niet verandert. Deze is voor de provincies weergegeven in figuur 7 en 8 voor de periode 2004-2008 en 2008-2012. De werkelijke ontwikkeling is weergegeven met de lichtblauwe stip in de figuren. Het verschil tussen werkelijk en verwacht wordt veroorzaakt door andere kenmerken van de provincie dan de sectorstructuur, het zogenoemde regio-effect.

Voor de periode 2004-2008, een tijd van hoogconjunctuur, komt de werkelijkheid in veel provincies aardig overeen met wat mocht worden verwacht. In positieve zin valt vooral Flevoland op. Daar groeide de werkgelegenheid met maar liefst 20%, terwijl de verwachte groei op basis van de sectorstructuur aan het begin van de periode ‘slechts’ 7% bedroeg. De verklaring ligt grotendeels in de beschikbare ruimte en het ruimtelijk-economische beleid, een zeer groot regio-effect dus. Groningen, Zuid-Holland en Limburg hebben juist een negatief regio-effect. In die regio’s is sprake van demografische krimp (Groningen en Limburg) en een vertrek van hoogopgeleiden, wat een verslechtering van het vestigingsklimaat veroorzaakt.

De periode 2008-2012 kenmerkt zich vooral door de Grote Recessie, een beperkt economisch herstel in 2010 en 2011 en de Lange Recessie in de jaren daarna. Door deze tumultueuze tijd blijkt het veel lastiger om de werkgelegenheidsontwikkeling op basis van de economische structuur van regio’s te voorspellen. De verschillen tussen de werkelijke en de te verwachten ontwikkeling van het aantal banen lopen veel meer uiteen. Het verschil in Flevoland heeft dezelfde oorzaak als de periode voor 2008. In Groningen is de werkgelegenheidsontwikkeling in de belangrijke sectoren, zoals de overheid, de zakelijke dienstverlening en de zorg, sterker geweest dan landelijk. Noord- en Zuid-Holland tonen een bijzonder verschil, aangezien op basis van de sectorstructuur een nagenoeg gelijke ontwikkeling kon worden verwacht maar de werkelijkheid heel anders uitpakte.

Figuur 7: Shift-share werkgelegenheid 2004-2008
Figuur 7: Shift-share werkgelegenheid 2004-2008Bron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank
Figuur 8: Shift-share werkgelegenheid 2008-2012
Figuur 8: Shift-share werkgelegenheid 2008-2012Bron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank

Conclusie

In deze Special schetsen we onze prognoses voor de productie, de werkgelegenheid en de werkloosheid in de veertig COROP-regio’s. Als gevolg van verschillende verwachtingen voor sectoren en verschillen in de regionale sectorstructuur is er een grote regionale variatie in deze prognoses. Het is daarbij van belang om de verwachtingen voor productie, werkgelegenheid en werkloosheid in samenhang te bezien. Afhankelijk van de sectorstructuur hoeft een sterke groei van de productie niet altijd ook te leiden tot een sterke groei van de werkgelegenheid. Dit is bijvoorbeeld bij onze verwachting voor Zeeuws-Vlaanderen aan de hand, waar de werkgelegenheid naar verwachting in weerwil van relatief sterke productiegroei toch sterk zal krimpen. In Het Gooi en Vechtstreek verwachten we juist wel dat de voorziene productiegroei slechts tot een beperkte daling van de werkgelegenheid leidt. Verder zorgt een sterke daling van de werkgelegenheid niet altijd voor een sterke stijging van de werkloosheid. Ook hier is het verschil tussen Zeeuws-Vlaanderen en Het Gooi en Vechtstreek illustratief. In de eerste regio verwachten we zoals gezegd een sterke daling van de werkgelegenheid. Maar omdat de beroepsbevolking door de relatief sterke vergrijzing in die regio ook afneemt, valt de stijging van de werkloosheid mee. In Het Gooi en Vechtstreek neemt de werkgelegenheid veel minder hard af. Maar het aantal mensen dat op zoek is naar een baan groeit hier juist harder. Bovendien neemt de werkgelegenheid in omliggende regio’s, waar iets minder dan de helft van de inwoners werkt, ook af. Daardoor leidt de voorziene sterke groei van de beroepsbevolking tot een relatief sterke werkloosheidsstijging, ondanks de beperkte werkgelegenheidskrimp bij de bedrijven in de regio. Of de economische vooruitzichten voor een gegeven regio goed of slecht zijn hangt dus niet alleen af van de gepresenteerde voorspellingen, maar regelmatig ook van het belang dat men hecht aan productie, werkgelegenheid en werkloosheid. Bovendien is het goed om in het achterhoofd te houden dat de regionale sectorstructuur, die het grootste deel van onze verwachtingen bepaalt, in de afgelopen jaren zeker niet allesbepalend is geweest. Onze regionale prognoses vormen een goed uitgangspunt om vooruit te kijken naar de ontwikkeling in een regio in 2014. Maar daar is vast nog niet alles mee gezegd. 

Appendix A: Van macro via sectorstructuur naar regioprognoses

De regionale prognoses zijn een uitkomst van de Regionale Conjunctuur Barometer (RCB). Figuur A1 toont de schematische opzet van dit economische model. De RCB geeft een prognose voor het reële Bruto Regionaal Product (BRP, de regionale equivalent van het Bruto Binnenlands Product), de werkgelegenheid, het aantal werkzame personen en de werkloosheid in regio’s en gemeenten. Onze macro-economische visie en prognoses voor 2014 en de uitwerking daarvan op de verschillende sectoren vormen de basis. Door de landelijke sectorprognoses toe te passen op de regionale sectorstructuur verkrijgen we de regionale prognose voor het BRP en de werkgelegenheid. Daarbij veronderstellen we dat de sectoren in alle regio’s even hard groeien of krimpen. Ter illustratie: naar verwachting zal de werkgelegenheid in de groothandel in 2014 met 0,5% toenemen. De RCB gaat ervan uit dat de groei in die sector in elke regio gelijk is. Een regio met een groot belang van de groothandel zal daar dus van profiteren. Aangezien sommige sectoren sterk zijn gericht op consumenten uit de eigen regio, wordt voor die sectoren een correctie toegepast. Wij verwachten bijvoorbeeld een sterkere krimp in de detailhandel in regio’s waarin de bevolking krimpt.

Op landelijke schaal komt de werkgelegenheid bij bedrijven overeen met het aantal werkzame personen. Op regionaal niveau is dat vaak niet het geval. Doordat veel werknemers niet werken in de regio waarin zij wonen, heeft een groei of krimp van het aantal banen in een regio gevolgen voor werknemers uit andere regio’s. Van alle werknemers bij bedrijven in Amsterdam woont bijvoorbeeld slechts de helft in Amsterdam zelf. Dat houdt in dat van elke tien nieuwe banen in Amsterdam vijf banen worden ingenomen door werknemers van buiten de gemeente. Forensisme, of pendel, vormt dus een belangrijke factor in de berekening van de werkzame beroepsbevolking op regionaal niveau. Om uiteindelijk de regionale werkloosheid in 2014 te voorspellen, is naast de werkzame beroepsbevolking ook de omvang van de beroepsbevolking, oftewel het arbeidsaanbod, van belang. Die wordt bepaald door het aantal personen in de leeftijd van 15 tot 65 jaar (de potentiële beroepsbevolking) en de arbeidsparticipatie. De potentiële beroepsbevolking zal in 2014 naar verwachting met 0,3% afnemen. Door een toename van de arbeidsparticipatie verwachten we echter dat de beroepsbevolking per saldo groeit. Weliswaar wordt een deel van de beroepsbevolking ontmoedigd door de daling van de werkgelegenheid (ontmoedigingseffect), maar de participatie van ouderen neemt de laatste jaren toe en bij jongeren is in tegenstelling tot in 2009 geen sterke daling van de participatie waar te nemen, waardoor dit effect meer dan wordt gecompenseerd. Jongeren hebben, vanwege hogere kosten, minder mogelijkheden om langer door te studeren dan in 2009 en ouderen hebben te maken met de afschaffing van VUT-regelingen en de verhoogde pensioenleeftijd.

Figuur A1: Regionale Conjunctuur Barometer

Figuur A1: Regionale Conjunctuur Barometer

Appendix B: Afwijking sector-aandeel van Nederlands gemiddelde

Landbouw
Landbouw
Industrie
Industrie
Bouwnijverheid
Bouwnijverheid
Groothandel en transport
Groothandel en transport
Detailhandel
Detailhandel
Horeca
Horeca
Commerciële diensten
Commerciële diensten
Zorg
Zorg
Overheid
OverheidBron: LISA, bewerking ABF Research en Rabobank
Overige diensten
Overige diensten

Delen:

naar boven