RaboResearch - Economisch Onderzoek

Een historie van regionale economische variatie

Themabericht

Delen:

In onze regionale economische prognoses voor 2014 spelen regionale verschillen in sectorstructuur een belangrijke rol. Die verschillen zijn voor een belangrijk deel historisch bepaald. In dit Economic Report kijken we hoe ontwikkelingen in het verleden invloed hebben gehad op de huidige verdeling van de economische activiteit in Nederland.

Een groot klein land

Nederland is –in oppervlakte gemeten– een klein land. Tegelijkertijd is het qua economische waarde die tot stand wordt gebracht de 23ste economie van de wereld. Ons land biedt dus plaats aan een economie van behoorlijke omvang, die ondanks het geringe oppervlak bovendien een forse regionale variatie vertoont in omvang en in samenstelling. Die variatie is niet van vandaag of gisteren, maar gaat al eeuwen terug.

De eerste bewoners van ons land ging het –naast mogelijkheden om in het bestaan te voorzien– vooral om droge grond onder de voeten. Eeuwenlang bleef de bewoning dan ook beperkt tot de hogere zandgronden in het oosten en zuiden van het land. Aan de grote rivieren aan de rand van Hoog-Nederland lagen de eerste handelssteden (Maastricht, Dorestad, Utrecht, Deventer, Tiel). Het lage westen en noorden waren nauwelijks bewoond.

Opkomst, bloei en verval

In de Middeleeuwen kwam er verandering in dit patroon. Het inwonertal groeide, het technisch vernuft nam toe en de woestenij in Laag-Nederland werd ontgonnen. Er kwam daar een samenleving tot ontwikkeling die vrij was van feodale banden en die profijt trok van haar positie op het kruispunt van internationale handelsroutes. Het demografische en economische zwaartepunt verschoof dan ook van het zuiden en oosten naar het pas ontgonnen en door waterwegen goed ontsloten westen van het land. De nieuwe handelssteden in het westen –Dordrecht, Middelburg, Amsterdam– overvleugelden de oude IJssel- en Maassteden. De Hollandse steden ontwikkelden zich tot de vrachtvaarders van Europa [1]. Holland werd op de vleugels van de commerciële bloei de sterkst verstedelijkte regio in Europa en zag zijn aandeel in de bevolking van de inmiddels zelfstandige Nederlandse staat –de republiek der Zeven Verenigde Nederlanden– toenemen van dertig procent rond 1400 tot vijftig procent rond 1700 [2].

Vanaf het einde van de zestiende eeuw was de Republiek –en dan met name Holland– bovendien de commerciële en financiële spil van de destijds bekende wereld en het meest welvarende land van Europa. Amsterdam –de feitelijke hoofdstad van het land– groeide uit tot een toonaangevend centrum van handel, financiën, nijverheid, kunst, wetenschap en politiek en tot een van de grootste steden van Europa [3]. Amsterdamse reders voorzagen schippers langs de gehele Nederlandse kust van werk. Bovendien ontwikkelden zich in het kielzog van de handel in Holland en de andere kustprovincies een vaak regionaal gespecialiseerde en voor de wereldmarkt werkende landbouw (zuivel (Gouda, Alkmaar), veefokkerij, vetweiderij, tuinbouw) en nijverheid (textiel (Leiden, Haarlem), scheepsbouw (Zaanstreek), aardewerk (Delft), drukkerij (Amsterdam)). Tot slot wendden de ‘handelskapitalisten’ hun revenuen niet alleen aan voor persoonlijk genot in de vorm van paleiswoningen aan de grachtengordel en de Vecht, maar voor een belangrijk deel ook voor productieve activiteiten zoals droogmakerijen (Beemster) en veenontginning (Heerenveen).

De teloorgang van de toonaangevende positie van de Republiek op commercieel gebied bracht het ooit zo welvarende Holland in de eerste helft van de negentiende eeuw aan de bedelstaf [4]. Het handelsimperium ging verloren en Nederland miste de Eerste Industriële Revolutie doordat een concentratie van winbare steenkool en ijzererts hier ontbrak [5]. Handel en nijverheid waren daardoor geen partij voor de industrialiserende buurlanden. Alleen de agrarische sector in Laag-Nederland kende hoogtijdagen dankzij de export naar de sterk groeiende Britse Eilanden. Aan Hoog-Nederland ging zowel de opgang als de neergang van de kustprovincies goeddeels voorbij. Tot ver in de negentiende eeuw waren de zandgronden in het oosten en zuiden van het land voornamelijk zelfvoorzienend en nauwelijks aangesloten op bovenlokale handelsnetwerken. Zij maakten daardoor geen deel uit van de internationale economie.

Voetnoten

[1] De noordelijke Nederlanden gezamenlijk waren in het midden van de zestiende eeuw mogelijk goed voor de helft van het scheepstonnage in Noordwest-Europa.

[2] Holland maakte rond een kwart uit van het oppervlak van de Republiek.

[3] Rond 1780 telde Amsterdam ruim 220.000 inwoners. Daarmee was het na Londen, Parijs en Napels de grootste stad van Europa.

[4] In steden als Leiden leefde in de jaren twintig van de negentiende eeuw de helft van de –inmiddels sterk gekrompen– bevolking van ‘de bedeling’. Een ‘maatschappij voor weldadigheid’ werd in het leven geroepen om deze ‘paupers’ op de veengronden in het noorden een nieuw, beter bestaan te bieden.

[5] De Duitse dichter Heinrich Heine zou hebben gezegd: ‘‘Als de wereld vergaat, ga ik naar Holland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later.”

Een nieuwe start na 1850

Nederland was in het midden van de negentiende eeuw een van de armste landen van Europa en de in 1815 gevestigde Staat der Nederlanden verkeerde decennialang op de rand van bankroet. Maar dezelfde factoren die eeuwen daarvoor tot de opkomst van Holland leidden –de ligging in de Rijn- en Maasdelta en de handel– voorkwamen anderhalve eeuw geleden dat ons land blijvend tot de achterhoede van Europa ging behoren.

In de eerste plaats kreeg Rotterdam dankzij de rationalisering van de loop van de grote rivieren [6] als poort voor de opkomende Duitse industrie de overhand ten opzichte van Antwerpen. De Rijn- en Maasmond ontwikkelde zich niet alleen tot de grootste overslaghaven van Europa, maar werd ook een centrum van afgeleide activiteiten in de scheepsreparatie, scheepsbouw, bagger en machinebouw en later in de olieraffinage en chemische industrie. Vervolgens kwamen ook de Zeeuwse havens, de IJmond en Delfzijl tot ontwikkeling. In de logistiek en de daarvan afgeleide sectoren was Rijnmond weldra veruit de meerdere van Amsterdam, maar de hoofdstad bleef dankzij de concentratie van welvarende handelaren met internationale banden het centrum van de (internationale) handel en de financiële dienstverlening in ons land. Naast beide havensteden ontwikkelde Den Haag zich met de vorming van de bureaucratische eenheidsstaat tot het derde stedelijke centrum in ons land. Zowel in deze ‘grote drie’ als in de kleinere (Hollandse) steden kwam met de komst van kleinere, lichtere stoommachines en elektromotoren de industrialisatie van de oude nijverheid op gang, zoals de textiel in Leiden en de voedingsmiddelenindustrie in de Zaanstreek.

Voetnoot

[6] Doordat de grote rivieren voortdurend hun bedding met sediment opvulden, waren zij in het midden van de negentiende eeuw praktisch onbevaarbaar geworden. Bovendien stonden Rivierenland en het lage deel van Noord-Brabant een groot deel van het jaar blank omdat het rivierwater zijn weg zocht in de lage komgebieden. Door verbetering van de afvoer benedenstrooms –de Nieuwe Merwede bij Dordrecht en de Nieuwe Waterweg bij Maassluis– waren na 1870 beide euvels binnen de kortste keren verholpen.

De opkomst van Hoog-Nederland

In de tweede plaats kon Nederland dankzij de aanleg van kanalen en spoorlijnen profiteren van de vrije toegang tot de sterk groeiende Britse en later Duitse markt voor agrarische producten. Zowel door deze kans als door de nood tijdens de Grote Agrarische Depressie [7] kwam in Laag- en Hoog-Nederland een grote, gespecialiseerde agrarische sector en agrarische veredelingsindustrie met ondersteunende diensten (landbouwonderwijs, landbouwkredietcoöperaties) tot stand. De zandgronden vormden dankzij de lage lonen en de sterk groeiende bevolking een aantrekkelijke arbeidsmarkt voor arbeidsintensieve industrie (textiel, metaalwaren en elektrotechnische industrie). Bovendien begon rond 1900 de exploitatie van de steenkoolvoorraad in Zuid-Limburg.

In enkele decennia groeiden de zandgronden en de ontgonnen veengebieden in het noorden, oosten en zuiden van het land uit van een in zichzelf gekeerd gebied tot een kleurrijk palet van sterk groeiende en gespecialiseerde regio’s: textiel- en leerindustrie in regio’s met een traditie van huisnijverheid (Midden-Brabant en Twente), suikerindustrie (West-Brabant), strokarton en aardappelmeelindustrie (Groningen en Drenthe), elektrotechnische en machine-industrie (Oost-Brabant), mijnbouw (Zuid-Limburg) en varkens-, vee- en pluimveeteelt op de kleine boerenbedrijven tussen deze opkomende industriesteden. Door deze ‘boom’ nam het aandeel van deze ‘landprovincies’ in de Nederlandse bevolking en economie sterk toe.

Voetnoot

[7] Het op gang komen van de import van graan uit de VS in het laatste kwart van de negentiende eeuw deed de graanprijzen in Europa kelderen en veroorzaakte bittere armoede op het Europese platteland. Europese boeren reageerden met specialisatie op tuinbouw en veeteelt, kwaliteitsverhoging en een massale trek naar de steden.

Structuurverandering

De voortdurende stijging van de arbeidsproductiviteit in landbouw en industrie sinds het einde van de negentiende eeuw bracht Nederland qua welvaart nog voor de Tweede Wereldoorlog terug in het midden van onze buurlanden. Daarmee had ons land niet alleen zijn late industriële start goedgemaakt, maar nam het voor het eerst in de geschiedenis in zijn geheel deel aan de economische ontwikkeling. Het is onder dit gesternte dat Nederland in de jaren zeventig in veertig Corop-regio’s werd ingedeeld, waarvoor de regionaal-economische prognoses worden opgesteld. Deze regio’s bestaan uit een kerngemeente met ommeland die tezamen een min of meer zelfstandig arbeidsmarkt- en verzorgingsgebied vormen. Onder invloed van de mondialisering van de economie, de mechanisering en automatisering in de landbouw en de industrie en de ‘verdienstelijking’ op de arbeidsmarkt trad echter een drastische wijziging op in het regionale patroon.

Onder invloed van concurrentie uit landen met lagere (loon-)kosten en door mechanisering en automatisering ging na de Tweede Wereldoorlog een groot deel van de arbeidsplaatsen in de (arbeidsintensieve) industrie in ons land teloor. Onder andere de kolenmijnbouw en de textiel-, schoenen-, strokarton-, aardappelmeel-, auto-, vliegtuig- en scheepsbouwindustrie en in mindere mate de voedingsmiddelen-, elektrotechnische en machine-industrie dolven voor een groot deel het onderspit in de internationale concurrentieslag. Nederland telt nog steeds zeer productieve, hoog-technologische, innovatieve en mondiaal concurrerende industriële ondernemingen die uit deze verdwenen sectoren resteren of er uit zijn voortgevloeid [8]. Deze en talrijke andere industriële bedrijven leveren een grote bijdrage aan de toegevoegde waarde die in ons land tot stand wordt gebracht, maar het aantal arbeidsplaatsen in deze ondernemingen is relatief klein. Hetzelfde geldt voor de intensieve tuinbouw en veeteelt en voor de logistieke sector.

Hoewel deze voormalige industrieregio’s nog altijd tekenen van hun oude specialisatie vertonen (figuur 1), verdween met de teloorgang van de industrie voor een groot aantal regio’s de basis onder hun werkgelegenheid, zowel in Hoog-Nederland als in de Rijnmond. Ook in deze voormalige industrieregio’s is de ‘verdienstelijking’ inmiddels ver voortgeschreden, maar de diensten hier hebben –anders dan in de Noordvleugel van de Randstad– minder een internationale oriëntatie en zijn meer lokaal verzorgend. Een groot deel van Noordoost-Nederland, delen van het zuiden van het land en in mindere mate ook Zuid-Holland-Zuid vertonen een relatief zwakke werkgelegenheidsontwikkeling doordat de ‘nieuwe economie’ het verdwijnen van de agrarische en industriële werkgelegenheid in onvoldoende mate compenseert. Een halve eeuw industrie- en regionaal beleid, in de vorm van ondersteuning van individuele bedrijven, subsidies op investeringen, spreiding van rijksdiensten en vestiging van universiteiten, heeft de relatieve economische neergang van deze regio’s niet kunnen stuiten. In een aantal ervan daalt inmiddels ook de bevolkingsomvang, waardoor op den duur ook de basis onder de verzorgende diensten weg zal vallen. Alleen Oost-Brabant lijkt dankzij het complex van moderne, internationaal concurrerende industrie en de hiervan afgeleide grootstedelijke dienstverlening definitief tot de kernregio’s van het land te zijn toegetreden.

Figuur 1: Concentratie-index werkgelegenheid industrie 2012

Figuur 1: Concentratie-index werkgelegenheid industrie 2012

Bron: NEHA, PBL; bewerking Rabobank

Voetnoot

[8] Enkele voorbeelden van Nederlandse industriële topbedrijven in alfabetische volgorde: ASML, DAF, Damen, DSM, NedCar, Nutreco, Philips, Stork en Ten Cate.

De Hollandse renaissance

Ondanks de teloorgang van de industriële werkgelegenheid ontwikkelde Nederland zich in de tweede helft van de twintigste eeuw toch (weer) tot een van de rijkste landen van Europa. De sterke werkgelegenheidsgroei die aan deze snelle welvaartsontwikkeling ten grondslag lag, kwam voor het overgrote deel voor rekening van de commerciële dienstverlening (detailhandel, horeca, financiële sector, juridische en economische adviesverlening, ICT en (nieuwe) media) en de gezondheidszorg. Terwijl detailhandel, horeca en zorg het vestigingspatroon van de bevolking volgen, gedijen de sectoren uit de ‘nieuwe economie’ het beste in een ‘grootstedelijk productiemilieu’. Bij deze vaag gedefinieerde vestigingsplaatsfactor gaat het enerzijds om het aantal afnemers, leveranciers, concurrenten en consumenten in de nabijheid en anderzijds om de kenmerken van deze actoren –type activiteit, opleidingsniveau, leefstijl, inkomen, internationale oriëntatie– en om de kenmerken van de omgeving – ‘aantrekkelijk en gevarieerd binnenstedelijk milieu’.

Het aandeel van Holland en Utrecht in de Nederlandse bevolking en werkgelegenheid is sinds 1850 weliswaar afgenomen, maar de Randstad is nog altijd dé grote stad in ons land [9]. Sinds het begin van dit millennium neemt het aandeel van West-Nederland in de bevolking zelfs weer toe (figuur 2). In deze vaag gedefinieerde grootstedelijke regio zijn de vier grote gemeenten de werkgelegenheidskernen. Hoewel ze alle vier een typisch grootstedelijk karakter hebben, vertonen ze ieder ook een eigen specialisatie: dienstverlening (Groot-Amsterdam), openbaar bestuur (Groot-Den Haag), logistiek en productie (Groot-Rotterdam) en nationaal verzorgende diensten (Groot-Utrecht). De middelgrote en kleinere gemeenten [10] zijn alle in meer of mindere mate op de grote vier georiënteerd en dat geldt in zekere zin ook voor regio’s op de flanken van de Randstad [11]. De agglomeraties rond Amsterdam, Utrecht en Den Haag zijn qua ontwikkeling van de werkgelegenheid (in de dienstverlening) dynamischer dan Rijnmond.

Figuur 2: (Prognose) aandeel provincies in de Nederlandse bevolking 1830-2040Figuur 2: (Prognose) aandeel provincies in de Nederlandse bevolking 1830-2040

Bron: NEHA, PBL; bewerking Rabobank

Voetnoten

[9] De vier westelijke provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland zijn goed voor bijna acht miljoen inwoners, bijna vier miljoen banen en een toegevoegde waarde van driehonderd miljard euro. Op basis van bevolkingsomvang en economisch gewicht vormt de Randstad samen met Milaan en Madrid het tweede echelon –na Londen en Parijs– onder de grootstedelijke regio’s in Europa.

[10] Hier gaat het om de Corop-regio’s Zaanstreek, Gooi, Zuid-Kennemerland, Leiden en Bollenstreek, Delft en Westland, Drechtsteden, Zuid-Holland-Oost, Eemland, Utrecht-West en Zuidoost-Utrecht.

[11] Hier gaat het om de Corop-regio’s Noord-Kennermerland, de Kop van Noord-Holland, Flevoland, Veluwe, SAN, West-Brabant.

Een bestendig patroon

Al met al is de Nederlandse regionale structuur in de afgelopen eeuwen nauwelijks gewijzigd. Nederland is weliswaar veel rijker geworden en het gehele land is nu geïntegreerd in de wereldeconomie, maar ondanks een eeuw van industriële opkomst en verval in Hoog-Nederland ligt het zwaartepunt nog altijd in het westen van het land. Net als eeuwen geleden vormt ‘communicatie’ met andere delen van de wereld –toen in de vorm van handel, nu in de vorm van handel en dienstverlening– nog altijd het kenmerk van de Nederlandse economie en nog altijd is deze activiteit geconcentreerd in West-Nederland.

Delen:
Auteur(s)

naar boven